Landenweb.nl

SERVIE
Geschiedenis

Steden SERVIE

Belgrado

Geschiedenis

Oudheid

In de kloof Gospodin Vir, op de rechteroever van de Donau bij de Roemeense grens, werd in 1985 de archeologische vindplaats Lepenski Vir ontdekt, de oudst bekende Neolithische site in Zuidoost-Europa.

Hier ontwikkelde zich tussen 7000 en 6000 v.Chr. de Lepenski Vir-cultuur, een van de oudste permanente nederzettingen in Europa. In het IJzeren tijdperk (6e eeuw v.Chr.) koloniseerden Illyrische stammen vanuit het westen de Balkan, samen met de Thraciërs vanuit het oosten. Enkele eeuwen daarna, in de 4e eeuw v.Chr., werden deze volkeren gevolgd door de Kelten uit het noorden.

De komst van de Romeinen veranderde alles: Rome werd het centrum van de macht op de Balkan, geholpen door de Illyriërs die dienst hadden genomen in het Romeinse leger. In het jaar 9 n.Chr., onder keizer Tiberius, werden formeel alle Illyrische gebieden door de Romeinen geannexeerd. Tevens veroverden ze het Keltische fort bij Singidunum, dat later zou uitgroeien tot de hoofdstad Belgrado en in deze tijd een belangrijk wegenknooppunt was dat de Romeinse provincies Moesia, Dacia, Pannonia en Dalmatië met elkaar verbond.

Drie eeuwen later werd het Romeinse keizerrijk in tweeën verdeeld door keizer Diocletius. In 395 stond het oostelijke deel, min of meer het huidige Servië, Montenegro, Macedonië, Bulgarije en Griekenland, onder de invloedssfeer van Byzantium. Het splitsen van het keizerrijk in twee tegenover elkaar staande rijken creëerde een politieke en culturele breuklijn die nog steeds doorwerkt in de huidige situatie op de Balkan. In het westen, min of meer het huidige Kroatië en Bosnië-Herzegovina, keek men vooral naar het katholieke Rome en gebruikte het Latijnse alfabet; in het oosten richtte men zich op het christelijk orthodoxe Constantinopel en gebruikte men het Cyrillische handschrift.

advertentie

Vroege Middeleeuwen

Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk in de 5e eeuw vielen barbaarse Aziatische steppehordes als Hunnen, Goten en Avaren de Balkan binnen, evenals Slaven. De eerste groepen bleven maar tijdelijk, maar de Slaven vestigden zich vanaf de 7e eeuw definitief op de Balkan. De Slaven die later Kroaten werden kwamen uit het huidige Zuid-Polen, terwijl de andere groep, de proto-Serven, zich vestigden in het gebied ten zuiden van de Donau, het huidige Tsjechië. Deze twee stammen hadden al een min of meer gezamenlijke historie en overvleugelden, samen met de Vlachs, de Illyriërs, Grieken, Thraciërs, Romeinen en Daciërs in de westelijke Balkan. Een kleine kust-enclave met de Illyrische taal en cultuur wist te ‘ontsnappen’, het huidige Albanië.

advertentie

Het eerste Servische koninkrijk

Terwijl Kroatische stammen zich vestigden aan de Adriatische kust, bezetten de Serven een gebied dat Raška (Turks: Sandžak) genoemd werd, en delen van het huidige Montenegro, Herzegovina en Zuid-Dalmatië.

De Serven kwamen langzamerhand onder invloed van orthodoxe christelijke missionarissen van Constantinopel, maar het was pas in de 9e eeuw dat Servische patriarchen (župans) het christendom volledig accepteerden en het paganisme langzaam opgaven. De eerste drie eeuwen van de Servische aanwezigheid werd gekenmerkt door vele conflicten tussen rivaliserende lokale machthebbers. Het eerste Servische koninkrijk ontstond in de 11e eeuw in het huidige Montenegro toen Stefan Vojislav de vazallenstaat Duklja (Latijns: Doclea of Dioclea) oprichtte en daarin verschillende Servische stammen samenbracht. Verder keerde hij zich af van Constantinopel en richtte zich sterk op Rome. Duklja (vanaf die tijd Zeta geheten) breidde zich al snel uit met gebieden die het huidige Montenegro, Herzegovina en Albanië omvatten. In 1077 werd Zeta een koninkrijk onder bescherming van Rome en een katholieke heerser, Constantijn Bodin. Na de dood van Bodin brak er een burgeroorlog uit en de macht verplaatste zich naar Raška in het noordwesten. Hier werd uiteindelijk in 1160, onder Stefan Nemanja, de eerste dynastie van Servië gesticht. Deze 200-jaar durende dynastie ontwikkelde zich tot een enorme militaire macht en consolideerde en breidde haar grondgebied op de Balkan uit.

advertentie

De Nemanjic-dynastie

De tijd onder de Nemanjic-dynastie zou een gouden tijd voor Servië worden, en tevens het nationale bewustzijn versterken. Aan het einde van deze periode deelde de bevolking een gezamenlijke identiteit, een nationale ziel en het vertrouwen dat men de komende moeilijke jaren goed zou doorkomen. Het zou ook de periode worden dat delen van Kosovo onder de Servische invloedssfeer zou komen.

Stefan Nemanja werd opgevolgd door zijn middelste zoon, die ook Stefan heette. Zijn jongste zoon Rastko ging het klooster in en noemde zich Sava. Stefan raakte in conflict met zijn oudste broer Vukan, die pauselijke steun zocht en kreeg. De katholieke Hongaarse koning Imre trok Servië binnen en zette Vukan op de troon. Het koninkrijk werd een korte tijd katholiek, maar keerde in 1204 alweer terug naar de orthodoxie toen koning Imre stierf en Stefan zijn plaats op de troon weer innam. In 1217 zond Sava een afgezant naar de paus en dat leverde zijn broer Stefan pauselijke goedkeuring op. Na de katholieke kerk in Rome richtte hij zijn pijlen nu op Byzantium. In 1219 bezocht hij de verbannen Byzantijnse keizer Theodoros I die hem een autonome status van de Servische orthodoxe kerk bezorgde. Uiteraard werd Sava de eerste aartsbisschop en na zijn dood in 1236 werd hij, evenals zijn vader, heilig verklaard. De volgende generatie Servische koningen, Radoslav, Vladislav en Uroš I waren van een lager kaliber dan hun voorgangers en dat markeerde tevens een periode van stagnatie in Servië en zij waren ook afhankelijk van de steun van buurlanden als Hongarije, Bulgarije en van Byzantium. Onder de zonen van Uroš, Dragutin en Milutin (die zich later Uroš II noemde), breidde het Servische grondgebied zich weer uit (o.a. Noordoost-Bosnië en Belgrado). Dit gebeurde voornamelijk door met goede partijen te trouwen: Milutin trouwde vijf keer met Hongaarse, Bulgaarse en Byzantijnse prinsessen. Milutin werd opgevolgd door zijn zoon Stefan ‘Decanski’ (later Uroš III), die het Servische grondgebied nog verder wist te vergroten.

Stefan Decanski’s zoon Dušan (ook: Uroš IV) zou de grootste en machtigste aller Nemanjic-koningen worden. Hij was in 1331 aan de macht gekomen door eerst zijn vader op te sluiten en hem later te laten ombrengen. Vlak voor zijn dood in 1355 had het Servische koninkrijk zich enorm uitgebreid: vanaf de Donau tot de Peloponnesos in Griekenland, Macedonië, Bulgarije en delen van Noord-Griekenland. De dood van Stefan Dušan zorgde voor een grote omslag. Twee Macedonische broers, Vukašin en Jovan Uglješa probeerden de macht over te nemen van Dušan’s zwakke opvolger Stefan Uroš V. Uiteindelijk werd Vukašin koning in het zuiden van Servië, maar hij sneuvelde samen met zijn broer in 1371. Stefan Uroš V stierf in hetzelfde jaar en, zonder opvolger zou dit het feitelijke einde van de Nemanjic-dynastie betekenen. Servië werd nu verdeeld tussen een aantal feodale landheren, waarvan Lazar Hrebeljanovic uiteindelijk de machtigste werd met hulp van de Kerk in Constantinopel.

Zijn macht bleek echter beperkt toen vanuit het zuiden de Turken Servië aanvielen. De Turken versloegen de Serven in twee belangrijke veldslagen. Allereerst in 1371 bij de Slag bij de Marica-rivier (nu Bulgarije). Belangrijker was het verlies in de Slag bij Kosovo (1389), een psychologisch vernederende nederlaag en een keerpunt voor een staat die al in vervallen toestand verkeerde.

advertentie

Ottomaanse overheersing

Na deze twee nederlagen vluchtten vele Serven naar het noorden richting Hongarije en naar de Adriatische kust. Er volgde een onrustige tijd met een steeds kleiner wordend grondgebied dat geregeerd werd door Lazar’s zoon, Stefan Lazarevic, en door diens neef Ðurad Brankovic. Zij besloten om de hoofdstad te verplaatsen naar Smederevo aan de Donau, maar uiteindelijk viel ook deze stad in handen van de Turken in 1459. Uit angst voor de islamitische Ottomanen kwam er weer een grote vluchtelingenstroom op gang. Vreemd was dit niet, want het Ottomaanse Rijk was een strikte islamitische theocratie, waar religieuze vervolging gemeengoed was. Sommige Serven bekeerden zich tot de islam, maar de meesten weigerden dit. Het gevolg was dat tienduizenden christelijke, voornamelijk aristocratische Serven als slaven werden weggevoerd naar Constantinopel.

Nog meer gehaat dan de Turken waren de Janitsaren, elite-troepen die aanvankelijk uitsluitend gerekruteerd werden uit christelijke krijgsgevangenen of slaven, oorspronkelijk alleen uit de volwassen mannen bestaande. In 1438 werd bepaald dat iedere vier jaar een op de vijf jongens tussen de zes en negen jaar uit een christelijk gezin weggehaald moest worden. Geleidelijk aan werd het een machtige elite die hun belangen beschermden met niets ontziende wreedheid. Ze hieven bovendien zware belastingen en buiten de boerenbevolking van Servië uit. Belgrado viel in 1521 in handen van de Turken en dit bleef zo tot 1717.

De volgende eeuwen kwamen de Serven regelmatig in opstand tegen de Turken. In 1594 reageerde de Turkse sultan hierop door de Servische patriarch Teodor levend te villen en daarna op te hangen. Daar bovenop liet hij tot grote ontzetting van de Serven de relieken van Sint Sava verbranden.

Tijdens de oorlog tussen Turkije en de Heilige Alliantie (1693-1690) Oostenrijk, Polen en Venetië kwamen de Serven wederom op grote schaal in opstand. De Oostenrijkers trokken zich echter al snel terug uit de strijd en nodigden de Serven uit om zich op Oostenrijks grondgebied te vestigen. Voor veel Serven was het een keuze uit twee kwaden, maar de meeste kozen ervoor om in het imperialistische katholieke Oostenrijk te gaan wonen. Grote delen van Zuid-Servië werden ontvolkt en de Turken maakten hiervan gebruik door Raška, Kosovo, Metohija en delen van Macedonië tot de islam te bekeren. Deze actie van de Turken verklaart voor een groot deel de huidige religieuze demografie op de Balkan en in Servië. Na deze massale immigratie volgde alweer een belangrijke episode in de geschiedenis van Servië. In 1716 waren Servische territoria wederom het middelpunt van een Oostenrijks-Turkse oorlog, dit keer begonnen door prins Eugène van Savoie. Opnieuw kozen de Serven de kant van Oostenrijk en, na de Vrede van Požarevac, verloren de Turken de controle over gebieden in Noord-Servië en de Donau-vallei, Noord-Bosnië en delen van Dalmatië en de Peloponnesos.

advertentie

De Grote Servische Opstand van 1804

In het begin van de negentiende eeuw waren Kosovo, Albanië en Servië stille, afgelegen provincies van het Ottomaanse Rijk. Montenegro verwierf in 1799 als eerste Balkanstaat zijn onafhankelijkheid door de sultan te dwingen te erkennen wat al decennia, zo niet eeuwen, duidelijk was: de Ottomanen hadden de krijgshaftige bewoners in de ontoegankelijke Zwarte Bergen nooit werkelijk bedwongen.

Servië was een grensprovincie waar de dienst werd uitgemaakt door een welwillende Ottomaanse gouverneur, duizend Turkse grootgrondbezitters, een rechter (kadi) in elke stad en enkele Turkse garnizoenen. Ver onder dat niveau ploeterden de Servische boeren. Nationalisme en een streven naar onafhankelijkheid bestonden niet echt: de Serviërs zagen zich eerder als orthodoxe christenen dan als Serviërs, er was lokaal zelfbestuur en er was godsdienstvrijheid en dat was voor de meeste Serviërs genoeg.

Toch kwam het in 1804 door twee factoren toch tot een grote opstand. De eerste was een opstand van het Ottomaanse keurkorps, de Janitsaren, die tegen de sultan opstonden, de Turkse gouverneur vermoordden en een schrikbewind onder de Servische boerenbevolking hielden. Die stond - met stilzwijgende instemming van de sultan - tegen dat schrikbewind op. De tweede factor was de plotselinge opkomst van een Servische leider, de geniale en charismatische varkensboer Ðorde 'Karadorde' Petrovic (Zwarte George). Karadorde had in het Oostenrijkse leger tegen de Turken gevochten, was gedeserteerd, had als hajduk (struikrover) rijke Turken beroofd en zette vervolgens een succesvolle groothandel in varkens op touw. Toen de Servische boeren opstonden tegen de Janitsaren, werd hij hun leider, die de Janitsaren verjoeg en zich vervolgens tegen de sultan keerde.

advertentie

Servië onafhankelijk

De strijd om de Servische onafhankelijkheid werd niet in één slag en zelfs niet in een decennium beslist. De Serviërs werden in de loop van dertig jaar vaak verslagen, om zich vervolgens opnieuw op te richten. Vanaf 1813 werd de Servische strijd van Karadjordje overgenomen door nóg een geniale leider, Miloš Obrenovic.

In een reeks opstanden tussen 1813 en 1834 in slaagden de Serviërs erin, de sultan tot de erkenning van de Servische autonomie te dwingen. Servië werd een prinsdom onder Milos.

De decennia tot 1878 werden gekenmerkt door chaos en verwarring en een gebrek aan interne consolidatie: grillige prinsen wisselden in snel tempo elkaar af, en het zwakke en straatarme Servië bleef tientallen jaren lang het doelwit van binnen- en buitenlandse intriges. Het Ottomaanse rijk, het Habsburgse rijk en Rusland trachtten door het stoken en intrigeren het bufferstaatje binnen hun invloedssfeer te krijgen.

Albanezen - een ongeletterd, ongeorganiseerd volk van bergstammen - speelden bij dit alles geen rol: de Serviërs hadden het moeilijk zelf het hoofd boven water te houden. Wat wél een rol speelde was een groeiend Servisch nationalisme, dat zich concentreerde op het lot van de Serviërs buiten Servië, die getalsmatig de volksgenoten in Servië overtroffen (nog in 1900 telde Servië 2.331.000 Serviërs, maar woonden er 93.000 Serviërs in Oostenrijk, 438. 000 in Hongarije, 611.000 in Kroatië-Slavonië, 825.000 in Bosnië-Herzegovina en 400.000 in het Ottomaanse rijk, voornamelijk in Kosovo.

De chef-ideoloog van het Servische nationalisme - of: pan-Slavisme, of: expansionisme - was Ilija Garasanin, staatsman, twee keer premier en, in 1844, schrijver van een 'Ontwerpplan' dat voorzag in de bevrijding van alle Slavische en niet-Slavische christenen tegen de Turken, de vereniging van alle Serviërs in één land (en wel het Servië van de 14de eeuw) en de uitbreiding van Servië in de richting van de Adriatische Zee. Deze blauwdruk voor een Groot- Servië ging ten koste van de Habsburgers, de Turken en de niet-christenen (zoals de Albanezen in Kosovo, met zijn grote Servische minderheid) en werd het leitmotiv van het nieuwe Servië, een streven dat na de Balkan-oorlogen en de Eerste Wereldoorlog in 1918 werd gerealiseerd in de nieuwe Joegoslavische staat. Garasanin sloot bondgenootschappen met onafhankelijke of autonome buurlanden als Montenegro, Griekenland en Roemenië en met de Servische gemeenschap in Bosnië en slaagde in 1867 in het streven de laatste Turkse garnizoenen het land uit te krijgen.

In 1877 togen de Russen, in een reactie op anti-Turkse opstanden in Herzegovina en Bulgarije, tegen de Turken ten strijde. Het werd een doorbraak. De Russen dreven de Turken terug tot de poorten van Constantinopel. Montenegro, het nieuwe Bulgarije en het nu onafhankelijke koninkrijk Servië maakten van de gelegenheid gebruik hun grondgebied uit te breiden: wat nu Zuid-Servië, de Sandzak en Macedonië heet, viel in hun handen. Het eerste wat de nieuwe heersers deden was zich te ontdoen van hun nieuwe, maar ongewenste moslim-onderdanen: in de eerste (maar lang niet de laatste) grote etnische zuivering van de laatste twee eeuwen werden tienduizenden moslims onteigend, vermoord of op de vlucht gedreven, de meesten naar Kosovo, een regio die in Turkse handen was gebleven. De bevelen kwamen uit Belgrado en waren simpel: in Servië was geen plaats voor moslims. De minaretten van Belgrado werden afgebroken. In 1878 werd Servië op het Congres van Berlijn door de gehele internationale gemeenschap erkend en in 1882 werd het Koninkrijk Servië uitgeroepen.

De Balkan-oorlogen aan het begin van de 20e eeuw

Servië werd aan het einde van 19e eeuw geregeerd door een dynastie die afstamde van Miloš Obrenovic, met uitzondering van prins Alexander Karadordevic die van 1842-1858 regeerde en een zoon was van Karadjordje. Een staatsgreep in 1903 bracht Karadjordje’s kleinzoon op de troon als koning Petar I. Deze Petar had een Europese opleiding genoten en was zeer beïnvloed door liberale ideeën. Hij introduceerde een democratische grondwet en initieerde parlementaire regering die politieke vrijheid voorstond.

Deze nieuwe politieke vrijheid werd ruw onderbroeken door het uitbreken van vrijheidsoorlogen in de Balkan-regio, waardoor de hele Balkan in snel tempo veranderde. Nieuwe staten ontstonden in het vacuum dat achtergelaten werd door de Turken. Bulgarije, Griekenland, Servië en Montenegro werkten samen om de Turken van de Balkan te verdrijven. De Eerste Balkanoorlog van 1912 was kort en succesvol; de Turken werden gedwongen om Macedonië en Kosovo af te staan aan Servië. Er ontstond tussen de geallieerden al snel een conflict over Macedonië, en Bulgarije viel zowel Griekenland als Servië aan om de alleenheerschappij over Macedonië te verkrijgen. Dit leidde tot de Tweede Balkanoorlog van 1913, waarbij Roemenië zich aan de zijde van Servië, Griekenland en Montenegro schaarde. Deze oorlog duurde maar kort en eindigde nog in datzelfde jaar met het Verdrag van Boekarest. Dit verdrag leverde niemand iets op, hoewel Servië zeggenschap kreeg over het westen van Macedonië.

In 1914 was de Turkse overheersing in de regio definitief ten einde, maar meteen staken nationalistische sentimenten de kop weer op.

Eerste Wereldoorlog

Deze zeer explosieve situatie zou uiteindelijk leiden tot de Eerste Wereldoorlog. Op 28 juni 1914 werd de Habsburgse troonopvolger Frans-Ferdinand in Sarajevo vermoord door de Bosnisch-Servische nationalist Gavrilo Princip.

Oostenrijk viel Servië meteen aan en enkele weken later was de Eerste Wereldoorlog een feit. Servië sloot zich bij de geallieerden aan, die in 1918 de oorlog in hun voordeel wisten te beslissen. Bij de vredesonderhandelingen van Versailles in 1919 wisten de Serven zonder veel moeite de Habsburgse Zuid-Slavische gebieden in te lijven. Al op 1 december 1918 werd het eerste Joegoslavië gesticht, het ‘Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen’, dat vanaf 1929 Joegoslavië zou gaan heten. In 1921 werd er een nieuwe grondwet aangenomen die van Joegoslavië een unitaire staat maakte. De Serven probeerden echter meteen allerlei zaken aan de Kroaten en Slovenen op te dringen, wat onvermijdelijk tot spanningen leidde. Ook werden alle belangrijke posities in de politiek en het leger door Serven bezet.

Minderheden als Duitsers en Hongaren hadden nog minder rechten, de Kosovaren waren zelfs totaal zonder rechten. De ontevreden minderheden werden enigszins tevreden gesteld door het idee van de Communistische Partij van Joegoslavië om een federatie te stichten, met verregaande autonomie voor de afzonderlijke deelstaten. Maar met name de Kroaten schikten zich niet en de fascistische ‘Ustaša’ zorgde voor veel politiek geweld en streefden naar een onafhankelijk Kroatië.

Om aan alle onrust een einde te maken schorste koning Aleksandar I in 1929 de grondwet en liet duizenden oppositieleden oppakken. Aleksandar werd in 1934 vermoord en als regent trad zijn broer Pavle op, onder wie Kroatië in 1939 alsnog autonomie kreeg.

Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog werd Joegoslavië aangevallen door de Duitsers en capituleerde in april 1941. Joegoslavië werd hierna verdeeld in de Bosnisch-Kroatische staat ‘Onafhankelijke Staat Kroatie’. Kosovo en West-Macedonië werden bij Albanië gevoegd. Verder kwam Montenegro onder Italiaans bewind te staan en Hongarije annexeerde Vojvodina. Het kleine Servië stond volledig onder het bestuur van Duitsland.

Meteen werden ook allerlei verzetsbewegingen actief, waarvan de communistische partizanen van Josip Broz, beter bekend als Tito, de belangrijkste was. Het officiële Joegoslavische verzetsleger bleef trouw aan de gevluchte regering in Londen. Beide bewegingen bestreden de bezetter, maar ook elkaar.

In 1943 kregen de partizanen van Tito echter de steun van de geallieerden en op 29 november 1945 werd de Federale Volksrepubliek Joegoslavië (later: Socialistische Federale Republiek Joegoslavië) door de communistische regering uitgeroepen, bestaande uit zes republieken en twee autonome gebieden. Tegelijkertijd werd het koningschap afgeschaft en in 1946 werd een op Russische leest geschoeide grondwet aangenomen.

Periode na de Tweede Wereldoorlog

De eerste jaren na de oorlog volgde Tito de lijn van de Sovjet-leider Stalin; dat betekende nationalisatie van bedrijven, collectivisering van de landbouw en politieke tegenstanders die werden geliquideerd. Hij wilde zich echter niet helemaal aan de Sovjet-Unie binden en werd daarom in juni 1948 door het totale Oostblok als het ware verstoten.

Tito achtervolgde nu de stalinisten in zijn land en richtte zich steeds meer op het Westen en wist met hulp van vooral de Verenigde Staten de gevolgen van de breuk met de Sovjet-Unie op te vangen. Joegoslavië was nu een federale staat met deelstaten als Servië, Kroatië en Montenegro en met enkele autonome provincies, het Albanese Kosovo en het Hongaarse Vojvodina. Alle staatkundige eenheden hadden een eigen grondwet, president, regering, parlement en taal.

Kenmerkend voor deze periode was dat de federale overheid steeds meer macht verloor aan de regeringen van de republieken. Ontevredenheid over de financieel-economische positie van Kroatië leidde in 1971 tot een uitbarsting van nationalisme in Kroatië. Na ingrijpen van Tito werd in Kroatië vrijwel de volledige staats- en partijleiding afgezet.

Het bestuur werd gedecentraliseerd en de autonome (op Servisch grondgebied gelegen) provincies Kosovo en Vojvodina kregen een grote mate van zelfstandigheid.

Vooral in Kosovo werden de daar woonachtige Serven na 1974 steeds meer onder druk gezet door de ‘albanisering’ van de samenleving. Dit uitte zich onder meer in het steeds minder voorhanden zijn van banen voor de Serven.

In 1981 eisten Kosovaarse nationalisten tijdens onlusten in Pristina zelfs dat hun provincie een republiek moest worden. De politie trad zeer hard op en vanaf 1986 werden de nationale gevoelens van de Serven in de provincie Kosovo en daarbuiten steeds sterker.

Einde van Joegoslavië

Ondertussen was de economie al sinds de jaren zeventig aan het instorten en na de dood van Tito in mei 1980 ontstond er politiek een onhoudbare situatie en traden de tegenstellingen tussen de verschillende nationaliteiten steeds duidelijker aan het licht.

De latere leider Slobodan Miloševic pleitte voor een sterk gezag vanuit Belgrado en hij beloofde een eind te maken aan de ‘discriminatie’ en zelfs ‘genocide’ waarvan de Serven in Kosovo, Kroatië en Bosnië het slachtoffer zouden zijn. Dit was natuurlijk koren op de molen voor de Servische nationalisten en in 1986 werd Miloševic voorzitter van de Communistenbond van Servië en in 1989 president van Servië.

In 1988 en 1989 werden er door de Serven massabetogingen georganiseerd waardoor de regeringen van Kosovo, Vojvodina en Montenegro zich genoodzaakt zagen af te treden. De regeringen die nu aantraden dansten volledig naar de pijpen van Miloševic en voerden grondwetswijzigingen door die de autonomie van deze gebieden steeds meer beperkte. Kosovaars verzet werd met geweld onderdrukt. Tegen het einde van de jaren tachtig streefden met name de welvarende Slovenen, en in mindere mate de Kroaten, naar een lossere band tussen de verschillende republieken.

In december 1990 veroverde de Socialistische Partij van Servië meer dan tweederde van de zetels in het Servische parlement en daarmee was de macht in Servië volledig in handen van Miloševic.

Oorlog tussen de deelstaten

Miloševic probeerde vervolgens ook om de federale regering van Joegoslavië zijn wil op te leggen, maar dit zou op een volkomen mislukking uitlopen. In 1990 stapten Kroatië en Slovenië uit de bond van Joegoslavische communistische partijen en in 1991 zelfs uit de Joegoslavische federatie. In datzelfde jaar kozen ook Kosovo, Macedonië en Bosnië voor zelfstandigheid. In januari 1992 erkende de Verenigde Naties de onafhankelijkheid van Slovenië, Bosnië en Kroatië; Kosovo kreeg deze erkenning niet. Servië ging samen met Montenegro de Federale Republiek Joegoslavië vormen.

De Serven erkenden de oude staatsgrenzen echter niet omdat daardoor eenderde van alle Serven buiten de eigen staat zouden komen te wonen. Dat was voor hen niet te verteren en in de periode 1991-1995 volgende enkele bloedige burgeroorlogen over de grensproblematiek. Servische burgermilities stichtten in Kroatië en Bosnië autonome Servische gebieden, waarvan het de bedoeling was dat ze zich bij Servië zouden aansluiten. Veel Kroaten en Bosniërs werden verdreven of vermoord. Vanwege de sterke betrokkenheid van Servië en Montenegro bij de gevechten buiten hun grenzen werden zij getroffen door een internationale economische boycot sinds november 1991.

Aan de andere kant lieten ook de Kroaten en Bosniërs zich niet onbetuigd en aan beide zijden vonden vele oorlogsmisdaden plaats. Met het Akkoord van Dayton in 1995 kregen de Bosniërs een eigen staat, goedgekeurd door Miloševic. Kroatische Serven waren al eerder dat jaar verjaagd uit Kroatië en het aantal Servische vluchtelingen in Kroatië en Bosnië bedroeg op dat moment al meer dan een half miljoen personen.

Naar aanleiding van al deze verschrikkelijke gebeurtenissen werd in Den Haag het International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia geïnstalleerd. In 1999 werd ook Miloševic aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden en etnische zuiveringen.

Val van Srebrenica

Het Drama van Srebrenica van 11 juli 1995 was de massamoord op naar schatting 8.000 moslimjongens en -mannen, die formeel onder bescherming stonden van een Nederlands VN-bataljon.

Na het uiteenvallen van de Republiek Joegoslavië en de burgeroorlog die daarop volgde werd de stad, evenals Tuzla, Sarajevo, Gorazjde en Zepa, door de Verenigde Naties tot veilige enclave voor moslims verklaard, binnen een door Bosnische Serviërs beheerst gebied. De veiligheid van de ruim 30.000 inwoners van de enclave werd gegarandeerd door de aanwezigheid van internationale vredesmilities onder de vlag van de VN.

Op 11 juli 1995, toen ruim 600 Nederlandse VN-militairen (achtereenvolgens de bataljons 'Dutchbat I, II en III') in Tuzla en Srebrenica hun humanitaire werk deden, forceerden Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladic zich met tanks de stad binnen en deporteerden en vermoordden ca. 8.000 moslimmannen en -jongens. Het wordt gezien als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Ontwikkelingen in Servië in de periode 1990-1999

In 1990 werd er een meerpartijensysteem ingevoerd, wat leidde tot een massa partijtjes die het politieke landschap totaal onduidelijk maakte. De grootste partij was de uit de communistische partij voortgekomen SPS van Miloševic. Alle belangrijke posities bij overheid, bedrijfsleven, leger, media en politie waren in handen van ex-communisten en Miloševic was er alles aan gelegen om die situatie van vriendjespolitiek en zelfverrijking in stand te houden. Zelfs de Groot-Servische gedachte was daaraan ondergeschikt.

De verkiezingen van december 1993 werden gewonnen door de Socialistische Partij van Servië (SPS) zonder een meerderheid te behalen. Het lukte niet om een coalitieregering samen te stellen en uiteindelijk vormden de socialisten een minderheidsregering.

In de zomer van 1994 kwam de zogenaamde contactgroep, die bestond uit de Verenigde Staten, Rusland, Engeland, Frankrijk en Duitsland, met een nieuw plan voor de verdeling van Bosnië-Herzegovina: 49% van het grondgebied werd toegewezen aan de Bosnische Serviërs en 49% aan de moslim-Kroatische federatie. Miloševic ging akkoord, maar slaagde er niet in de Bosnische Serviërs over te halen. Miloševic, die het Bosnische conflict wilde beëindigen om een eind te maken aan de internationale sancties tegen Joegoslavië, gaf in deze fase geen steun aan de in het defensief gedrongen Bosnische en Kroatische Serviërs.

Op 21 november 1995 werd in het Amerikaanse Dayton een vredesakkoord voor Bosnië-Herzegovina bereikt tussen de presidenten Izetbegovic van Bosnië-Herzegovina, Tudjman van Kroatië en Miloševic van Servië, die ook namens de Bosnische Serviërs onderhandelde. De vredesvoorstellen werden in december in Parijs getekend en Miloševic bereikte zijn doel: de sancties tegen Joegoslavië werden opgeheven.

Ondertussen rukten de Bosnische moslims en de Kroaten in Bosnië-Herzegovina op en vluchten vele Serven uit Bosnië en Kroatië naar Servië.

In 1994 verenigden zich ook 23 kleine linkse partijtjes in het radicale Joegoslavisch Verenigd Links (JVL) van de vrouw van Miloševic, Mira Markovic. De meeste andere partijen waren anticommunistisch en min of meer nationalistisch, bijvoorbeeld de Servische Beweging voor Vernieuwing (SBV) van Vuk Draškoviç en de Servische Radicale Partij (SRK) van Vojislav Šešelj. De laatste behoorde tot de Servische ´cetniks´, leden van een burgermilitie die vele oorlogsmisdaden op hun naam hadden staan. De meer democratische en pro-Europese partijen waren te zeer verdeeld om een rol van belang te spelen. Zij richtten zich bovendien op het economische beleid van Miloševic en niet op zijn optredens in Kroatië, Bosnië en Kosovo. Anti-communistische massademonstraties werden zonder pardon door het leger uit elkaar gejaagd. Miloševic’ regime kreeg steeds meer trekken van een dictatoriaal regime; hij had bijvoorbeeld alle media in handen en alle verkiezingen stonden bol van de fraude. Om zijn beleid kracht bij te zetten riep hij steeds vaker de hulp in van speciale trouwe politie-eenheden in plaats van het leger.

In mei 1996 kwam het in Nis tot ernstige sociale onlusten, nadat veel arbeiders al maandenlang geen salaris meer hadden ontvangen. De verkiezingen voor het federale parlement van begin november werden in Servië gewonnen door de coalitie, bestaande uit de regerende SPS, Joegoslavisch Verenigd Links (JUL) en de Democratische Partij van Servië. Er werden tegelijkertijd ook gemeenteraadsverkiezingen gehouden en hierbij behaalde de coalitie Zajedno (Samen), bestaande uit de drie grootste Servische oppositiepartijen, samen met een aantal kleinere partijen de meerderheid in bijna alle grote Servische steden. De SPS van Miloševic verklaarde daarop de meeste uitslagen ongeldig, waarna de oppositie, studenten en arbeidersorganisaties dagelijks massale demonstraties organiseerden in Belgrado om de verkiezingsuitslag te eerbiedigen. Na maandenlange demonstraties erkende Miloševic, mede onder grote buitenlandse druk, de overwinning van de oppositie.

In 1997 kon Miloševic volgens de grondwet niet meer voor een derde keer tot president gekozen worden, maar de slimme vos liet zich door het Joegoslavische parlement verkiezen tot ‘federaal’ president. President van Servië werd een vertrouweling van Miloševic, Milan Milutinovic, die handig gebruik maakte van een opnieuw verdeelde oppositie, die zich daardoor in feite zelf buitenspel zette.

In december 1998 gingen een aantal oppositiepartijen op in Alliantie voor Verandering. Deze groepering had gehoopt op deelname van Draskovic, maar die nam de functie van vice-president van Servië aan.

In 1999 volgde de interventie van de NAVO die de populariteit van Miloševic nog leek te vergroten, ondanks de vele aanklachten die bij het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag binnenkwamen.

21e eeuw

In juli 2000 wilde Miloševic de grondwet zodanig veranderen dat hij nog gemakkelijk acht jaar in het zadel kon blijven zitten. De federale presidentsverkiezingen van 24 september zouden dan nog wel even gewonnen moeten worden, maar hij was vol vertrouwen.

Die populariteit bleek echter nogal tegen te vallen en bovendien steunde de Democratische Oppositie van Servië (DOS) eindelijk een sterke kandidaat in de persoon van de integere, gematigd nationalistische Vojislav Koštunica, de leider van de Democratische Partij van Servië (DPS).

De verkiezingen leken verrassend een overwinning voor Koštunica te worden, maar de kiescommissie verklaarde de verkiezingen ongeldig. Het bleek dat hij wel de meeste stemmen gehaald had, maar niet de vereiste 50%. Het gevolg waren massademonstraties in Belgrado, waarna op 28 september bekend werd gemaakt dat Koštunica tóch 50,24% van de stemmen behaald had. Een week later, op 6 oktober, belegerde een mensenmassa het federale parlementsgebouw in Belgrado. Leger en politie grepen niet in daarmee kwam er een einde aan het tijdperk Miloševic. Op 6 oktober erkende Miloševic zijn nederlaag in een verklaring voor de televisie en de volgende dag werd Vojislav Koštunica geïnaugureerd als president van de Federale Republiek Joegoslavië.

De internationale wereld reageerde verheugd en Servië kreeg weer toegang tot internationale organisaties en ook de internationale financiële hulp werd hervat.

De parlementsverkiezingen van 23 december 2000 werden gewonnen door de DOS van Ðindic, die ook premier werd. Grootste oppositiepartij werd de SPS. De verhoudingen tussen de op het Westen gerichte hervormer Ðindic en de nationalistische en conservatieve Koštunica waren echter vanaf het begin al niet goed. Ðindic beschuldigde Koštunica ervan dat hij de economische hervormingen boycotte en bovendien te lang talmde met de hervorming van leger, politie en geheime diensten, waar nog veel Miloševic aanhangers op hun stoel zaten.

In april 2001 werd Miloševic gearresteerd wegens machtsmisbruik en corruptie. Ðindic liet hem uitleveren aan het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag. Koštunica was hiertegen omdat in de grondwet stond dat Servische burgers niet aan vreemde mogendheden mochten worden uitgeleverd. De dreiging dat de Verenigde Staten financiële hulp zouden stopzetten, had Ðindic over de streep getrokken. Ondertussen functioneerde het parlement nauwelijks. In augustus 2001 trok Koštunica de leden van zijn DPS uit de regering. In juni 2002 namen alle DPS-volksvertegenwoordigers ontslag en eind juli verstootte de DOS de DPS uit de coalitie.

De Servische presidentsverkiezingen van september 2002 werden bestreden tussen Koštunica, de ultranationalist Šešelj en Miroljub Labus.

Deze verkiezingen liepen uit op een fiasco: in de eerste ronde behaalde Koštunica geen 50% van de stemmen; in de tweede en derde ronde kwamen veel te weinig kiezers opdagen en aldus bleef Servië vooralsnog zonder president.

Op 12 maart 2003 werd premier Ðindic door sluipschutters vermoord en op 18 maart 2003 opgevolgd door zijn vice-premier, Zoran Živkovic. Hij werd waarschijnlijk vermoord om zijn bereidwilligheid om Miloševic en andere oorlogsmisdadigers uit te leveren aan het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag.

De vervroegde parlementsverkiezingen van december 2003 werden gewonnen door de Servische Radicale Partij (SRS) van Vojislav Seselj met 27,5% van de stemmen. De vervroegde verkiezingen waren noodzakelijk geworden nadat de regerende meerpartijencoalitie Democratische Oppositie van Servië (DOS) de meerderheid in het parlement had verloren en uit elkaar was gevallen.

Oud-president van Servië Milan Milutinovic meldde zich in januari 2003 vrijwillig bij het tribunaal en verklaarde onschuldig te zijn. Milutinovic werd van misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in Kosovo in 1999 verdacht.

Op 20 februari 2004 werd Vojislav Koštunica tot premier van Servië benoemd. De presidentsverkiezingen van 27 juni werden gewonnen door Boris Tadic van de Democratische Partij, die in de tweede ronde de nationalist Tomislav Nikolic versloeg.

Op 1 december 2004 bleef de 45-jarige president Tadic tijdens een aanslag in het centrum van Belgrado ongedeerd. Een week eerder was Tadic nog met de dood bedreigd omdat hij verdachten van oorlogsmisdaden wil uitleveren aan het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.

Op 21 mei 2006 verklaarde Montenegro zich na een referendum onafhankelijk en hield de regering van Servië en Montenegro op te bestaan. Op 30 september 2006 aanvaardde het Servische parlement een nieuwe grondwet, die eind oktober 2006 werd goedgekeurd via een referendum.

De parlementsverkiezingen van 21 januari 2007 werden gewonnen door de Srpska Radikalna Stranka (SRS; Servische Radicale Partij). In mei werd een coalitie-regering gevormd door de Demokratska Stranka (DS; Democratische Partij), de Demokratska Stranka Srbije-Nova Srbije (DSS-NS; Democratische Partij Servië-Nieuw-Servië) en de G17 Plus. In mei 2008 viel de regering na een breuk, veroorzaakt door de verklaring van de Europese Unie dat men achter de afscheiding van Kosovo stond. De eerste ronde van de presidentsverkiezingen van 20 januari 2008 werden gewonnen door Tomislav Nikolic met 40% van de stemmen, gevolgd door Boris Tadic met 35,4%. Hierdoor was er een tweede ronde nodig en op 3 februari 2008 werd Tadic met een krappe meerderheid van 50,3% herverkozen tot president.

Op 21 juli 2008 werd Radovan Karadžic in Servië gearresteerd; hij was gezocht door het Joegoslavië-tribunaal vanwege zijn rol tijdens de Bosnische Oorlog als leider van de Servische entiteit in de republiek Bosnië en Herzegovina, de Servische Republiek. Op het moment dat hij gearresteerd werd, werkte hij als alternatief genezer in een privékliniek in Belgrado. Hij had zich vermomd met lang wit haar en een lange witte baard en noemde zichzelf Dragan Dabic.

Statenbond Servië en Montenegro

In 1992 besloten beide republieken onder de naam Federale Republiek Joegoslavië in één staatsverband verder te gaan. Op 23 april 1992 werd een nieuwe federale grondwet aangenomen. Verkiezingen in mei werden gewonnen door de Socialistische Partij van Miloševic. Zij werden evenwel geboycot door de min of meer monddood gemaakte oppositie. De Servisch-Amerikaanse zakenman Milan Panic werd premier en president werd de schrijver Dobrica Cosic. Panic verweet Miloševic dat deze slechts een klein groepje oorlogszuchtige fanatici vertegenwoordigde. Hij moest daarvoor boeten en werd in februari 1993 vervangen door Radoje Kontic. Miloševic versterkte zijn positie in juni 1993 door president Dobrica Cosic te laten vervangen.

Na de aftocht van Miloševic nam de internationale druk op Ðukanovic toe om het streven naar onafhankelijkheid van Montenegro te temperen, bevreesd als men was voor een nieuw conflict op de Balkan. De druk werd nog opgevoerd toen bij de parlementsverkiezingen van april 2001 de separatistische coalitie ‘Overwinning voor Montenegro’ bijna de helft van alle zetels behaalde. Een referendum over onafhankelijkheid mocht onder geen beding doorgaan en Ðukanovic werd min of meer gedwongen om met Koštunica te gaan onderhandelen over een nieuwe federale structuur. Het dreigen met het stoppen van de financiële steun aan Montenegro haalde Ðukanovic over de streep. In het voorjaar van 2002 werd het referendum inderdaad opgeschort, maar na een vertrouwenscrisis viel de regering in mei.

In oktober werden parlementsverkiezingen gehouden die werden gewonnen door de DPS met een absolute meerderheid. Ðukanovic wilde geen president meer zijn en werd premier en kon zo zijn invloed aanwenden op het overleg over de nieuwe unie. Dat overleg liep echter zeer stroef en pas op 4 februari 2003 werd de grondwet van de nieuwe statenbond Servië en Montenegro (Srbija i Crna Gora) aangenomen. Een aantal ministeries (o.a. Buitenland en Defensie) bleef gemeenschappelijk en in de grondwet werd opgenomen dat de bevolking zich uiteindelijk mocht uitspreken over het al dan niet voortzetten van de Unie.

Op 7 maart 2003 werd Svetozar Marovic tot eerste president van Servië en Montenegro gekozen. In maart overlijdt Milosevic in zijn cel in Den Haag. Op 21 mei 2006 verklaarde Montenegro zich na een referendum onafhankelijk en hield de regering van Servië en Montenegro op te bestaan. In maart 2009 krijgt Servië steun van het IMF om de gevolgen van de kredietcrisis te bestrijden.

Kosovo

De definitieve eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring werd unaniem, op voorstel van premier Hashim Thaçi, op zondag 17 februari 2008 om 16.00 uur, uitgeroepen door het Kosovaarse parlement, in spoedzitting bijeengeroepen. Er waren tien afwezigen, inclusief de afgevaardigden van de Serviërs uit Kosovo.

In deze verklaring staat er onder meer :

• Kosovo is gesticht op basis van het plan-Martti Ahtisaari, de Finse diplomaat die een blauwdruk opstelde van de principes waaraan Kosovo zich moet houden, zoals internationaal toezicht door de EU en de bescherming van minderheden.

• Kosovo is een multi-etnische en democratische staat

• Kosovo zal zich wijden aan vrede en stabiliteit in de regio

• Kosovo stemt in met internationaal toezicht en de aanwezigheid van een vredesmacht.

Dit was in feite de tweede onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo. De eerste werd uitgeroepen op 7 september 1990, maar werd in die tijd slechts erkend door het buurland Albanië. Deze onafhankelijkheidsverklaring volgde op de verkiezingsoverwinning van Hashim Thaçi in november 2007; hij eiste Kosovaarse onafhankelijkheid. Terwijl men feest vierde in Kosovo, waren er al direct enkele rellen. In de noordelijke stad Mitrovica werden een handgranaat gegooid naar een gebouw van de Verenigde Naties (gerechtsgebouw met gevangenis) en een niet-ontplofte handgranaat naar een hotel dat ambtenaren uit de Europese Unie huisvest, evenwel zonder slachtoffers en met beperkte schade.

De voormalige Servische premier Vojislav Kostunica noemde het onafhankelijke Kosovo een"onechte" staat, opgericht in overtreding van internationale wetten. Servië weigert verdere samenwerking met Kosovo en wil zijn relaties met landen, die de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen, herbekijken.

Rusland heeft op 17 februari 2008 de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in spoedberaad bijeengeroepen om de nieuwe situatie te bespreken. Rusland eist maatregelen van de VN-missie UNMIK en van de Navo-troepen om de onafhankelijkheid ongedaan te maken. De secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon drukte in een verklaring zijn bezorgdheid uit en vroeg"af te zien van elke actie of verklaring die de vrede in Kosovo en omliggend gebied in gevaar zou kunnen brengen, kan opruien tot geweld of de veiligheid in gevaar kan brengen". De Belgische VN-ambassadeur in de Veiligheidsraad, sprekend voor zes Westerse naties : België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Kroatië en de Verenigde Staten, drukte zijn spijt uit dat"de Veiligheidsraad geen overeenstemming kon bereiken hoe het verder moet. Maar deze impasse was reeds maandenlang duidelijk. De gebeurtenissen van vandaag vormen slechts een conclusie van een proces waarin alle mogelijkheden tot een onderhandeld resultaat werden uitgeput."

Een deel van de internationale gemeenschap heeft Kosovo erkend, waaronder België, Nederland en de Verenigde Staten, het overgrote deel (nog) niet. Afghanistan was het eerste land dat Kosovo officieel erkende als een onafhankelijke staat. De meerderheid van de 27 EU-landen erkent Kosovo. Dit geldt niet voor de EU-landen Cyprus, Griekenland, Roemenië, Slowakije, Spanje en Portugal. Enkele van deze landen kennen één of meerdere opstandige regio's die op hun beurt onafhankelijkheid nastreven. Deze landen willen geen precedent scheppen en hebben aangegeven Kosovo niet te zullen erkennen. Deze onafhankelijkheidsverklaring kan beschouwd worden als een precedent en aldus gevolgen hebben voor de wettelijke positie van een aantal afgescheurde, maar niet-erkende staten.

Kosovo werd sinds juni 1999 op basis van VN resolutie 1244 bestuurd door de VN-missie UNMIK. Op 15 juni 2008 werd in Kosovo een nieuwe grondwet van kracht. Kosovo kreeg daarmee formeel de leiding over het eigen land, na negen jaar van VN-bestuur. De Verenigde Naties hebben belangrijke bevoegdheden overgedragen aan de Kosovaarse regering. Een van de belangrijkste wijzigingen is dat de Kosovaarse president voortaan de wetten zal afkondigen in plaats van de Verenigde Naties, die tot nu toe de voogdij hadden. Daarnaast krijgt Kosovo voor het eerst een minister van Buitenlandse Zaken. Kosovo mag voortaan ook zelf verkiezingen organiseren, het krijgt een centrale bank, staatsburgerschap, een veiligheidsmacht en een nieuw volkslied.

De verantwoordelijkheid op het gebied van politie en justitie blijft – zoals dit in het plan Ahtisaari werd voorzien - voorlopig in handen van de UNMIK. Normaal gezien stond op 15 juni 2008 eveneens de overdracht gepland van de VN (UNMIK) naar de EU-missie (EULEX), die met 2.200 man toezicht zou houden op het gebied van politie en justitie. Dit plan werd uitgesteld omdat Rusland zich fel verzette tegen de onafhankelijkheid van Kosovo en niet wilde dat de VN daaraan zou meewerken door bevoegdheden over te dragen aan de EU. Om dit te omzeilen heeft VN-secretaris Ban Ki-moon in een rapport aan de Veiligheidsraad gemeld dat de EU-missie onder de ‘paraplu’ van de VN-missie gaat werken en stapje voor stapje „operationele verantwoordelijkheden” op het gebied van politie en justitie zal overnemen. De NAVO-macht KFOR blijft in Kosovo aanwezig om een lichtbewapende Kosovaarse veiligheidsmacht te trainen.

President van Kosovo is sinds 7 april 2011 Atifete Jahjaga.

De EU-ministers van Buitenlandse Zaken werden het er eind oktober 2010 in Luxemburg over eens dat Servië de eerste stap kan zetten op weg naar het EU-lidmaatschap. De ministers besloten de Europese Commissie te vragen een advies te geven over toetreding van Servië. In mei 2011 arresteren de Servische autoriteiten Ratko Mladic, één van de meest gezochte oorlogsmisdadigers. De EU vindt dit een belangrijke stap voorwaarts. In maart 2012 krijgt Servië de status van aspirant lid. In mei 2012 wint de nationalist Tomislav Nicolic verrassend de presidentsverkiezingen. In juli 2012 vormt de socialist Ivica Dacic een coalitieregering met de partij van Nicolic. Begin 2013 bemiddelt de EU tussen Kosovo en Servië en in april krijgt Servië na een overeenkomst het groene licht van de EU om gesprekken over het lidmaatschap te starten. In januari 2014 beginnen de gesprekken daadwerkelijk. In maart 2014 haalt de regerende progressieve partij een grote overwinning. In april 2014 vormt Aleksandar Vucic een centrumrechtse regering, hij stelt radicale economische hervormingen voor en zegt lid van de EU te willen worden. In maart 2015 worden de eerste arrestaties verricht van deelnemers aan de massaslachting in Srbrenica. In april 2016 wordt de Bosnisch Servische leider Radovan Karadzic veroordeeld tot 40 jaar gevangenisstraf door het VN-tribunaal in Den Haag. Vucic wint de verkiezingen en krijgt zo mandaat om hervormingen door te voeren die moeten leiden tot lidmaatschap van de EU. In april 2017 wint Vucic de presidentsverkiezingen voor de progressieve partij (pro EU).

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

SERVIE LINKS

Advertenties
• Djoser Rondreis Servie
• ANWB vakantie boeken Servie
• Servie Vliegtickets.nl
• Rondreis Balkan
• Servie Hotels
• Autoverhuur Sunny Cars Servië
• Transport Servië - TTS Quality Logistics B.V

Nuttige links

Reisinformatie Servië (N)
Servië Startnederland (N+E)
Telefoongids Servië
Willgoto Servië en Montenegro (N)

Bronnen

Detrez, R. / Servië-Montenegro : mensen, politiek, economie, cultuur, milieu

Koninklijk Instituut voor de Tropen ; Novib

Milivojevic, J. / Serbia

Children’s Press

Mitchell, L. / Serbia

Bradt Travel Guides

Schuman, M.A. / Serbia and Montenegro

Facts On File

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt september 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems