Steden GRIEKENLAND

Populaire bestemmingen GRIEKENLAND

GRIEKENLAND   

Prehistorie en bronstijd

Al in het paleolithicum, de oude steentijd, werd Griekenland bevolkt door mensen die van de jacht en het verzamelen van vruchten leefden. Vanaf ca. 8000-7000 v.Chr. werd de landbouw en de domesticering van dieren vanuit het Midden-Oosten naar Griekenland overgebracht.
De belangrijkste vondsten uit het neolithicum (ca. 6000-3000 v.Chr.) stammen uit de streek Thessalië, met name uit de nederzetting Sésklo. Bijzonder is dat men hier een achthoekig huis heeft gevonden. Tot die tijd werden er voornamelijk ronde huizen gebouwd. De handgevormde keramiek die hier gevonden is, is ook terug te vinden in andere Griekse streken.
Met de bronstijd (ca. 3000 v.Chr.) begint de Helladische cultuur op het Griekse vasteland. Het brons werd ingevoerd uit Klein-Azië en wordt nu op verschillende plaatsen gevonden. Rond 1900 v.Chr. komt de vorming van het Griekse volk goed op gang als er zich verschillende Indo-Europees sprekende stammen verspreiden over het hele Griekse grondgebied. Bekende namen als Olympia, Mycene en Tiryns behoren tot de vindplaatsen. Deze immigranten brachten de oudste fase van de Griekse taal mee en andere cultuurelementen die later zo bekend zouden worden, zoals bijvoorbeeld de hemelgod Zeus.
Deze volkeren werden ook sterk beïnvloed door de Minoïsche cultuur die op dat moment op Kreta furore maakte. De combinatie van deze twee culturen leidde in het laat-Helladische tijdvak tot een hoogtepunt in de Myceense cultuur. De dominantie van de Myceense cultuur op het vasteland betekende nog lang geen staatkundige eenheid; waarschijnlijk stond aan het hoofd van elk district een priester-koning die aan de top stond van een paleisbureaucratie.
In deze periode ontwikkelde zich tussen Kreta en het Griekse vasteland de eilandengroep Cycladen als vertrekpunt voor de handelsconnecties die in zowel het oosten als het westen aangegaan werden.

De "dark ages" (ca. 1200–800 v.Chr.)

O.a. door de grote volksverhuizingen rond 1200 v.Chr. was de Myceense cultuur ten onder gegaan en begon in Griekenland de ijzertijd en was de vorming van het historische Griekse volk voltooid. Cultureel was er een terugval en over de historische ontwikkelingen in deze tijd is niet veel bekend, vandaar de term "donkere eeuwen". Aan het einde van dit tijdperk ontstond wel het wereldberoemde epos van Homerus, Ilias & Odyssee.
In deze periode vielen de Doriërs Griekenland binnen en weken de Ioniërs uit naar de eilanden in de Egeïsche Zee en de kust van Klein-Azië. Net als op Kreta ontstond daar de typische Griekse staatsvorm, de polis. Deze staatsvorm zou ook vrij snel op het Griekse vasteland zijn intrede doen. De polis was een aristocratische regeringsvorm die steunde op grootgrondbezit of wat daarvoor moest doorgaan. De adel kreeg wel concurrentie van een klasse die fortuin gemaakt had met de handel.
In deze tijd ontstond ook het alfabetische schrift, min of meer overgenomen van het zeevaardersvolk der Foeniciërs. Het sociale milieu werd nog beheerst door de "phyle", de oude stamverbanden, die nog dateerden uit de Helladische periode.

Het kolonisatietijdperk (ca. 800/750–600 v.C.)

In deze periode veranderde er veel, o.a verdween het koningschap, behalve in Sparta. Steeds belangrijker werden de handel (opkomst muntgeld) en ook een vorm van industrie stak de kop op. De middenstand werd een nieuwe klasse en zou de kern van het leger worden. Als gevolg daarvan ging men ook politieke eisen stellen.
Toch ontwikkelden de industrie en de handel zich niet snel genoeg en er ontstond voedselgebrek door de o.a. de schrale bodem en dit leidde tot overbevolking en grote spanningen op politiek en sociaal gebied. Hierdoor ontstond een enorme kolonisatiebeweging waarbij de Grieken zich vestigden aan haast alle kusten van het Middellandse-Zeegebied. De opkomst van Perzië, Carthago en Etrurië maakte een eind aan deze bewegingen. Op politiek en militair terrein ontwikkelde Sparta zich tot de machtigste staat en op cultureel gebied voerde Ionië de boventoon.

De zesde eeuw v.Chr.

Door de sociale en politieke spanningen stonden de meeste staten onder leiding van een "tyrannos", machtige mannen uit de aristocratie, die met steun van de bevolking de alleenheerschappij naar zich toe trokken. Alleen Sparta, dat vrijwel de hele Peloponnesos had verenigd in een militaire bond, wist zich hieraan te onttrekken.
In deze eeuw deed ook Athene steeds meer van zich spreken. In het kolonisatietijdperk had het geheel Attica al tot één grote polis verenigd en men voelde dan ook geen noodzaak om aan het koloniseren mee te doen. Solon, die ook een groot aantal wetten ontwierp, probeerde de economische problemen op te lossen door de handel en de industrie te stimuleren maar dat lukte nauwelijks. Daardoor staken ook in Athene sociale spanningen de kop op en was de komst van een tiran onvermijdelijk (Pisistratus). Op cultureel gebied ging Athene ook voorop lopen en verder bleven Ionië en de Griekse gebieden in het westen, Sicilië en Zuid-Italië, belangrijk.
Dit was ook de bloeitijd van de Olympische en Pythische spelen in samenhang met de verering van gemeenschappelijke goden. Clisthenes stichtte op het einde van de 5e eeuw v.Chr. in Athene de democratie.

De vijfde eeuw v.Chr.

In 500 v.Chr. brak in Klein-Azië een opstand uit van de Ioniërs geholpen door Athene tegen het Perzische rijk van koning Darius. Darius stuurde daarop een strafexpeditie naar Athene die echter totaal mislukte bij Marathon in 490 v.Chr. Daarmee begonnen de Perzische Oorlogen, de grote krachtmetingen tussen oost en west. In 480-479 v.Chr. verloor Xerxes, de zoon van Darius, de belangrijke slagen bij Salamis en Plataeae en was de vrijheid gered o.a. door de voorbeeldige samenwerking tussen Athene en Sparta.
Zowel Athene als Sparta eisten de overwinning op, waardoor de rivaliteit tussen de beide steden weer gevaarlijke vormen aannam. In 431 v.Chr. mondde die spanning ten slotte uit in een oorlog die de hele Griekse wereld verdeelde. In de tweede helft van de oorlog die van 413 tot 404 v.Chr. duurde won Sparta met behulp van de Perzen de strijd. Athene en Sparta waren echter zo verzwakt door de oorlog dat Thebe in het machtsvacuüm sprong en in 371 v.Chr. zelfs het onoverwinnelijk geachte Sparta op eigen bodem versloeg. De heerschappij duurde maar kort want het Macedonische Rijk was zich in deze tijd aan het uitbreiden.

De vierde eeuw v.Chr.

Athene herstelde zich snel van de nederlaag, maar het grote imperium, ontwikkeld uit de Delisch-Attische Zeebond, was verloren gegaan. Sparta domineerde echter in die tijd met behulp van de sluwe Perzen. De bevolking was hierover echter niet te spreken en er ontstond een serie conflicten tussen de staten onderling waarvan de Korinthische Oorlog zeer bekend werd. Ook werd de Tweede Attische Zeebond opgericht.
Door de handel en de industriële ontwikkeling nam de welvaart toe, maar de rijkdom werd grotendeels verspild aan oorlogvoering en belegd in het houden van slaven. Verder ontstond er een groep ontheemden, b.v. ballingen, die zich aan de meest betalende als huursoldaten verkochten. De polis konden al deze problemen niet oplossen dus samenwerking was geboden en er ontstond langzamerhand een Pan-Helleense gedachte met als doel eenheid onder de Grieken en wraak op de grote vijand Perzië.
De Grieken werden echter afgetroefd door Philippus II van Macedonië. Onder zijn hegemonie werd een coalitie van Griekse stadstaten waaronder Athene, verslagen in de slag bij Chaerona in 338 v.Chr. Na de moord op Philippus trad zijn zoon Alexander de Grote in de voetsporen van zijn vader en veroverde het Perzische rijk. Cultureel was het een bloeiperiode van de retorica en de wijsbegeerte en ging de beeldende kunst niet over de goden maar over het menselijk schoonheidsideaal.

Het hellenisme en de Romeinse periode

Het optreden van Alexander de Grote zorgde ervoor dat de stadstaten uit hun zelfgekozen beslotenheid kwamen en begon de Griekse cultuur aan een triomftocht. De politieke macht werd verdeeld na de zogenaamde "Diadochenoorlogen" door de opvolgers van Alexander de Grote.
Die strijd mondde in de 3e eeuw v.Chr. uit in drie rijken, het Ptolemeïsche Egypte, het Seleukische Syrië, waarvan Perzië een onderdeel was, en Macedonië onder de nakomelingen van Antigonus de Eenogige. De oosterse elite in de steden werd door de emigratie van Griekse handelaars, kolonisten en Mecedonisceh garnizoenen snel gehelleniseerd, zodat het "koiné", een verbastering van het klassieke, Attische Grieks, de "lingua franca" (voertaal) werd van het Midden-Oosten. Deze verbreiding van de Griekse cultuur wordt het hellenisme genoemd.

De Grieken hadden ondertussen niet gemerkt dat er vanuit het westen een grote gevaarlijke mogendheid ontstaan was; de Romeinen. Zij bemoeiden zich al snel met de politieke en militaire strijd in Macedonië en Griekenland. Vanaf 215 v.Chr. startten de Romeinen militaire acties die in 196 v.Chr. met de beëindiging van de Macedonische heerschappij over Griekenland werden afgerond.
De Romeinen kwamen al snel in conflict met de Achaiïsche Bond waarop Korinthe in 146 v.Chr. verwoest werd, de Achaiïsche Bond ontbonden en Griekenland ingelijfd bij de "provincia" Macedonië. Zeer opmerkelijk was dat de bovenlaag van de Romeinse maatschappij vrij snel gehelleniseerd werd en veel Griekse ideeën en filosofieën overnam.
Onder Octavianus werd Griekenland de zelfstandige provincie Achaia, maar ging de politieke vrijheid verloren en de economische toestand achteruit. Op intellectueel gebied werden er echter nog steeds grote prestaties geleverd door wijsgeren en schrijvers, waar zelfs jonge Romeinse intellectuelen naartoe trokken.

De Byzantijnse periode (330–1204)

Net als in de Romeinse tijd bleef de Griekse taal en cultuur de basis voor de Byzantijnse beschaving maar speelde het als politiek en militaire macht een ondergeschikte rol in het Byzantijnse Rijk. Kort voor 400 werd Griekenland bezet door de Visigoten en in de 6e en7e eeuw richtten Slavische horden in Macedonie, Thessalie en Epirus vele verwoestingen aan. Zij vestigden zich in het land en koloniseerden in de achtste eeuw de Peloponnesos.
Het gevolg van deze invasies was dat er zich een grote Slavischsprekende bevolking op Griekse bodem vestigde. Eind 7e eeuw werd Centraal-Griekenland ondergebracht in en aparte administratieve eenheid, een zogeheten "theme", die onder leiding stond van een militaire gouverneur. Omdat Byzantium de greep begon te verliezen werden er overal themes gecreëerd en vanaf 800 was er weer sprake van effectief bestuur vanuit Byzantium. In de 9e en 10e eeuw was een Griekenland een land zonder opvallende steden.
De kerstening van Slaven was succesvol, ook al doordat ze deelgenoot werden van de totale Griekse cultuur. In 1054 scheidde de oosterse of Grieks-orthodoxe Kerk, onder leiding van de patriarch van Byzantium, zich af van de kerk van Rome.
In de 10e tot de 12e eeuw vestigden de Walachen zich in o.a. Thessalië en Aetolië. Ondanks al deze vreemd elementen en de Saraceense zeeroverij vanuit Kreta, bleven de Griekse kuststeden economisch gezond door de zijde-industrie en door het vrachtvervoer in de oostelijke Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Door zware belastingen en feodale misstanden werd Griekenland op de rand van de afgrond gebracht. Daar kwam nog bij dat Venetië het handelsmonopolie in de Egeïsche Zee en de Zwarte Zee afgedwongen had door de hulp die het Constantinopel geboden had in de strijd tegen de Noormannen in Zuid-Italië.

De Latijnse periode en de Turkse opmars (1204–ca. 1460)

Na de Vierde Kruistocht werd het Byzantijnse Rijk in 1204 verslagen en viel Griekenland uiteen. Tot 1261 regeerde het Latijnse Keizerrijk van Constantinopel maar werd in 1261 heroverd door het Griekse keizerrijk Nicea-Byzantium, dat ook al het koninkrijk Saloníki had teruggewonnen. In 1262 werd de Peloponnesos opnieuw bezet door de Paleologen van Constantinopel.
In 1318 volgde Thessalië en in 1336 Epirus in het westen. In 1349 ging Epirus weer verloren aan de Serviërs. In 1354 vielen de Turken Europa binnen, en bezetten in 1393 Thessalië. Rond 1400 bezat het Byzantijnse Rijk alleen nog de hoofdstad Constantinopel, Saloníki en de Peloponnesos. Ook het hertogdom Athene van de Bourgondiër Othon de la Roche kende vele bezetters. In 1311 werd het door Catalaanse huurlingen veroverd; in 1388 kwam de Florentijnse bankiersfamilie Acciaiuoli aan de macht totdat het veroverd werd door de Turken in 1456. Ook het prinsdom Achaia-Moreia viel in 1461 aan de Turken toe, die vanaf die tijd vrijwel geheel Griekenland beheersten.
Ook de Griekse eilanden werden door vele verschillende machten bezet waaronder de Turken, de Venetiërs, de Genuezen en de johannieterridders. In tegenstelling tot de Turkse bezetting kreeg de Frankisch-Italiaanse overheersing in Griekenland bijna nergens een sterke greep op volk, cultuur of godsdienst.
Na de val van de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel in 1453 kende Griekenland opnieuw een centralistisch staatsbestel. In dit geval regeerden de Turken vanuit Sofia maar het zou nog tot 1566 duren voordat alle eilanden in de Egeïsche Zee veroverd waren. Kreta werd zelfs pas in 1669 veroverd en behoorde regelmatig tot Venetië.
Er vonden al snel opstanden plaats, met name tegen de Turkse gouverneurs die de bevolking onderdrukten en afpersten. De sultan van de Turken daarentegen liet de Grieken een grote mate van zelfstandigheid, met name de positie van de Griekse kerk werd niet aangetast. Met de verzwakking van het Osmaanse Rijk kon er een nationale beweging ontstaan, die bovendien geholpen werd door de grote mogendheden die zich tegen de Turken afzetten als een constante bedreiging. Ook de Franse Revolutie stimuleerde de opkomst van een nationaal besef. Het streven van de Grieken om los te komen van het in ontbinding verkerende Turkse Rijk, werd door de grote mogendheden in 1815 besproken op het Congres van Wenen, maar Engeland voelde er niet veel voor, omdat het de veroverde Ionische eilanden voor zichzelf wilde behouden.

De vrijheidsoorlog

In 1821 brak op de Peloponnesos een opstand tegen de Turken uit die het begin zou zijn van de onafhankelijkheidsoorlog. In deze strijd waren de diverse partijen regelmatig aan de winnende hand. De Turken werden gesteund door de Egyptenaren, en de Grieken werden gesteund door de Engelsen en kregen later ook nog militaire hulp van de Russen en de Fransen. In 1827 ging de Slag in de Baai van Navarino verloren voor de Turken en bij de Vrede van Adrianopel in 1829 erkende Turkije de onafhankelijkheid van Griekenland. Nafplion werd de hoofdstad, mar in 1834 koos men daarvoor Athene.
Pas in 1833 verlieten de Turken de Akropolis te Athene. Het noorden en de meeste eilanden waaronder Kreta bleven nog onder Turkse of Engelse overheersing.

Het onafhankelijke Griekenland

De kersverse staat was economisch zwak en politiek zeer verdeeld en werd sterk beïnvloed door Engelsen, Fransen en Russen. In feite wilde men het herstel van het Byzantijnse Griekenland met Constantinopel en Klein-Azië. De eerste “president”, Capodistrias, werd voor zeven jaar tot president benoemd, maar werd al in 1831 vermoord. De Engelsen wilden toen een Europese prins op de troon en in 1832 aanvaardde koning Lodewijk I van Beieren de Griekse kroon voor zijn zoon Otto, die in 1833 voor het eerst de Griekse bodem betrad.
Otto I was sterk voorstander van een centraal gezag en kwam daarmee in conflict met de aristocratie en de geestelijken die onder de Turken in de regio veel macht bezaten en dat nu dreigden kwijt te raken.
Een rebellie in 1843 – doorgevoerd door de ‘Russische Partij’ – dwong hem om aan Griekenland een constitutie te beloven. Ook werd de koning gedwongen om zijn Beierse minister te vervangen door Grieken. Deze grondwet werd in 1844 door de volksvertegenwoordiging aangenomen en door de koning aanvaard.
Tijdens de Krimoorlog leed Griekenland een echec; toen het opstanden in het nog Turkse Epirus en Thessalië wilde steunen, bezette een Engels-Frans vlooteskader Athenes haven, Piraeus (1854–1857). In oktober 1862 werd koning Otto door een opstand tot aftreden gedwongen. De volksvertegenwoordiging bood onder invloed van de Engelsen de troon aan, aan de Deense prins Willem van Denemarken, die koning werd onder de naam George I. Hij aanvaardde zijn regering op 31 oktober 1863 en zou regeren tot 1913. Als beloning en een soort huwelijksgeschenk kregen de Grieken van Engeland in 1864 de Ionische eilanden. In 1866 volgde er een opstand van de Kretenzers, gesteund door de Grieken, tegen de Turken.
Tegelijkertijd probeerden de Grieken om Epirus en Thessalië te verwerven maar werden hierin dwars gezeten door de grote mogendheden. In 1881 werden bepalingen uit het Congres van Berlijn verzilverd en werd het grootste deel van Thessalië en een klein stukje van Zuid-Epirus aan Griekenland toegewezen. In 1896 wederom een opstand op Kreta en nu stuurde Griekenland troepen naar Macedonië alwaar de Grieken een grote nederlaag leden. Ook nu legden de grote mogendheden de Grieken een regeling op: Turkije kreeg enkele grenscorrecties in het noorden maar moest toestaan dat Kreta autonoom werd met een zoon van de Griekse koning als gouverneur.

Na een aantal opstanden trad deze in 1906 af en beslisten wederom de grote mogendheden over het lot van Kreta. De Grieken beschouwden deze inmenging als een grote vernedering en dit veroorzaakte een golf van nationalisme, waardoor in 1910 Venizelos minister-president werd. Pas na de Balkanoorlogen kon Griekenland zijn grondgebied uitbreiden met Macedonië, een deel van Zuid-Epirus en een aantal Egeïsche eilanden, waaronder Kreta.
Na de gewelddadige dood van George I in 1913 kreeg zijn zoon en opvolger Constantijn I te maken met de Eerste Wereldoorlog. Meteen ontstonden er problemen tussen de koning en Venizelos. De koning was een zwager van de Duitse keizer Wilhelm II, en hij wilde neutraal blijven. Venizelos koos voor de gealllieerden waarna in 1915 Venizelos door de koning ontslagen werd. In 1916 richtte hij in Saloníki een tegenregering op. Tegelijkertijd blokkeerden de gealllieerden de kust van het aan Constantijn trouw gebleven midden en zuiden van het vasteland.
In juni 1917 werd Constantijn gedwongen om af te treden ten gunste van zijn zoon Alexander en werd Athene bezet door de Fransen. Venizelos vestigde zijn gezag nu in het hele land en verklaarde in juni 1917 de oorlog aan Duitsland. Griekenland nam in de herfst van 1918 deel aan het offensief dat leidde tot de capitulatie van Bulgarije in 1918.

Bij het verdrag van Neuilly in november 1919 verwierf Griekenland het Bulgaarse westelijk Thracië. Het Vredesverdrag van Sèvres in 1920 bepaalde dat de Grieken Europees Turkije en Smyrna (nu: Izmir) zouden krijgen. De Turken, onder leiding van Kemal Atatürk, weigerden hieraan mee te werken. Na de dood van koning Alexander in oktober 1920 en de terugkeer van Constantijn werd Venizelos terzijde geschoven. Alleen Engeland steunde de Grieken nog in hun streven naar expansie in Klein-Azië en dat leidde tot een verpletterende nederlaag in 1922 tegen de Turken.
De koning trad af ten gunste van zijn zoon George II die op zijn beurt weer in 1923 werd afgezet. Bij de vrede van Lausanne in 1923 werd besloten tot een grootscheepse Grieks-Turkse bevolkingsruil en moest Griekenland berusten in de annexatie van de Dodekánesos door Italië. Dit gedeelte van het huidige Griekenland was al in 1912 door Italië op de Turken veroverd. Verder moesten de Grieken Adrianopel en Smyrna aan Turkije teruggeven.
In de jaren twintig van de vorige eeuw bleef Griekenland een land van grote politieke tegenstellingen en in 1924 werd het dan ook officieel een republiek met de militair Koundouriótis als president. Van januari tot augustus 1926 was er kort een militaire dictatuur onder generaal Pángoulos. Na de verkiezingen van 1928 kwam Venizelos weer aan het bewind en zich wist te verzoenen met Turkije. In de periode tot de Tweede Wereldoorlog werden de meeste kabinetten door de militairen ten val gebracht. In 1935 werd koning George II na een volksstemming uit zijn ballingschap teruggeroepen, maar al snel weer opgevolgd door de dictator Metaxas, een bewonderaar van Hitler en Mussolini.

Tweede Wereldoorlog en burgeroorlog

Voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak probeerde Metaxas vanwege economische motieven zowel Duitsland als Engeland te vriend te houden. In oktober 1940 vielen de Italianen Griekenland binnen maar stuitten op zeer felle tegenstand en konden alleen met behulp van de Duitsers in april 1941 Griekenland veroveren. In mei van datzelfde jaar werd ook Kreta veroverd door de Duitsers. Het grootste deel van het land werd bezet door Italië, Duitsland bezette o.a. Piraeus en Saloníki. Een klein deel van Griekenland werd door Bulgarije geannexeerd. De koning en de regering vluchtten naar het buitenland. Het bestuur was in handen van een aantal stromannen van de Duitsers, o.a. Tsolakoglou, Logothetopoulos en Rallis. Al snel ontstonden er allerlei verzetsbewegingen die elkaar zelfs beconcurreerden maar die wel nauw samenwerkten met de Britten.

De geëmigreerde koning en de regering hadden ondertussen weinig meer te vertellen en dit leidde met goedkeuring van de Britten in september 1944 tot een regering van "Nationale Eenheid" met als minister-president Papandreou, die zich op 18 oktober 1944 vestigde in Athene. De Britten waren in september al in Griekenland geland en eisten de ontbinding van alle guerilla-groepen. Een van deze groepen, de EAM, weigerde dit en de ELAS maakte zich meester van het grootste deel van Griekenland maar werd nog datzelfde jaar bedwongen door de Britten. Daarop trad Papandreou af en de koning wilde alleen terugkeren als het volk daar expliciet om zou vragen. Als gevolg van deze situatie werd de aartsbisschop van Athene tot regent uitgeroepen.
De strijd met de ELAS werd begin 1945 gestaakt na onderhandelingen maar de communisten bleven vanuit het noorden militair actief. In maart 1946 werden er verkiezingen gehouden en een volksstemming leidde in september tot de terugkeer van de Griekse koning George II.
De Dodekánesos en de door Bulgarije geannexeerde gebieden kreeg Griekenland weer terug bij de in 946 gehouden Vrede van Parijs. Ook de financiële schadeloosstelling door Italië werd hier geregeld. En daarbovenop kwam nog de hulp van de Verenigde Staten onder president Truman. Koning George II overleed in 1946 en wed opgevolgd door zijn broer Paul I. Onder zijn bewind kwam er in 1949 een einde aan de al jaren durende communistische opstand. In 1947 woedde de burgeroorlog op zijn hevigst; de regeringsgetrouwe troepen werden aangevoerd door Papagos; de goed bewapende communisten, geleid door de stalinistische "generaal" Markos, hielden strooptochten door het land en voerden o.a. 26.000 Griekse kinderen weg naar communistische buurlanden. In 1948 liep de strijd af door het infrijpen van een Engels leger, onenigheid onder de communisten, leveranties van Amerikaanse wapens aan de regeringstroepen en door gebrek aan wapens bij de communisten.
Belangrijk in deze jaren was ook de breuk tussen Stalin van Rusland en Tito van Joegoslavië in 1948 waardoor de Joegoslavisch-Griekse grens in 1949 gesloten werd.

De jaren vijftig en zestig

In 1952 trad Griekenland toe tot de NAVO en onder Papagos van de nieuwe partij "Griekse Concentratie" volgde een stabielere tijd en verbeterde de relatie met de buurlanden. In 1954 werd er zelfs een bondgenootschap gesloten tussen Griekenland, Joegoslavië en Turkije. Dit bondgenootschap had echter weinig kans van slagen, o.a. door de kwestie Cyprus waardoor de betrekkingen tussen Griekenland en Turkije explosief werden.
De Cypriotische beweging die aansluiting bij Griekenland nastreefde (enosis), leidde in 1954 tot relletjes in Griekenland zelf en de kwestie werd door Papagos aan de Verenigde Naties voorgelegd. In 1955 begon het conflict op het eiland onder leiding van Grivas te escaleren waardoor de betrekkingen tussen Griekenland en Turkije op een dieptepunt kwamen. In 1955 stierf Papagos en hij werd opgevolgd door Karamanlis, de leider van de nieuwe partij Nationale Radicale Zunie (ERE). Karamanlis probeerde het Cypriotische conflict via onderhandelingen op te lossen en bleef trouw aan de NAVO. In 1960 werd de Republiek Cyprus gesticht.
In 1963 trad Karamanlis af toen de koning een regeringsadvies om een staatsbezoek aan Engeland uit te stellen niet opvolgde. Ook de voortdurende inmenging van de kroon in de politiek was hem al langer een doorn in het oog.
In twee opeenvolgende algemene verkiezingen won de partij van de hervormingsgezinde Papandreou veel zetels in het parlement.
In mei 1965 werd er een geheime organisatie ontdekt van linkse legerofficieren, en waaraan de zoon van Papandreou steun zou hebben gegeven. Papandreou zelf wilde het leger zuiveren van "anti-democratische en fascistische figuren", in feite tegenstanders van hem. Koning Constantijn II, de opvolger van de in 1964 overleden Paul I, weigerde dan ook om ontslag te verlenen aan de minister van defensie, die een tegenstander was van Papandreou in het kabinet. In juli 1965 trad de regering-Papandreou af en vonden er heftige pro-Papandreou demonstraties plaats in heel Griekenland. Na de verkiezingen probeerde de koning kabinetten van anti-Papandreou mensen te vormen. De parlementair-constitutionele crisis bleef zo voortduren en op 21 april 1967 pleegde een groep ultrarechtse officieren een staatsgreep, de zogenaamde "kolonels".

Militaire regimes (1967–1974)

Constantijn legde zich bij de situatie neer en benoemde de politicus Kollias tot minister-president van een door militairen als Papadopoulos en Patakos beheerste regering. In december deed Constantijn een zwakke poging het regime ten val te brengen. Hierna vluchtte hij naar Italië om zich inballingschap te begeven en werd de militair Papadopoulos president en Zoitakis tot regent voor de gevluchte koning benoemd. In zijn eerste regeerperiode trok Papadopoulos steeds meer macht naar zich toe tot hij uiteindelijk in 1972 zelfs regent werd. Tenslotte riep hij op 1 juni 1973 de republiek uit en kwam er aan de monarchie definitief een einde.
Al op 25 november 1973 werd de regering Papadopoulos ten val gebracht door een aantal generaals o.l.v. brigadegeneraal Joannidis, een van zijn vroegere medestanders. Door de slechte economische situatie en door de afgang in de Cyprus-kwestie (de Turken landden in 1974 aan de noordkust van Cyprus terwijl het Griekse bewind machteloos moest toekijken) eisten een groot aantal officieren dat de militairen plaats moesten maken voor een burgerregering.

Herstel van de burgerregering

In juli 1974 werd besloten om oud-premier Karamanlis uit Parijs terug te roepen, en hij stelde een "kabinet van nationale Eenheid" aan. De grondwet van 1952 werd ook weer in werking gesteld en de staatsvorm zou door middel van een referendum gekozen worden.
De onderhandelingen met de Turken over Cyprus mislukten en in augustus 1974 Veroverden de Turken bijna 40% van het eiland, waarna de situatie aan de Verenigde Naties werd voorgelegd.
Op 17 november 1974 werden de verkiezingen met een ruime meerderheid (56%) gewonnen door de partij van Karamanlis, de Nieuwe Democratie (ND). Het derde kainet-Karamanlis hield een referendum over de staatsvorm en bijna 70% van de stemmers was tegen een terugkeer van de monarchie. In juni 1975 werd er een nieuwe grondwet aangenomen en werd K. Tsatsos de nieuwe president.
In de loop van 1976 namen de spanningen tussen Griekenland en Turkije weer toe en werd ook de status van Egeïsche Zee een meningsverschil. Ook de terugkeer van Griekenland in de bevelsstructuur van de Navo ging met veel problemen gepaard omdat ook Turkije lid was van het bondgenootschap. Pas in maart 1978 trad er enige verbetering op in de betrekkingen met Turkije.

Periode vanaf 1980

De verkiezingen van 20 november 1977 werden weer gewonnen door Karamanlis en in zijn vierde regeerperiode trad Griekenland toe tot de Europese Gemeenschap en werd hij in 1980 tot president gekozen. In 1981 werd de Panhelleense Socialistische Partij (PASOK) de grootste partij van het land en Andreas Papandreou minister-president. Zijn voorgenomen hervormingen, o.a. op sociaal gebied, konden maar gedeeltelijk gerealiseerd worden. In 1985 werd de partijloze Christos Sartzetakis tot president gekozen en verloor de PASOK bij de verkiezingen de absolute meerderheid. Als grootste partij mocht de PASOK echter wel doorregeren.
De verkiezingen van 1989 leverden weer geen winnaar op en tot april 1990 werd Griekenland geregeerd door een aantal interim-kabinetten. Konstantinos Mitsotakis lukte het om een ND-regering te formeren en Karamanlis werd weer tot staatshoofd gekozen. Vanaf 1990 leverden de vele vluchtelingen uit Albanië grote problemen op in Griekenland. De relatie met de andere EG-landen kwam onder druk te staan door de kwestie-Macedonië. De Grieken hielden de erkenning door de EG van de onafhankelijke republiek Macedonië tegen omdat men bang was dat de Macedoniërs aanspraken zouden gaan maken op de Griekse provincie met dezelfde naam.
In 1993 mocht ex-koning Constantijn Griekenland weer als "burger" bezoeken. In datzelfde jaar won de PASOK van Papandreou de verkiezingen en hij werd dan ook de nieuwe premier. In maart 1995 trad president Karamanlis af en werd opgevolgd door Kostas Stefanopoulos, een partijloze politicus.
De betrekkingen met Turkije bereikten een dieptepunt in januari 1996 over nota bene een piepklein onbewoond Grieks eilandje. Het ging zelfs zover dat er bijna een oorlog uitbrak tussen de twee landen. In juni overleed premier Papandreou die al in januari was opgevolgd door Konstantinos Simitis. In september werden er vervroegde verkiezingen gehouden die werden gewonnen door de PASOK, die haar meerderheid in het parlement behield.
In het slepende conflict met Albanië over de positie van de Griekse minderheid in dat land en de in Griekenland werkende Albanezen leek verbetering te komen door de ondertekening in maart 1996 van een vriendschapsverdrag. Op 23 juni 1996 overleed Papandreou.
De relatie met Turkije bleef gespannen. In februari 1997 dreigde Athene de uitbreiding van de Europese Unie met Oost-Europese landen te blokkeren, als de Turks-Cyprioten zouden mogen deelnemen aan de onderhandelingen over de toetreding van Cyprus. Tot zeer grote spanningen leidde het feit dat Griekenland in 1998 het omstreden Grieks-Cypriotische besluit tot aanschaf van Russische luchtafweerraketten verdedigde.
Griekenland wijzigde deze opstelling toen Turkije aankondigde de plaatsing als een oorlogshandeling te beschouwen. In juni 1998 dwarsboomde de Griekse regering een EU-voorstel voor economische hulp aan Turkije, waarmee de EU de betrekkingen met Turkije wilde verbeteren.

In februari 1999 arresteerden Turkse commando’s de Koerdische PKK-leider Öcalan, nadat hij de Griekse ambassade in Kenia, waar hij zijn toevlucht had gezocht, had verlaten. Ernstige fouten van Griekse zijde hadden de arrestatie mogelijk gemaakt en brachten de Griekse regering in een lastig parket, temeer daar de Griekse bevolking – die sympathiseert met de Koerdische onafhankelijkheidsstrijd – het voorval interpreteerde als een vernedering door aartsvijand Turkije. Premier Simitis ontsloeg drie ministers die hij mede verantwoordelijk hield voor de fouten, onder wie minister van Buitenlandse Zaken Theodoros Pangalos. Deze werd opgevolgd door Georgios Papandreou, de zoon van staatsman Andreas Papandreou.
Griekenland nam als lid van de NAVO in 1999 een dubbelzinnige houding aan in de Kosovo-oorlog. Het Griekse volk voelt zich traditioneel verbonden met het Servische dat ook het orthodox-christelijke geloof aanhangt. Een grote meerderheid van de Grieken was fel tegen de NAVO-aanvallen die vanaf eind maart op Servië werden uitgevoerd. De Griekse regering deed aanvankelijk een beroep op de NAVO de bombardementen te staken, maar moest onder druk van de Verenigde Staten haar positie herzien. Dit bracht premier Simitis in een netelige situatie, omdat hij de nationalisten in zijn partij tevreden moest zien te houden en anti-NAVO-acties in Griekenland voortduurden. De samenwerking met de NAVO ging dan ook niet van harte.
Begin 1999 viel het Grieks-Cyprische besluit af te zien van de plaatsing van Russische S300 luchtdoelraketten. Dit verminderde aanvankelijk de Grieks-Turkse spanningen. De Grieken kwamen echter niet onder hun contract met Rusland uit. Op 9 februari tekenden Cyprus en Giekenland een verdrag over de plaatsing van de raketten op Kreta. Turkije reageerde als door een wesp gestoken. De betrekkingen met Turkije verbeterden echter aanzienlijk nadat dit land op 17 augustus door een zware aardbeving werd getroffen. Griekenland kwam Turkije onmiddellijk rechtstreeks te hulp en steunde een EU-voorstel voor een grootschalig hulpprogramma. Minister van Buitenlandse Zaken Papandreou gaf de nieuwe koers vorm en startte een voorzichtige politiek van bilaterale samenwerking. Deze bereikte begin oktober 1999 een hoogtepunt tijdens een bezoek aan Turkije, toen Papandreou aankondigde dat Griekenland niet langer het Turkse lidmaatschap van de EU in de weg zou staan.

21e eeuw

Met ruime meerderheid koos het Griekse parlement op 8 februari 2000 Kostas Stefanopoulos voor een tweede termijn van vijf jaar tot president.
Bij de parlementsverkiezingen op 9 april 2000 werd Nieuwe Democratie in een spannende race verslagen door PASOK. PASOK behaalde 43,8% van de stemmen, tegenover 42,7% voor Nieuwe Democratie. De verkiezingsuitslag zorgde niet voor ingrijpende kabinetswijzigingen. Direct na zijn overwinning verklaarde premier Simitis dat hij politieke continuïteit nastreefde in verband met de gewenste Griekse toetreding tot de EMU en de toenadering tot Turkije. Op 25 april 2000 ging het parlement akkoord met het nieuwe regeringsprogramma, met onder meer als kernpunt versterking van de positie van Griekenland binnen de Europese Unie.
De verkiezingsoverwinning van PASOK stelde premier Simitis in staat zijn succesvolle economische bezuinigingspolitiek voort te zetten. In het voorjaar 2000 bedroeg de inflatie voor het eerst in 30 jaar slechts 2,9%. Hiermee kwalificeerde Griekenland zich voor deelname aan de Europese Monetaire Unie. Het Europees parlement nam op 18 mei 2000 met grote meerderheid een resolutie aan waarin werd gepleit voor Griekse toetreding tot de eurozone per 1 januari 2001. Op 19 juni volgde de officiële goedkeuring van de Raad van Ministers.
Sinds Griekenland en Turkije in 1999 werden getroffen door zware aardbevingen, is er sprake van voorzichtige toenadering tussen beide landen. In 2000 werden vijf samenwerkingsverdragen getekend op het gebied van economie, wetenschap, cultuur, maritieme handel en de douane. In oktober namen beide landen deel aan een gemeenschappelijke NAVO-oefening in de Egeïsche Zee, waarbij de geplande aanwezigheid van Griekse militairen en materieel op Turks territorium aanvankelijk als een doorbraak werd gezien.
De relatie kwam echter weer onder druk te staan toen een oud militair meningsverschil over het luchtruim van twee Griekse eilanden weer opspeelde. Uiteindelijk trok Griekenland zich terug uit de oefening. Sinds maart 2004 heeft ND een regering gevormd onder leiding van premier Karamanlis. Giorgos Papandreou is inmiddels leider van de oppositiepartij PASOK.
In februari 2006 heeft premier Karamanlis een herschikking van zijn regering doorgevoerd om zijn beleid nieuw leven in te blazen. Hierbij is o.a. de minister van Buitenlandse Zaken, Petros Molyviatis, vervangen door mw. Dora Bakoyannis.

Griekenland heeft helaas nog steeds te maken met geweld, dat wordt gepleegd door extreemlinkse (anarchistische) groeperingen. Eind 2005 werden o.a. aanslagen gepleegd op de Ministeries van Ontwikkeling en Financiën. Anarchisten veroorzaken in Athene vaak onrust, door banken en andere gebouwen in brand te steken met gasflesjes.

In september 2007 krijgt Karamanlis mandaat voor een nieuwe periode. In maart 2008 blokkeert Griekenland de toegang van Macedonië tot de NATO in verband met een ruzie over de naamgeving van deze voormalig Joegoslavische republiek. In december 2008 breken er ernstige ongeregeldheden uit nadat de politie een vijftienjarige jongen in Athene dood schiet. In oktober 2009 wint de Pasok de verkiezingen en wordt George Papandreou de nieuwe premier.

Eind 2009 begint de volle omvang van de Griekse schuldencrisis door te dringen.
Griekenland wordt niet langer kredietwaardig geacht vanwege de veel te hoge staatsschuld. Papandreou kondigt forse bezuinigingen aan, die tot rellen met de bevolking leiden. Er wordt hard ingegrepen in de publieke sector en de pensioenleeftijd gaat fors omhoog. In februari 2010 beloven de Europese regeringsleiders dat ze Griekenland gaan helpen bij het oplossen van de schuldencrisis, maar wel tegen harde voorwaarden. In april en mei komt er een gigantisch bedrag ter beschikking. Griekenland moet in ruil hiervoor nog harder bezuinigen. De vakbonden roepen op tot een algemene staking. Eind 2011 komt Papandreo in moeilijkheden en de technocraat Lucas Papademos wordt interim premier. Er zijn verkiezingen in mei 2012, maar er is geen duidelijke winnaar. President Papoulias schrijft nieuwe verkiezingen uit die gewonnen worden door nieuwe democratie, zonder dat ze een meerderheid halen. Antonis Samaras vormt een coalitie met onder meer de PASOK. In 2013 bereiken de werkgelegenheidscijfers nieuwe negatieve records. Meer dan 60% van de Griekse jongeren zit zonder werk. Er blijven bezuinigingen nodig, als gevolg hiervan wordt in juni 2013 de stekker uit de Griekse staatstelevisie gehaald. Eind 2013 zijn er problemen met de aanhang van de uiterst rechte partij de Gouden Dageraad. In december 2013 wordt de begroting voor 2014 goedgekeurd en komt er wellicht een einde aan zes jaar recessie. In mei 2014 wint Syriza, de radicaal linkse anti-bezuinigingspartij de Europese verkiezingen met 26,6% van de stemmen. In januari 2015 wordt Alexis Tsipras van Syriza de nieuwe premier in een coalitieregering met nationalisten. De jaren 2015 en 2016 staan in het teken van de schuldencrisis en de vluchtelingencrisis. De Europese centrale bank schiet de Grieken te hulp in ruil voor bezuinigingen. De Griekse eilanden worden overstroomd door vluchtelingen, de doorstroom naar de rest van Europa verloopt moeizaam. In de zomer van 2016 wordt er nog druk gesproken over schuldenverlichting voor de Griekse economie.


GRIEKENLAND LINKS

Advertenties
• Vakantie Griekenland
• Griekenland
• Griekenland Zonvakantie WTC
• SRC Cultuurvakanties Griekenland
• Cheaptickets Griekenland
• Griekenland Sawadee Reizen
• Autohuur griekenland
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Autoverhuur Sunny Cars Griekenland
• Transport Griekenland - TTS Quality Logistics B.V
• Griekenland Vliegtickets Tix.nl
• Griekenland reizen met kinderen
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Griekenland Hotels
• Griekenland Campings

Nuttige links

Campersite Griekenland (N)
Dieren in Griekenland (N)
Griekenland Foto's
Griekenland Foto's (2)
Griekenland Reisforum (N)
Griekenland Reisfoto's
Griekenland Reislocaties (N)
Griekenland Reisstart (N)
Griekenland Start België (N)
Reisfotografie
Reisinformatie Griekenland (N)
Reizendoejezo – Griekenland (N)
Rentvilla Vakantiehuizen Griekenland (N)
Romans over Griekenland (N)
Rondreis door Griekenland (N)
Startpagina Griekenland (N)
Vakantie Griekenland Jouwpagina (N+E)
Vakantiegriekenland.eu
Artikelen en Reisverhalen over GRIEKENLAND
  Vakantie Griekenland  Met de Motor van Landgraaf naar ..
  Bezoek het prachtige Zakynthos  Aghios Andreas Peleponessos
  Korfoe Corfu West Griekenland

Bronnen

DuBois, J. / Greece
Times Books International

Europese Unie : vijftien landendocumentaties
Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs

Gerrard, M. / Griekenland
Kosmos-Z&K,

Koster, D. / Griekenland
ANWB

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt August 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems