Steden DUITSLAND

Populaire bestemmingen DUITSLAND

DUITSLAND   

Prehistorie en oudheid

Sommige in Duitsland gevonden menselijke resten behoren tot de oudste die in Europa gevonden zijn. Toch zijn artefacten van vóór de Riss/Saale ijstijd, ca. 150.000 jaar v.Chr. heel erg zeldzaam. Uit de tijd van de Neanderthalers zijn voorwerpen gevonden in zowel grotten als openluchtkampplaatsen. Uit het Magdalénien (18.000-10.000 v.Chr.) stammen unieke kampplaatsen waar leisteenplaten met afbeeldingen van mensen en dieren te zien zijn. Uit dezelfde periode stammen overblijfselen van de Hamburg-cultuur. Dit waren rendierjagers die de oudste bewoners waren van de Noord-Duitse laagvlakte.
Op het einde van de periode 8200-5300 v.Chr., het vroegste Neolithicum, komen we de eerste agrariërs tegen van de bandkeramiek-cultuur (5300-4800 v.Chr.). Hierna volgen nog de Rössen-cultuur (4800-4400 v.Chr.) en de Michelsbergcultuur (4400-3600 v.Chr.)
In het noorden zijn vuurstenen bijlen gevonden uit het mesolithicum en er zijn bewijzen dat er ca. 4500 v.Chr. contacten zijn tussen het noorden en het zuiden van Duitsland. Deze contacten leiden tot de Erteb?llecultuur die ca. 3800 v.Chr. wordt opgevolgd door de trechterbekercultuur. Vanaf 3100 v.Chr. tot aan het begin van de bronstijd kwamen in geheel Duitsland verschillende bekerculturen voor.
Zowel in het zuiden als in het noorden van Duitsland zijn centra van bronsindustrieën gevonden met grafheuvels en wapenuitrustingen. Vorstengraven met rijkdommem laten voor het eerst zien dat er sociale lagen in de bevolking te onderscheiden zijn.
De ijzertijd, vanaf 750 v.Chr., wordt verdeeld in de Hallstatt-cultuur en de La Tènecultuur met vondsten van zeer rijke vorstengraven en vorstenburchten. De La Tènecultuur wordt verder nog gekenmerkt door de prille vorming van steden. Overal waar de Romeinen zich niet vestigden duurde de ijzertijd voort tot aan de tijd van de volksverhuizingen, ca. 375 n.Chr.

Duitsland tot 843 n.Chr.

Het huidige Duitse grondgebied werd rond het begin van de jaartelling bevolkt door Germaanse volken en ten oosten daarvan door Slavische volken. Van echte staatsvorming was nog geen sprake, maar soms werden enkele groepen aangevoerd door wat je een koning zou kunnen noemen. De Romeinse legioenen van Julius Caesar onderwierpen ten zuiden en ten westen van de Rijn enkele Germaanse volken. Uit deze tijd stamt ook de Romeinse naam Germania.
Tijdens de periode van keizer Augustus werd Duitsland tot aan de Elbe bezet door de Romeinen. Dit duurde echter niet lang want na de verloren Slag in het Teutoburger Woud in het jaar 9 n.Chr., werd de Rijn weer de uiterste noordgrens en in het zuiden de Donau.
Uiteindelijk werden de Franken de leidende macht in deze regio. Onder Karel de Grote behoorde Duitsland, ten westen van de Elbe en langs de Donau tot aan het huidige Hongarije, tot het Frankische Rijk.

Het Duitse Rijk in de middeleeuwen

Het Duitse Rijk ontstond eigenlijk na het Verdrag van Verdun in 843 en het Verdrag van Meerssen in 870. In Verdun werd het Frankische rijk verdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome. Lotharius werd keizer en regeerde over Italië, de Provence en een lange strook van Bourgondië over Lotharingen en Brabant richting Friesland. Karel de Kale kreeg het oude Gallië in het westen en Lodewijk de Duitser kreeg enkele gebieden op de linkeroever van de Rijn. Het rijk van Lotharius werd na diens dood in 855 verdeeld onder zijn drie zonen.
Lodewijk II kreeg Italië met de keizerskroon; Karel ontving het zuidelijk deel van de zich van de Middellandse Zee tot de Noordzee uitstrekkende middenzone en Lotharius II het noordelijk deel daarvan.
De grens tussen het noordelijke en zuidelijke deel werd gevormd door het Plateau van Langres. Dit noordelijk deel kreeg de naam van zijn heerser: Lotharingen (Regnum Lotharii). Na de dood van Lotharius II werd zijn rijk verdeeld tussen Karel de Kale en Lodewijk de Duitser (Verdrag van Meerssen, 870). De grens tussen het Franse en het Duitse Rijk kwam hierbij ongeveer samen te vallen met de rivieren de Saône en de Maas. In 880 kwam Lotharingen geheel aan Lodewijk de Jonge, zoon en opvolger van Lodewijk de Duitser en de Schelde werd en bleef vele eeuwen de grensstroom.
Het keizerlijke gezag had in deze tijd weinig te betekenen. De Karolingische troonpretendenten streden onderling om de macht en de stamhertogen werden steeds machtiger. De laatste Duitse Karolingische koning zou Lodewijk het Kind blijken te zijn. Hij gaf zijn kroon over aan de hertog van Frankenland, Koenraad I. Deze werd in 919 opgevolgd door Hendrik I en met hem begon de grote tijd van het Duitse Rijk, dat tot 1250 zou duren. Achtereenvolgens regeerden koningen en keizers van het Saksische Huis, het Salische Huis en het Huis der Hohenstaufen. De politiek van de Duitse koningen is in drieën te verdelen: de centrale keizerlijke macht mocht niet verloren gaan; men wilde het rijksgebied ten oosten van de Elbe vergroten en men streed tegen de pausen om de heerschappij van de kerk, de zogenaamde investituurstrijd. Otto I was een van de grote keizers die in 962 als eerste niet-Karolingische Duitse koning tot keizer gekroond werd en hij slaagde erin om zijn gezag nog uit te breiden, zowel ten opzichte van de wereldlijke rijksvorsten als van de pausen en bisschoppen.
Sinds die tijd spreekt men van het Duitse Rijk of het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie. Ten tijde van de regering van Hendrik IV en zijn opvolgers woedde de Investituurstrijd die eindigde met het Concordaat van Worms in 1122, waarin vastgelegd werd dat de keuze van de bisschoppen aan de geestelijkheid werd overgedragen. Onder Frederik I stond het Duitse Rijk op het toppunt van haar macht.
Na de dood van Koenraad IV in 1254 braken er roerige tijden aan, het zogenaamde Interregnum. De keurvorsten kozen Rudolf Van Habsburg tot koning waarna de keurvorsten ca. 150 jaar lang eigenlijk konden doen wat ze wilden en er geen sterk centraal gezag was. Duitsland versplinterde tot een federatie met grote vorstendommen, vrije steden en vele heerlijkheden. Met Albrecht II ging de Duitse kroon definitief naar de Habsburgers.

Het Duitse Rijk onder de Habsburgers

Onder het bewind van Maximiliaan I (1493-1519) probeerde men nog enige staatkundige hervormingen door te voeren, maar het kwaad was allang geschied. De staatkundige desintegratie was al niet meer te stoppen en uiteindelijk zouden er rond de tijd van de Reformatie ca. 2500 staatjes ontstaan. Het keizerschap werd steeds verder uitgehold en ook de Rijksdag, die de drie rijksstanden in zich verenigde, keurvorsten, vorsten en vrije steden, kon geen centrale rol spelen in de politieke verhoudingen. In de streken die protestants werden wisten de stadsbesturen en de vorsten hun machtspositie nog verder te versterken. Er werd zelfs een eigen kerkelijke organisatie ingesteld, het “Landeskirchentum”.
De godsdienstige verdeeldheid leidde vooral aan rooms-katholieke zijde tot veel onrust en leidde ten slotte tot de Dertigjarige Oorlog. De katholieke Habsburgers hoopten door middel van deze oorlog ook het keizerlijk gezag weer te herstellen.
Op het hoogtepunt van de katholieke successen kondigde Ferdinand II in 1629 het Restitutie-edict af, dat indirect ook zijn keizerlijk gezag moest schragen. Toen bleek evenwel dat zelfs de Duitse bondgenoten van het Habsburgse Huis de onbeperkte handhaving van de liberteit der rijksstanden boven het belang van de katholieke zaak stelden, zodat het hele streven op niets uitliep. In de latere fase van de Dertigjarige Oorlog, toen duidelijk was dat op Duitse bodem in feite Europese machtsconflicten werden uitgevochten, vond weliswaar een toenadering plaats tussen de keizer en de overige Duitse vorsten, doch het was al te laat om de noodlottige ontwikkeling tegen te gaan.
De Vrede van Westfalen (1648), die de godsdienstige verhoudingen in het Heilige Roomse Rijk definitief geregeld heeft en zodoende aan het langdurige conflict een eind heeft gemaakt, is in andere opzichten voor de Duitse natie funest geweest. Het Rijk, dat gedurende die oorlog de zwaarste beproevingen had moeten doorstaan, boette thans voor zijn machteloosheid met het verlies van uitgestrekte gebieden, met name in het westen, en verzwakte wat zijn staatkundige structuur betrof steeds meer. Van het keizerschap bleef nauwelijks meer over dan een lege titel, en de afzonderlijke Duitse staten die het “Ius foederationis” hadden verworven, mochten voortaan nagenoeg zonder beperkingen een eigen buitenlands beleid voeren.
Met de opkomst van Brandenburg-Pruisen werd in de rijkspolitiek het tijdperk van het Oostenrijks-Pruisische dualisme ingeluid. Dit betekende de laatste fase van het staatkundige verval van het Heilige Roomse Rijk. Beide grootmachten beschouwden de rest van het Rijk als speelruimte voor hun belangenpolitiek en werden daarin gevolgd door kleinere landen als Saksen, Beieren en Hannover. Het was tekenend voor deze situatie dat het volk ten slotte nog maar de versnipperde gebieden aan de Midden-Rijn het Rijk noemde.

Franse overheersing

De tijd van de revolutionaire en Napoleontische oorlogen in de periode 1792-1815 zou grote gevolgen hebben op politiek gebied. Zo lijfde Frankrijk al het land aan de linker Rijnoever in en kregen de grote Duitse staten als compensatie wat kleine dwergstaatjes. Napoleon zorgde er zo voor dat de Franse invloed in Duitsland steeds sterker werd. In 1806 stichtten zestien Duitse vorsten de Rijnbond, wat het definitieve einde van het Heilige Roomse rijk betekende. De laatste keizer, Frans II, sinds 11 augustus 1804 ook keizer van Oostenrijk, legde op 6 augustus 1806 onder Franse druk het keizerschap neer.
Niet lang daarna raakte Pruisen in oorlog met Frankrijk en verloor daarbij haar halve grondgebied. Het Pruisische gebied dat overbleef kreeg echter zware materiële lasten opgelegd, en was daardoor met handen en voeten gebonden aan Frankrijk. De vroegere Pruisische gebieden werden verdeeld onder de Rijnbondsstaten. In 1810 werd er een brede kuststrook in Noordwest-Duitsland door de Fransen ingelijfd waar de belangrijke havensteden Bremen, Hamburg en Lübeck lagen.
De Rijnbond was intussen, met uitzondering van Pruisen en Oostenrijk, uitgebreid met alle bestaande Duitse staten. Deze bond was echter geheel afhankelijk van Frankrijk en een instrument van Franse politiek.
De meeste Duitsers leden niet erg onder het feite dat de Duitse natie min of meer onder Franse heerschappij was geraakt. Alleen in Pruisen was sprake van sterke anti-Duitse sentimenten. Dit leidde zelfs tot een bevrijdingsoorlog van 1813-1815, waarvan de bevolking echter nauwelijks onder de indruk was.

Op weg naar de Duitse eenheid

Pas na het Congres van Wenen in 1815 kwamen de nationale gevoelens weer opborrelen. Duitsland bleef namelijk verdeeld in 39 staten van verschillende grootte en betekenis met vaak een versnipperd grondgebied. Samen vormden deze staten de Duitse Bond. Pruisen was ontevreden omdat het in de Duitse politiek op de tweede plaats terechtkwam. Dit kwam o.a. omdat de Berlijnse bewindslieden samen met Klemens Metternich optrokken, die in zijn eentje de koers van de Duitse Bond bepaalde.
Hij was een verklaard tegenstander van alle nationale en liberale stromingen en probeerde de ontwikkeling naar het constitutionalisme af te remmen. Ook de Duitse staten die al een grondwet hadden werden belet in hun streven naar een liberaal bewind. De Bond greep steeds vaker in, maar met name in Pruisen werd een steeds hechtere eenheid, vooral uit economisch eigenbelang. Het riep zelfs een “Zollverein” in leven die in 1834 al de meeste Duitse staten omvatte.
Na de Maartrevolutie van 1848 kwamen in Duitsland alle nationalistische en radicale stromingen samen en in Frankfurt kwam de eerste gekozen nationale vergadering bij elkaar. Deze vergadering had als taak om het toekomstige Duitse Rijk een vrijzinnige grondwet te geven en tevens werd er een provisorisch Rijksbewind ingesteld onder leiding van aartshertog Johan. Door grote politieke meningsverschillen liep deze poging op niets uit.
In 1849 trad de grondwet eindelijk in werking en werden de Duitse landen, behalve Oostenrijk, in een erfelijk keizerrijk onder Pruisische leiding verenigd. De Pruisische koning weigerde het keizerschap echter en hiermee leed het liberale nationalisme een zware nederlaag. Pruisen probeerde nog een Duitse Unie op te richten maar dat mislukt door tussenkomst van Oostenrijk en Rusland, en in 1850 werd de oude Duitse Bond weer in ere hersteld. Oostenrijk verloor in de Duitse politiek veel gezag door o.a. een nederlaag in Italië. Daardoor werd Pruisen steeds machtiger, zowel op militair als op economisch gebied. In 1862 kwam de conservatieve Otto von Bismarck in Berlijn aan het bewind, en al snel ontstond er een grote interne crisis binnen de Duitse Bond. Bismarck lag in zijn eigen Pruisen overhoop met de liberalen en probeerde met behulp van liberalen en radicale nationalisten in andere Duitse landen de Oostenrijkse hegemonie te bestrijden. Dit leidde uiteindelijk tot een Duitse broederoorlog in 1866, waarin Oostenrijk en zijn bondgenoten een zware nederlaag leden.
Als gevolg hiervan viel de Duitse Bond uit elkaar en de Vrede van Praag zorgde ervoor dat Oostenrijk definitief uit de Duitse politiek verdrongen werd. Pruisen werd steeds sterker en richtte met de Duitse staten ten noorden van de rivier de Main de Noord-Duitse Bond op, een veel sterker lichaam dan zijn voorganger met zelfs een gekozen parlement. De Zuid-Duitse staten werden formeel onafhankelijk en sloten alliantieverdragen met de Noord-Duitse Bond, waadoor met name de economische banden verstevigd werden.
Door deze verdragen mislukte ook het streven van Oostenrijk en Frankrijk om de Zuid-Duitsers tegen Pruisen uit te spelen. In 1871 zorgde een oorlog tussen de Noord-Duitse Bond en de Zuid-Duitse staten enerzijds en Frankrijk anderzijds ervoor dat de Duitse eenheid een feit werd.

Het rijk der Hohenzollern

Op 18 januari 1871 werd te Versailles door Bismarck het Duitse keizerrijk gesticht. De Pruisische koning Wilhelm I werd de Duitse keizer, alleen het Habsburgse Rijk werd uitgesloten en er kon van een Groot-Duits rijk voorlopig nog geen sprake zijn. Tegenvallend was verder nog dat het in feite een vorstenbond onder Pruisisch leiding betrof en niet de gewenste liberale constitutionele monarchie. Hierdoor bleef Bismarck een grote invloed uitoefenen op het nieuwe rijk en bleven de kroon en de oude feodale bovenlaag de dienst uitmaken en werd de invloed van de burgers beknot.
Bovendien bleven de afzonderlijke staten, met name Beieren, met hun vorsten en eigen regeringen gewoon voortbestaan en viel het ambt van Rijkskanselier meestal samen met dat van Pruisisch minister-president. Hierdoor ontstond er een ingewikkelde twee-eenheidsverhouding tussen het Rijk en tussen Pruisen, waarbij het buitenlandse beleid en de belangrijkste zaken op binnenlands gebied werden bepaald door de rijksregering. Bismarck wist op een handige manier voor een meerderheid in de Rijksdag te zorgen en speelde daarmee de partijen tegen elkaar uit.
Hij had zich eerst met de liberalen verbonden door zijn eenheidspolitiek. Samen met de liberalen probeerde hij de culturele invloed van het internationaal georiënteerde katholicisme te breken om daardoor van cultureel en religieuze zaken een exclusieve staatsaangelegenheid te maken. Deze zogenaamde “Kulturkampf” werd pas rond 1878 beëindigd na een reeks van zeer omstreden antikerkelijke maatregelen. Daar kwam nog bij dat de gematigde Leo XIII paus werd en Bismarck de katholieke centrumpartij weer hard nodig had.
Ondertussen was Duitsland van een overwegend agrarisch land in een industriële maatschappij omgevormd. De industrie en de nijverheid werden door Bismarck zozeer beschermd via een protectionistische politiek dat hij in conflict kwam met de liberalen en hun vrije economische ideeën. Vooral steunend op de agrarische conservatieven kwam hij ook steeds meer in conflict met de socialisten, wat hij door middel van sociale verzekeringen weer trachtte te maskeren. In 1888 aanvaardde Wilhelm II de kroon, en zijn vooruitstrevende plannen leidden al snel tot conflicten met de kanselier, met als uiteindelijk gevolg dat Bismarck in 1890 ontslagen werd.
Het buitenlandse beleid van Bismarck was erop gericht dat de vrede gehandhaafd moest blijven en daartoe werden er allerlei allianties aan te gaan. Een belangrijk doel was om FrankrijkBerlijn in 1878 kon een aankomend conflict in de Balkan in de kiem gesmoord worden. Ook de tegenstanders Oostenrijk en Rusland wist hij aan Duitsland te binden. Toch bleek de sterke positie van Duitsland maar schijn te zijn en werd de positie van Duitsland in de internationale verhoudingen sterk overschat. In 1892 sloten de Fransen en de Russen een bondgenootschap en in 1904 de Engelsen en de Fransen. Deze gedachten werden nog gevoed door de geweldige vooraanstaande economische positie op de wereldmarkt van de economie na de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
Onder Bismarck was er al een koloniaal rijk ontstaan in Afrika en Oceanië en dit imperialistische streven werd steeds sterker (o.a. China en Nabije-Oosten). Dit imperialistische gedrag en de uitdagende houding bij veel internationale spanningen dreven Duitsland in een isolement, zozeer zelfs dat het op een gegeven moment alleen nog gesteund werd door de verdeelde Habsburgse monarchie.
In de Eerste Wereldoorlog stond het militaire krachtige Duitsland samen met Oostenrijk dan ook tegen een Brits-Frans-Russisch bondgenootschap. Duitsland werd alleen gesteund door Turkije en Bulgarije. De fronten lagen in Frankrijk en Polen en men slaagde erin om de oorlogshandelingen buiten Duitsland te houden. De bevolking van Duitsland toonde een opmerkelijke eensgezindheid en zelfs de socialisten steunden de grote uitgaven die met de oorlog gepaard gingen.
De oorlog vergde echter steeds meer slachtoffers, de bondgenoten werkten niet goed mee en de tegenstanders groeiden uit tot ongeveer dertig staten, en een snelle overwinning bleek onmogelijk. Hierdoor ontstond onrust onder de bevolking die weer constitutionele hervormingen wilde om zo een einde te maken aan de machtige positie van de oude elite. In 1918 werd vrede gesloten met Rusland, maar o.a. door de deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog streed Duitsland aan het Westfront een verloren strijd en volgde de totale ineenstorting. Op 9 november 1918 kwam er een einde aan de monarchie en werd de Republiek uitgeroepen.

De Weimar-republiek

De nieuwe republiek had aanvankelijk de moeilijke taak om een wapenstilstand te sluiten en daarna vrede met de overwinnaars te sluiten. Op 28 juni 1919 werd de Vrede van Versailles gesloten en moest Duitsland Elzas-Lotharingen, andere grensgebeiden en alle koloniën afstaan. Verder werd de oostgrens opnieuw vastgesteld met als gevolg dat Oost-Pruisen bij Polen gevoegd werd en dit werd door de Duitsers als zeer vernederend ervaren. Het leger werd sterk ingekrompen en er moesten hoge herstelbetalingen betaald worden. In Weimar was inmiddels een democratische grondwet uitgewerkt met nog wel vrij grote bevoegdheden voor de president. Eerste rijkspresident werd de socialist Friedrich Ebert.
De eerste jaren van de Weimar-republiek kenmerkten zich door economische ellende en politieke chaos. In 1923 werd het voorlopige dieptepunt bereikt door de Franse Ruhrbezetting en de inflatie die de hele economie ontwrichtte. Rechtse en linkse radicale bewegingen bedreigden de eenheid. De jaren hierna zorgden voor een normalisering en verbetering van de toestand in het land. Internationale spanningen verminderden door het Pact van Locarno in 1925. In 1929 brak de wereldwijde economische crisis uit en ook Duitsland werd zwaar getroffen. De werkloosheid groeide enorm en dat was een prima voedingsbodem voor allerlei radicale groeperingen om zich steeds nadrukkelijker te manifesteren, met name de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) van Adolf Hitler profiteerde daarvan en behaalde in 1930 107 zetels in de Rijksdag en werd daardoor de tweede partij van Duitsland na de SPD. Tussen 1930 en 1933 probeerden enkele buitenparlementaire kabinetten de economische en politieke toestand de baas te worden. De socialisten werden echter al snel uitgeschakeld en in 1932 kwam de NSDAP als sterkste partij uit de bus. Onder de voortdurende dreiging van een militaire staatsgreep en de massale aanhang van de NSDAP was er geen regering die iets durfde te ondernemen tegen de nationaal-socialisten en fascisten van Hitler. Op 30 januari 1933 werd hij zelfs rijkskanselier van een kabinet met nationaal-socialisten, Duits-nationalen en partijloze conservatieven.

Het Derde Rijk

Op een ingenieuze, niets ontziende manier wist Hitler binnen enkele maanden alle coalitiepartners uit te schakelen en er ontstond een dictatoriaal eenpartij-regime gebaseerd op terreur en uitmondend in een totalitaire staat zonder weerga. Vakbonden werden opgeheven, andere partijen werden uitgeschakeld, de eerste jodenvervolgingen vonden plaats en er werden concentratiekampen opgericht.
In augustus 1934 stierf Hindenburg, rijkspresident sinds 1925 en dat bood Hitler de mogelijkheid staatshoofd te worden en daarmee tevens dictator. Langzaamaan wist hij zich van alle tegenstanders te ontdoen en ook het leger wist hij zijn macht te krijgen. Dit werd hem allemaal nog wat gemakkelijker gemaakt door de stijgende internationale conjunctuur waardoor de economische toestand na de crisisjaren daadwerkelijk verbeterde. Het buitenlandse beleid werd steeds agressiever en hij werd daarbij geholpen door de zwakte en de neiging tot het doen van concessies door het Westen. Het werd het al snel duidelijk dat Hitler aanstuurde op een oorlog. In 1938 werden Oostenrijk en Sudetenland geannexeerd en begin 1939 volgden Bohemen, Moravië en Memelland. Op 1 september viel Hitler Polen binnen en brak de Tweede Wereldoorlog uit.
Het lukte de Duitsers al snel om het grootste deel van het Europese continent te veroveren. Pas na de mislukte aanval op de Rusland in juni 1941 keerden de kansen. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie keerden zich nu gezamenlijk tegen de Duitse Wehrmacht en de oorlog eindigde voor Duitsland in een totale nederlaag in mei 1945. Nu pas kwam de ware aard van het fascistische bewind bovendrijven met de ontdekking van de concentratiekampen waar o.a. zes miljoen joden vermoord waren.

De periode 1945–1949

Na de oorlog werd Duitsland in vier bezettingszones verdeeld. De bedoeling hiervan was om het land gezamenlijk te besturen en een democratisch bestuur aan te stellen. Door de tegenstellingen tussen de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk enerzijds en de Sovjet-Unie anderzijds, mislukte dit plan echter jammerlijk en ontwikkelde zich na 1945 twee afzonderlijke staten: de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) en de Duitse Democratisch Republiek (DDR), die beide in 1949 tot stand kwamen.

De Bondsrepubliek Duitsland 1949–1990

De Bondsrepubliek Duitsland werd op 14 augustus 1949 gevormd uit de Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszones. Volgens de akkoorden uit 1950 werden de westelijke sectoren van Berlijn een Land van de Bondsrepubliek. Het door de Fransen bezette Saarland kwam op 1 januari 1957 bij de Bondsrepubliek. Ten slotte bezegelde het Herenigingsverdrag – dat op 3 okt. 1990 van kracht werd – de aansluiting (Beitritt) van de Duitse Democratische Republiek (DDR) bij de Bondsrepubliek Duitsland.

De eerste verkiezingen voor de Bondsdag werden gehouden in 1949, op dezelfde dag waarop de nieuwe grondwet van kracht werd. Op 12 september werd de eerste president gekozen, Theodor Heuss van de FDP. Een paar dagen later werd Konrad Adenauer van het CDU tot bondskanselier gekozen, en daarna nog drie keer herkozen, de laatste keer in 1961.
Er kwam een coalitiepartij van CDU, FDP en Deutsche Partei (DP) gevormd, die zich vooral richtte op intensivering van de contacten met het westen en de hereniging met de DDR op de achtergrond stelde. De socialisten, liberalen en de vluchtelingenpartij richtten zich daarentegen wel meer op de hereniging met de DDR. Het CDU won ook de twee volgende verkiezingen in 1953 en 1957. In 1953 werd er een coalitie gevormd van CDU, FDP, DP en Vluchtelingenpartij die zowel in de Bondsdag als in de Bondsraad een tweederde meerderheid kreeg. In 1955 verliet de Vluchtelingenpartij de coalitie en in 1956 volgden de liberalen. De oppositionele socialisten boekten op dat moment wel progressie bij de deelstaatverkiezingen.
Ondertussen voltrok zich in Duitsland het zogenaamde “Wirtschatfswunder”, de sterke economische vooruitgang waar ook de arbeiders van profiteerden.
In 1961 won de CDU weer de verkiezingen, maar behaalde deze keer geen overtuigende meerderheid, mede door een aantal interne conflicten. Adenauer moest de FDP als coalitiepartner in zijn regering opnemen en werd in oktober vervangen door Ludwig Erhard, de belangrijkste man achter het Wirtschaftswunder. In 1965 werden de socialisten van Willy Brandt weer duidelijk verslagen door de CDU en kon Erhard opnieuw een kabinet vormen met de FDP.

Ondanks de verkiezingsoverwinning der CDU slaagde Erhard er niet in voldoende prestige als regeringsleider te verwerven. Toen op 27 okt. 1966 de FDP-ministers zich terugtrokken naar aanleiding van een geschil over de begroting, was zijn lot bezegeld. Op verzoek van zijn eigen partij trad Erhard af.
Zijn partijgenoot Kurt Georg Kiesinger werd 1 dec. 1966 als zijn opvolger tot kanselier gekozen. Deze vormde een coalitiekabinet met de SPD, waarvan de leider, Brandt, vice-kanselier en minister van Buitenlandse Zaken werd. Deze Grote Coalitie zag kans de economische recessie van 1966 ongedaan te maken en een zeker herstel te bewerkstelligen. Toch waren er wrijvingspunten tussen de coalitiepartners, met name op het gebied van de buitenlandse politiek. In 1969 zorgde een kleine overwinning van de SPD bij de Bondsdagverkiezingen er dan ook voor dat de Grote Coalitie uiteen viel.
De SPD vormde samen met de FDP een nieuwe coalitie onder leiding van Willy Brandt als kanselier, die na vervroegde verkiezingen op 19 nov. 1972 kon worden voortgezet. Na een spionageschandaal, waarbij een medewerker van hem was betrokken, trad Brandt in mei 1974 terug als bondskanselier. Hij werd opgevolgd door zijn partijgenoot Helmut Schmidt.
Op 27 oktober 1966 trokken de FDP-ministers zich terug uit de regering vanwege een begrotingsconflict en trad Erhard, wiens prestige toch al aan het afbrokkelen was, op verzoek van zijn eigen partij af. CDU-er Kurt Georg Kiesinger werd op 1 december 1966 als kanselier gekozen en hij vormde met de SPD een kabinet, waarvan de leider, Willy Brandt, vicekanselier en minister van Buitenlandse Zaken werd.
Deze coalitie werd geconfronteerd met een economische depressie in 1966 die echter snel bedwongen werd. De belangrijkste geschilpunten binnen de coalitie lagen op het gebied van de buitenlandse politiek. In 1969 behaalde de SPD een kleine overwinning bij de Bondsdagverkiezingen en de oude coalitie SPD-CDU viel uit elkaar. De SPD vormde toen met de FDP een nieuwe coalitie onder leiding van Willy Brandt, die echter in mei 1974 na een spionageschandaal terugtrad als bondskanselier en werd opgevolgd door zijn partijgenoot Helmut Schmidt.

Na de verkiezingen van 1976 werd de bestaande SPD-FDP coalitie voortgezet. Begin jaren zeventig had de Duitse politiek zeer te lijden onder oliecrisis en de daarmee sterk samenhangende werkloosheid.
De verkiezingen van 1976 leverden weer een SPD/FDP-coalitie op. De jaren zeventig stonden ook in het teken van binnenlands terrorisme gepleegd door de Baader-Meinhofgroep of Rote Armee Fraktion. Daarmee samenhangend werden er Berufsverbote ingesteld wat inhield dat sollicitanten naar een ambtelijke functie bij de overheid gescreend werden op hun politieke denkbeelden. Het doel hiervan was om politiek radicaal denkenden uit te sluiten.
De jaren zeventig leverden politiek een nieuwe stroming op; de milieupartijen als de Grüne Liste en de Grünen zich in 1980 aaneensloten tot een politieke partij, de Grüne Partei.
De SPD/FDP-colatie behaalde in 1980 nog een vrij grote meerderheid maar daarna trad het verval in. Er waren grote meningsverschillen over het te voeren economische beleid en bondskanselier Schmidt had problemen met zijn achterban. Zomer 1982 leidde dit tot een breuk in de coalitie waarna er snel een akkoord met de christen-democraten getroffen werd en CDU-voorman Helmut Kohl een nieuwe regering vormde.
De verkiezingen van maart 1983 leverden het CDU zetelwinst op en de Grünen kwamen als vierde fractie de Bondsdag binnen met 27 zetels. De centrum-rechtse coalitie Kohl-Genscher bleef aan de macht en met de nieuwe president Richard von Weizsäcker kreeg West-Duitsland een ook internationaal zeer aansprekende staatshoofd en hij was tevens een grote steun voor de in het begin wat klungelige Kohl. Na de verkiezingen van 1987 bleken de Grünen geen eendagsvlieg maar wisten hun positie in het parlement te verstevigen. Eind jaren tachtig kwam de rechtsradicale Republikaner onder leiding van Franz Schönhuber aanvankelijk sterk opzetten en zorgen voor veel onrust. Het lukte deze partij echter niet om boven de 5%-grens uit te komen en kon daardoor geen plaats nemen in het parlement.

De hereniging van West- en Oost-Duitsland

In maart 1985 trad Michail Gorbatsjov als politiek leider aan van de Sovjet-Unie en begon langzaam maar beweging te komen in de Oost-West-machtsverhouding in Europa. In Duitsland werden de betrekkingen met de DDR en de regerende SED geïntensiveerd en werd er een politiek van “Wandel durch Annäherung” gevoerd. In de regeringsverklaring sprak bondskanselier Kohl zich duidelijk uit voor de hereniging maar de tijd was in de Sovjet-Unie en bij de leiders van de DDR nog niet rijp. Dar kwam nog bij dat de DDR-regering de Russische koers van glasnost en perestrojka sterk afwees en dardoor in de Duits-Duitse relatie steeds zwakker kwam te staan. Tijdens zijn bezoek aan de Bondsrepubliek zei de Oost-Duitse leider Honecker nog dat de grens tussen de twee landen moest verbinden in plaats van te scheiden.
In juni 1989 opperde de Gorbatsjov, tijdens zijn staatsbezoek aan Bonn, de mogelijkheid om de Berlijnse Muur af te breken.
In de zomer van 1989 vluchtten DDR-vakantiegangers massaal naar het westen, vaak via Oost-Europese landen waar al wat langer vrijheid heerste. Hierdoor raakte de Duitse kwestie in een stroomversnelling en in november 1989 werd de Berlijnse Muur afgebroken.
Op 18 mei 1990 werd door de ministers van Financiën van beide landen een staatsverdrag ondertekend over de economische, monetaire en sociale eenwording. Op 5 mei begon het overleg tussen de twee Duitslanden en de geallieerden. Hierin werd overeengekomen dat het nieuwe Duitsland lid zou blijven van de NAVO en dat de Oder-Neisse grens door de Bundesrat en de Volkskammer erkend werd. In september fuseerden de CDU en de SPD met hun Oost-Duitse collega’s.
Op 3 oktober 1990 werd de hereniging van de Bondsrepubliek met de DDR door het Herenigingsverdrag bezegeld.

Oost- en West-Duitsland herenigd

In december 1990 werden de eerste parlementsverkiezingen in een herenigd Duitsland door de CDU gewonnen met 44% van de stemmen. De SPD bereikte met 33% een naoorlogs dieptepunt en de Grünen keerden helmaal niet terug in de Bondsdag. De coalitie tussen de CDU en de FDP werd voortgezet maar al in januari 1991 bleek dat de kosten voor de hele herenigingsoperatie veel hoger dan begroot waren en Kohl genoodzaakt werd om de belastingen te verhogen.
De Treuhand Anstalt kreeg de moeilijke en omvangrijke taak om 8000 staatsbedrijven in voormalig Oost-Duitsland en 3 miljoen ha grond te privatiseren. Door het afstoten en sluiten van bedrijven steeg de arbeidsonrust in het oosten van Duitsland en er volgde een diepe recessie in heel Duitsland.

Begin jaren negentig stonden ook in het teken van de toegenomen vreemdelingenhaat waardoor de regering zich genoodzaakt voelde om de aanhoudende immigratie in te dammen. In juli 1993 volgde een wijziging van de grondwet waardoor vanaf toen vluchtelingen uit zogenaamde veilige landen konden worden uitgewezen en alle asielzoekers wel werden toegelaten.
In mei 1993 kwamen voor het eerst sinds het ontstaan van de Bondsrepubliek in 1955, gewapend Duitse soldaten in actie in een niet-NAVO-gebied; een V.N.-operatie in Somalië.

Stagnerende economie

Na twee ambtstermijnen werd Richard von Weiszäcker in 1994 als president opgevolgd door Roman Herzog van de CDU. De Bondsdagverkiezingen stonden voor een belangrijk deel in het teken van de economische ontwikkeling, die eerder en sterker een herstel te zien gaf. De CDU behaalde het slechtste verkiezingsresultaat sinds 1949, maar bleef wel de grootste partij en kon opnieuw met de liberale FDP een coalitieregering vormen onder leiding van Helmut Kohl, die met één stem meerderheid voor de vierde maal tot bondskanselier werd gekozen. Opmerkelijk was dat de extreem-rechtse partijen geen voet aan de grond kregen.
In 1995 stagneerde de economische groei en bleef de werkloosheid hoog, vooral in de voormalige DDR. Daar was de groei overigens het sterkst, wat vooral te danken was aan overheidsinvesteringen in de bouw en de infrastructuur.

Ondanks bedenkingen van de Bundesbank bleef de regering de plannen voor één Europese munt steunen. In 1996 leidden besprekingen over de Economische en Monetaire Unie (EMU) tot een felle strijd tegen bijna alle andere EU-landen, waarbij Bonn het streven naar een zo “hard” mogelijke euro, de toekomstige gemeenschappelijke munt, verdedigde. Naast het inbedden van de D-mark in een monetaire unie, kampte de Duitse economie in 1996 met nog enkele, onderling verbonden problemen: de economische en psychologische kloof tussen het oosten en het westen van het land, de modernisering van de verzorgingsstaat en het saneren van de overheidsfinanciën. Verder kwamen op internationaal gebied enige barsten aan het licht in de as Bonn–Parijs, waar het Franse protectionisme botste met het Duitse streven naar vrijhandel. De aanzienlijk verbeterde verhouding met Nederland kwam in 1995 onder meer tot uiting in de vorming van een Nederlands-Duitse militaire eenheid.

Het begrotingstekort kwam in 1997, dankzij extra privatiseringen en bezuinigingen, uit op 3%, precies de eis die Duitsland zelf had gesteld voor deelname aan de EMU. De aankondiging van de regering in maart 1997 om de miljardensubsidies aan de steenkolenmijnen tot 2005 drastisch te verlagen, leidde tot massale demonstraties van de vakbonden, waarna de regering besloot de sanering uit te stellen.

Het einde van het tijdperk Kohl

De Bondsdagverkiezingen van september 1998 verliepen voor Helmut Kohl teleurstellend en in de peilingen bleef zijn partij achter bij de SPD. Met diens nieuwe leider, de minister-president van de deelstaat Neder-Saksen Gerhard Schröder, presenteerden de sociaal-democraten zich als de partij van het Neue Mitte, waarbij men vooral mikte op veranderingen die vooral op economisch terrein lagen, zoals de bestrijding van de (jeugd)werkloosheid.
De coalitie CDU/CSU boekte de slechtste uitslag sinds 1949 en ook de liberale coalitiepartner FDP verloor flink en werd gehalveerd. Grote winnaar werd de SPD en zij werd de grootste partij in de Bondsdag. De nieuwe regering werd geformeerd uit een coalitie van de SPD en de Grünen die hiermee voor het eerst regeringsmacht op nationaal niveau. Gerhard Schröder werd de eerste sociaal-democratische premier sinds Helmut Schmidt. Oskar Lafontaine, vertegenwoordiger van de linkervleugel van de SPD, werd minister van Financiën met uitgebreide bevoegdheden. De politiek leider van de Grünen Joschka Fischer nam in de regering plaats als minister van Buitenlandse Zaken.
In december 1999 werd Duitsland geschokt door een enorm corruptieschandaal binnen de CDU. Zelfs Bondskanselier Kohl had steekpenningen aangenomen ten behoeve van de partijkas van de CDU. Kohl weigerde echter om namen te noemen en er zou een strafrechtelijk onderzoek tegen hem gehouden worden. Op 18 januari 2000 moest Kohl zijn functie van erevoorzitter van de CDU neerleggen, nadat duidelijk was geworden dat de partijtop hem niet meer steunde.

Periode Schröder

Op buitenlands politiek terrein bleef de nieuwe regering de lijn van Kohl volgen, en werden de banden met Frankrijk en Groot-Brittannië aangehaald. Economisch keek men met jaloerse blikken naar Nederland waar door o.a. het poldermodel het werkloosheidspercentage drastisch omlaag ging. Deze oplossing was echter niet weggelegd voor de Duitsers en in juli 1998 bedroeg de werkloosheid 10,9% van de beroepsbevolking, het hoogste percentage sinds 1945.
In de Oost-Duitse deelstaten was en is de situatie nog zorgelijker en kent men veel sociale problematiek. De nieuwe regeringscoalitie bleek veel moeite te hebben om eensgezind met elkaar op te trekken en al snel stapte de minister van Financiën, Oskar Lafontaine, uit de regering en legde ook zijn functie als partijvoorzitter neer.

In juni 1999 presenteerde de regering-Schröder een zeer ingrijpend bezuinigingsprogramma waarin voor ca. DM 30 miljard zou worden bezuinigd. Op 23 mei 1999 werd Johannes Rau van de SPD tot de nieuwe Bondspresident gekozen en in de zomer van dat jaar verhuisde de Bondsdag, inclusief 12.000 ambtenaren, naar Berlijn.
Ook in het jaar 2000 ging de regering door met bezuinigingsmaatregelen en belastingverlaging voor ondernemingen. Door al deze maatregelen toonde de Duitse economie duidelijke tekenen van herstel. De economische ontwikkeling van de voormalige DDR was behoorlijk succesvol, alleen lag het werkloosheidspercentage vergeleken met het vroegere West-Duitsland nog aanzienlijk hoger.

De roodgroene regeringscoalitie onder leiding van bondskanselier Gerhard Schröder won de Duitse parlementsverkiezingen. De kiesgang makte de verwachtingen van een nek-aan-nek race waar. SPD en CDU/CSU kregen elk 38,5% van de stemmen.
Schröder mag weer een nieuwe regering vormen, maar is door de kiezers gestraft voor zijn haperende economische beleid. De SPD verloor 2,4% en kwam uit op 251 zetels, net voldoende om de grootste fractie in de Bondsdag te leveren. Schröder werd daarmee afgerekend op de massale werkloosheid waar zijn regering te weinig tegen had ondernomen. Meer dan 4 miljoen Duitsers zochten op dat moment een baan.

Horst Köhler werd op zondag 23 mei 2004 aangewezen als het nieuwe staatshoofd van Duitsland. De voormalige baas van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) kreeg de steun van de meerderheid van de zogeheten Bondsvergadering, het kiescollege dat de bondspresident aanwijst. Köhler volgde Johannes Rau op, die niet herkiesbaar was.
Köhler kreeg 604 stemmen, één meer dan de vereiste absolute meerderheid. In totaal 1206 personen mochten bepalen wie tot 2009 het hoogste ambt van Duitsland bekleedt. Dat getal van 1206 is precies het dubbele van het aantal zetels in de volksvertegenwoordiging, de Bundestag. De 603 parlementariërs uit de Bondsdag vormen de ene helft van de Bondsvergadering. De overige 603 leden zijn een afspiegeling van de politieke verhoudingen in de deelstaten. Het gaat hierbij om premiers van de zestien deelstaten, afgevaardigden uit de regionale parlementen, ex-politici en bekende Duitsers. Hoewel hij sinds 1981 CDU-lid was, kreeg hij de reputatie vaak zakelijk en politiek onafhankelijk te handelen. De christen-democraten en liberalen bestempelden hem dan ook als ideale president voor alle Duitsers.

Periode Merkel

De verkiezingen in september 2005 werden door CDU/CSU nipt gewonnen (226 zetels tegenover 222 voor de SPD), waarna CDU/CSU en SPD voor het eerst sinds 1966 een grote coalitie vormden. Angela Merkel (CDU) werd op 22 november 2005 benoemd tot eerste vrouwelijke bondskanselier. In maart 2008 brengt Angela Merkel een historisch bezoek aan de Knesset, het Israëlisch parlement. In september 2009 wordt Merkel herkozen. Eind 2009 begin 2009 raakt Duitsland in een recessie en pompt grote sommen geld in de economie. In mei 2010 stemt het parlement schoorvoetend in met steun aan de Griekse economie. De publieke opinie is tegen deze steun. In mei 2011 besluit Duitsland in de nasleep van de nucleaire ramp in Japan in 2022 af te zien van alle kernenergie. In september 2013 haalt Merkel veel stemmen tijdens de parlementsverkiezingen, maar net niet de absolute meerderheid. In december 2013 rond ze coalitiebesprekingen af met de SPD en wordt ze regeringsleider van een zogenaamde "Grosse Koalition". In april 2014 voert Duitsland voor het eerst het minimumloon in. In september 2015 speelt Merkel een doorslaggevende rol in de migrantencrisis. Duitsland neem veel migranten op een gevleugelde uitspraak van Merkel is : "Wir Schaffen das". In januari 2016 slaat de stemming om na seksuele aanvallen op vrouwen, in onder andere Keulen gepleegd, door daders met een Arabisch of Noord-Afrikaans uiterlijk. In december 2016 is er een zware aanslag met een truc op een kerstmarkt in Berlijn door Islamitische Staat waarbij 12 doden te betreuren zijn. In september 2017 profiteren de populisten van de partij Alternative fur Deutschland van de stemming in het land door als derde partij te eindigen bij de parlementsverkiezingen. Een coalitie is moeizaam te vormen. In maart 2013 treedt Merkel weer aan, na een voor Duitse begrippen heel lange formatie, als Bondskanselier van een nieuwe grote coalitie met de SPD.


DUITSLAND LINKS

Advertenties
• KRAS Duitsland aanbiedingen
• Berlijn met NS Hispeed
• Doorlopende reisverzekering, nu 10% korting!
• Autohuur Duitsland
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Duitsland Tui
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• SRC Cultuurvakanties Duitsland
• Duitsland WTC
• Parkvakanties Duitsland
• Vliegtickets naar Munchen
• Duitsland Hotels
• Cheaptickets Duitsland
• Autoverhuur Sunny Cars Duitsland
• Duitsland Vliegtickets Tix.nl
• Duitsland Campings
• Eliza was here

Nuttige links

ANWB Vakantie Duitsland (N)
Campersite Duitsland (N)
Dieren in Duitsland (N)
Duitsland Fotoreportage
Duitsland Foto's
Duitsland Reisbijbel (N)
Duitsland Reisforum (N)
Duitsland Reisfoto's
Duitsland Reislocaties (N)
Duitsland Reisstart (N)
Lies & Teije's Reiswebsite (N+E)
Recepten Duitsland (N)
Reisinformatie Duitsland (N)
Reizendoejezo – Duitsland (N)
Romans over Duitsland (N)
Rondreis door Duitsland (N)
Telefoongids Duitsland
Vakantie Duitsland Jouwpagina (N+E)
Vakantiebestemming.info Duitsland Kastelen (N)
Voorpagina: Headlines Duits Nieuws (D)
Artikelen en Reisverhalen over DUITSLAND
  Kestsfeer in Berlijn  De Duitse Taal
  Noord Oosten en Berlijn  Nedersaksen Duderstadt
  De 5 reisapps die je moet hebben..  Thüringen
  Schwarzwald

Bronnen

Ayer, E.H. / Germany
Lucent Books

Egert-Romanowska, J. / Duitsland
Van Reemst

Europese Unie : vijftien landendocumentaties
Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs

Mark, D.F.W. van der / De Bondsrepubliek Duitsland voor en na 1990 : geschiedenis, politiek, economie en ruimtelijke ontwikkeling
Landensurveys

Tatsachen über Deutschland

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt april 2018
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems