Steden JAPAN

JAPAN   

Oudste bewoners

De oorsprong van de eerste bewoners van Japan is niet zeker. Zeker is dat er een emigratiegolf via Siberië en Korea is geweest toen Japan nog aan het vasteland van Oost-Azië vastzat. Maar het is ook mogelijk dat zeevarende immigranten vanuit Polynesië geland zijn op Kyushu en Okinawa. Waarschijnlijk is het zo dat de Japanse bevolking ontstaan is uit een mix van allerlei culturen.
Na de Tweede Wereldoorlog zijn er overblijfselen gevonden van de paleolithische Gongenyama-culturen (60.000-50.000 v.Chr.) Andere bewijzen van civilisatie is aardewerk uit de neolithische periode rond 10.000 jaar v.Chr. Deze Jomon-periode werd zo genoemd naar de touwmotieven in de klei. De Jomon-mensen waren jagers en verzamelaars. De Jomon-periode is op grond van de vormen en verdere versieringen verdeeld in vijf stadia en duurde van 10.000 tot ca. 250 v.Chr.
Na deze periode volgde de geleidelijke overgang naar de brons- en ijzercultuur van de Yayoi-periode. Roodkleurige potscherven zijn gevonden in het stadsdeel Yayoi van de huidige hoofdstad Tokio, vandaar de naam van deze periode. Men vermoedt sterk dat er connecties zijn geweest met Korea en de belangrijkste prestaties waren het verbouwen van rijst, via Korea uit China geïntroduceerd, en het gebruik van bronzen en ijzeren gebruiksvoorwerpen. De Yayoi-periode duurde van 300 v.Chr. tot 300 n.Chr.
Uit de Yayoi-cultuur kwam de Kofun-cultuur voort (grafheuvelcultuur) wat duizenden enorme grafheuvels heeft opgeleverd in Centraal- en West-Japan. Aan de gewoonte om deze grote grafmonumenten te gebruiken kwam een eind door de komst van het boeddhisme, dat crematie voorstond.
In deze tijd gingen steeds meer nederzettingen samenwerken om hun land te verdedigen en uiteindelijk lukte het de Yamato-clan om rond 300 een soort algeheel verbond te sluiten waar alle stammen zich in konden vinden. De Yamato-leiders claimden af te stammen van de zonnegodin Amaterasu en introduceerden de titel tenno, keizer, rond de 5e eeuw. Hierdoor kon Japan voortaan als één natie beschouwd worden die zich uitstrekte van Kyushu in het zuiden tot Honshu in het noorden.
Yamato had vanaf de 4e eeuw al bijzondere contacten met Korea. Tussen de twee zuidelijke koninkrijken, Paekche en Silla, lag een klein gebied, in Japanse annalen Mimana genoemd, waar een soort stadhouderschap van Yamato bestond en waar Japanse troepen gelegerd waren. Het gebiedje was een soort uitvalsbasis van de vastelandscultuur naar Yamato en halverwege de 6e eeuw werd het boeddhisme dan ook via China en het Koreaanse koninkrijk Paekche in Japan geïntroduceerd en verder ontwikkeld.

Eerste keizerlijke dynastieën

In 562 werden de Japanners door Silla, het buurvolk van Paekche, uit Mimana verdreven en trad er een verval in. Dit verval van Yamato werd gestopt door prins Shotoku die een soort grondwet maakte en richtlijnen opstelde voor een centraal bestuurde staat met maar één heerser. Hij maakte van het boeddhisme ook de staatsgodsdienst. Ook allerlei andere elementen van de Chinese cultuur werden in Japan geïntroduceerd, zoals geneeskunde, muziek, astronomie, beeldende kunsten en als belangrijkste het Chinese schrift. Aanvankelijk bereikten al deze zaken Japan via Korea maar op den duur begon men hoe langer hoe meer directe contacten met het zogenaamde Rijk van het Midden te zoeken en in 607 werd voor het eerst een officiële gezant naar het Chinese hof gestuurd.
De overname van Chinees het cultuurgoed bereikte haar hoogtepunt tijdens de zogenaamde Taika-hervorming tussen 645 en 702 waarbij het administratieve systeem van de Chinese T'ang-dynastie (618-907) in zijn geheel werd overgenomen. Als gevolg hiervan werd al het particulier bezit aan grond en lijfeigenen afgeschaft doordat al het land tot het eigendom van de keizer en het gehele volk tot zijn onderdanen werden verklaard. Een gevolg was ook dat de keizer als afstammeling van de Zonnegodin Amaterasu niet alleen de hogepriester van het land was maar ook wereldlijk heerser werd, net zo als in China het geval was. De clans (uji) waren niet langer de belangrijkste sociale en politieke eenheden en de clanhoofden werden benoemd tot ambtenaren van de keizer.
Dit administratieve stelsel van het gigantische T'ang-rijk paste echter totaal niet op het relatief zeer kleine Yamato-rijk en de aristocratische afstammelingen van de vroegere clanhoofden waren dan ook niet van plan om afstand te doen van hun macht en bevoegdheden en de ambtenarij bleef dan ook in feite beheerst door de adel. Het confucianisme vond in de periode van de Taika-hervorming steeds meer verbreiding, hoewel het pas eeuwen later bepalend zou worden voor de Japanse opvattingen omtrent ethiek.
Dankzij familievetes en machtsovernames veranderde regering en wetten constant. Zo kwam er bijvoorbeeld een einde aan de traditie dat elk nieuwe regeerder de plaats van de hoofdstad veranderde en werd voor het eerst een vaste hoofdstad gekozen. In 710 werd het Nara, dat tot 794 de hoofdstad bleef. Gedurende de Nara-periode werd het boeddhisme sterk gepromoot, met name onder keizer Shomu. Deze periode werd met name op het gebied van de bouw- en beeldhouwkunst de eerste glansperiode in de geschiedenis van Japan, en begon zich een eigen richting in de Japanse cultuur af te tekenen.
Tegen het einde van de 8e eeuw bemoeide de boeddhistische geestelijkheid zich zoveel met de politiek dat keizer Kammu besloot om de hoofdstad te verplaatsen van Nara naar Heian-kyo (nu: Kyoto). Dit alles om de groeiende invloed van de geestelijke af te stoppen. Net als Nara werd Heian gemodelleerd naar de hoofdstad van de Tang-dynastie in China Chang-an (nu: Xi'an). Heian-kyo zou tot 1868 de hoofdstad van Japan blijven. De Heian-periode kenmerkte zich door opbloeiende kunsten en belangrijke ontwikkelingen in het religieuze denken. De Chinese immigranten brachten allerlei ideeën en gebruiken mee die naar de Japanse situatie aangepast werden. Rivaliteit tussen het traditionele Japanse shintoïsme en het boeddhisme werd voorkomen door shinto-goden als boeddha's voor te stellen. Religie en staat werden losgekoppeld en vanuit China werden twee nieuwe sektes meegebracht door Japanse monniken, Tendai en Shingon, die de pijlers werden waarop het Japanse boeddhisme opgebouwd werd. Gedurende de Heian-periode werd er ook meer de nadruk gelegd op vrijetijdsbesteding en ontwikkeling van de wetenschap en minder aan het regeren.

Fujiwara-dynastie

Hier profiteerde de adellijke Fujiwara-familie van door tussen de 9e en het midden van de 12e eeuw belangrijke posten aan het hof in te nemen via allerlei slinkse manoeuvres. Hun macht ontleenden zij verder aan het gebruik van de schenkingen van sho-en, grondbezit, dat door de keizer aan boeddhistische kloosters, prinsen en hoge ambtenaren als beloning voor verdiensten gegeven werd. Deze sho-en bleven in naam eigendom van de keizer maar waren belastingvrij en stonden onder jurisdictie van de provinciale stadhouders. Zij namen in de loop van de tijd gestadig in aantal toe en in de 11e eeuw bestond de helft van het land uit sho-en; bovendien matigden bepaalde grootgrondbezitters zich het recht aan zelf hun gebieden tot sho-en te verklaren.
De Fujiwara werden steeds sterker en machtiger maar ook de landadel ontwikkelde zich steeds meer doordat de Fujiwara zich voornamelijk bezighielden met de politiek in de hoofdstad. Omstreeks 1150 nam de adellijke Taira-familie voor korte tijd de macht van de Fujiwara over, maar moest die al snel weer afstaan aan de Minamoto-familie (ook bekend onder de naam Genji) na de Slag bij Dannoura in 1185. In 1192 veroverde Yoritimo Minamoto geheel Honshu en voor het eerst in de geschiedenis van Japan werd het land door één familie overheerst. Yoritimo kreeg van de keizer de eretitel Sei-i-tai-shogun (afgekort: shogun) en deze titel voor het leven werd erfelijk voor de militaire leiders van Japan. Tot 1868 waren de shoguns de feitelijke machthebbers en de keizers alleen in naam hoofd van de staat waren. Typerend was dan ook dat de keizer in Tokio bleef wonen en dat Yoritomo, Kamakura tot hoofdstad maakte. Yoritomo heerste op een feodale manier en schrok er zelfs niet voor terug om eigen familieleden die hem in de weg zaten, te verwijderen. In 1199 viel Yoritomo van zijn paard en overleed, waarna in 1205 de machtige Hojo-familie, waar zijn vrouw toe behoorde, de macht overnam.
In 1219 stierf de laatste shogun van de Minamoto-familie. Sindsdien werden keizerlijke prinsen en leden van de Fujiwara-familie tot shogun benoemd, maar de Hojo bleven het regentschap uitoefenen. Gedurende deze periode werd het boeddhisme steeds populairder, met name de introductie van het zenboeddhisme onder de samoerai. In 1259 bereikten de Mongolen onder leiding van Kublai Khan Japan, en stuurde afgezanten om de Japanners tot overgave te bewegen. Deze afgezanten werden echter verdreven uit Japan en als antwoord stuurden de Mongolen in 1274 en 1281 een invasiemacht naar Japan.
Tokimune van de Hojo-familie wist beide invallen echter af te slaan en werd beide keren geholpen door tyfoons die de Mongoolse vloot vernietigden. Deze tyfoons werden kamikazes genoemd (kamikaze = goddelijke wind). De schatkist was echter leeg en de macht van de samoerai-klasse werd steeds groter. Keizer Go-Daigo probeerde van deze situatie te profiteren en leidde een mislukte opstand tegen de regering en werd verbannen naar de Oki-eilanden. Een paar jaar later probeerde hij het weer en was nu succesvoller; in 1319 besteeg hij de troon. Keizer Go-Daogo maakte echter de fout om de aristocratie en priesters te belonen en niet zijn soldaten, die voor hem de kastanjes uit het vuur gehaald hadden. Dit leidde tot een opstand, georganiseerd door de overgelopen Hojo-generaal Ashikaga Takauji die Go-Daigo versloeg in de Slag bij Kyoto. Hij benoemde een nieuwe keizer, riep zichzelf uit tot shogun en vestigde zich in Muromachi in de buurt van Kyoto.
Er volgde een periode in de 14e eeuw van voortdurende oorlogen, met name tussen de twee keizerlijke hoven in Centraal-Japan die elkaar op dat moment fel bestreden. De zuidelijke dynastie werd aangevoerd door de gevluchte Go-Daigo en zijn opvolgers; de noordelijke dynastie bestond uit een lid van de keizerlijke familie dat door Ashikaga op de troon was gezet, en zijn opvolgers. Door deze tweestrijd hadden de feodale heersers (daimyo genoemd) in de rest van Japan ruimschoots de gelegenheid hun macht en gebied uit te breiden. Het was echter niet allemaal kommer en kwel wat de klok sloeg in de Ashikaga-peridoe. Het boeddhisme was in de Kamakura-periode al vernieuwd en populairder geworden en ook het zenboeddhisme sprak erg tot de verbeelding. Maar ook architectuur, schilderkunst, tuinaanleg en bloemschikkunst (ikebana) kwam tot bijzondere bloei.

De handel met het buitenland kwam tot nieuwe bloei want verschillende daimyô brachten belangrijke handelsbetrekkingen met China en Zuidoost-Azië tot stand. In 1467 brak de Onin-oorlog uit die zich ontwikkelde tot een volledige burgeroorlog en de afbrokkeling van de macht van de Ashikaga's versnelde. deze periode duurde tot 1576 en is bekend geworden onder de naam Sengoku-jigai. Politiek gezien hing Japan op dat moment als los zand aan elkaar zonder centrale autoriteiten. In de Momoyama-periode zou dat weer veranderen. In 1568 zorgde Oda Nobunaga er door zijn militaire inzicht voor dat de weg naar vrede en eenheid werd ingeslagen in Centraal-Japan. Ook veroverde hij vele centrale provincies en brak de grote macht van de boeddhistische kloosters. Voordat hij zijn werk kon afmaken werd hij echter verraden door een van zijn generaals, Akechi Mitsuhide. Als heerser werd Oda in 1582 opgevolgd door Toyotomi Hideyoshi, opmerkelijk genoeg waarschijnlijk een boerenzoon. Het lukte hem om in 1590 het gehele land weer onder een bewind te krijgen. Hij werd toen overmoedig en viel met een grote expeditionaire macht Korea en China aan. De pogingen in 1593 en 1598 mislukten echter, de laatste keer doordat Toyotomi stierf.

Eerste contacten met Westerse landen

In 1543 werd het eerste contact met het Westen gemaakt met Portugese handelaars en enkele jaren later gevolgd door missionarissen, aanvankelijk Portugezen en later Spanjaarden. In 1549 arriveerde de jezuïet Francis Xavier in Kagoshima en lokale vorsten werden snel bekeerd in ruil voor handelsvoordelen en wapens. Oda zag wel voordelen van het christendom als tegenhanger van het boeddhisme. Toyotomi daarentegen vreesde dat de nieuwe godsdienst zijn leiderschap zou gaan ondermijnen. Er werden verordeningen uitgevaardigd tegen het christendom en in 1597 werden er 26 priesters en Japanse bekeerlingen gekruisigd.
Het leger van Toyotomi Hideyoshi werd in 1600 verslagen bij de Slag van Sekigahara door zijn vroegere bondgenoot Tokugawa Teyasu. Tokugawa zetelde te Edo, het huidige Tokio, en nam de titel van shogun aan. De keizers bleven hun schaduwbestaan in Kyoto leiden. In de Tokugawa- of Edo-priode gingen de vervolgingen en het vogelvrij verklaren van de christenen door en bereikte in 1637 een dieptepunt met het bloedig neerslaan van de door christenen geleide Shimabara-opstand. Hiermee kwam aan de christelijke periode een abrupt einde, hoewel het christendom ondergronds verderging en weer officieel werd toegestaan aan het einde van de 19e eeuw.
De Tokugawa-familie organiseerde een soort gecentraliseerde politiestaat, waarin bijvoorbeeld alle daimyo, de leenmannen van de shogun, een bepaalde periode in de hoofdstad verblijven en een daaraan gelijke periode op hun leengoederen. De Tokugawa-familie controleerde alle grote steden, de belangrijke havens en alle mijnen; de rest van het land stond onder controle van vrij autonome daimyo. Hun vrouwen en kinderen verbleven echter als een soort onderpand constant in Edo. Ook werd het Japanners verboden naar het buitenland te reizen. Door deze maatregelen waren de daimyo gedwongen loyaal te blijven aan de Tokugawa's.
De bevolking van Japan werd in die tijd strikt in vier klassen verdeeld. De samoerai of krijgslieden stonden bovenaan de ladder. Tot de samoerai behoorden de shogun, de daimyo en verder alle militairen. Ook befaamde kunstenaars, geleerden en artsen behoorden tot deze groep. Daarna kwamen de boeren, dan de handwerkslieden en als laatste de kooplieden. De paria-groepen Eta en Hinin vielen overal buiten. Alle klassen in de samenleving werden onderworpen aan strenge regels die tot in de kleinste details hun leven beheersten. Ook sociale mobiliteit tussen klassen onderling was praktisch onmogelijk.
Voorname oorzaken van deze maatregelen waren de angst voor inmenging van westerlingen in interne zaken en voor kolonisatie. Het anti-christendom en bedreigingen van de Japanse economie speelden ook een belangrijke rol. Onder het Tokugawa-bewind isoleerde Japan zich vrijwel volledig van de buitenwereld (sakoku). Alleen de Hollanders op het eiland Decima, de Chinezen en de Koreanen konden onder streng toezicht contact houden met Japanse handelaren. Het positieve van de Tokugawa-periode was dat deze in relatieve rust verliep. Opmerkelijk was de overgang van een rijsteconomie naar een geldeconomie, waardoor de stand van de kooplieden steeds belangrijker en machtiger werd. Dit ging dan weer ten koste van de samoerai-klasse die steeds meer in verval raakte en afhankelijk werd van de kooplieden. Hierdoor verburgerlijkte de cultuur, met name de kunst en de literatuur, zich steeds meer en de studie van de exacte wetenschappen werd steeds belangrijker.
De officiële staatsleer in deze periode was het aan China ontleende neo-confucianisme, dat perfect aansloot bij de op dat moment heersende feodale verhoudingen in Japan. Rond 1800 leed de Tokugawa-regering onder corruptie en stilstand in ontwikkeling. Hongersnoden en armoede onder de boeren en de samoerai zorgden voor opstanden die echter door het rigoureuze politiesysteem weinig schade aanrichten. Een veel groter gevaar betekende de steeds groter wordende macht van de daimyô in West- en Zuid-Japan. Zij waren altijd al tegenstander geweest van het shogun-systeem. Ook intellectuelen hoopten op een terugkeer van de macht van de keizer.
Bovendien drongen landen als Rusland, Verenigde Staten en Groot-Brittannië zich steeds meer op groeide de vrees dat aan de onafhankelijkheid van Japan van buitenaf een eind zou worden gemaakt.

Diplomatieke en economische openstelling Japan

In 1853 vroeg de Amerikaanse commodore Matthew Perry namens de president van de Verenigde Staten de Japanse regering om de handelsbetrekkingen weer te herstellen. Ook andere landen vroegen om opening van de handelshavens en de versoepeling van de handelsbarrières. De shogun-regering, ondertekende op 31 maart 1854 een voorlopig verdrag, waarbij de havens van Shimoda en Hakodate werden opengesteld en ook zouden al snel verdere diplomatieke onderhandelingen gestart worden. De eerste Amerikaanse consul-generaal arriveerde in 1856 en ook werden er verdragen met andere landen gesloten. Er waren echter veel tegenstanders van de verdere openstelling van het land en zij richtten zich ook tegen de buitenlanders zelf.
Met name het feit dat men verdragen had gesloten zonder goedkeuring van de keizer zette kwaad bloed. Toch bekrachtigde de keizer in 1865 de verdragen met de buitenlanders. In 1866 verenigden twee machtige daimyo-gebieden (Satsuma en Choshu) uit West-Japan zich waarna uiteindelijk op 9 november 1867 de laatste shogun, Tokugawa Yoshinobu, zijn ontslag aanbood en keizer Meiji de macht overnam. Op 4 januari 1868 werd het shogunaat bij keizerlijk decreet afgeschaft. Dit herstel van de keizerlijke macht wordt ook wel de Meiji-restauratie genoemd vanwege de vele vernieuwingen die in deze periode werden ingevoerd. Zo werd in 1869 de keizerlijke hoofdstad verplaatst van Kyoto naar Edo, dat vanaf die tijd Tokio werd genoemd, de "oostelijke hoofdstad".
In 1871 werden de feodale daimyo-lenen afgeschaft en werd Japan in prefecturen opgedeeld waarmee de feodaliteit werd afgeschaft en aan alle standen gelijke rechten werden toegekend. Verder werd er een nieuw muntstelsel ingevoerd, werden rijksposterijen opgericht werd de eerste spoorweg, Tokio-Yokohama, geopend.
In 1872 werd een nieuw opvoedingssysteem geïntroduceerd (verplicht onderwijs) en in 1873 werd de algemene dienstplicht ingevoerd. Een serie opstanden van de samoerai, die steeds meer macht kwijtraakten, eindigde met de Saigo-opstand in 1877 waarin de samoerai definitief verslagen werden en al hun macht kwijtraakten.
In 1882 werd de Bank van Japan opgericht en tussen 1882 en 1885 ontstonden de eerste moderne politieke partijen. In 1885 werd een modern kabinet gevormd en in 1888 een Geheime Staatsraad ingesteld, waarna in 1889 de een grondwet aangenomen werd. Als gevolg hiervan kwam in 1890 het parlement voor het eerst bijeen.
De buitenlandse politiek in de Meiji-periode was erop gericht de ongunstige verdragen met de westerse landen af te schaffen, zich beter te verdedigen tegen eventuele vijanden en het verwerven van koloniën om grondstoffen voor de opkomende industrie veilig te stellen. Japan liet zijn ogen o.a. vallen op het Russische Sachalin maar moest na een verdrag in 1875 genoegen nemen met de Koerillen-eilandengroep.
Belangrijker waren de betrekkingen met Korea. In 1876 dwong Japan Korea enkele havens voor de Japanse handel open te stellen en diplomatieke betrekkingen aan te knopen. In 1879 werd het koninkrijkje Ryukyu (Okinawa-ken) op Taiwan door Japan geannexeerd. Door de bemoeienissen met Korea kwam Japan in conflict met China, dat speciale relaties had met Korea. In 1885 werd echter een verdrag gesloten waarbij men de onafhankelijkheid van Korea vastlegde en elkaar beloofde nooit troepen naar Korea te sturen zonder het de ander te laten weten. Men hield zich niet aan deze afspraken en dat was de oorzaak van de Chinees-Japanse oorlog van 1894-1895 die door Japan gewonnen werd.
Op 17 april 1895 werd het vredesverdrag van Shimonoseki gesloten en kreeg Japan onder andere Taiwan en moest China een oorlogsvergoeding aan Japan betalen. Verder werd Korea weer als een onafhankelijk gebied uitgeroepen wilde Japan het schiereiland Liaodong hebben. Deze eis werd door interventie van Duitsland, Frankrijk en Rusland niet ingewilligd. Groot-Brittannië was ondertussen bezorgd over de activiteiten van Rusland in het oosten en zocht daardoor steeds meer toenadering tot Japan. Tussen 1894 en 1899 werden er een aantal verdragen gesloten die leidden tot de juridische soevereiniteit van Japan en in 1911 verwierf het volledige tariefautonomie.
In 1900 verwierf Japan aanzien bij de westerse mogendheden door de Bokseropstand in China te onderdrukken. Als gevolg hiervan werd Mantsjoerije door Rusland bezet. In 1902 werd een bondgenootschap gesloten tussen Japan en Groot-Brittannië en daarna werden onderhandelingen gestart om de expansiedrift van Rusland in het oosten te beteugelen. De onderhandelingen hadden echter geen succes en op 6 februari 1904 werden ze weer afgebroken. Moreel gesteund door Groot-Brittannië verklaarde Japan op 11 februari 1904 de oorlog aan Rusland en viel de Russen aan in Mantsjoerije en Korea. Bij de slag van Tsu-shima werd de Baltische vloot van de Russen in de pan gehakt.
Voor het eerst kreeg Japan het idee dat men op gelijke hoogte stond met de westerse mogendheden. Bij het vredesverdrag van Portsmouth op 5 september 1905 moest Rusland vele concessies doen op militair, politiek en economisch gebied. Een ander gevolg van de oorlog was dat Korea een protectoraat van Japan werd en op 22 augustus 1910 volledig door Japan werd geannexeerd. Op 30 juli 1912 stierf keizer Meiji en opgevolgd door zijn zoon Yoshihito, wiens eerste regeerperiode bekend zou worden als de Taisho-periode.

Eerste en Tweede Wereldoorlog

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914 koos Japan de kant van de geallieerden, maar bemoeide zich verder nauwelijks deel aan de vijandelijkheden. In Azië werd het fort Zingdao en de Duitse kolonie in Giaozhou veroverd evenals wat Duitse bezittingen in de Grote Oceaan, onder andere de Marianen en de Marshalleilanden. En terwijl de geallieerden bezig waren met de oorlog, maakte Japan van de gelegenheid gebruik om via de scheepvaart en de handel een ijzersterke economische positie in Azië op te bouwen. In 1915 werden aan China de "21 eisen" gesteld, bedoeld om een dominerende positie in China te verwerven. Met uitzondering van een paar onbelangrijke gebieden waar Japan een bijzondere positie kon innemen, onder andere Shandong en Oostelijk Binnen-Mongolië, ging China hier niet verder op in. Bij het Vredesverdrag van Versailles verwierf Japan de voormalige Duitse eilandbezittingen ten noorden van de evenaar als mandaatgebieden; uit Giaozhou trok het zich drie jaar later terug. De gebiedsuitbreiding van Japan ten koste van Rusland zou zich uiteindelijk weer tegen Japan keren. Zo werd na de Eerste Wereldoorlog de Vlootconferentie van Washington (1921/1922) gehouden waarin bepaald werd dat de grootte van de vloten van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Japan op een verhouding van 5-5-3 gebaseerd moest zijn. Ook werd de Brits-Japanse Alliantie van 1902 opgeheven en werden de Japanners gedwongen zich terug te trekken uit Shandong in China en uit Siberië. Binnenlandse sociale onrust leidde ertoe dat de regering een wat meer democratische en liberale koers ging uitzetten. In 1918 werd Kei Satoshi Hara als eerste niet-adellijke politicus minister-president van Japan, het stemrecht werd uitgebreid en Japan trad in 1920 toe tot de Volkenbond. Ook het partijenstelsel werd versterkt, waardoor het socialisme zich kon ontwikkelen en in 1928 slaagden marxistische partijen erin om acht zetels in het Huis van Afgevaardigden te winnen. In hetzelfde jaar werden echter ook leden van de communistische partij gearresteerd en nam de invloed van het socialisme al weer af. Onder invloed van "zaibatsu", een financiële kliek van industriëlen en bankiers, volgde men een gematigde en vreedzame buitenlandse politiek. Ondertussen had in 1926 keizer Hirohito de troon bestegen en begon de Showa-periode. Hij had veel door Europa gereisd, kennis gemaakt met de Europese adel en een aanhanger van de Britse levensstijl.
De ongezonde economische structuur leidde in 1927 tot een grote bankcrisis en vele faillissementen. De wereldwijde crisis in 1929 versterkte de crisis in Japan en nationalistische gevoelens staken weer de kop op. Bovendien richtten vele landen zogenaamde "tariefmuren" op waardoor Japan zich genoodzaakt zag om zich weer te richten op koloniale expansie. Bovendien werd in 1924 in de Verenigde Staten de Immigration Act aangenomen die de immigratie van Japanners naar de Verenigde Staten verbood. Militaire elementen kregen hierdoor steeds meer invloed op de politiek. In september 1931 werd door het leger een incident in Mantsjoerije in scène gezet met als doel om dit rijke gebied aan grondstoffen volledig afhankelijk van Japan te maken. Op 9 maart 1932 werd de door niemand erkende nieuwe staat Mantsjoekwo uitgeroepen en in 1933 werd de provincie Jehol bezet en trad Japan uit de volkenbond. Op 15 mei 1932 brak er een militaire opstand uit in Tokio en werd minister-president Takeshi Inukai vermoord. De daders werden nauwelijks bestraft wat tekenend was voor de zwakke positie van de politiek op dat moment. In februari 1936 vond onder leiding van jonge officieren en kadetten van het leger te Tokio weer een opstand plaats. Zij hielden gedurende drie dagen de hoofdstad volledig in handen en werden de minister van Financiën Takahashi, de voormalige premier Saito en het hoofd van de militaire opvoeding generaal Watanabe vermoord.
Op 25 november 1936 werd met het Anti-Kominternpact gesloten. De Komintern werd in maart 1919 opgericht met als doel de verbreiding van de revolutie in andere landen. Het was in theorie een onafhankelijke organisatie maar stond in werkelijkheid sterk onder invloed van de Russische partij. Inmiddels was de Japanse politiek op het vasteland steeds agressiever geworden. Na een nieuwe uitbreiding van de Japanse invloedssfeer in Noord-China brak in juli 1937 het Chinees-Japanse Incident uit, dat in feite een informele oorlog tussen Japan en de nationalistische regering van Tjiang K'ai-sjek was. Dit incident, dat tot een strijd leidde die pas in 1945 werd beslist, werd oorzaak van nieuwe conflicten waardoor Japan in het gebied rond de Grote Oceaan steeds meer alleen kwam te staan en vooral de relatie met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten werd steeds slechter. Zo werd het Amerikaans-Japanse Handelsverdrag op 27 januari 1940 opgezegd en op 27 september van datzelfde jaar werd het Driemogendhedenpact tussen Japan, Duitsland en Italië gesloten. Op 12 oktober 1940 werd de Taisei-yokusan-kai, de Organisatie tot ondersteuning van de keizerlijke regering, opgericht. Deze organisatie kwam in de plaats van de politieke partijen die al in augustus waren ontbonden.
Het Driemogendhedenpact toonde duidelijk de vijandigheid jegens Groot-Brittannië en de Verenigde Staten aan. In 1940 liepen de spanningen op toen de Amerikanen de export van brandstof, ijzer en staal naar Japan stopzetten, gevolgd door een volledige exportstop in 1941. Voor de Japanse militairen was nu het overleven van Japan in gevaar gekomen en het kabinet-Todjo besloot om oorlog te gaan voeren. Op 7 december 1941 overvielen de Japanners zonder oorlogsverklaring de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor op Hawaii. Na een paar dagen vielen ze de Filippijnen aan en brachten twee Engelse slagschepen tot zinken.
Binnen zes maanden had Japan de Westerse mogendheden uit geheel Oost- en Zuidoost-Azië verdreven en de belangrijkste strategische steunpunten in de Grote Oceaan bezet. In 1942 beheerste Japan een gebied dat reikte tot 6400 kilometer ten zuiden van Sachalin en 7600 kilometer ten oosten van Birma. Het keerpunt van de oorlog kwam bij de Slag bij Midway, van 3 tot 6 juni 1942. Eerder was het plan om Australië te veroveren mislukt door een nederlaag in de Slag in de Koraalzee. De Japanners werden door deze nederlagen in de verdediging gedwongen en de geallieerden naderden halverwege 1943 langzaam maar zeker de Japanse eilanden. Daar kwam nog bij dat de handelsvloot van de Japanners grotendeels vernietigd was waardoor men van broodnodige grondstoffen verstoken bleef. Ook de voortdurende bombardementen op Japan maakten het voor Japan steeds moeilijker. Op 21 juni 1945 werd Okinawa veroverd en betaalden de Japanners een zeer hoge prijs: ca. 260.000 Japanse burgers en soldaten werden gedood. De bombardementen op Japan werden nog eens geïntensiveerd. Tegelijkertijd werd door een Engels offensief Birma bevrijd. Tijdens een geweldig luchtoffensief (mei-augustus 1945) werd het Japanse militaire apparaat volledig uitgeschakeld en vele steden vernietigd.
In juli 1945 vond de Conferentie van Potsdam plaats, waar de onvoorwaardelijke overgave van Japan werd geëist. De Japanners weigerden waarna de geallieerden een atoombom op Hiroshima gooiden waarbij in een klap 80.000 doden vielen. De atoombom op Nagasaki betekende de genadeslag voor Japan. OP 8 augustus verklaarde de Sovjet-Unie Japan de oorlog en viel Mantsjoerije binnen.
De regering van Japan besloot nu te capituleren op voorwaarde dat de keizer als soeverein zou worden gehandhaafd. De geallieerden verklaarden echter, dat na beëindiging van de oorlog de regeringsvorm slechts door de wil van het volk zou worden vastgesteld, waarop de keizer zelf intervenieerde door aan te dringen op volledige overgave (14 augustus 1945). Hierop trad het kabinet-Koiso-Yonai, dat in juli 1944 het kabinet-Todjo vervangen had, af. Onder de verantwoordelijkheid van een zakenkabinet werd op 2 september in de Baai van Tokio aan boord van het Amerikaanse slagschip Missouri de capitulatie getekend. Onmiddellijk daarop begon de ontruiming van alle bezette gebieden en de bezetting van Japan door Amerikaanse en Australische troepen. Japan bleef tot april 1952 bezet onder het commando van de Amerikaanse generaal Douglas MacArthur, waarna het bij het verdrag van San Francisco zijn onafhankelijkheid terugkreeg onder een democratische grondwet. Maar pas in 1972 werd het eiland Okinawa teruggegeven aan Japan.

Hervormingen en economische herstel

De Verenigde Staten stond toe dat het bestuur over het sterk ingekrompen keizerrijk uitgeoefend zou worden door een Japanse regering waarvan de autoriteit ondergeschikt moest zijn aan SCAP (Supreme Command[er] for the Allied Powers). Verder legde men sterk de nadruk op het berechten van oorlogsmisdadigers en het verwijderen van militaristische en ultra-nationalistische elementen uit de regering.
Onder opeenvolgende regeringen werden nog vele andere hervormingen doorgevoerd: zo werd het leger "voorgoed" afgeschaft, het onderwijs gedemocratiseerd, politieke vrijheid en persvrijheid werden hersteld en er werd vrouwenkiesrecht ingevoerd. Op 3 mei 1947 werd een nieuwe grondwet van kracht en de eerste naoorlogse verkiezingen op 10 april 1946 leverden winst op voor S. Yoshida die een liberaal-progressief coalitiekabinet vormde. In de nieuwe grondwet werd elke politieke macht van de keizer afgenomen en bleef er louter een ceremoniële functie over.
Voorjaar 1954 werd het Veiligheidspact met de Verenigde Staten gevolgd door een Pact tot Wederzijdse Bijstand. Het economische herstelprogramma bestond uit leningen, gelimiteerde export, kapitaalsinvesteringen en bezuinigingen op de uitgaven. In december 1954 werd het kabinet-Yoshida opgevolgd door een kabinet met als premier Ichiro Hatoyama. Dit kabinet wilde de handelsbetrekkingen met de Sovjet-Unie en China weer aanhalen en de afhankelijkheid van de Verenigde Staten verminderen.
In december 1956 trad Japan toe tot de opvolger van de Volkenbond, de Verenigde Naties. De opvolger van Hatoyama, T. Ishibashi, maakte in februari plaats voor de conservatieve en pro-Amerikaanse N. Kishi. Op 19 januari 1960 werd het Veiligheidsverdrag tussen de Verenigde Staten en Japan verlengd en dat leverde een serie anti-regerings en anti-Amerikaanse demonstraties op. Met name de ultra-linkse Blanquistische studentenorganisatie speelde hierin een belangrijke rol. Kishi werd door deze problematiek gedwongen af te treden en opgevolgd door het kabinet-Ikeda in juli 1960.
De Olympische Spelen van Tokio in 1964 waren een nieuw bewijs van de naoorlogse erkenning van Japan door de wereldgemeenschap. In datzelfde jaar won de LDP (Liberaal Democratische Partij) van Eisaku Sato de verkiezingen evenals in december 1969. Ook in deze regeerperiode weer veel problemen met studentenorganisaties die streden voor fundamentele universitaire hervormingen. Ook werden in 1972 de Ryukyu-eilanden door de Verenigde Staten teruggegeven aan Japan. Een van de voorwaarden was echter dat er een Amerikaanse basis op de eilanden zou blijven. Ook dit leverde weer veel protesten op. Eisaku Sato werd in 1972 opgevolgd door Kakoeei Tanaka onder wiens bewind de Volksrepubliek China werd erkend en de relaties met Taiwan werden verbroken.
In deze jaren liet de terreurorganisatie het Rode Leger van zich horen, tot in Nederland toe. In 1974 werd een ambassade in Den Haag bezet en in 1972 een ambassade in Tel Aviv. Na enkele schandalen trad Tanaka in 1974 af en werd opgevolgd door Takeo Miki die ook in een omkoopschandaal (Lockheedaffaire) verzeild raakte en mede daardoor in december 1976 een zware verkiezingsnederlaag leed en aftrad als leider van de LDP. Vice-premier Fukuda volgde hem op als premier.
In 1978 sloten Japan en China een vredes- en vriendschapsverdrag maar werd door de ongebreidelde uitvoer van producten de relatie tussen Japan en de westerse landen steeds slechter. Fukuda werd in november 1978 opgevolgd door zijn rivaal binnen de LDP, Ohira. Ook na de voor de LDP slecht verlopen algemene verkiezingen van oktober 1979 bleef Ohira premier. Deze regeerperiode zou echter niet lang duren want al in mei 1980 viel het kabinet-Ohira na een motie van wantrouwen. Kort voor de succesvolle verkiezingen voor de LDP overleed Ohira en werd opgevolgd door Z. Suzuki. Suzuki trad in oktober 1982 af door de slechte economische situatie in Japan en door verdeeldheid binnen de LDP.
Opvolger Yasuhiro Nakasone, ook van de LDP, knoopte nauwere relaties aan met de Verenigde Staten en vergrootte de Japanse betrokkenheid in internationale kwesties. De van corruptie beschuldigde Tanaka weigerde uit de LDP te stappen, waardoor Nakasone gedwongen werd om in december 1983 vervroegde verkiezingen uit te schrijven. De LDP verloor de verkiezingen maar Nakasone premier te blijven met een coalitieregering. Deze regeringsperiode werd gekenmerkt door sterke bezuinigingen op overheidsuitgaven, een reorganisatie van het overheidsapparaat en het privatiseren van overheidsbedrijven zoals de nationale spoorwegen. De verkiezingen van juli 1986 werden ruimschoots gewonnen door de LDP van Nakasone, maar een splitsing in die partij noodzaakte Nakasone om zijn functie van partijvoorzitter en premier neer te leggen. Het was de notoire lastpost Tanaka die een eigen factie oprichtte en 113 leden met zich mee nam. Nakasone werd opgevolgd door Noboru Takashita in november 1987.

Politieke instabiliteit en economische crisis

In juni 1989 werd Takashita op zijn beurt gedwongen af te treden na het Recruit-aandelenschandaal. Na de desastreuze Hogerhuis-verkiezingen voor de LDP van juli 1989 werd desondanks Toshiki Kaifu tot premier benoemd. De bij het schandaal betrokken oud-premiers Nakasone en Takashita werden herkozen in het parlement maar Kaifu weerde bij het schandaal betrokken uit zijn kabinet. Zijn positie binnen de LDP verzwakte door deze principiële opstelling en een tweede ambttermijn zag hij dan ook niet zitten.
De nieuwe premier werd eind 1991 Kiichi Miyazawa die maar liefst negen "besmette" ministers in zijn regering opnam. Hij loodste de "Wet op de vredeshandhavende operaties" door het parlement en dat betekende dat Japan weer ging deelnemen aan vredesoperaties van de Verenigde Naties, als eerste in Cambodja. De toegezegde hervorming van het kiesstelsel ging niet door en dat was de aanleiding tot vervroegde verkiezingen in juli 1993 die niet goed afliepen voor de LDP. De absolute meerderheid werd verloren en voor het eerst in 38 jaar nam de LDP niet deel aan de regering.
De nieuwe premier van Japan werd Morihiro Hosokawa, de leider van de pas opgerichte Nieuwe Partij van Japan. Nog geen jaar later kon Hosokawa al weer vertrekken door dubieuze zakelijke transacties in het verleden en de minderheidsregering van Hata hield het zelfs maar twee maanden uit. In juni 1994 viel de LDP uit elkaar in twee facties. In januari 1995 werd Japan opgeschrikt door een aardbeving in Kobe die aan meer 5300 mensen het leven kostte en tientallen miljarden schade opleverde. Een volgende ramp was de aanslag op de metro van Tokio enkele maanden later. Het dodelijke zenuwgas sarin zorgde voor 12 doden en 5500 gewonden.
Premier Murayama trad begin 1996 af en werd opgevolgd door de voorzitter van de LDP, Hashimoto. Deze werd in november herkozen als minister-president na de vorming van een LDP-minderheidsregering. In september 1997 sloot Japan een overeenkomst met de Verenigde Staten waardoor het land voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog buiten het eigen grondgebied militaire activiteiten kon ondernemen. In 1997 ook weer grote commotie door illegale betalingen van bestuurders van grote bedrijven aan afpersers. Ook de minister van financiën van het kabinet-Hashimoto moest ontslag nemen na het aannemen van steekpenningen.
In juli 1998 trad Hashimoto terug als premier na een nederlaag bij Hogerhuis-verkiezingen en werd opgevolgd door Keizo Obuchi, die voormalig premier Miyazawa aantrok als minister van Financiën. Op 2 april 2000 kreeg Obuci een hersenbloeding en op 5 april werd Yoshi Mori van de LDP door het parlement tot premier gekozen, nadat hij door de partij al tot voorzitter van de partij gekozen was. Het beleid van Obuchi, o.a. verhoging van de overheidsuitgaven en stimulering van buitenlandse investeringen zou door Mori worden voortgezet.
Op 24 april 2001 trad Junichiro Koizumi aan als premier van Japan. De hoogste prioriteit van het kabinet was herstel van de economische groei. De buitenlandse politiek van de regering, met name het sturen van troepen naar Irak, heeft veel controverse opgeroepen, maar is gaandeweg breder geaccepteerd. Voor zijn interne economische hervormingsprogramma wist Koizumi echter ook binnen zijn partij in eerste instantie niet voldoende steun te vergaren. Dit werd pijnlijk duidelijk toen in de zomer van 2005 zijn voorstel voor privatisering van de posterijen (een zeer ingrijpende miljardenoperatie) maar ternauwernood door het Lagerhuis kwam, en vervolgens in het Hogerhuis werd weggestemd. Premier Koizumi besloot hierop het Lagerhuis te ontbinden, en nieuwe verkiezingen uit te schrijven voor september 2005. De verkiezingen van 11 september 2005 leverden een verrassende overwinning op voor de premier persoonlijk. Het publiek heeft op de Japanse MP gestemd vanwege een grote behoefte aan verandering (stagnerende economie, werkloosheid, vergrijzing). De Japanse MP is erin geslaagd zichzelf in de media als grote hervormer neer te zetten en de andere partijen als behoudend hoewel de LDP al vijftig jaar aan de macht is (met korte onderbreking). De oppositie, de Democratische Partij, wilde ook privatisering van de posterijen (maar dan anders), betere banden met Aziatische landen en verhoging van de belastingen om het enorme overheidstekort (160% van BNP) weg te werken. De privatisering van de posterijen heeft politiek geen hinder ondervonden. De verwachtingen van het publiek zijn door de verkiezingen echter tot grote hoogte gestegen. MP Koizumi beschikt niet over een duidelijk hervormingsprogramma om de vele problemen in de Japanse samenleving zoals vergrijzing, stijgende kosten van de gezondheidszorg e.d. aan te pakken. Koizumi en de LDP (Koizumi treedt af in september 2006) zullen moeite hebben de gerezen verwachtingen waar te maken. Zijn opvolger, Abe, zal de LDP door de lokale verkiezingen in april en de verkiezingen voor de helft van het Hogerhuis a.s. zomer moeten leiden. Naar verwachting zullen de resultaten tegenvallen.

De nieuwe MP Abe heeft een conservatieve veiligheidsagenda. Voor hem spelen wijziging van de Grondwet (de ‘pacifistische’ clausule), het hervormen van veiligheidsstructuren en het opzetten van een verdediging tegen raketaanvallen de belangrijkste rol. Hij heeft echter geen programma voor de stagnerende economie, de sociale zekerheid, de wankele pensioensector, de vergrijzing en de sterk stijgende ziektekosten.

De oppositie is zwak. Na een veelbelovend begin leed de Democratic Party of Japan (DPJ) een flinke nederlaag (van 177 naar 122 zetels) bij de verkiezingen in september 2005. De leider van de DPJ trad af na een serie politieke inschattingsfouten. De leider Ozawa is afkomstig uit de LDP en behoort daarmee tot de oude politieke garde in Japan.

In september 2007 neemt Abe ontslag en wordt opgevolgd door Yasuo Fukuda. In november vertrekt een walvisvloot voor een zogenaamde wetenschappelijke missie voor zes maanden, dit leidt tot internationale protesten. In juni 2008 krijgt Fukuda een motie van wantrouwen vanuit het Hogerhuis dat gedomineerd wordt door de oppositie, maar dat wordt overruled door een motie van vertrouwen door het parlement.

Het Japanse parlement heeft Taro Aso in september 2008 zoals verwacht tot premier benoemd. Hij volgt Yasuo Fukuda op, die begin deze maand onverwacht opstapte als premier en als leider van de Liberaal-Democratische Partij (LDP). De partij koos oud-minister van buitenlandse zaken Aso (68) maandag tot haar nieuwe leider. Japan krijgt eind 2008 begin 2009 ook te maken met de wereldwijde economische crisis. Shoichi Nakagawa, de minister van financiën treed af onder meer vanwege dronkenschap tijdens een G7 ontmoeting. In juli 2009 schrijft Aso verkiezingen uit na een nederlaag bij lokale verkiezingen.
Op 30 augustus 2009 gaan de Japanse kiezers naar de stembus. De uitslag betekent een politieke aardverschuiving. De Democratische Partij van Japan onder leiding van Yukio Hatoyama wint 308 van de 480 zetels. Dit betekent het einde van een meer dan vijftigjarige regeringsdeelname van de LPD. Aso trekt hier de consequenties uit en verlaat de politiek. Hatoyama wordt in september 2009 de nieuwe premier.

In juni 2010 verlaat Hatoyama de politiek en wordt opgevolgd door de minister van Financiën Naoto Kan. Op vrijdag 11 maart 2011 wordt Japan getroffen door een zeer zware aardbeving gevolgd door een verwoestende Tsunami. Als gevolg hiervan ontstaan er grote problemen in de kernreactoren bij Fukushima. Eind maart 2011 is de straling in reactor 2 van de kerncentrale van Fukushima 10 miljoen keer hoger dan normaal. Arbeiders die aan de reactor werkten, trekken zich terug. De metingen van de radioactiviteit door Greenpeace buiten de evacuatiezone rond Fukushima zijn ondertussen zorgwekkend hoog. Premier Nato Kan van Japan erkent dat de situatie in de beschadigde centrale onvoorspelbaar is. Yoshihiko Noda werd in augustus 2011 tot nieuwe premier van Japan beëdigd. De regerende Democratische Partij (DJP) in Japan koos de voormalige minister van Financiën tot nieuwe partijleider en dat betekende dat Noda de opvolger werd van Naoto Kan. In de tweede ronde van de verkiezing versloeg Noda (215 stemmen) minister Banri Kaieda van Handel (177 stemmen). Noda was op dat moment al de zesde premier in vijf jaar. In december 2012 werd Shinzo Abe de nieuwe minister-president van Japan. In juli 2013 wint de coalitie van Abe ook de verkiezingen in het Hogerhuis. Eind 2013 en begin 2014 ruziet Japan met China over een aantal eilandjes en de verdeling van het luchtruim. In februari 2015 komt Japan uit de economische recessie. In juli 2016 wint de partij van Abe de parlementsverkiezingen.


JAPAN LINKS

Advertenties
• Cheaptickets Japan
• Japan Sawadee Reizen
• SRC Cultuurvakanties Japan
• Japan Vliegtickets WTC
• Japan Vliegtickets Tix.nl
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Japan Hotels
• Eliza was here

Nuttige links

Japan Reisbijbel (N)
Japan Reisforum (N)
Japan Reisstart (N+E)
Japan Verzamelgids (N+E)
Reisinformatie Japan (N)
Reizendoejezo – Japan (N)
Romans over Japan (N)
Startkabel Japan (N)
Schrijf uw artikel over JAPAN

Bronnen

Japan
Lonely Planet

Japan
Reader's Digest

Kamachi, N. / Culture and customs of Japan
Greenwood Press

Scott, D. / Japan
Van Reemst

Shelley, R. / Japan
Times Books

Somerwil, J. / Japan
Gottmer/Becht

Stefoff, R. / Japan
Chelsea House Publishers

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt mei 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems