Landenweb.nl

TSJECHIE
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Tsjechisch
  Hoofdstad  Praag
  Oppervlakte  78.866 km²
  Inwoners  10.630.039
  (mei 2019)
  Munteenheid  koruna
  (CZK)
  Tijdsverschil  +0
  Web  .cz
  Code.  CZE
  Tel.  +420

Steden TSJECHIE

Praag

Geografie en Landschap

Geografie

Tsjechië (officieel: Ceská Republika of kortweg: Cesko) is een republiek in Midden-Europa. Tsjechië heeft een oppervlakte van 78.864 km2, verdeeld over de streken Bohemen en Moravië. Tsjechië is daarmee ongeveer twee keer zo groot als Nederland.

advertentie

Tsjechie SatellietfotoPhoto: Publiek Domein

Het land grenst aan geen enkele zee, de dichtstbijzijnde zeeën zijn de Oostzee in het noorden en de Adriatische Zee in het zuiden, beide op meer dan 300 kilometer afstand. Tsjechië grenst in het noordoosten aan Polen (658 km), in het oosten aan Slowakije (215 km), in het zuiden aan Oostenrijk (362 km) en in het westen en noordwesten aan Duitsland (646 km).

Op veel plaatsen is sprake van vulkanische activiteit die zich voordoet in de vorm van warmwaterbronnen. Rond die plekken zijn de beroemde kuuroorden en badplaatsen ontstaan.

advertentie

Landschap

Tsjechië vertoont naar ouderdom als naar vorm zeer verschillende landschapsvormen. Het landschap wordt gekenmerkt door een opeenvolging van bekkenvormige laagvlaktes die door gebergtes van elkaar worden gescheiden. Deze landschappen zijn in drie hoofdgroepen te verdelen.

De bekkens en gebergten van het Boheemse massief: Dit massief is een geplooid gebied dat de Boheemse laagvlakte in een wijde boog omsluit. Dit massief omvat in het noorden het Sudetengebergte met als hoogste top de Schneekoppe of Snežka (1603 meter) op de grens met Polen. Het Reuzengebergte is tevens een Nationaal Park en overwegend begroeid met naaldbomen. De bron van de rivier de Elbe (Labe) is ook te vinden in het Reuzengebergte.

advertentie

Snežka, hoogste berg van TsjechiëPhoto :David Paloch CC 2.5 Genericno changes made

Ten westen hiervan ligt het Ertsgebergte of Krušné hory (hoogste top Klínovec, 1603 meter), dat de noordwest- en noordgrens met Duitsland markeert en rijk is aan delfstoffen, o.a. bruinkool. Aan de voet hiervan ligt het vulkanische Duppauergebergte (Doupovské hory) met veel minerale bronnen, die de aanleiding zijn geweest tot het ontstaan van de Tsjechische kuuroorden. Richting zuidoosten ligt het Fichtelgebergte en het Boheemse Woud, gemiddeld ca. 1150 meter hoog met als hoogste top de Javor met 1330 meter.

De Boheemse laagvlakte: Bestaat in het zuiden uit het lage massief van Zuid-Bohemen en o.a. het Luschnitzer bekken. Door de Boheemse laagvlakte stromen een aantal rivieren, waarvan de Moldau (Vlava) de bekendste is. Ten noordwesten hiervan ligt het heuvellandschap van het Brdawoud (tot 850 meter hoog) en de heuvellandschappen van Noordwest-Bohemen. In het oosten wordt Bohemen van Moravië gescheiden door de Moravische hoogten (tot 660 meter hoog).

Aan de voet van Jizerské hory ligt het Boheems Paradijs (Cesky raj), een natuurgebied met grillige zandsteenrotsen. Vlak bij Praag ligt de Tsjechische Karst (Cesky kras), een gebied dat bekend is om zijn druipsteengrotten.

De Silezisch-Moravische corridor: Dit is een licht geaccidenteerd gebied tussen het Boheemse en het Moravische deel dat bestaat uit sedimenten en vulkanische gesteenten.

Moravië is over het algemeen betrekkelijk vlak met lage bergen en heuvels van het Boheems-Moravisch Hoogland in het westen.

De bekkens en gebergten van het jongere plooiingsgebergte in Moravië, deel uitmakend van het westelijk deel van de Karpaten.

De landschappen van Moravië vallen samen met de Witte en Kleine Karpaten.

De rivier de Morava loopt van het noorden naar het zuiden en mondt in de Donau uit. Door de rivier is een breed dal ontstaan.

Ten noorden van Brno ligt een bekend kalksteengebied met veel druipsteengrotten, onderaardse meertjes en rivieren, de Moravische Karst (Moravsky kras)

Rivieren en meren

De Boheems-Moravische hoogten, het Jeseníkygebergte en de Karpaten vormen een natuurlijke waterscheiding tussen de stroomgebieden van rivieren waarvan de loop aan de ene kant is gericht op de Noord- en de Oostzee en aan de andere kant op de Zwarte Zee. De Labe (Elbe), Vltava (Moldau), Sázava, Orlice, Jizera, Otava, Berounka en Ohre (Eger) voeren water uit het Boheemse bekken naar de Noordzee af.

Het water van de Lužická Nisa (Neisse) en de Odra (Oder) stroomt naar de Oostzee. De Morava (March), Dyje, Svratka en de Jihlava monden uit in de Donau, die naar de Zwarte Zee stroomt.

Tsjechië heeft niet zoveel natuurlijke meren; het zijn voornamelijk door morenes opgestuwde meren in de gebergten (Šumava). Het grootste kunstmatige meer is het Rožmberk-meer, gemaakt in 1590 en ca. 500 ha groot.

De talloze, meest middeleeuwse kleine stuwmeertjes, rybník geheten, liggen voornamelijk in Zuid-Bohemen en beslaan samen een oppervlakte van 415 km2. Er zijn vele moderne stuwmeren, voornamelijk in de Vltava en het grootste stuwmeer is het Lipno-meer.

Klimaat en Weer

Het klimaat van Tsjechië behoort tot het Midden-Europese type waarin het klimaat van west naar oost gaande een steeds sterker continentaal karakter krijgt. De gemiddelde temperatuur overdag bedraagt in Praag in de maand januari 9,5°C en in de maanden juni, juli en augustus respectievelijk 30,9, 32,7 en 31,8°C. Praag behoort daarmee tot een van de warmste en droogste plekken van Tsjechië (486 mm neerslag per jaar).

Ook andere steden en streken in de dalen van Bohemen hebben een laag neerslagcijfer. Weer andere gebieden in Bohemen hebben een onstabieler klimaat, dat wel wat lijkt op het Nederlandse klimaat. Het waait alleen wat minder hard en er valt veel meer sneeuw.

De gemiddelde temperatuur in geheel Tsjechië is in juli, de warmste maand, 18 tot 21°C. De koudste maand is januari met een gemiddelde van -5°C tot -11°C. In januari is in Praag de gemiddelde temperatuur overdag -0,9°C.

De neerslag varieert sterk per plaats, een gevolg van de geaccidenteerdheid van het land. In de drie zomermaanden valt de meeste neerslag. De droogste periode is van december tot en met februari met een gemiddelde neerslag van 190-200 mm. De droogste gebieden zijn Midden-Bohemen en Zuid-Moravië. De gemiddelde neerslag is in de dalen 450 tot 650 mm per jaar en in de bergen 1000 tot 2000 mm. Overstromingen zijn in Tsjechië regelmatig aan de orde.

In Moravië hebben de laagvlaktes en dalen in het midden en zuiden een droger klimaat en is het gemiddeld warmer dan in Bohemen. De bergstreken in Moravië kennen een vrij instabiel, vochtig weertype met neerslaghoeveelheden tot 1550 mm per jaar.

Planten en dieren

Planten

In de bergachtige gebieden vindt men de rijke veelzijdige flora van Midden-Europa: uitgestrekte bossen met zowel loofhout (esdoorn, lijsterbes, eik, beuk, berk) als naaldhout (grove den, arve, spar, lariks, taxus); verder Veratrum nigrum, berendruif, vele soorten orchideeën, Sorbus sudetica, en vele andere, vaak endemische, alleen hier voorkomende plantensoorten.

De boomgrens ligt tussen 1200 en 1400 meter. In de rivierdalen treft men vaak een parkachtig landschap aan. Ongeveer 30% van het landoppervlak bestaat uit bos.

De nationale boom van Tsjechië is de winterlinde, de nationale bloem is de roos.

Dieren

De dierenwereld is van een Midden-Europees karakter; op de gebergten komt een alpien aandoende fauna voor met o.a. marmotten, gemzen, moeflons en sneeuwmuizen. Grote roofdieren als de wilde kat en de lynx komen nog sporadisch voor.

In de wateren van Tsjechië zwemmen karpers, forellen, snoeken en palingen. In het natuurreservaat ZehuSice bij Kutna Hora leven witte herten die verder in Europa niet meer voorkomen. In grote stuwmeren leven gigantische meervallen. Ooievaars nestelen in het hele land en er komen talrijke watervogels voor in de Donauvlakte. Bijzondere vogels zijn verder de steenarend, de nationale vogel van Tsjechië, en de drieteenspecht in het Reuzengebergte en de Mala Fatra.

Een netwerk van reservaten en nationale parken verlenen fauna en flora redelijke bescherming; de meeste nationale parken liggen op de grens met Polen en worden in goede samenwerking beheerd. Toch worden veel bomen-, planten- en dierensoorten met uitsterven bedreigd door de industrialisering en de milieuvervuiling. Zure regen heeft op veel plaatsen de vegetatie aangetast. Met name naaldbomen hebben hier erg van te lijden gehad.

Geschiedenis

Prehistorie en oudheid

Archeologische vondsten wijzen uit dat het grondgebied van Tsjechie en Slowakije al minstens 80.000-10.000 jaar v.Chr. (paleolithicum) bewoond moet zijn geweest. Van de 4e tot de 1e eeuw v.Chr. werden deze contreien bevolkt door een aantal Keltische stammen. Een daarvan, de Boii of Bojers hebben hun naam gegeven aan de landstreek Bohemen of Boiohaemum. Ook Germanen en Romeinen hebben kort in dit gebied gewoond maar de Romeinen trokken zich al snel terug ten zuiden van de Donau.

Middeleeuwen en Premyslidendynastie

Slavische volkeren waren afkomstig uit Europees Rusland en arriveerden waarschijnlijk in de 5e eeuw n.Chr. Tsjechische stammen vestigden zich in het stroomgebeid van de Moldau (vroeger: Vltava) en de Slowaken in een oostelijker gelegen streek. Uit deze twee groepen ontstond in de negende eeuw het Groot-Moravische Rijk, wat ongeveer overeenkwam met het latere Tsjecho-Slowakije. Byzantijnse missionarissen begonnen met het kerstenen van dit rijk.

In de 10e eeuw viel het Groot-Moravische Rijk uit elkaar na invallen van de Magyaren (Hongaren), die grofweg het Slowaakse gebied innamen, waardoor de Tsjechen en Slowaken tien eeuwen van elkaar gescheiden werden. Na het Groot Moravische Rijk kwam het geslacht der Premysliden aan de macht en regeerde over de Tsjechen in Bohemen en Moravië. Moravië bleef uiteindelijk geen zelfstandig geheel en ging op in Bohemen. De oudst bekende vorst van dit geslacht was Borivoj, die stierf in 894. Onder de latere landspatroon van Bohemen, Wenceslas I werd Bohemen een onderdeel van het Heilige Roomse Rijk en waren de Premysliden-vorsten nog slechts hertogen.

In 929 werd Wenceslas door zijn broer vermoord die er weer in slaagde de Tsjechische stammen te verenigen onder het bewind van de Premysliden. Onder zijn bewind werd ook het bisdom Praag gesticht en slaagden de Premysliden erin om hun macht te vergroten. In 1086 werd hertog Wratislaw gekroond als eerste koning van Bohemen maar pas vanaf 1212 werd het Boheemse koningschap overerfbaar. De Duitse keizer Frederik II gaf op dat moment de Boheemse koning Ottokar I het recht van erfopvolging.

Onder Ottokar II, die regeerde van 1253-1278, had het Boheemse koninkrijk de grootste omvang. Het rijk omvatte het grootste deel van Centraal-Europa, inclusief Oostenrijk, Karinthië en Stiermarken. Na al deze successen wilde Ottokar echter ook Duits keizer worden en dat werd hem fataal. De Duitse keurvorsten kozen Rudolf van Habsburg als keizer en deze versloeg Ottokar op het slagveld van Marchfeld.

Alle Oostenrijkse bezittingen werden Bohemen ontnomen en gingen over naar het Habsburgse Huis. In 1306 werd Wenceslas III vermoord en kwam er een bloedig einde aan de dynastie van de Premysliden.

Hussieten en Habsburgers

De nieuwe koning van Bohemen werd in 1311 Johan van Luxemburg, die getrouwd was met de dochter van Wenceslas. Johan sneuvelde in 1346 en werd opgevolgd door zijn zoon Karel die in 1355 als Karel IV gekroond werd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij was het die Praag tot hoofdstad van het keizerrijk maakte. De periode dat Karel regeerde was op velerlei gebied een hoogtepunt in de geschiedenis van Bohemen, onder meer werd in 1348 de Karelsuniversiteit gesticht, de oudste universiteit van Centraal-Europa.

In 1378 werd Karel echter vermoord en het was meteen afgelopen met deze periode van voorspoed. Hij werd opgevolgd door Wenceslas IV die te maken kreeg met grote religieuze en sociale problemen. Doordat Bohemen onder sterke Duitse invloed stond voelde het Tsjechische deel van de bevolking zich achtergesteld bij de bevoorrechte adel en rijkere burgerij die vaak Duits waren. Ook de macht en rijkdom van de Kerk was een doorn in het oog van de armere bevolkingsgroepen, Dit was een goede voedingsbodem voor de opkomst van reformatorische groepen, o.a die van Johannes Hus. Hij stichtte een religieus-nationalistische massabeweging die zich fel keerde tegen de veel te wereldlijke kerk. Hij werd ook populair doordat hij de Tsjechen in hun eigen taal aansprak. Aanvankelijk kwam Wenceslas de hussieten enigszins tegemoet maar na protesten van de paus kwam er een einde aan de steun voor de hussieten. Hus werd zelfs wegens ketterij ter dood veroordeeld en op de brandstapel gezet in 1415.

De woede en de frustratie van de bevolking nam steeds grotere vormen aan en in 1419 bestormde de Praagse bevolking het raadhuis van Nové Mesto Gedurende de daaropvolgende opstand werd er grote schade toegebracht aan de bezittingen van de aristocratie en de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Toen koning Wenceslas stierf braken de zogenaamde hussietenoorlogen uit waarin de keizerlijke legers aanvankelijk grote nederlagen leden. De hussieten bestonden op dat moment uit een gematigde fractie, de “utraquisten”, en de “taborieten”, die een samenleving op basis van gemeenschappelijkheid en bezitsloosheid nastreefden.

De utraquisten en de Kerk bereikten op het Concilie van Basel een overeenkomst maar pas in 1434 werden de taborieten door de keizerlijke troepen verslagen. In 1471 stierf de laatste Tsjech op de Boheemse troon, Jirí van Podebrady. Hij werd opgevolgd door leden van het Poolse geslacht der Jagellonen, waarvan de laatste in 1526 stierf. De schoonzoon van Podebrady, Ferdinand, volgde hem op en was de eerste Habsburger die koning van Bohemen werd. Hij stelde het opvolgingsrecht voor de Habsburgers vast en haalde de jezuïeten naar Bohemen.

In 1575 werd Rudolf van Habsburg tot koning gekroond. Hij volgde daarna zijn vader Maximiliaan II op als keizer Rudolf II en riep Praag uit tot hoofdstad van het hele keizerrijk. Onder zijn bewind kende Praag een grote bloeiperiode, maar dit veranderde snel in 1608 toen hij Moravië en Hongarije moest afstaan aan zijn jongere broer Matthias. In 1611 volgde Matthias zijn broer op als koning van Bohemen; Rudolf stierf in 1612 en de hoofdstad van het rijk werd Wenen. De religieuze vrijheden werden weer grotendeels teruggedraaid en dat leidde onvermijdelijk weer tot een opstand in 1618 die tot 8 november 1620 duurde. Als wraak werden er door de Habsburgers 27 leiders van de opstand terechtgesteld waarna veel intellectuelen en geestelijken het land verlieten. Degenen die bleven werden gedwongen het katholieke geloof aan te nemen en er vond een vergaande germanisering plaats door de komst van veel Duitse adellijke families. In 1648 deden protestantse bannelingen met behulp van Zweden nog een laatste poging om de Habsburgers te verdrijven, evenwel zonder resultaat.

Opkomend nationalisme: Tsechië en Slowakije weer één staat

Onder het bewind van Joseph II (1765-1790) vonden er enkele belangrijke veranderingen plaats. Zo werd de macht van de katholieke kerk ingeperkt en mocht er onderwijs gegeven worden in de Tsjechische taal. Hierdoor kwam hij enigszins tegemoet aan het Tsjechische nationaal bewustzijn, dat pas in de negentiende een grote factor van belang werd in het maatschappelijke en culturele leven en zich richtte tegen de Oostenrijkse overheersing en de daarmee gepaard gaande onderdrukking van de Tsjechische taal en cultuur.

In het Europese revolutiejaar 1848 werd er een Slavisch congres gehouden in Praag wat uitliep op een opstand. Deze opstand werd neergeslagen maar deed het Tsjechische nationalisme sterk opleven waardoor o.a. in 1861 het Tsjechisch de tweede officiële taal werd in Bohemen. Op 28 oktober kwam het ultieme nationalistische moment in de geschiedenis van een staat toen de onafhankelijke Tsjecho-Slowaakse Republiek werd uitgeroepen met als president Tomáš G. Masaryk. Na 10 eeuwen waren de Tsjechen en Slowaken weer herenigd.

Tweede Wereldoorlog

In Tsjecho-Slowakije woonden na de Eerste Wereldoorlog enkele miljoenen Duitsers die sinds 1918 de Tsjecho-Slowaakse nationaliteit hadden. Het was dan ook niet vreemd dat Hitler zijn ogen liet vallen op dit grondgebied in verband met zijn “Heim-ins Reich- Politik”. Op de conferentie van München werd Hitler door de latere geallieerden toegestaan om delen van Bohemen waar veel Duitsers woonden in bezit te nemen in ruil voor vredesgaranties. Dat Hitler niet te vertrouwen was bleek toen hij in 1939 geheel Tsjecho-Slowakije bezette en het Protectoraat Bohemen-Moravië gesticht werd op 15 maart 1939. Slowakije profiteerde hiervan en riep in 1939 de onafhankelijkheid uit en werd een Duitse vazalstaat. President Masaryk was in 1935 opgevolgd door Edvard Beneš, die in 1938 naar de Verenigde Staten vluchtte maar later weer terug zou komen in dezelfde functie.

Tsjecho-Slowakije heeft sterk te lijden gehad onder de Duitse bezetting. Zo werden 340 mannen, vrouwen en kinderen van het dorp Lidice vermoord na de moord op Reichsprotektor Reinhard Heydrich, gepleegd door het Tsjechische verzet. Het bekendste concentratiekamp in Tsjecho-Slowakije was dat van Terezín (Theresienstadt). Vooral het veerzet in Slowakije leverde een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke bevrijding van Tsjecho-Slowakije door de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Zelfs op 5 mei 1945 brak er in Praag nog een opstand uit tegen de Duitse bezetter, waarna op 9 mei de Sovjets Praag bevrijden.

Naoorlogse jaren

De gevluchte Edward Beneš werd de eerste naoorlogse president van het opnieuw herenigde Tsjecho-Slowakije. In 1946 werden er vrije verkiezingen gehouden die gewonnen werden door de Communistische Partij. Premier van een coalitieregering van socialisten, communisten en sociaal-democraten werd Klement Gottwald. De communisten probeerden hun denkbeelden echter zozeer door te drukken dat in 1948 een aantal niet-communistische ministers aftraden. Ze hoopten hiermee een regeringscrisis te veroorzaken om daarna algemene verkiezingen te kunnen houden. Dit gebeurde echter niet, integendeel, de communisten waren veel te machtig en kregen bovendien steun van de machtige Sovjet-Unie.

Beneš boog voor zoveel druk en accepteerde het vertrek van de niet-communistische ministers. Gottwald en zijn communisten hadden nu alle macht in handen en na de dood van Beneš werd Gottwald zelfs president van de republiek. Zoals gebruikelijk in het stalinistische tijdperk werden tegenstanders van het nieuwe bewind uitgeschakeld (veel executies) en vonden er zuiveringen binnen de partij plaats.

In 1953 stierf Stalin en werd opgevolgd door de wat gematigder Chroesjtsjov, die het proces van destalinisatie inzette. Gottwald stierf kort na Stalin en werd opgevolgd door de hardliner Novotny.

Jaren zestig en zeventig

In de jaren zestig begon er langzaamaan wat te veranderen omdat er een aantal hervormingsgezinde communisten wisten door te dringen tot de top van de communistische partij. De Slowaakse hervormer Alexander Dubcek werd in 1968 partijleider nadat Novotny onder druk van hervormingsgezinde partijleden aftrad. Er brak toen een periode van liberalisering aan die de “Praagse Lente” zou gaan heten met het streven naar democratie en respect voor de mensenrechten.

De communistische buurlanden onder leiding natuurlijk van de Sovjet-Unie keken met argusogen naar de ontwikkelingen in Tsjecho-Slowakije. Op 21 augustus 1968 vielen de landen van het Warschaupakt, minus Roemenië, Tsjecho-Slowakije binnen en maakten een einde aan de ontluikende democratie. Er werd door de bevolking eigenlijk alleen maar lijdzaam verzet gepleegd Een exponent hiervan was Jan Palach die in het openbaar zelfmoord pleegde door zichzelf in brand te steken. Dubcek werd vervangen door Gustav Husák die een repressief bewind voerde waar geen enkele plaats was voor burgerlijke vrijheden of kritiek op het bewind.

Door de levensstandaard van overheidswege te verhogen probeerde men de Tsjecho-Slowaken in het gareel te houden. Eind jaren zeventig werd er door een aantal dissidente intellectuelen een manifest opgesteld, Charta ’77, waarin opgeroepen werd de mensenrechten te respecteren zoals vastgelegd in de Akkoorden van Helsinki.

Fluwelen Revolutie

Belangrijke figuren van deze beweging waren Jíri Hajek, minister van Buitenlandse Zaken in de regering Dubcek, de filosoof Jan Patocka, en de toneelschrijver Václav Havel, die later president van Tsjechië zou worden. De jaren tachtig stonden in het teken van hervormingen in geheel Oost-Europa. Belangrijk was de politiek van glasnost (openheid) en perestrojka (hervorming) waarmee de Sovjetleider Michail Gorbatsjov het tot dan toe starre communistische beleid in de Sovjet-Unie doorbrak.

Op 21 augustus 1988 vond in Praag een demonstratie plaats, waarin men de inval van de Sovjet-Unie, 20 jaar eerder, herdacht. Op 28 oktober volgde er weer een demonstratie waarbij meer vrijheid geëist werd. In datzelfde jaar waren er bovendien al kleine gebeurtenissen die wezen op een veranderende houding van de overheid ten opzicht van het streven naar meer vrijheid. Zo vond er op 10 december een demonstratie plaats voor de mensenrechten, met goedkeuring van de autoriteiten. Dit was enkele jaren eerder nog onmogelijk geweest.

In januari 1989 werd Havel samen met een aantal andere dissidenten gearresteerd bij een herdenkingsbijeenkomst voor Jan Palach. Uit binnen- en buitenland volgden vele protesten o.a. van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Schultz. Havel kreeg acht maanden gevangenisstraf opgelegd maar kwam al in mei weer voorwaardelijk vrij. Een petitie voor democratische hervormingen leverde binnen enkele maanden 35.000 handtekeningen op.

Hierna volgden de ontwikkelingen en gebeurtenissen elkaar snel op. Gorbatsjov maakte duidelijk dat de Sovjet-Unie zich niet zou bemoeien met interne aangelegenheden van de andere Oostblok-landen en drong zelfs impliciet aan op hervormingen. Door deze uitspraken werd de druk op de communistische regimes dermate groot dat de een na de ander wankelde en uiteindelijk omviel. Op 17 november begon in Tsjecho-Slowakije de zogenaamde “Fluwelen Revolutie”, met grote demonstraties op het Wenceslasplein in Praag en in andere grote steden. Meer dan 50.000 mensen trokken naar het plein maar de vreedzame demonstratie werd uiteen geslagen door de politie en vele demonstranten liepen ernstige verwondingen op. Deze houding van de politie was het sein om nog meer demonstraties te organiseren.

Maandag 20 november stonden er ca. 100.000 mensen op het Wenceslasplein. De oppositie verenigde zich in het “Burgerforum” dat onderhandelingen met de regering aanknoopte onder leiding van Havel. Op donderdagavond verklaarden de militaire leiders bereid te zijn te strijden voor het socialisme. Havel vroeg aan de arbeiders om zich aan te sluiten bij de studenten en de intellectuelen en op maandag te gaan staken. Aan deze oproep werd massaal gehoor gegeven en miljoenen Tsjechen staakten inderdaad.

Vrijdag 24 november trad het politbureau af en op zaterdag werd Karel Urbánek de nieuwe partijleider. Op woensdag 29 november werd de bepaling over de leidende rol van de communistische partij uit de grondwet gehaald waarna het Burgerforum eiste dat president Gustáv Husák zou aftreden en alle politieke gevangenen moesten worden vrijgelaten vóór 10 december. Premier Adamec probeerde nog een nieuwe regering te formeren, maar toen bleek dat er nog veel oude communisten inzaten ging dit onder luid protest niet door.

Op 10 december trad Husák af als president en werd er een voorlopige regering met een communistische minderheid goedgekeurd door het Burgerforum. Veel ex-dissidenten, o.a. Jiri Dienstbier, Marian Calfa (premier), Jan Carnogursky namen plaats in de regering. Havel werd door het Burgerforum voorgesteld als de nieuwe president en op 29 november benoemd. Alexander Dubcek werd de nieuwe parlementsvoorzitter. Een van de eerste daden van de nieuwe regering was het ontbinden van de geheime politie en tevens bereidde men de eerste vrije verkiezingen voor.

Op 8 en 9 juni weden er vrije verkiezingen gehouden voor het federale parlement en de parlementen van de deelrepublieken. Het Burgerforum werd de grote winnaar en behaalde een grote meerderheid in zowel het federale als in de parlementen van de deelrepublieken. De communisten kregen nog 13% van de stemmen en de conservatieve en fel anticommunistische christen-democratische CDU eindigde op de derde plaats. Ook de separatistische Slowaakse Nationale Partij behaalde behoorlijk wat zetels in het federale parlement en eindigde op de derde plaats in het Slowaakse deelstaatparlement. Duidelijk werd al snel dat de communistische overheersing desastreus was geweest voor de economie en Tsjecho-Slowakije als staat praktisch bankroet was.

De enige remedie tegen de economische ondergang was de invoering van een op westers model gebaseerde markteconomie en privatisering van het bedrijfsleven. Deze verandering van economische koers leidde aanvankelijk tot grote werkloosheid, maar al snel bloeide de economie op, met name in Bohemen en Moravië; de economie in Slowakije kwam maar moeizaam op gang. De inflatie daalde, de export en de het bnp namen toe.

Verantwoordelijk voor dit beleid was Vaclav Klaus. Nadelig was het harde economische beleid voor de oudere en laag opgeleide werknemers die buiten de boot vielen. Klaus kwam daardoor constant in conflict met Havel, het sociale gezicht van Tsjechië. Op 19 augustus 1991 sloeg de schrik de Tsjechen om het hart. In de Sovjet-Unie vond een coup plaats en Gorbatsjov werd gevangen gezet. Men vreesde even voor de democratische hervormingen in de andere Oostblok-landen, maar uiteindelijk viel alles erg mee. Op 21 augustus was de staatsgreep alweer voorbij en keerde Gorbatsjov terug naar het Kremlin in Moskou.

Tsjechië en Slowakije onafhankelijk van elkaar verder

Ondertussen stak in Slowakije het nationalisme de kop op. Vele Slowaken vonden dat Slowakije achtergesteld werd ten opzichte van de Tsjechen en wilden duidelijk wat anders dan de huidige federatie. Vaak speelden ook etnische verschillen een grote rol in de controverses tussen de Tsjechen en de Slowaken. Ook de belabberde economische toestand van Slowakije, dat veel harder getroffen werd door de economische maatregelen van Klaus, zorgde voor een sterke drang naar onafhankelijkheid.

De economie werd ook zwaar getroffen door de val van het communisme in de Sovjet-Unie waarna de oorlogsindustrie als belangrijkste bron van inkomsten praktisch wegviel. De nationalistische gevoelens werden aangevoerd door de Slowaakse Nationale Partij die streefde naar een onafhankelijk Slowakije. In december 1990 werd er een soort compromis gesloten waarin een aantal meningsverschillen geregeld werden. Op 5 en 6 juni 1992 volgden er weer algemene verkiezingen plaats en belangrijkste punt was de Tsjecho-Slowaakse kwestie.

De verkiezingen werden gewonnen door de Unie van Democratische Burgers (ODS) van Václav Klaus en de linkse HZDS-partij die geleid werd door ex-communist en oud-premier van Slowakije, Vladimír Meciar. Deze twee partijen stonden qua uitgangspunten lijnrecht tegenover elkaar. De ODS was erg op Tsjechië gericht en stond voor vergaande economische hervormingen en een vrijemarkteconomie. De HZDS daarentegen wilde meer staatsbemoeienis in de economie en stond voor de Slowaakse soevereiniteit. Meteen na de voor beide partijen succesvolle verkiezingen werden er onderhandelingen gestart met de intentie om een federale staat te behouden.

Grote meningsverschillen over de machtsverhouding tussen de federale regering en de deelstaatregeringen en de verdeling van de ministersposten zorgden ervoor dat de onderhandelingen compleet vastliepen. Een federatie bleek dan ook geen haalbare kaart en men werkte nu aan het idee van een confederatie, waarbij het land zou worden opgedeeld in twee praktisch onafhankelijke staten, slechts verbonden door een politiek verdrag. In een later stadium zou het Slowaakse volk zich in een referendum kunnen uitspreken voor of tegen definitieve onafhankelijkheid. Ook deze onderhandelingen liepen op niets uit en Meciar en Klaus kwamen tot de conclusie dat er voor een federale structuur geen plaats was.

Er werd een regeringsploeg gevormd die de onafhankelijkheid moest voorbereiden. Maar voor het zover was riep het Slowaakse parlement totaal onverwacht op 17 juni 1992 de soevereiniteit uit. Meteen hierna stapte Havel teleurgesteld op als president en deelde mee nog wel in te zijn voor het presidentschap van Tsjechië. Op 28 augustus werd door het Slowaakse parlement een nieuwe grondwet goedgekeurd die op 1 januari van kracht zou gaan.

Op 1 januari 1993 gingen Tsjechië en Slowakije zoals afgesproken als twee afzonderlijke staten verder en Klaus werd de eerste premier van Tsjechië. Havel werd als president gekozen voor een ambtstermijn van vijf jaar. De loskoppeling van de Tsjechische kroon van de Slowaakse munt maakte het mogelijk om snelle veranderingen in de economie door te voeren. In 1994 werd de democratie door Havel verder uitgebouwd door de senatoren rechtstreeks te laten kiezen. In datzelfde jaar trad Tsjechië, samen met de andere landen van de Visegrad-groep, toe tot het Partnerschap voor Vrede-programma van de NAVO. Een jaar later was Tsjechië het eerste ex-communistische land dat toetrad tot de OESO.

Bij de parlementsverkiezingen in 1996 deed zich het merkwaardige feit voor dat de regerende coalitie meer stemmen behaalde dan in 1992, maar als gevolg van het ingewikkelde kiesstelsel geen meerderheid in het parlement haalde. De Tsjechische Sociaal-Democraten (CSSD) behaalden een grote overwinning, maar er werd een minderheidskabinet onder leiding van premier Klaus samengesteld, dat gedoogd zou worden door de sociaal-democraten. In 1996 werden ook verkiezingen gehouden voor de Senaat; de Democratische Burgerpartij (ODS) behaalde 32 van de 81 zetels.

In januari 1996 vroeg Tsjechië officieel het lidmaatschap van de Europese Unie aan. Begin 1997 tekenden premier Klaus en de Duitse bondskanselier Kohl een zogenaamde verzoeningsverklaring, waarin Duitsland zich verontschuldigde voor de bezetting van Bohemen en Moravië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tsjechië op zijn beurt verontschuldigde zich voor het verdrijven van drie miljoen Sudetenduitsers vlak na de oorlog.

Later dat jaar werd Tsjechië door de NAVO uitgenodigd om toe te treden tot het bondgenootschap en in december besloot de EU dat Tsjechië op niet al te lange termijn zou kunnen toetreden.

Eind november 1997 diende premier Klaus het ontslag van zijn regering in. De oppositie zowel binnen als buiten zijn eigen de partij nam grote vormen aan en zelfs president Havel zegde het vertrouwen in Klaus op. Begin 1998 werd er een overgangskabinet geïnstalleerd en in februari begon Havel aan zijn tweede ambtstermijn.

In de vervroegde parlementsverkiezingen van juni 1998 behaalden de oppositionele sociaal-democraten een enorme overwinning. Omdat zij er niet in slaagden een coalitie met andere partijen te sluiten, formeerde CSSD-leider Milos Zeman in juli een minderheidskabinet, dat in ruil voor een aantal belangrijke functies werd gedoogd door de ODS. Volgens dit akkoord werd ex-premier Klaus voorzitter van het Huis van Afgevaardigden.

In november 1998 vonden verkiezingen plaats voor een derde van de Senaatszetels, waarbij de CSSD een flinke nederlaag leed die mogelijk verband hield met het omstreden akkoord met de ODS.

Medio maart 1999 werd Tsjechië samen met Polen en Hongarije officieel lid van de NAVO. Drie maanden later stelde Tsjechië een militaire eenheid beschikbaar voor KFOR, de VN-vredesmacht in Kosovo. In 1999 ratificeerden beide kamers van het Tsjechische parlement het Europees Sociaal Handvest. Tsjechië en Slowakije bereikten in november, bijna zeven jaar na de deling van de federale republiek, een akkoord over de boedelscheiding (staatseigendommen en schulden).

21e eeuw

In januari 2000 vernieuwden de regerende sociaal-democratische ÈSSD van premier Miloš Zeman en de semi-oppositionele conservatieve ODS van parlementsvoorzitter Václav Klaus het oppositieakkoord. Ze bereikten overeenstemming over verandering van het kiesstelsel, die het voor kleinere partijen moeilijker maakte om in het parlement te komen. In november 2000 vonden verkiezingen plaats voor 13 van de 14 nieuwe regionale raden, die waren ingesteld om het binnenlandse bestuur te decentraliseren. De ODS kreeg de meerderheid in 7 raden, terwijl de oppositionele vierpartijencoalitie van vooral christen-democraten en liberalen 5 raden veroverde.

De eveneens in november gehouden verkiezingen voor een derde van de zetels van de Senaat werden glansrijk gewonnen door de vierpartijencoalitie, die daarmee de grootste fractie werd. De sociaal-democraten leden in beide verkiezingen een zware nederlaag. Nog geen derde van het electoraat deed aan de verkiezingen mee.

Op 1 mei 2004 trad Tsjechië toe tot de Europese Unie. Na het slechte resultaat van de CSSD tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement (12 juni 2004), waarbij de partij slechts 2 van de voor Tsjechië 24 beschikbare zetels wist te winnen, is MP Spidla eerst op 26 juni terugtreden als partijleider van de sociaaldemocratische partij CSSD en vervolgens op 1 juli als premier van de Tsjechische Republiek. Op 4 augustus 2004 heeft President Klaus een nieuwe regering bestaande uit dezelfde coalitiepartners (CSSD, KDU-CSL en US-DEU) onder leiding van Stanislav Gross benoemd. Ook deze regering beschikte over één stem meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. In februari 2005 kwam premier Gross in opspraak wegens de manier waarop hij en zijn echtgenote hun persoonlijke financiële aangelegenheden hadden geregeld. Na een periode van crisis van ruim twee maanden, waarbij een vijftal ministers hun ontslag indiende, trok Gross zich op 13 april terug. President Klaus benoemde minister van Regionale Ontwikkeling Jiri Paroubek (net als Gross van de CSSD) tot de nieuwe minister-president. Op 13 mei wist de regering Paroubek (evenals de vorige samengesteld door CSSD, KDU-CSL en US-DEU) het vertrouwen van het Parlement te winnen met een meerderheid van 101 stemmen. Premier Paroubek heeft aangegeven het beleid van zijn voorganger door te willen zetten. Thans wordt algemeen verwacht dat deze regering zal kunnen aanblijven tot aan de reguliere verkiezingen, die op 2 en 3 juni 2006 zullen plaatsvinden. De uitslag van deze verkiezingen heeft tot een impasse geleid.

Uiteindelijk is in januari 2007 een centrum rechtse coalitie gevormd onder leiding van Mirek Topolanek. In februari 2008 is Václav Klaus herkozen tot president. Tsjechië krijgt het EU-voorzitterschap in januari 2009. In maart verliest de regering van Mirek Topolanek het vertrouwen van het parlement. In mei treedt een interim-kabinet aan onder leiding van Jan Fischer in afwachting van de nieuwe verkiezingen die in mei van 2010 zullen plaatsvinden. De sociaaldemocraten winnen de meeste stemmen, maar in juni 2010 vormde Petr Necas van de ODS een centrumrechtse coalitie. In december 2011 overlijdt oud- president Havel.

Sinds 8 maart 2013 is Miloš Zeman president van Tsjechië. Zeman was de eerste president die door het volk gekozen werd, zijn voorgangers Havel en Klaus werden gekozen door het parlement. In juni 2013 treedt premier Necas af na een schandaal, zijn opvolger is Jin Rusnik. Bij de parlementsverkiezingen van oktober 2013 winnen de sociaaldemocraten maar krijgen niet de absolute meerderheid. In januari 2014 wordt de sociaaldemocraat Bohuslav Sobatka de leider van een coalitieregering. In de jaren 2015 en 2016 behoort Tsjechië tot de groep Europese landen die strenge toelatingscriteria eist en pleit voor het mondjesmaat toelaten van vluchtelingen. In december 2017 wordt Andrej Babis de nieuwe premier, hij verlies in januari 2018 al een vertrouwensstemming en treedt af. Hij wordt in juli 2018 opgevolgd door Jan Hamacek.

Bevolking

Tsjechië telde in 2017 10.674.723 inwoners. De bevolking bestaat voor 64,3% uit Tsjechen, 5% uit Moraviërs en 1,4% uit Slowaken, terwijl het land nog een aantal etnische minderheden telt, namelijk Duitsers, Polen, Hongaren. Geen van deze drie bevolkingsgroepen maken meer dan 0,5% van de bevolking uit. Een andere minderheid in de Tsjechische Republiek zijn de zigeuners of Roma. Deze bevolkingsgroep heeft veel te verduren van discriminatie en vooroordelen, waardoor maar 0,3% van deze bevolking zich tot deze groep rekent. Het aantal Roma moet echter veel groter zijn, schattingen variëren van 2,4 tot 2,9%. Onder druk van de Europese Commissie probeert de Tsjechische regering de situatie te verbeteren.

De huidige bevolkingssamenstelling van Tsjechië is het resultaat van de ingrijpende veranderingen na 1945, waarbij de etnische minderheden voor een groot deel verdwenen zijn. In 1930 leefden er nog 3,3 miljoen Duitsers en meer dan 200.000 joden in het land. Op dit moment vormen de Duitsers nog maar 0,4% van het totale inwoneraantal en ook van de joden is nog maar een heel klein deel over. Ook de overige minderheidsgroepen zijn na de oorlog flink in aantal afgenomen.

De bevolkingsgroei is in 2017 0,12%.

Het aantal geboren kinderen per 1000 inwoners daalde van 12.6 in 1990 naar 9.3 in 2017. Het sterftecijfer daalde van 12.5 per 1000 inwoners naar 10.5 in 2001. De levensverwachting bij geboorte is 75,8 jaar voor mannen en 81,9 jaar voor vrouwen. (2017)

De bevolkingsopbouw was in 2017 als volgt:

0-14 jaar 15,3%

15-64 jaar 65,7%

65+ 19%

Ongeveer 74 % van de bevolking woont in verstedelijkte gebieden. De landelijke bevolkingsdichtheid is ca. 135 personen per km2. De grootste bevolkingsdichtheid is te vinden in de industriële gebieden van Noord-Bohemen, de laagste langs de grens van Zuid-Bohemen. De grootste stad is Praag met 1,3 miljoen inwoners (2017).

Taal

Het Tsjechisch behoort samen met het Pools en het Slowaaks tot de West-Slavische taalgroep. Opvallend aan het Tsjechisch is het gebruik van veel medeklinkers achter elkaar.

Voorbeeld: “Steek je vinger in je hals, Griek” = “Strc prst skrz krk, Crk”.

De klemtoon valt bijna altijd op de eerste lettergreep van een woord. Het verschil tussen lange en korte klinkers is duidelijk te horen. Lange klinkers worden geschreven met een accent; á, é, í, ú en ý. De ó kent het Tsjechisch niet. Zonder dit accent worden de klinkers kort uitgesproken.

Enkele woorden en uitdrukkingen:

Godsdienst

Van 1949 tot 1990 stonden alle kerkelijke organisaties onder controle van de staat, die ook de salarissen van de geestelijken betaalde. In 1990 is de kerk officieel van de staat gescheiden en er zijn dan ook geen officiële kerkelijke statistische gegevens bekend. De belangrijkste kerk is de Rooms-Katholieke Kerk, waartoe zich ca. 39% van de bevolking rekent en die bestuurlijk is ingedeeld in twee kerkprovincies: Bohemen en Moravië, met respectievelijk de aartsbisdommen Praag en Olomouc.

Vanaf 1971 beheerste de vereniging van pro-communistische priesters, Pacem in Terris, de Rooms-Katholieke Kerk in Tsjechoslowakije. Deze organisatie stond onder invloed van de staat. Pacem in Terris werd in 1990 opgeheven.

In 1920 maakte een deel van de Rooms-Katholieke Kerk zich los van Rome, waarmee de Tsjechoslowaakse Kerk, een nationale katholieke kerk, ontstond (sinds 1971 Tsjechoslowaakse Hussitische Kerk geheten). Er is een aantal protestantse kerken, waaronder die van de Tsjechische Broeders; 2,5% van de bevolking is protestants. Voorts is er de Orthodoxe Kerk van Tsjechoslowakije en de Grieks-Katholieke Kerk. Daarnaast zijn er nog lutheranen, presbyterianen, gereformeerden, baptisten, hernhutters, methodisten en joden. Ca. 40% van de Tsjechische bevolking is ongelovig.

Samenleving

Staatsinrichting

Van 1948 tot 1989 was de voormalige Republiek Tsjechoslowakije een communistische staat met een eenpartij-systeem. Sinds de val van het communistische regime in 1989 besloten de Tsjechen en Slowaken om afzonderlijk verder te gaan, na 71 jaar als een gezamenlijke staat. De Tsjechische Republiek startte officieel op 1 januari 1993 als een onafhankelijke staat en parlementaire democratie.

Volgens de Grondwet van 1993 is Tsjechië een parlementaire republiek met als staatshoofd een president die voor de duur van 5 jaar, met een maximum van twee periodes, door beide Kamers wordt gekozen. De uitvoerende macht berust bij de regering, die wordt aangevoerd door de minister-president, dus de macht van het staatshoofd is relatief beperkt. De president mag zijn veto uitspreken over wetsvoorstellen en mag na verkiezingen de beoogde premier voordragen. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de benoeming van ministers en de voorzitter van de Centrale Bank en heeft de bevoegdheid tot het verlenen van gratie.

De wetgevende macht berust bij het parlement dat uit twee kamers bestaat: het Huis van Afgevaardigden (Poslanecká snemovna) met 200, een keer in de vier jaar via algemene verkiezingen gekozen leden, en de Senaat met 81 leden, waarvan elke twee jaar steeds een derde in directe verkiezingen wordt gekozen. Senatoren worden gekozen voor een periode van zes jaar.

Algemeen kiesrecht is er voor alle Tsjechen vanaf 18 jaar. Er bestaat voor politieke partijen een kiesdrempel van 5%.

De grondwet benadrukt de onafhankelijkheid van het gerechtelijke apparaat. Het Constitutioneel Hof is de hoogste autoriteit in grondwettelijke zaken en bestaat uit 15 rechters die op voordracht van het parlement door de president worden benoemd. Voor de huidige politieke situatie zie hoofdstuk geschiedenis.

Administratieve indeling

Sinds 1 januari 2000 is er een nieuwe administratieve structuur van kracht geworden en heeft Tsjechië er een nieuw gekozen bestuurslaag bij gekregen. Tsjechië in nu opgedeeld in veertien administratieve regio’s. Hiervoor was Tsjechië onderverdeeld in zeven regio's en twee stadsdistricten maar deze zijn dus per 1 januari 2000 opgeheven.

Onderwijs

Het onderwijs in Tsjechië is van een relatief hoog niveau en wordt voor een groot deel gefinancierd door de overheid. Na de val van het communisme is er wel een toename geweest in het aantal privé-scholen en scholen bestuurd door kerken. Ook gaan er sinds die tijd steeds minder leerlingen naar het beroepsonderwijs, terwijl steeds meer leerlingen hoger onderwijs genieten.

Bijna 90% van alle kinderen tussen de drie en zes jaar bezoekt de “kindergarten”. Vanaf zes jaar volgen kinderen basisonderwijs van groep een tot en met vijf. Daarna volgt het secundaire basisonderwijs van groep zes tot en met negen. De meeste kinderen vervolgen hun onderwijs op een school voor hoger secundair onderwijs, dat is verdeeld in drie richtingen.

Allereerst de gymnasia, die een algemene opleiding geven die voorbereidt op universitair onderwijs. Verder is er nog beroepsonderwijs en zijn er technische opleidingen die drie en vierjarige opleidingen geven.

Universiteiten geven vijf- of zesjarige opleidingen. De Praagse Karels Universiteit werd gesticht in 1348 en was de eerste universiteit in Europa ten noorden van de Alpen en ten oosten van Frankrijk. Jaarlijks heeft deze universiteit ca. 27.000 studenten en ca. 3500 leraren en professoren.

Sinds 1990 ontstonden er veel privé-scholen, met name in het middelbaar onderwijs. In het schooljaar 1998/1999 bezochten ca. 1,2 miljoen kinderen het basisonderwijs, ca. 450.000 kinderen de verschillende typen van middelbaar onderwijs en ca. 236.000 studenten volgden hoger onderwijs.

Economie

Algemeen

De Tsjechische economie, tot dan toe een socialistisch economisch stelsel, werd sinds januari 1991 grotendeels geprivatiseerd. Burgers werden in de gelegenheid gesteld aandelen in bedrijven, in de vorm van waarborgbiljetten, te kopen (het zgn. voucher-systeem). Een andere maatregel om de economie te veranderen in een vrijemarkteconomie was het vrijgeven van de prijzen.

Dit leidde al snel tot een hoge inflatie (in 1991 52%), maar deze daalde echter weer snel naar een niveau van onder de 10%. Veel buitenlandse (m.n. westerse) ondernemers hebben ondertussen in het land geïnvesteerd. De nabijheid van de Europese en vooral de Duitse markt heeft hiertoe in belangrijke mate bijgedragen. De Tsjechische Republiek is nu een stabiele en welvarende markteconomie nauw geïntegreerd met de EU, vooral sinds de toetreding tot de EU van het land in 2004. De auto-industrie is de grootste industrie en is samen met haar toeleveranciers, goed voor bijna 24 % van de Tsjechische productie. Tsjechië produceerde in 2010 voor het eerst meer dan een miljoen auto's, meer dan 80 % werd geëxporteerd. Het conservatieve in zichzelf gekeerde Tsjechische financiële systeem is relatief gezond is gebleven. Maar de kleine open export-gedreven Tsjechische economie blijft gevoelig voor veranderingen in de economische prestaties van de belangrijkste exportmarkten ,vooral van Duitsland. Toen West-Europa en Duitsland in het najaar van 2008 in een recessie belandde stortte de vraag naar Tsjechische producten in. Dit leidde tot dalingen van de industriële productie en de export. Als gevolg hiervan is het reële bnp in 2009 scherp gedaald. De economie herstelde zich langzaam in de tweede helft van 2009 en vertoonde daarna en lichte groei. In 2012 verviel de economie weer in een recessie, als gevolg van zowel een daling van de buitenlandse vraag en bezuinigingsmaatregelen van de overheid. Het land kwam in de tweede helft van 2013 uit de recessie en de meeste analisten verwachten een bescheiden, maar gestage groei in 2014. Buitenlandse en binnenlandse bedrijven zijn wel bevreesd voor corruptie, met name bij overheidsopdrachten. Andere uitdagingen op lange termijn hebben te maken met een snel verouderende bevolking, de financiering van een onhoudbaar pensioenstelsel en de gezondheidszorg. De oplossing wordt gezocht in diversificatie van een econome gericht op productie naar van een economie meer gebaseerd op high - tech, diensten en kennis.

De economische groei bedraagt in 2017 4,3% en het BNP per hoofd van de bevolking is $ 35.500.

advertentie

Buitenlandse investeringen

Tsjechië is over het algemeen zeer succesvol in het aantrekken van buitenlandse investeerders. Na een mindere periode in 1996-1997 besloot de Tsjechische regering om de investeringsfaciliteiten te vergroten om de buitenlandse investeringen te stimuleren. Dit bleek een schot in de roos te zijn want in 1998 en 1999 verdubbelden de buitenlandse directe investeringen

advertentie

Beroepsbevolking

Opmerkelijk is dat de Tsjechische beroepsbevolking over het algemeen een hoge opleidingsgraad heeft. Voor buitenlandse investeerders een belangrijk motief om te investeren in het land. Tsjechië heeft vooral een lange traditie in onderwijs in technische vaardigheden. Binnen het voortgezet onderwijs rondt 11% van de beroepsbevolking de universiteit of hoger onderwijs af. De arbeidsmobiliteit is vrij laag zodat er in bepaalde gebieden een tekort aan gekwalificeerd personeel is.

De Tsjechische beroepsbevolking telt ca. 5,4 miljoen mensen (2017). De verdeling naar sectoren in procenten is als volgt:

Het gemiddelde werkloosheidspercentage in 2017 bedroeg 2,9%. De werkloosheid in Tsjechië kent echter grote regionale verschillen.

Landbouw, bosbouw en visserij

Slechts 2,8% van de beroepsbevolking werkt in deze sector, die in 2017 goed was voor 2,3% van het bnp. De Tsjechische landbouwbedrijven zijn over het algemeen nog grootschalig, een overblijfsel uit de communistische periode. Veel collectieve bedrijven uit die tijd zijn inmiddels geprivatiseerd. De particuliere boeren maken de meeste winst per hectare.

Ca. 70% van het bebouwbare oppervlak wordt voor akkerbouw gebruikt, waarvan de voornaamste producten granen, aardappelen en suikerbieten zijn. Het aandeel van de biologische landbouw steeg in 2013 tot 6% van de totale landbouwgrond.

De Tsjechische landbouw produceert voornamelijk voor de eigen bevolking en er worden dan ook nog veel agrarische producten ingevoerd.

In de veehouderij is de rundveehouderij het belangrijkst. Daarnaast komen varkens- en pluimveehouderij op grote schaal voor. Het aantal varkens neemt sterk toe en ook de omzet in de pluimveesector steeg gestaag, zowel wat vlees als eieren betrof.

De bosbouw is een belangrijke bron van inkomsten hoewel het aandeel van de bosbouw aan het bnp al jaren maar ca. 0,6% bedraagt. Ondanks dit beperkte aandeel is de houtwinning van belang, want het vormt de basis voor de houtbewerkingsindustrie.

De staat is met meer dan 50% de grootste eigenaar van de bossen, en gemeentes, bedrijven en particulieren bezitten de overige bossen.

De houtvoorraad neemt nog jaarlijks toe. De Tsjechische bossen hebben erg te lijden onder de zure regen, die grotendeels veroorzaakt wordt door de Tsjechische industrie en door elektriciteitscentrales die nog veel gebruik maken van steenkool en bruinkool als brandstof. Op dit moment is een kwart van de bossen aangetast of afgestorven.

Grote viskwekerijen in Zuid-Bohemen leveren de in Tsjechië populaire karpers. In Pilsen werd in 1842 voor het eerst pils, Pilsner Urquell, gebrouwen. In 2011 werd er in Tsjechië meer dan 18 miljoen hectoliter pils en bier gebrouwen.

Houtverwerkende industrie, meubelindustrie,

De houtverwerkende industrie wordt de laatste jaren steeds belangrijker. Men maakt o.a. zagerijproducten, houten bouwmaterialen, pallets, houten containers, manden en andere samengestelde houten materialen zoals (prefab) houten huizen. De sector kent problemen door de verouderde machines en een lage arbeidsproductiviteit. De sector is sterk gericht op de export.

De meubelindustrie is goed voor gemiddeld 3% van de industriële productie. De sector kent vooral kleine bedrijfjes. Door de lage productiekosten en de aanwezigheid van de grondstof hout heeft Tsjechië al een lange historische traditie op het gebied van meubels maken. De export richt zich vooral op Oostenrijk, Duitsland, Nederland en België.

Bouw en infrastructuur

De Tsjechische bouw wordt gekenmerkt door zeer veel kleine zelfstandige bedrijfjes. De grotere bedrijven met meer da 20 werknemers zorgen echter voor 83% van de productie.

Men profiteerde vooral van de grote buitenlandse investeringen in productiefaciliteiten, grote kantoorcomplexen en grote infrastructuurprojecten. De bouwsector richt zich vooral op het bouwen en renoveren van overheidsgebouwen en andere publieke werken. De woningbouw stelt nog niet zoveel voor door de ondoorzichtige huizenmarkt en de hoge rente op hypotheken. Een groot project is de renovatie van de hoogbouw, de zogenaamde “panelaky”. Een derde van de Tsjechische bevolking woont in dergelijke prefab woningen.

De aanleg van o.a. spoorwegen en autowegen zorgt voor belangrijke impulsen in de bouw. Tot 2010 werd alleen al voor de wegenbouw 1,8 tot 2,6 miljard euro uitgetrokken. Grote projecten die op stapel staan en die ook worden uitgevoerd met leningen en subsidies van o.a. de Europese Investeringsbank en de EU zijn:

Chemie en kunststoffen

De chemische industrie is een strategische en belangrijke industrietak voor de Tsjechische economie. De belangrijkste producten zijn basischemicaliën, goed voor 63% van de totale opbrengsten. De nadruk ligt vooral op de zware chemie. De meeste bedrijven in deze sector hebben meer dan duizend werknemers en veel bedrijven behoren tot de top-100 van Tsjechische bedrijven.

De productie ligt nog op een vrij laag niveau, vergeleken met de landen in de Europese Unie ligt de productie daar 3,7 keer hoger dan in Tsjechië.

De belangrijkste importproducten zijn basischemicaliën en synthetische vezels. Belangrijkste exportproducten zijn bulkchemicaliën, anorganische chemische producten en ca. 20% van de exportproducten bestaat uit geavanceerde chemische producten, o.a. reinigingsmiddelen.

De rubber- en plasticindustrie is bijna geheel in handen van het midden- en kleinbedrijf en heeft één grote afnemer, de automobielindustrie (o.a. Skoda). Deze sector concentreert zich in de regio’s Zlín, Liberec, Centraal-Bohemen en Praag.

Dienstensector

De dienstensector is zeer belangrijk voor de Tsjechische economie. Van het bnp komt meer dan 60% voort uit de dienstverlening. Door de overgang naar een markteconomie groeide de dienstensector door de oprichting van veel nieuwe bedrijven en de sterke toename van het toerisme. Ook de financiële dienstverlening groeit sterk.

Tot de tweede helft van 1997 ging het zeer slecht met de Tsjechische banksector. Er werden veel leningen afgesloten waarop noch rente werd betaald, noch aflossingen werden gedaan. De overheid besloot de banksector te privatiseren en nam veel slechte leningen over en herstructureerde de sector. Op dit moment is een groot deel van de Tsjechische banksector in handen van buitenlandse investeerders. De laatste grote staatsbank, Komercni Banka, is in juli 2001 overgenomen door het Franse Société Generale.

In Centraal- en Oost-Europa is Tsjechië de koploper op het gebied van vooral financiële leasing. Dit bestaat uit een huurcontract met een optie tot kopen aan het einde van de contractperiode. Leasing wordt in Tsjechië beschouwd als een andere manier van financieren en een derde van de investeringen in het land worden gefinancierd door leasing. Er is veel vraag naar het leasen van machines, vrachtwagens, kantoorinrichting, IT, software en landbouwmachines.

Er worden in Tsjechië steeds meer verzekeringen afgesloten. Met name de levensverzekeringen vormen een echte groeimarkt. Tot 1991 bezat het staatsbedrijf Ceska Pojistovna een monopolie positie in de Tsjechische verzekeringswereld. Daarna werd geleidelijk concurrentie toegestaan, waarvan o.a. Nationale Nederlanden profiteerde, een van de vier grote verzekeraars in Tsjechië.

Energiesector

De productie van elektrische energie vindt op dit moment plaats in thermische-, kern- en waterkrachtcentrales.

Een van de doelen van de Tsjechische regering na 1989 was het herstructureren van de energiesector, o.a. in verband met het zwaar aangetaste milieu. Door de zware industrie en het inefficiënte energiegebruik had Tsjechië een zeer hoog energieverbruik. Door de ontwikkeling van de dienstensector en de inkrimping van de zware industrie is het energieverbruik sinds 1990 met een kwart gedaald.

Hoewel bruin- en steenkool nog steeds de belangrijkste energiebronnen zijn gebruikt men steeds meer gas als energievoorziening, wat natuurlijk veel beter is voor het milieu. Ook kernenergie, wind- en zonne-energie worden steeds belangrijker.

Voor aardgas is Tsjechië bijna geheel afhankelijk van import, met name uit Rusland en ook steeds meer uit Noorwegen (inmiddels 20% van de vraag). Het systeem van pijpleidingen (ca. 2500 kilometer) dat door het land loopt is een strategisch deel van het Europese netwerk dat gas van Rusland naar West-Europa vervoert. Ook voor aardolie is Tsjechië grotendeels afhankelijk van het buitenland. Tsjechië heeft ook kerncentrales en binnenlandse uraniumvoorraden. De winning van uranium is echter te duur en wordt langzaamaan afgebouwd.

Kleding- en textielindustrie

De textielindustrie is geconcentreerd in Oost- en Noord-Bohemen en in Zuid-Moravië. De sector is geheel in handen van de private sector en wordt door veel fusies steeds grootschaliger. Door het buitenland wordt veel geïnvesteerd in deze sector.

De productie van kleding vindt vooral plaats in Centraal-Moravië en Oost-Bohemen. Ca. 70% van de Tsjechische export van kleding is bestemd voor de EU. Er wordt ook veel geïmporteerd uit goedkope-lonen-landen als Vietnam, China en Taiwan. Om de eigen industrie te beschermen is er een minimumprijs voor verschillende soorten kleding vastgesteld.

De leerindustrie is geconcentreerd in de Zlin-regio. Ook de leerindustrie is vooral georiënteerd op de export. Deze sector heeft sterk te lijden onder de import van goedkope schoenen uit China.

Mijnbouw

Tsjechië is niet echt een mijnbouwland, alleen kolen vormen een belangrijke delfstof. Bruinkool wordt gewonnen in Noord-Bohemen en steenkool in de regio Ostrava in Noord-Moravië.

De Tsjechische regering wil een aantal bruinkoolmijnen sluiten omdat het gebruik van bruinkool ernstige milieuvervuiling veroorzaakt.

De aardoliewinning en de Tsjechische aardgasvoorraad stellen niet zoveel voor. De aardgasvoorraad bedraagt ca. 3,5 miljard m3, goed voor de dekking van twee procent van de Tsjechische behoefte aan gas.

Minerale grondstoffen zijn rijkelijk aanwezig en genoemd kunnen worden kalksteen, porseleinaarde, grind, stenen en goud.

Automobielindustrie

De automobielindustrie is al lange tijd de succesvolste tak binnen de Tsjechische metaalsector. Er zijn 270 productiebedrijven actief. Meer dan de helft van de automobielindustrie is in buitenlandse handen en vanwege de vele voordelen hebben ook veel buitenlandse toeleveringsbedrijven een Tsjechische vestiging. In 2001 werden er ca. 475.000 transportmiddelen geproduceerd.

Wat betreft personenauto’s is Škoda de enige belangrijke producent; voor vrachtwagens is dat het Tsjechische Tatra en het Japans/Tsjechische Daewoo Avia. Karosa, dat weer voor 90% in bezit is van Renault, is de grootste producent van bussen.

In maart 2002 startten Toyota en PSA Peugeot Citroën met de bouw van een nieuwe autofabriek. Hierdoor is Tsjechië één van de grootste autoproducenten van Europa met een productie van meer dan 1 miljoen auto’s per jaar.

Handel

Belangrijkste handelspartners zijn de landen van de EU. Ook naar Slowakije en Rusland wordt veel geëxporteerd. Voornamelijk grondstoffen worden nog uit de Russische Federatie geïmporteerd (aardolie). De handelsbalans is positief. De waarde van de export bedroeg in 2017 $ 145 miljard en de waarde van de import was $135 miljard.

De belangrijkste Tsjechische uitvoerproducten zijn machines, machineonderdelen, transportmaterieel, metaalproducten en elektronica. De belangrijkste importproducten zijn chemische producten, machines, machineonderdelen en transportmaterieel.

Verkeer

Door de gunstige ligging in Centraal-Europa gaan er veel internationale verkeersstromen door Tsjechië. Het meeste vervoer vindt plaats via het spoor en de weg. Het wegtransport en het vervoer per spoor stegen de afgelopen jaren sterk.

Het dichte wegennet van Tsjechië is ca. 60.000 kilometer lang, maar er is maar een klein percentage snelweg. Op dit moment wordt vooral geïnvesteerd in autobanen die aansluiten op het internationale wegennet.

Het Tsjechische spoor bedraagt meer dan 9000 kilometer waarvan bijna 3000 kilometer is geëlektrificeerd. Hoewel er nog steeds veel goederen per spoor vervoerd worden, is het goederentransport per spoor afgenomen ten gunste van het wegvervoer.

Het spoorwegvervoer is op dit moment nog zeer traag en zowel qua infrastructuur als materieel verouderd. De belangrijkste verbindingen met het buitenland worden gemoderniseerd.

Tsjechië heeft elf internationale vliegvelden (o.a. Praag, Ostrava en Brno) en 60 lokale vliegvelden. Vliegveld Ryzyne bij Praag is veruit het belangrijkste met 95% van het personenvervoer en 85% van de luchtvracht.

Het vervoer per schip neemt geen belangrijke plaats in want maar 2% van het transport wordt per schip gedaan. Het vrachtvervoer per binnenschip loopt via havens aan de Elbe en de Moldau. In Tsjechië liggen aan deze waterwegen negen havens voor personenvervoer en 28 goederen- en overslaghavens. De directe verbinding met de haven van Hamburg is erg belangrijk en de conditie van het Tsjechische traject van de Elbe is verbeterd.

Met enige voormalige Sovjetrepublieken bestaan verbindingen van pijpleidingen voor het vervoer van aardolie en aardgas.

Vakantie en Bezienswaardigheden

Het toerisme wordt steeds belangrijker voor de Tsjechische economie. Er zijn veel wandelpaden en het Reuzengebergte biedt goede wintersportmogelijkheden. Verder zijn er een aantal traditionele spa´s, waarvan Karlovy Vary en Marianske Lazne de bekendste zijn.

Verder concentreert het toerisme zich voornamelijk op Praag en de regio daaromheen, ca. 70% van alle bezoekers. Er is helaas nog geen gecoördineerde planning en beleid wat het toerisme betreft. Vaak wordt het aan de lokale overheid overgelaten die er echter ook weinig kaas van gegeten heeft. Zo voldoen de meest accommodaties nauwelijks aan de westerse maatstaven.

Een aantal Nederlandse projectontwikkelaars bouwt in het Reuzengebergte vakantiewoningen, die in Nederland te koop worden aangeboden. Het is het eerste vakantiepark van deze omvang in Midden- en Oost-Europa.

De interessantste stad van het land is ongetwijfeld Praag; in Moravië is het de oude universiteitsstad Olomouc met heel veel historische gebouwen. Interessante steden in Bohemen zijn o.a. Tábor (aan het begin van de 15de eeuw een belangrijk centrum van de hussitische beweging; uit die tijd stamt ook het catacombenstelsel, waardoor de huizen van deze stad met elkaar verbonden waren), in het zuiden Ceský Krumlov, in het zuidoosten Telc en in het oosten Kutná Hora.

Sommige van de Tsjechische steden zijn als badplaats bekend geworden. De bekendste zijn Karlovy Vary (Karlsbad) en Mariánské Lázne (Mariënbad) in het westen van Bohemen en Luhacovice in Oost-Moravië.

Het land kent vele diverse typen burchten en kastelen. In de omgeving van Praag liggen o.m. Karlštejn (het belangrijkste gotische kasteel), Krivoklát (het jachtslot van de Tsjechische koningen) en het kasteel Konopište (met een unieke verzameling jachttrofeeën). Het Zuidboheemse kasteel Hluboká nad Vltavou is gebouwd in Tudorstijl. In Moravië zijn het gotische kasteel Pernštejn en de barokkastelen van Valtice en Ždár nad Sázavou bekend.

Wat de natuur betreft, biedt Tsjechië zeer uiteenlopende typen landschappen. In Zuid-Bohemen bevinden zich de uitgestrekte hoogvlakten met de (in de 16de eeuw) kunstmatig aangelegde meren en de (recent) aangelegde stuwmeren, zoals dat van Lipno, een centrum van zomertoerisme. In Noord-Bohemen liggen diverse centra van vooral wintertoerisme, zoals in Krkonoše (Reuzengebergte) of in de Jizerské-bergen. Vlak bij de stad Jicín liggen de Prachovské skály, een uitgestrekt complex van bizarre zandsteenrotsen. Ook het Jeseníkygebergte in Noord-Moravië wordt het meest in de winter bezocht. In het lager gelegen Midden-Moravië bevindt zich de zgn. Moravský kras, een natuurreservaat met veel druipsteengrotten en het 138 m diepe ravijn Macocha.

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

TSJECHIE LINKS

Advertenties
• Tsjechie Vliegtickets.nl
• Tsjechie Tui Reizen
• ANWB vakantie boeken Tsjechie
• Tsjechië met de Trein
• Praag Hotels
• Autoverhuur Sunny Cars Tsjechie
• Transport Tsjechië - TTS Quality Logistics B.V
• Tsjechië Campings

Nuttige links

Campersite Tsjechië (N)
Lies & Teije's Reiswebsite (N+E)
Reisinformatie Tsjechië (N)
Reizendoejezo – Tsjechië (N)
Startpagina Tsjechië (N)
Tsjechië Foto's

Bronnen

Mandos, M. / Tsjechië

ANWB

Schneider, J. / Tsjechië

Kosmos-Z&K

Sioras, E. / Czech Republic

Marshall Cavendish

Tsjechië, Slowakije

Lannoo

Wilson, N. / Czech & Slovak Republics

Lonely Planet

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt september 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems