Steden JAPAN

JAPAN   

Algemeen

Geschiedenis
Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Japanse economie een spectaculaire groei doorgemaakt. Tot ca. 1953 ontwikkelde de grondstoffenindustrie zich, gevolgd door de consumptiegoederenindustrie tot ca. 1965. Na 1965 kende de verwerkende industrie een in de wereldgeschiedenis ongekende groei.
De basis voor deze groei werd gelegd door de Amerikanen, die door een aantal maatregelen te treffen Japan vlak na de Tweede Wereldoorlog weer op weg hielpen. De Amerikanen hadden zelf ook belang bij een economisch sterk Japan, bang als ze waren dat het communisme Japan in zijn greep zou krijgen.
Zo werd o.a. de landbouw werd hervormd, veel technologie geïmporteerd, vakbonden opgericht en het opleidingsniveau van de werknemers naar een zeer hoog peil gebracht. Ook de nauwe samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, de lange werktijden, importbeperkingen en lage rentestanden zorgden voor een groei op veel industriële terreinen. In de periode van 1965 tot 1990 groeide het bruto nationaal product spectaculair met gemiddeld 4,7% per jaar, het hoogste percentage ter wereld. Tot eind jaren tachtig vertoonde Japan ook een bijzonder positieve handelsbalans, er werd veel meer uitgevoerd dan ingevoerd. Door die gigantische inkomsten van de uitvoer werd Japan een kredietverlener. Met name de Verenigde Staten worden steeds afhankelijker van deze kredieten en er ontstaat een groeiend handelstekort tegenover Japan.
De Verenigde Staten vonden dit een onaanvaardbare en gevaarlijke situatie en na een bijeenkomst van de rijkste staten ter wereld, de G7, beslist men om de dollar te devalueren en de yen op te waarderen. In 1985 kost de dollar nog 240 yen, in 1987 is dit al teruggelopen tot 120 yen. Zo zou de Amerikaanse export weer moeten aantrekken en die van Japan afgeremd worden. De yen werd echter steeds duurder, waardoor de prijzen van blijven stijgen en het handelstekort van de Verenigde Staten nauwelijks daalt. De financiële overschotten stapelen zich op in Japan en de beurskoersen (Nikkei-index) stijgen spectaculair, van 15.000 in 1985 tot bijna 40.000 eind 1989. Japanse speculanten gingen hun geld uitzetten in Amerikaanse schatkistcertificaten en Japan werd daardoor de belangrijkste geldschieter van de staatsschuld van de Verenigde Staten. De Japanse multinationals investeerden in de hele wereld en vestigden industrieën in Oost-Azië om van daaruit hun producten te gaan uitvoeren die in Japan zelf te duur waren geworden door de opmars van de yen. Hierdoor maakte de Oost-Aziatische landen een ongekend sterke economische vooruitgang mee.
De tegenstellingen tussen Japan en de Verenigde Staten worden ondertussen steeds groter en sinds 1989 kwam er aan de periode aan ongeremde economische groei dan ook een abrupt einde. De banden tussen de Japanse banken en de Japanse industrie werd wat losser en de grote bedrijven financieren hun investeringen steeds vaker met de grote winsten die gemaakt werden. Om het vermogen van de bedrijven nog meer op te krikken werd er ook belegd in de door de Japanse grotendeels beheerste vastgoedsector waardoor de prijzen van de grond de lucht in schieten.
In 1989 begint de beurs angstaanjagend snel te dalen en is in 1992 al gezakt tot 14.000 punten, één derde van twee jaar eerder. Faillissementen volgen elkaar snel op, met name bij banken die geld hadden uitgeleend aan twijfelachtige bedrijven en vaak naar hun geld konden fluiten. Zo moest de twaalfde bank van Japan, de Hokkaido Bank, haar deuren sluiten en ging Yamaichi Securities, één van de vier grote beursgenootschappen, failliet. Door deze ontwikkelingen vielen er veel ontslagen, gingen veel speculanten failliet en liep de privé-consumptie en de investeringen terug: kortom, de economie stagneerde en de productie groeide minder snel dan de andere industrielanden.
Om de totale ineenstorting van de economie te voorkomen pompt de Japanse overheid miljarden in de Japanse economie. Zo wordt er in maart 1998 een plan gelanceerd om de consumptie weer op te drijven dat meer dan negen miljard euro kost. Op dat moment waren de schulden van Japan echter al even groot als het bruto binnenlands product.
Situatie Japanse economie 21e eeuw
Sinds 2000 is de economische groei bescheiden geweest. Vanaf 2008 is Japan drie keer in recessie geweest. Ook de Tsunami van 2011 zorgde voor krimp in de economie. Er speelt een heftige discussie in Japan over het al dan niet sluiten van kerncentrales na de ramp in Fukushima. In 2013 is Japan de vierde economie ter wereld na de Verenigde Staten, China en India. De grootste uitdaging vormt de beteugeling van de staatsschuld. Enige cijfers over hoe de economie er in 2013 voor staat:

De economische groei is 2%. Het inkomen per hoofd van de bevolking is $ 37.100. De werkloosheid ligt op 4,1 %. De staatsschuld is 226,1 % van het Bruto Nationaal Product. De inflatie is 0,2%.

Landbouw, veeteelt, visserij en bosbouw

De betekenis van deze primaire sectoren is na de Tweede Wereldoorlog sterk afgenomen, en schommelt al een aantal jaren rond de 1-1,5% van het bnp. (In 2014 1,1%) Bijna 4% van de beroepsbevolking (2014) is nog maar werkzaam in deze sectoren en dat aantal neemt gestaag af. Daardoor ligt de zelfvoorzieningsgraad in Japan maar op 40% en Japan behoort daarmee tot de laagste van de geïndustrialiseerde landen.

Het bergachtige Japan heeft maar weinig landbouwgrond ter beschikking (11% van de oppervlakte). Het voornaamste gewas is rijst, het traditionele volksvoedsel, waarvoor 50% van het landbouwareaal gebruikt wordt en het enige landbouwproduct is waarin het land zichzelf ruimschoots kan voorzien. Van de resterende 50% landbouwgrond is een derde in gebruik als weiland en op twee derde wordt groenten en fruit verbouwd zoals aardappels, suikerbieten, citrusvruchten en suikerriet.
Graan en andere agrarische grondstoffen worden voornamelijk geïmporteerd; slechts 7% wordt in Japan zelf verbouwd, behalve zijde, vlas en in mindere mate tabak. De bedrijfsgrootte van de Japanse agrarische bedrijven is zeer gering: gemiddeld ca. 1,2 ha.

Ondanks een gebrek aan goede weidegronden en de geringe bedrijfsgrootte is melk tegenwoordig het belangrijkste agrarische product.
De veehouderij daarentegen krimpt, met name de varkenshouderij. Ook het aantal rund- en melkveebedrijven daalt licht. Het meeste vlees wordt op dit moment geïmporteerd, met name uit Australië en de Verenigde Staten.

Japan is met een jaarlijkse vangst van ca. 6-7 miljoen ton een van de belangrijkste visserijlanden ter wereld. Vóór 1940 bedroeg de vangst zelfs tussen de helft en twee derde van de totale wereldvangst. Sinds 1990 neemt de omvang wel af als gevolg van internationale conflicten over visrechten en de vervuiling van de Japanse kustwateren. De sector telt ca. 280.000 beroepsvissers waarvan driekwart bij kleinschalige bedrijfjes werkt. De grote bedrijven houden zich naast de visvangst vooral bezig met handel, transport en visverwerking.
Naast vis voor menselijke consumptie levert de zee ook industriële grondstoffen, zoals zeewier. De niet-eetbare vis wordt verwerkt tot vismeel. In de parelvisserij heeft Japan een monopolie positie; 95% van de vangst wordt geëxporteerd. De visserij vormt de basis voor een omvangrijke industrie en export van conserven. De visconsumptie behoort tot de hoogste ter wereld: 45% van de dierlijke eiwittenconsumptie in Japan bestaat uit vis. Ondanks een internationaal verbod op de walvisvangst sinds 1986 zet Japan haar activiteiten op dit gebied gewoon voort onder het mom van wetenschappelijk onderzoek.

Het bosareaal beslaat 67% van de totale oppervlakte, waarvan ca. 41% door middel van aanplant. Veel hout moet echter geïmporteerd worden want Japan voorziet slechts in 20% van de binnenlandse behoefte. De grote vraag van Japan naar tropisch hardhout is desastreus voor het regenwoud. Verschillende landen in Zuidoost-Azië en de Verenigde Staten zijn de voornaamste leveranciers.

Energievoorziening en mijnbouw

Voor zijn energiebronnen is Japan door een gebrek aan eigen bronnen voor ca. 82% afhankelijk van de import. Voor 50-55% wordt de energiebehoefte gedekt door de import van aardolie uit het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië. Sinds de twee oliecrises in de jaren zeventig van de 20e eeuw probeert Japan de afhankelijkheid van het buitenland te verminderen en worden de mogelijkheden bestudeerd om tot aanwending van alternatieve energiebronnen te komen, waarbij m.n. gewerkt wordt aan zonne-energie, geothermische stroom, het vergassen en vloeibaar maken van steenkool en de opwekking van kernenergie.
Het belang van kernenergie neemt sterk toe. Na de Verenigde Staten geeft Japan het meeste geld uit aan het ontwikkelen van kernenergie. Momenteel vindt er na de ramp in Fukushima een heftige discussie over kernenergie plaats.

Japan is een van de grootste consumenten van delfstoffen ter wereld omdat het zelf geen natuurlijke hulpbronnen van belang heeft. Het grootste deel van zijn behoefte aan delfstoffen moet Japan dan ook invoeren. Alleen over kalksteen voor de cementindustrie, zilver, zwavel en pyriet voor de productie van zwavelzuren beschikt Japan in voldoende mate. Het aandeel van de mijnbouw in het bnp bedraagt slechts een kwart procent. Japan is de grootste importeur van steenkolen ter wereld.

Industrie en bouwsector

Na de Tweede Wereldoorlog veroverde Japan in eerste instantie een plaatsje op de wereldmarkt op het gebied van de scheepsbouw en de kunstvezelindustrie. Daarna veroverde ook de lichte industrie een vooraanstaande plaats op de wereldmarkt. De productie groeide spectaculair als gevolg van o.a. de goede samenwerking tussen de overheid en privésector, de sterke industriële organisatie en de toepassing van moderne technologieën. Japan verwierf op verschillende manieren Bij de verwerving van technologie in Japan kent de Japanse industrie enkele methoden: de sectoren die voornamelijk op buitenlandse technologieën gebaseerd zijn zoals de petrochemie, synthetische vezels en de elektronica; de sectoren die al voor de Tweede Wereldoorlog in Japan aanwezig waren en waarin veel Japanse knowhow geïnvesteerd is, maar die in de jaren vijftig en zestig met buitenlandse knowhow zijn versterkt, zoals scheepsbouw, staal- en automobielindustrie en de vervaardiging van optische instrumenten; en de sectoren waarin buitenlandse knowhow een geheel eigen Japanse toepassing heeft gevonden, zoals in de elektronica- en computerindustrie en in de systeemtechnologie.
Op de Verenigde Staten na is Japan het productiefste land ter wereld. Binnen de Japanse economie droeg de industrie in 2013 nog voor rond de 25% bij aan het bnp. Dit aandeel neemt overigens geleidelijk af. De industrie, waaronder de belangrijke auto-industrie, biedt werk aan 26% van de beroepsbevolking (2013). . Andere belangrijke industrieën zijn machine-industrie, de ijzer- en staalindustrie, de chemische en de textielindustrie.
Ten tijde van de tweede oliecrisis in 1979 vond er een verschuiving plaats van de zware industrie naar technologisch geavanceerde industrie. Sinds het midden van de jaren tachtig hebben veel bedrijven hun productie verplaatst naar het buitenland. Dit betreft vooral fabrikanten van auto's en elektronica, producten die vaak voor die markten bestemd zijn. In de jaren negentig is de industriële productie als gevolg van de grote economische crisis aanzienlijk gedaald. Een van de grote problemen in de industrie is de overcapaciteit waardoor de bedrijven met grote voorraden blijven zitten.

De bouwsector is zowel politiek als economische belangrijk voor Japan. Ook deze sector heeft echter zware klappen te verwerken gehad. Door de waardedaling van onroerende goederen en door de trend om de productie in het buitenland voort te zetten waardoor er minder fabrieken gebouwd worden. Veel bouwbedrijven kunnen het hoofd maar nauwelijks boven water houden.

Handel en internet

Grote overschotten op de handelsbalans kenmerken de buitenlandse handel van Japan. Door de Verenigde Staten en de Europese Unie wordt er sterk aangedrongen op een verbeterde markttoegang voor hun producten en diensten. De Japanse regering begint de laatste jaren dan ook schoorvoetend de markt te dereguleren en toegankelijker te maken voor de buitenlandse concurrentie. De laatste jaren neemt het handelsoverschot af.
De belangrijkste handelspartner voor Japan is China. In 2013 ging 18,1% van de export naar China, terwijl China 21,3% van de import leverde. Na China is de Verenigde Staten de tweede handelspartner van Japan. Andere belangrijke importeurs zijn Zuid-Korea, Hongkong, het Midden-Oosten en Taiwan. Australië, Taiwan en Zuid-Korea zijn de belangrijkste exporteurs.

Japan is koploper wat betreft de e-business markt in Azië. Het aantal internetgebruikers is enorm, ongeveer 80% van de bevolking is on-line. Grote Japanse bedrijven hebben bijna allemaal een aansluiting op internet. In de sectoren elektronica, IT producten, auto's en –onderdelen, papier- en kantoorbenodigdheden en textiel en consumentengoederen gaan veel transacties via internet.

Verkeer en toerisme

Zeetransport is door de ligging van Japan en de afhankelijkheid van de import van de meeste natuurlijke hulpbronnen altijd zeer belangrijk geweest.
De belangrijkste havens zijn Yokohama, Nagoya, Kobe, Osaka, Moji en de kolenhavens Otaru en Muroran. De concurrentie met andere havens in de regio is moordend en Japan dreigt de concurrentieslag te verliezen. Grotere havens zijn die van Hongkong, Singapore en Kaoshiung in Taiwan.

De Japanse Nationale Spoorwegen werden in 1987 gereorganiseerd in zeven particuliere bedrijven: de Japanese Railways (JR) Group bestaande uit zes passagiersvervoerbedrijven en een vrachtvervoerbedrijf. Japan beschikt over een aantal supersnelle passagierstreinen. De Tokaido-express legt het traject Tokio-Osaka (515 km) in ruim drie uur af. De Sanyo-express doet over de afstand Osaka-Hakata (1070 km) minder dan zeven uur.
De Seikantunnel (met bijna 54 km de langste ter wereld) verbindt sinds 1988 de hoofdeilanden Honshu en Hokkaido en maakt deel uit van de spoorwegverbinding Tokio-Sapporo.

Het wegennet omvatte in 2013 ca. 1,500 miljoen km, waarvan 75.000 km nationale wegen (daarvan bijna 90% verhard). Het autobezit in Japan is groot, in 2013 was 95% van de bevolking in het bezit van een auto.
Van het goederenvervoer ging in 2013 meer dan 90% over de weg.

Internationale luchtvaartmaatschappijen zijn Japan Airlines (JAL), All Nippon Airways (ANA) en Japan Air Systems (JAS). De belangrijkste luchthavens zijn die van Tokio (Narita), Osaka en Nagoya, en de nieuwe internationale luchthaven Kansai International in de Baai van Osaka, de eerste zgn. offshore-luchthaven ter wereld. Japan heeft verder nog een groot aantal regionale luchthavens voor binnenlandse vluchten.
Het luchttransport voor het vervoer van goederen is niet erg populair. Al jaren wordt maar 1-2% van de vrachten vervoerd door de lucht.


JAPAN LINKS

Advertenties
• Cheaptickets Japan
• Japan Sawadee Reizen
• Japan Vliegtickets WTC
• SRC Cultuurvakanties Japan
• Japan Vliegtickets Tix.nl
• Japan Hotels
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Eliza was here

Nuttige links

Japan Reisbijbel (N)
Japan Reisforum (N)
Japan Reisstart (N+E)
Japan Verzamelgids (N+E)
Reisinformatie Japan (N)
Reizendoejezo – Japan (N)
Romans over Japan (N)
Startkabel Japan (N)
Schrijf uw artikel over JAPAN

Bronnen

Japan
Lonely Planet

Japan
Reader's Digest

Kamachi, N. / Culture and customs of Japan
Greenwood Press

Scott, D. / Japan
Van Reemst

Shelley, R. / Japan
Times Books

Somerwil, J. / Japan
Gottmer/Becht

Stefoff, R. / Japan
Chelsea House Publishers

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt August 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems