Populaire bestemmingen VERENIGD KONINKRIJK

ENGELAND   

Prehistorie en oudheid

Engeland Castlerigg Stone Circle

Het oudste bewijs van menselijke aanwezigheid in Groot-Brittannië stamt uit het Clactonien. Artefacten als vuistbijlen uit het vroeg- en middenpaleolithicum zijn alleen gevonden in het zuiden van Engeland. Noordelijke bewoningssporen zijn door verschillende ijstijden verloren gegaan. Na elke ijstijd kwam de zeespiegel lager te liggen dan de keer daarvoor, met als gevolg dat Groot-Brittannië in koude tijden vanuit het vasteland van Europa vrij over land toegankelijk was. Er was in die tijd dan ook sprake van één complex van verwante culturen van Oost-Engeland tot ver in het Baltische gebied.
Ca. 6000 v.Chr. werd Engeland definitief gescheiden van het Europese continent toen de laatste landbrug in de zuidelijke Noordzee onderstroomde. De eerste landbouwers kwamen vanuit Bretagne en Zuidwest-Frankrijk het zuidwesten van Engeland binnen en in enkele eeuwen tijd verbreidden boerennederzettingen zich tot in de uithoeken van alle eilanden.
Sinds 2500 v.Chr. wordt op de Britse eilanden de klokbekercultuur aangetroffen en uit eerdere periodes stammen de vele kenmerkende monumenten als steencirkels, vuursteenmijnen, steengroeven en megalithische monumenten, waaronder het wereldberoemde Stonehenge.
In de bronstijd ontstond er een rijke bronsindustrie en er werd druk gehandeld met volkeren tot aan de Middellandse Zee. Ook met ons land bestonden er handelsrelaties, getuige de bronsvondsten uit de Nederlands-Belgische Hilversumcultuur. Vooral uit de ijzertijd stammen de ronde boerenhoeves, een huistype geheel eigen voor Groot-Brittannië. Kenmerkend voor die tijd waren de op heuvels gebouwde ‘hill-forts’, centra voor de vele kleine stammen waaruit de samenleving in die tijd was opgedeeld. In de late ijzertijd werden deze forten omringd door wallen, waardoor men zich nog beter kon verdedigen tegen aanvallers. Vanaf ca. 500 v.Chr. werden de Britse bewoners van Zuid-Engeland verdrongen door Keltische stammen uit Gallië. De laatste waren de Belgae, die ca. 100 v.Chr. het Kanaal overtrokken en zich vestigden in Zuid-Engeland.

Britannia en de Romeinen

Ongeveer anderhalve eeuw later werd Groot-Brittannië, tot dan toe Albion genoemd, veroverd door de Romeinen, die het eiland op hun beurt Britannia noemden (later ook Brittania).
Nadat twee eerdere pogingen waren mislukt, werd op bevel van de Romeinse keizer Claudius vanaf 43 n.Chr. een expeditieleger op pad gestuurd dat Zuid-Britannia wist te veroveren. Onder de eerste stadhouder Aulus Plautius werd de provincie Britannia ingericht, omringd door vele vazalstaatjes. Ondanks hevig verzet werd van 77 tot 84 Wales en een gedeelte van Schotland veroverd, maar al snel moest een deel van de veroveringen in het noorden prijsgegeven worden. Om het Romeinse gebied te beschermen tegen de noordelijke Picten en Scoten, werden er grenslinies ingericht (‘limes’), waarvan de Hadrianuswal de bekendste is.
Door keizer Septimius Severus werd de provincie Britannia verdeeld in het westelijke Britannia Inferior en het oostelijke Britannia Superior.
Onder keizer Honorius werden in 401-402 de Romeinse garnizoenen, onder bedreiging van de Visigoten, uit Britannia weggehaald en in 407 was Britannia definitief door de Romeinen verlaten. In 410 berichtte dezelfde koning de Britanniërs dat Rome hen niet meer kon helpen tegen de voortdurende aanvallen van de Picten en Scoten in het noorden. Ook vanuit het oosten rukten in de loop van de 5e eeuw verschillende volken op richting Britannia, zoals Germaanse Angelen, Friezen en Saksen. Ze drongen geleidelijk aan naar het westen op en veel Britanniërs weken uit naar Bretagne en Normandië (‘Armorica’) op het vasteland.

Angelsaksen

De zogenaamde Angelsaksische volken vestigden zich in geheel Brittannië: de Saksen in Zuid-Engeland, de Juten in het uiterste zuidoosten en langs het Kanaal en de Angelen in heel Noord- en Midden-Engeland. Een paar Keltische koninkrijkjes in het westen wisten zich te handhaven. Toen deze volkeren zich goed en wel gevestigd hadden begon uiteraard de strijd om de hegemonie tussen de vele kleine rijkjes, waarvan Kent, Essex, Sussex, Wessex, East Anglia, Mercia en Northumbria de belangrijkste waren. Eind 6e eeuw behoorde het overwicht toe aan Kent en vanaf het einde van de 6e eeuw tot het einde van 7e eeuw aan Northumbria. In die tijd begon ook de bekering van de Angelsaksische volken op initiatief van paus Gregorius de Grote. In 679 ging de hegemonie van Northumbria over op het rijk Aethelred van Mercia, dat in de gehele 8e eeuw zeer machtig was en onder andere de opdringende Kelten in het westen tegenhield.

Vikingen

Begin 9e eeuw werd het koninkrijk Wessex steeds machtiger, maar had steeds vaker te lijden onder aanvallen vanuit Scandinavië door Vikingen en Denen. Onder koning Alfred de Grote (870-899) veroverden de Vikingen geheel East Anglia en de Oostelijke Midlands. Alfred wist wel de onafhankelijkheid van Wessex te bewaren en sloot in 886 een verdrag met de Deense koning Guthrum, waarbij een vastgesteld deel van Engeland werd afgestaan, dat later bekend zou worden onder de naam ‘Danelaw’. De koningen die na Alfred de Grote kwamen wisten hun machtsgebied weer langzaam uit te breiden naar Northumbria.
Onder koning Edgar (959-975) namen de invallen van de Vikingen af en wist het Oud-Engelse koninkrijk zich weer te herstellen. De Angelsaksen en de Scandinaviërs versmolten langzaam tot één volk. Tegen het einde van de 10e eeuw werd Engeland opnieuw aangevallen door de Denen en in 1016 werd de Deense koning Knut koning van geheel Engeland.
De bezetting van de Denen duurde echter niet erg lang en in 1042 kwam de dynastie van Wessex met koning Edward de Belijder (1042-1066) weer aan de macht. Hij overleed in 1066, waarna de macht over Engeland betwist werd tussen Harold, zoon van Godwin van Wessex, hertog Willem van Normandië en koning Harald III van Noorwegen. Een raad van wijzen, de ‘Witan’, besliste dat Harold van Wessex koning zou worden en hij werd dan ook gekroond. Onmiddellijk werd hij vanuit Noorwegen aangevallen, maar zou uiteindelijk verslagen worden door Willem van Normandië, de ‘Veroveraar’, in de Slag bij Hastings op 14 oktober 1066. Harold sneuvelde en het koninkrijk van Wessex bestond niet meer.

Normandiërs

Door deze ontwikkelingen waren Engeland en Normandië van 1066 tot 1204 via een personele unie met elkaar verbonden. Een groot nadeel voor Engeland was dat men ongewild betrokken raakte bij oorlogen en strijd op het vasteland van Europa. De Engelsen waren hier niet van gediend en er braken een aantal opstanden uit die echter door Willem de Veroveraar onderdrukt werden. De boeren in Engeland voelde de onderdrukking het meest want werden geregeerd door getrouwen van Willem de Veroveraar. In 1087 werd Willem opgevolgd door zijn zoon Willem II Rufus. Hij regeerde tot 1100, waarna hij op zijn beurt weer opgevolgd werd door Robert III, de oudste zoon van Willem de Veroveraar en diens opvolger in Normandië. Deze Robert werd in 1106 aangevallen en verslagen door zijn jongste broer Hendrik, koning van Engeland sinds 1100. Engeland en Normandië waren nu weer onder één koning verenigd. Hendrik probeerde om zijn dochter Mathilde aan iemand te koppelen zodat hij hem kon opvolgen indien dat nodig was. In 1135 was het zover, Hendrik overleed, maar zijn neef, Stefanus van Blois, eiste de troon op. Mathilde, op dat moment getrouwd met Geoffroy Plantagenet probeerde haar recht op de troon op te eisen, maar het gevolg was een heuse burgeroorlog. Sommige streken werden totaal verwoest en in 1148 gaf Mathilde de strijd op. In 1153 werd Stefanus echter gedwongen om Mathildes zoon Hendrik Plantagenet als opvolger te erkennen

Periode Plantagenet (1154-1399)

Hendrik II besteeg in 1154 de troon en hij probeerde de orde weer te herstellen en breidde ondertussen zijn macht uit in Ierland, Schotland en Wales. Hij werd opgevolgd door Richard I Leeuwenhart, die tot 1199 regeerde maar de meeste tijd doorbracht met gevechten tegen de Saracenen en ook de derde Kruistocht leidde.
Leeuwenhart werd opgevolgd door zijn jongste broer, Jan zonder Land, die Normandië en andere delen van Frankrijk definitief verloor aan de Fransen.
Jan overleed in 1216 en werd opgevolgd door zijn negenjarige zoon Henry III, met als regent Hubert de Burgh. Onder Henry III werd het Engelse koningschap weer in ere hersteld en op een nog hoger plan gebracht door Edward I, die onder andere Wales annexeerde en op bestuurlijk gebied een waar hervormer was. In 1295 kwam het zogenaamde ‘Model Parliament’ voor het eerst bijeen en dat was een belangrijke mijlpaal in de constitutionele geschiedenis van Engeland.
Edward I werd opgevolgd door zijn zoon Edward II, onder wie alles wat bereikt was verloren ging. Zo heerste er begin 14e eeuw anarchie tussen de koning en de oppositionele baronnen. Door een nederlaag in 1314 bij Bannockburn was het ook afgelopen met de invloed van Engeland in Schotland.
Onder de regering van Edward III woedde de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk en werd de macht van het parlement verder uitgebreid. Handel en nijverheid werden steeds belangrijker voor de economie van Engeland, maar deze positieve ontwikkeling werd wreed onderbroken door de pest die in 1348 uitbrak en het hele land ontwrichtte. Daar kwam nog bovenop dat de oorlog met Frankrijk ten koste ging van de economie, wat weer tot binnenlandse onrust leidde, waarna Edward opzij geschoven werd door zijn eigen zoon Jan van Gent. Dit alles leidde onder Richard II (1377-1399) en de aanvankelijk nog zeer machtige Jan van Gent in 1381 tot de grote Engelse boerenopstand.
Pas in 1389 nam Richard het heft volledig in handen en in 1397 voerde hij zelfs een soort staatsgreep uit die hem zeer veel macht opleverde. Aan dit despotische bewind werd een einde gemaakt door Henry Bolingbroke, een zoon van Jan van Gent, die in 1399 als Henry IV zelf koning werd, gelegaliseerd door het parlement. Hij regeerde tot 1413 en voerde constant oorlog met Frankrijk, evenals zijn opvolger Henry V. Na de grote overwinning op de Fransen bij Azincourt in 1415 werd Normandië heroverd en volgde hij de Franse koning Charles VI op. Henry werd opgevolgd dor zijn zoon Henry VI, onder wiens regering de Honderdjarige Oorlog werd beëindigd, maar binnenlands de zogenaamde Rozenoorlogen uitbraken, de strijd om de macht tussen de Huizen van Lancaster en York. Pas in 1471 werden de laatste Lancasters verslagen en greep Edward IV als eerste koning uit het Huis York de macht. Na de dood van Edward deed de voogd van Edward V, broer Richard, in 1483 een greep naar de macht. In 1485 werd Richard ten val gebracht door Henry Tudor, die als Henry VII koning werd en een definitief einde maakte aan de Rozenoorlogen tussen Lancaster en York.

Huis Tudor

Tijdens de regeerperiode van het Huis Tudor onderging Engeland vele veranderingen op godsdienstig, economisch en politiek gebied. Rond 1500 telde het land ca. 3 miljoen zielen in een overwegend agrarische samenleving. De steden waren nog vrij bescheiden in omvang en er vond een sterke assimilatie plaats tussen ‘gentry’ en koopliedenstand.
Onder Henry VIII voltrok zich in 1534 de ‘eerste’ Engelse reformatie, de breuk met de kerk van Rome. De over het algemeen anti-paapse bevolking in Engeland was daar zeker niet op tegen en het protestantisme won vanaf die tijd steeds meer terrein, ondanks tegenwerking van Henry VIII.
In deze tijd werd ook de ontbinding van de machtige kloosters voltooid, waardoor veel grond herverdeeld werd en in handen van leken kwam. De boeren profiteerden hier echter nauwelijks van en boerenopstanden kwamen dan ook regelmatig voor.
De lange regeerperiode van Elizabeth I (1558-1603) was de laatste van het Tudor-tijdvak en zij bevestigde de definitieve Engelse hervorming door de stichting van de Anglicaanse Kerk. Onder haar regering bereikte Engeland een enorme economische en culturele bloei en speelde in de internationale politiek een zeer belangrijke rol.

Stuarts en Burgeroorlog

Bij de dood van Elizabeth in 1603 stierf de Tudor-dynastie uit en zij werd opgevolgd door de koning van Schotland (James VI of Scotland), James I Stuart. Onder zijn bewind ontstonden er ernstige problemen van godsdienstige, financiële en politieke aard die onder Charles I (1625-1649) culmineerden in de Engelse Burgeroorlog (1642-1645), waarin de Engelse staatsman en streng puritein Oliver Cromwell als overwinnaar uitkwam. De zege van Cromwell over de koning, die bovendien nog terechtgesteld werd, bracht voor Engeland na een strijd tussen het leger en het parlement een militaire dictatuur. Na de onthoofding van de koning trad hij meedogenloos op tegen de katholieke Ieren en de presbyteriaanse Schotten die Karel II als koning erkenden, verenigde Engeland, Schotland en Ierland en regeerde als ‘Lord Protector’ vrijwel zonder parlement. Na de dictatuur van Cromwell (Interregnum) volgde de restauratie van het Huis Stuart en werden de afzonderlijke parlementen voor Engeland, Schotland en Ierland hersteld en het anglicanisme als staatsgodsdienst hersteld.

Restauratie en Glorious Revolution

Na de regeringsperiode van Charles II (1660-1685) ontstonden naar aanleiding van de opvolgingskwestie de zogenaamde Tories en Whigs. De Tories steunden de door het erfrecht wettige troonopvolger van de broer van Charles II, de katholieke James. De Whigs waren voor uitsluiting van katholieken.
Het bewind van James II (1685-1688) duurde maar kort. Hij probeerde zeer opvallend om de katholieken te bevoordelen, wat verzet opleverde van zowel de Tories als de Whigs. Zij zochten steun bij stadhouder Willem III van Holland, die getrouwd was met James’ dochter Mary. Via deze weg wilden zij het protestantisme en de vrijheid van Engeland redden. Op 5 november 1688 landde Willem (door de Engelsen William genoemd) in Engeland en James vluchtte naar Frankrijk. Deze paleisrevolutie leverde in 1689 de Bill of Rights op, wetten die versterking van het parlement betekenden, en de Act of Settlement van 1701, die de protestantse troonopvolging waarborgde. Hiermee was het definitief gedaan met het absolutisme in Engeland.
Willem werd in 1702 opgevolgd door zijn schoonzuster Anne (1702-1714). Haar regeringsperiode werd in beslag genomen door de Spaanse Successieoorlog en de strijd tussen de Tories en de Whigs. In 1707 werden door de Act of Union Engeland en Schotland verenigd tot een rijk met één parlement.
De tweede helft van de zeventiende eeuw betekende voor Engeland financiële, koloniale en commerciële expansie. Tekenend hiervoor waren de oprichting van de Bank of England in 1694 en de Londense Beurs in 1698. In India en Noord_amerika werden de eerste nederzettingen gevestigd, die later van vitale betekenis werden.

Huis Hannover

In 1714 besteeg George I als eerste koning van het Huis Hannover de Engelse troon, en werd opgevolgd door zijn zoon George II (1727-1760). Tot ongeveer 1760 beheersten de Whigs de binnenlandse politiek, daarna kwamen de Tories aan de macht. De feitelijke macht in de binnen- en buitenlandse politiek was echter in handen van Robert Walpole, die streefde naar vrede en verhoging van de welvaart. Toch lukte het Groot-Brittannië (i.p.v Engeland) niet om buiten de Europese oorlogen te blijven; men nam onder andere deel aan de Oostenrijkse Successieoorlog en de Zevenjarige Oorlog.
In 1760 werd George III koning en bij de Vrede van Parijs vielen Canada, Nova Scotia, Cape Breton Island en een aantal West-Indische eilanden aan Groot-Brittannië toe. Ook kreeg het de suprematie in Indië.
Van gigantische betekenis voor de wereldgeschiedenis was de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1775-1783), waarbij de Amerikaanse kolonies zich vrijvochten van Groot-Brittannië. Van grote betekenis was ook de Industriële Revolutie, die vooral aan het begin van de negentiende eeuw voor een ommekeer in de economische wereldgeschiedenis zorgde.
Hoewel de Franse Revolutie aanvankelijk bewondering oogstte in Groot-Brittannië, brak op 1 februari 1793 de Frans-Britse oorlog uit. In 1802 sloot Groot-Brittannië met Frankrijk de Vrede van Amiens, maar in 1803 volgden nieuwe vijandelijkheden. Engeland verwierf bij de definitieve vrede onder andere de Kaapkolonie, Ceylon (nu Sri Lanka), Malta en de Ionische Eilanden bij Griekenland.

19e eeuw

In de 19e eeuw bereikte Groot-Brittannië het toppunt van haar politieke en economische macht. De slavenhandel werd in 1807 afgeschaft, de slavernij pas in 1833. Na George IV (1820-1830) en William IV (1830-1837) kwam koningin Victoria uit het Huis Hannover aan de macht. De grote exploitatie van de arbeidersklasse had al geleid tot het oprichten van arbeidersorganisaties en in de tweede helft van deze eeuw kwam het politieke en economische liberalisme tot grote ontplooiing. Sinds de jaren zestig stonden alleen de conservatieven en de liberalen als politieke stromingen tegenover elkaar. De buitenlandse politiek stond in het teken van de Krimoorlog en de reactie op Italiaanse en Duitse politiek leidde tot een politiek van interventie en uitbreiding van de Britse wereldmacht. De tweede helft van de 19e eeuw werd vrijwel geheel beheerst door de conservatieve Disraeli en de liberale Gladstone.
In 1884 werden bijna alle volwassen mannen kiesgerechtigd tijdens het tweede ministerie van Disraeli 1874-1880) en werd er door hem een begin gemaakt met de imperialistische politiek van Groot-Brittannië. Eind 19e eeuw werden er verschillende politieke arbeiderspartijen opgericht, die zich in 1906 verenigden tot de Labour Party. Begin 20e eeuw bereikte het Britse Rijk het toppunt van zijn macht en regeerde over grote delen van Afrika, Azië en Noord-Amerika.

20e eeuw

In 1901 werd koningin Victoria opgevolgd door Edward VII van het Huis Saksen-Coburg en van 1905 tot 1915 regeerden de liberale premiers Campbell-Bannerman en Asquith. Noodgedwongen koos Groot-Brittannië in 1904 de zijde van Frankrijk middels de Entete Cordiale, en wist daardoor andere mogendheden in Europa op een afstand te houden wat betreft de hegemonie in de wereld.
In 1915 werd Groot-Brittannië meegesleept in de Eerste Wereldoorlog en in 1916 maakte een coalitieregering plaats voor een oorlogskabinet onder leiding van Lloyd George. Opmerkelijk was dat de toenmalige koning George V (1910-1936) al zijn Duitse titels opgaf en veranderde de naam van Saksen-Coburg in Windsor. Gedurende de Eerste Wereldoorlog werd de onafhankelijkheid van Ierland afgerond.
Na de oorlog kwam Groot-Brittannië voor zeer ernstige politieke kwesties te staan en door grote binnenlandse sociale onrust traden in de jaren ’20 en ’30 de eerste Labour-kabinetten aan. Eind jaren ’30 dreef de economische wereldcrisis alle politieke stromingen tot elkaar (kabinetten MacDonald, Stanley en Chamberlain) in een ultieme poging de zwaar gehavende economie enigszins te herstellen.
Het herstel was echter nauwelijks in gang gezet toen het fascistische Italië en het nationaal-socialistische Duitsland Groot-Brittannië in het nauw dreven. Eerst beleefde men nog een heuse koningscrisis waarbij Edward VIII werd opgevolgd door zijn broer George VI (1936-1952). Op buitenlands gebied was men vrijwel stuurloos en men sloot in 1938 zelfs nog een overeenkomst met Hitler-Duitsland, die waardeloos bleek te zijn. Ondanks bijna desperate pogingen tot bemiddeling raakte ook Groot-Brittannië betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Toen Hitler Polen binnenviel, antwoordde Groot-Brittannië samen met Frankrijk op 3 september 1939 met een oorlogsverklaring aan Duitsland. In mei 1940 vormde Winston Churchill een coalitiekabinet en nam de leiding van de oorlogvoering op zich.
Op het Europese vasteland, in Azië en in Afrika verliep de strijd aanvankelijk dramatisch, en verloren duizenden Britse soldaten het leven. Desondanks bleef Groot-Brittannië zich onder leiding van zijn grote politieke en militaire leiders Winston Churchill en generaal Montgomery handhaven. Ten slotte lukte het de geallieerden, waaronder vooral de Verenigde Staten, in mei 1945 Duitsland te verslaan.

Na de Tweede Wereldoorlog

De eerste verkiezingen na de oorlog werden glorieus gewonnen door Labour, onder leiding van Attlee. Gezondheidsdienst, verkeerswezen en mijnen werden genationaliseerd. Er werd in die eerste jaren na de oorlog ook begonnen met de dekolonisatiepolitiek, waarbij Groot-Brittannië zich onder andere terugtrok uit India en Birma.
In 1951 kwamen de conservatieven weer aan de regering en bleven dat tot oktober 1963, respectievelijk onder leiding van achtereenvolgens Churchill, Anthony Eden en Harold MacMillan. In 1952 werd George VI opgevolgd door zijn dochter Elizabeth II.
De eerste jaren van de periode MacMillan (januari 1957-oktober 1963) verliepen aanvankelijk vrij voorspoedig, maar de economisch-financiële politiek miste een vaste beleidslijn en vooral sinds 1962 steeg de werkloosheid onrustbarend. In 1961 besloot de regering MacMillan wel om toe
te treden tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG), maar stuitte in januari 1963 nog op het veto van Frankrijk, dat toen onder leiding stond van Charles de Gaulle.
MacMillan werd in oktober 1963 opgevolgd door Douglas-Home, maar de verkiezingen van november van dat jaar werden gewonnen door Labour onder Harold Wilson. Onder Labour bleven de economische problemen groot en de toetreding tot de EEG werd wederom geblokkeerd door Frankrijk. Ook waren er
weer veel problemen met (voormalige) kolonies, onder andere Rhodesië (nu Zimbabwe), dat zich in 1965 eenzijdig onafhankelijk verklaarde. De immigratie vanuit voormalige kolonies nam grote vormen aan en veroorzaakte veel problemen en rassentegenstellingen. Door al deze problemen brokkelde het prestige van de regering-Wilson steeds verder af, en de verkiezingen van 1970 leverden dan ook een overwinning op voor de conservatieven onder leiding van Edward Heath.
De regering-Heath kregen te kampen met ernstige sociale onrust, maar boekte wel een succes met de toetreding tot de EEG op 1 januari 1973.
In april 1976 werd Wilson, die zich om persoonlijke redenen terugtrok, opgevolgd door Callaghan, voordien minister van Buitenlandse Zaken. Hij werd met dermate veel economische en sociale problemen geconfronteerd dat de verkiezingen in mei 1979 niet verrassend gewonnen werden door de conservatieven. De voorzitster van de Conservatieve Partij, Margaret Thatcher, nam de plaats van Callaghan in.

Jaren tachtig

In 1980 werd met alle strijdende partijen in Rhodesië overeenstemming bereikt; de relatie met de Economische Gemeenschap (EG) bleef zeer gespannen, met name door de naar de mening van Thatcher veel te hoge Britse bijdrage. In 1982 volgde de bezetting van de door beide landen opgeëiste Falkland-eilandengroep door Argentinië. Ten koste van veel levens werden de eilanden heroverd en dat leverde de Conservatieve Partij in 1983 een daverende verkiezingsoverwinning op.
In 1984 eiste een conflict met de radicale mijnwerkersbond de aandacht op. De stakingen duurden meer dan een jaar en berokkenden een geweldige schade toe aan de Britse economie. Thatcher gaf echter niet toe en was in feite van plan om voor eens en altijd af te rekenen met de volgens haar veel te grote invloed van de vakbonden. De uiteindelijke nederlaag betekende inderdaad dat de vakbonden jarenlang geen factor van betekenis meer zouden vormen.
In oktober 1984 ontkwam Thatcher ternauwernood aan een bomaanslag, die opgeëist werd het Ierse Republikeinse Leger (IRA). Door het toenemende terrorisme werd de regering van Ierland door de regering-Thatcher zwaar onder druk gezet. Dat leidde in 1986 tot het Anglo-Irish Agreement, dat de Ierse republiek een zeer beperkte invloed op de gang van zaken in Noord-Ierland gaf, in ruil voor een harde bestrijding van de IRA.
De verkiezingen van 1987 werden opnieuw gewonnen door de conservatieven maar Thatcher leed in eigen kring een gevoelig gezichtsverlies door het aftreden van de minister van Financiën, Nigel Lawson, na een ernstig meningsverschil met Thatcher. Lawson was een sterk voorstander van deelname van Groot-Brittannië aan het Europees Monetair Stelsel (EMS), maar Thatcher bleef gaan voor een onafhankelijke Britse monetaire politiek. Vanaf die tijd werd de Europese politiek echter in handen genomen van de Europees gezinde ministers Howe, Hurd en John Major, die later Thatcher zou opvolgen.

Jaren negentig

Tijdens de Golfcrisis in augustus 1990 probeerde Thatcher haar beschadigde imago weer op te vijzelen. Ze stuurde schepen, vliegtuigen en troepen naar de Perzische Golf, maar het mocht niet baten. John Major forceerde in oktober 1990 de toetreding tot het EMS en in november trad Howe uit het kabinet, die het verzet van Thatcher tegen verdere Europese integratie fel veroordeelde. Hierop begon de afgetreden Michael Heseltine het leiderschap van Thatcher ter discussie te stellen. Na twee verkiezingsrondes in november werd duidelijk dat Thatcher niet meer op een meerderheid kon rekenen en zij hield de eer aan zichzelf en zij trad op 22 november 1990 af.
Zij werd opgevolgd door John Major die echter ook veel moeite had bij een grotere integratie binnen de EG. Op de Europese topconferentie in Maastricht (9-10 december 1991) werd dan ook op belangrijke punten een uitzondering gemaakt voor de Britten.
Het Britse koningshuis kende ondertussen ook grote problemen, zoals de scheiding van tafel en bed tussen kroonprins Charles en prinses Diana, en de scheidingen van prinses Anne en prins Andrew. Eind 1996 kwam er officieel een einde aan het huwelijk tussen Charles en Diana.

Noord-Ierse kwestie

De IRA legde op 31 augustus 1994 de wapens neer om een vreedzame overeenkomst met Groot-Brittannië te bevorderen. Gerry Adams, het hoofd van Sinn Fein, de politieke tak van de IRA, verklaarde dat de strijd om de Britse overheersing in Noord-Ierland te beëindigen een ‘nieuwe’ fase was ingegaan. Problemen tijdens de onderhandelingen leidden echter in 1996 tot enkele bomaanslagen door de IRA en daarmee kwam er een einde aan het staakt-het-vuren, dat 17 maanden geduurd had.
In 1997 trad de nieuwe Labour-regering onder Tony Blair aan. Het vredesoverleg over Noord-Ierland werd weer hervat en de IRA besloot weer tot een staakt-het-vuren. In april 1998 kwam het tot een vredesakkoord (het zogenaamde Goede Vrijdag akkoord), dat door Groot-Brittannië, de Ierse Republiek en de belangrijkste partijen in Noord-Ierland werd ondertekend. Het vredesakkoord voorzag in garanties voor de protestantse unionisten dat Noord-Ierland onderdeel zou blijven van het Verenigd Koninkrijk zolang de meerderheid van de bevolking dat wilde. Verder zag de Ierse Republiek af van haar aanspraken op het grondgebied van Ulster, terwijl Groot-Brittannië de wettelijke bepalingen schrapte die een verenigd Ierland in de weg stonden; Noord-Ierland kreeg een parlement met beperkte bevoegdheden en er zou een Raad van Ministers komen waarin bewindslieden uit Ierland en Noord-Ierland zitting zouden nemen. In Noord-Ierland werd het verdrag na een referendum aanvaard, waarna er verkiezingen volgden en de UUP van de David Trimble de grootste partij werd. Op 1 juli 1998 werd Trimble tot premier voor Noord-Ierland gekozen. Het vredesakkoord kwam na diverse geweldsacties zwaar onder druk te staan. Maar uitgerekend na een zware aanslag in Omagh, waarbij 28 mensen om het leven kwamen, besloten verschillende republikeinse splintergroeperingen tot een staakt-het-vuren tussen protestantse unionisten en katholieke nationalisten.
In de tweede helft van 1999 kwam er schot in de zaak. Na bemiddeling van de Amerikaan Mitchell kon Sinn Féin deelnemen aan de Noord-Ierse regering. Eveneens gaf de Republiek Ierland haar aanspraak over het gehele eiland op en Groot-Brittannië trok zijn claim als soevereine machthebber over Noord-Ierland in. Op 2 december verklaarde Groot-Brittannië de status van Noord-Ierland te zullen wijzigen als een meerderheid van de mensen dat zou wensen.
In januari 2000 ontstond er weer grote onenigheid tussen de IRA en Sinn Féin enerzijds en de protestantse Ulster Unionist Party (UUP) anderzijds over de ontmanteling van de wapenvoorraad van de IRA. Onderhandelingen haalden niets uit en op 11 februari besloot de Britse regering om de directe heerschappij vanuit Londen te herstellen. Vier dagen later trok de IRA zich terug uit de gesprekken en leek het einde van het vredesakkoord steeds dichterbij te komen. Op 1 maart bereikten de Britse premier Blair en de Ierse premier Ahern akkoord voor een tijdpad voor nieuwe vredesonderhandelingen. De IRA verklaarde enkele maanden later dat men volledig wilde meewerken aan het buiten gebruik stellen van alle wapens en internationale wapeninspecteurs te ontvangen. Mede als gevolg hiervan werd op 30 mei de directe heerschappij van Londen weer opgeheven en de coalitie van Trimble, Sinn Féin en UUP, hersteld.
Als gevolg van een serie incidenten met als dieptepunt het ‘spionageschandaal’ met Sinn Féin/IRA in de hoofdrol, besloot de Britse regering op 14 oktober 2002 de politieke instellingen in Noord-Ierland te schorsen en ‘direct rule’ vanuit Londen weer tijdelijk in te voeren.

Britse binnenlandse politiek

Mede als gevolg van een aantal schandalen leden de Conservatieven van Major enkele zware nederlagen in tussentijdse en regionale verkiezingen. Het kwam zelfs zover dat er enkele conservatieve Lagerhuisleden overstapten naar Labour en eind 1996 raakte Major zijn meerderheid in het Lagerhuis kwijt. Ondertussen wist de jeugdige Labourman Tony Blair de Labour Party steeds meer te moderniseren, nadat hij in 1994 de leider van de Labour Party was geworden.
1996 was ook het jaar van de gekkekoeienziekte (BSE), die wereldwijd grote opschudding veroorzaakte toen bekend werd dat de ziekte misschien overgedragen kon worden op mensen. De lakse manier van handelen na de eis van de EU voor een totaal exportverbod zette overal veel kwaad bloed en uiteindelijk was Major toch genegen om aanvullende maatregelen te nemen. Ondertussen hield de EU een importverbod van Britse rundveeproducten in stand. Uiteindelijk werd de hele schuld van de gekkekoeiencrisis bij de politiek gelegd en het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voeding.
In mei 1997 leidde Tony Blair de Labour Party naar de grootste verkiezingswinst ooit. Hij werd tevens de eerste Labour-premier sinds 1979. In de eerste jaren van Blairs bewind werden er referenda gehouden over de vraag of Schotland en Wales beperkt zelfbestuur zouden krijgen. Het antwoord van de bevolking was onmiskenbaar ja en daardoor werden er in de loop van 1998 parlementen met beperkte bevoegdheden geïnstalleerd. Voor de buitenlandse politiek was het belangrijk dat de Britse regering in oktober 1997 besloot om niet toe te treden tot de Economische en Monetaire Unie. Opmerkelijk maar niet onverwacht was de beslissing om het Amerika van Clinton te helpen met het bombarderen van Irak als sanctie voor het niet nakomen van beloftes aan de Verenigde Naties.
In mei 1999 werden er voor het eerst parlementsverkiezingen gehouden voor het nieuwe Schotse en Welshe parlement. Labour werd in beide gevallen de grootste partij zonder een meerderheid te behalen.

21e eeuw

De parlementsverkiezingen van 7 juni 2001 werden glansrijk gewonnen door de Labour Party van Blair (412 van de in totaal 659 zetels). Het was de eerste keer in de parlementaire geschiedenis dat een Labour-regering een tweede achtereenvolgende termijn kreeg, ondanks de laagste kiezersopkomst in ongeveer een eeuw. Tweede partij met 166 zetels werd de Conservative Party en derde partij de Liberal-Democratic Party met 52 zetels. Verder waren er acht partijen met zes zetels of minder, waarvan de bekendste uit Noord-Ierland komen: de Ulster Uninonist Party en Sinn Féin.
Naar aanleiding van de verkiezingsuitslag trad de leider van de Britse conservatieven, William Hague, af.

Bij de verkiezingen van 5 mei 2005 leidde Tony Blair zijn partij naar een historische derde zege op rij. Labour behaalde 35,2% van de stemmen, die goed waren voor 354 van de 646 zetels in het parlement. Opvallend was dat Labour geen enkel nieuw kiesdistrict (‘constituency’) veroverde. Verder is Labours absolute meerderheid voor een herkozen regeringspartij historisch klein (67 tegen 161 vóór de verkiezingen). De andere grote partijen in het Lagerhuis zijn de Conservative Party (ook wel de Tories genoemd; 196 zetels) en de Liberal Democrats (de ‘Lib-Dems’; 62 zetels), die wederom zetelwinst boekten. Verder zijn er wat kleinere partijen: Democratic Unionist (9 zetels), Scottish National Party (6), Sinn Fein (5), Social Democratic & Labour Party (3), Plaid Cymru (3), Ulster Unionist (1), Respect (1) en 2 onafhankelijke leden. Tenslotte hebben de ‘speaker/deputies’ ook zitting in het parlement. Zij stemmen echter niet mee.

Op 4 mei 2006 zijn lokale verkiezingen gehouden, die een groot verlies voor Labour opleverden, meer dan 300 Labour raadsleden verloren hun zetel. Ruim 40% van de uitgebrachte stemmen ging naar de Conservatieve Partij, 27% naar de Lib. Dems en slechts 26% naar Labour. Premier Blair heeft deze verkiezingsnederlaag aangegrepen om op 5 mei zijn kabinet grondig te wijzigen: van de 26 bewindslieden wisselden er 15 van functie. Margaret Beckett, voorheen Minister van Landbouw en Milieu werd benoemd tot Minister van Buitenlandse Zaken. Zij volgt Jack Straw op, die Leader of the House of Commons and Lord of the Privy Seal werd. Hij volgde Geoff Hoon op, die benoemd werd tot Minister for Europe. John Reid, tot dan toe Minister van Defensie, werd de nieuwe Minister van Binnenlandse Zaken (Home Secretary) als opvolger van Charles Clarke.

Premier Blair heeft aangekondigd geen vierde ambtstermijn meer te ambiëren. Op 7 september 2006 verklaarde hij binnen een jaar op te zullen stappen, maar een exacte datum daarvoor noemde hij niet. Zijn gedoodverfde opvolger is ‘Chancellor’ Gordon Brown, die zich sinds februari 2006 in zijn optreden meer en meer als aankomend premier presenteert.

Op 7 juli 2005 werd Londen getroffen door terroristische aanslagen, waarbij 56 doden en meer dan 700 gewonden vielen. De Britse samenleving was geschokt en tevens in verwarring gebracht door het nieuws dat de aanslagen zijn gepleegd door zelfmoordenaars die de Britse nationaliteit bezaten en ogenschijnlijk goed geïntegreerd waren in de Britse samenleving. Overigens zijn de aanslagen opgeëist door Al-Qaida, die als reden het Britse Irak-beleid aangaf.

Volgens Minister van Binnenlandse Zaken John Reid zijn sindsdien minstens vier aanslagen verijdeld, zoals die op metrostations in Londen op 21 juli 2005, waarbij ook een naar later bleek onschuldige Braziliaanse man door de politie werd doodgeschoten, omdat hij zich bij een metrostation verdacht gedroeg.

Op 10 augustus 2006 zou met de arrestatie van 24 verdachten een omvangrijke terreuraanslag zijn verijdeld, die beoogd zou hebben met behulp van in handbagage meegenomen vloeistoffen zeker tien vliegtuigen op de route VK-VS op te blazen. Op alle vliegvelden werden zeer strenge veiligheidsmaatregelen ingevoerd, die sindsdien weer enigszins zijn versoepeld. Overigens blijft het risico op terroristische aanslagen in het VK groot: volgens Minister Reid worden momenteel nog minstens 24 andere complotten onderzocht.

Op 27 juni 2007 volgt Gordon Brown Tony Blair op als premier van het Verenigd Koninkrijk. In mei 2008 verliest de Labourparty van Brown de lokale verkiezingen met groot verschil. Eind 2008 begin 2009 slaat de kredietcrisis toe in het Verenigd Koninkrijk. De rente wordt verlaagd en er worden stimuleringsmaatregelen genomen. In mei 2010 winnen de conservatieven onder leiding van David Cameron de verkiezingen, maar halen niet de absolute meerderheid. In recordtijd wordt er een coalitie gevormd met de liberaal democraten van Nig Clegg en David Cameron wordt de nieuwe premier.

Prins William treedt in april 2011 in het huwelijk met Kate Middleton. Ze krijgen de titel Van hertog en hertogin van Cambridge. In augustus en september 2012 is Londen het toneel van de Olympische Spelen. In juli 2013 bevalt de hertogin van Cambridge van een zoon. Het kind heet George en is de derde in lijn van de troonsopvolging. In december 2013 trekt de Britse economie weer aan. In mei 2014 krijgt de Anti-Eu partij UKIP (United Kingdom Independence Party) veel stemmen tijdens de Europese verkiezingen. In september 2014 stemmen de Schotse kiezers tijdens een referendum om binnen het Verenigd Koninkrijk te blijven. Bij de verkiezingen in mei 2015 winnen de conservatieven en zet de opmars van UKIP en de Schotse nationalisten zich voort. In februari 2016 organiseert Cameron een referendum waar de Britten kunnen kiezen: voor of tegen in de EU blijven. Hij heeft een nieuwe deal gesloten met de EU en spreekt zich uit voor een verlengd verblijf binnen de EU. Het anti-EU (BREXIT) kamp krijgt als spreekbuis Boris Johnson, de voormalige burgemeester van Londen. In Juni wint het BREXIT kamp het referendum en kondigt Cameron zijn aftreden aan. Theresa May wordt in juli 2016 de nieuwe premier en Boris Johnson de minister van Buitenlandse zaken. In mei en juni 2017 vinden aanvallen plaats in Manchester en Londen door aanhagers van Islamitische Staat, er zijn 30 doden te betreuren. In juni 2017 worden vervroegde verkiezingen gehouden. May hoopt haar meerderheid te vergroten. Het tegendeel is het geval, er blijft een conservatieve minderheid over in het parlement die alleen met steun van Noord-Ierse Unionisten aan de macht kan blijven. De formele onderhandelingen beginnen om de EU te verlaten.

ENGELAND LINKS

Advertenties
• Engeland Tui Reizen
• Londen met NS Hispee
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Londen Hotels
• Autohuur Engeland
• Vertaler Nederlands Engels
• Engeland Vliegtickets.nl
• Engeland Kras Reizen
• Engeland Vliegtickets WTC
• Autoverhuur Sunny Cars Engeland
• Vakantiehuizen in Engeland
• Engeland Campings
• Engeland Vliegtickets Tix.nl
• Eliza was here

Nuttige links

Campersite Engeland (N)
Dieren in Egeland (N)
Engeland Favorietje (N)
Engeland informatie - Reizendoejezo
Engeland Reisstart (N)
Lies & Teije's Reiswebsite (N+E)
Reisinformatie Engeland(N)
Reizendoejezo – Engeland (N)
Romans over Engeland (N)
Rondreis door Engeland (N)
Startpagina Engeland (N)
Vakantie Engeland Jouwpagina (N+E)
Zuid Engeland Fotoreportage
Artikelen en Reisverhalen over ENGELAND
  Het perfecte mannenweekend in En..  Schotland
  Mag je graag gokken en reizen  Reizen naar Engeland met ferry v..

Bronnen

Allport, A. / England
Chelsea House

Bowden, R. / Groot-Brittannië
Corona

Engeland, Wales
Lannoo

England
Lonely Planet

England
Rough Guides

Fuller, B. / Britain
Marshall Cavendish

Groot-Brittannië
Michelin Reisuitgaven

Locke, T. / Engeland
Van Reemst

Parsons, F.S. / Engeland
Van Reemst,

Schaedtler, K. / Highlights van Engeland en Wales
Gottmer

Somerville, C. / Groot-Brittannië
Kosmos-Z&K

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt juli 2019
Samensteller: Geert Willems