Steden BELGIE

BELGIE   

Algemeen

Van 1960 tot 1974 kende België een groeifase in de economische ontwikkeling. De groei bedroeg toen gemiddeld 4,9% per jaar. In de recessieperiode 1974-1988 was er sprake van een trage groei of zelfs enkele jaren (1975 en 1981) een inkrimping van het bruto nationaal product (bnp). De groei van de economie bedroeg toen gemiddeld nog maar 1,7% per jaar.
De economische toestand werd sinds 1974 bovendien gekenmerkt door een hoge inflatiegraad, hoge werkloosheid, een verslechterende toestand van de openbare financiën en een schommelend saldo op de betalingsbalans. Belangrijk was ook de steeds verdere stijging van de overheidsuitgaven tussen 1960 en 1981. Onder invloed van de moeilijkheden in de openbare financiën werd het groeiritme van de overheidssector sinds 1981 afgeremd. Zowel qua werkgelegenheid als qua toegevoegde waarde hebben de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, de bewerkende en verwerkende nijverheid duidelijk aan belang verloren ten opzichte van de dienstverlenende activiteiten. Een belangrijke groei werd onder meer geboekt in de financiële sector.

De welvaartstijging in de verschillende regio's is zeer ongelijk. Kijkt men naar de omzet dan hebben de Vlaamse stedelijke gebieden of stadsgewesten een bedrijfseconomische dynamiek die vijfmaal groter is dan in Wallonië; investeringen zijn in Vlaanderen viermaal groter. Ook het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking is zeer verschillend: in Vlaanderen behoort het inkomen tot de hoogste in Europa terwijl het in Wallonië onder het Europees gemiddelde blijft. Het gewest Brussel behoudt zijn sterke positie.
In Vlaanderen zijn de grote economische trekkers Antwerpen, Gent en de Vlaamse rand rond Brussel. In Wallonië kregen Luik en Charleroi grote klappen te verwerken. De driehoek Antwerpen-Genk-Brussel ontwikkelt zich tot één grote bedrijfseconomische regio met alle sociaaleconomische problemen van dien.

Belangrijk zijn ook de geografische verschuivingen. Het Vlaams Gewest heeft de sterkste expansie gekend en werd ook minder getroffen door de economische recessie. De provincies met een belangrijke werkgelegenheid in de zware nijverheid (Henegouwen en Luik) hebben de grootste moeilijkheden gekend.

De overheidsfinanciën waren in 2000 voor het eerst in vijftig jaar tijd in evenwicht. Het terugdringen van de staatsschuld staat al jaren hoog op de politieke agenda. Onder druk van de eisen voor toetreding tot de Europese Monetaire Unie is België er goed in geslaagd om de tekorten terug te dringen. Het begrotingstekort was in 2017 -1,5 % en de staatsschuld 104 % van het BNP. De groei van het bruto binnenlands product was in 2017 1,7%.

Land- en tuinbouw, visserij

Glastuinbouw Belgie Foto:LHOON

De betekenis van de land- en tuinbouw voor de economie van België is in de loop der jaren steeds minder belangrijk geworden. Zo is het aantal arbeidsplaatsen sterk verminderd door o.a. mechanisering en de inkrimping van cultuurgrond. Deze sector wordt verder gekenmerkt door specialisering en schaalvergroting, met name in Wallonië. Tussen 1970 en 1987 werd het aantal bedrijven bijna gehalveerd, terwijl de gemiddelde oppervlakte per bedrijf met bijna 75% steeg. In België zijn op dit moment ongeveer 64.000 land- en tuinbouwbedrijven. De Belgische cultuurgrond wordt voor meer dan 95% gebruikt voor akkerbouw, weilanden en grasland.
In 2017 bedroeg het aandeel van de landbouwsector in het bruto binnenlands product 0,7 procent. Ondanks alles is de veestapel toegenomen, met name door de sterke toename van de varkensfokkerij.
Ten opzichte van de glastuinbouw is de tuinbouw in de open grond sterker toegenomen. Groenten nemen ongeveer de helft van de oppervlakte onder glas in beslag en de bloementeelt bijna 30%.
Ca. 600.000 ha van de Belgische oppervlakte is bedekt met bossen, met name in de provincies Luxemburg, Namen en Luik. De jaarlijkse houtproductie schommelt rond 1 miljoen m3, waarvan twee derde naaldhout.
België is voor Nederland één van de belangrijkste exportgebieden voor agrarische producten. In 2017 maakten agroproducten 15% van de totale export naar België uit.

Alleen de zeevisserij heeft in België commerciële betekenis: er wordt gevist in de Noordzee, de Newfoundlandse en IJslandse wateren. De belangrijkste aangevoerde vissoorten zijn kabeljauw, schol en tong. Tong is in waarde uitgedrukt het belangrijkste. De belangrijkste vissershaven is Zeebrugge, zowel in volume als in waarde. Garnalenvangst gebeurt langs de kust, oesterkweek te Oostende en Nieuwpoort.
Onder invloed van Europese visquota is de Belgische visvangst sinds de jaren zestig van de 20e eeuw sterk achteruitgaan.

Mijnbouw

Mijnbouw Belgie Foto:Jean-Pol GRANDMONT

Zowel de steenkoolwinning als de winning van ertsen als ijzer, zink, lood en koper heeft in België alle betekenis verloren. De volledige sluiting van steenkoolmijnen werd in 1992 voltooid. In 1988 bedroeg de Belgische steenkoolproductie nog 2,6 miljoen ton tegenover 11,4 miljoen ton in 1970. De dure subsidiepolitiek en de concurrentie van aardolie, aardgas en nucleaire energie hebben deze neergang bespoedigd. Vervangende werkgelegenheid voor de vele werkloze mijnwerkers is onvoldoende geweest. De ijzerertswinning in Belgisch Lotharingen bedroeg in 1976 nog maar 94.000 ton, genoeg voor slechts 0,5% van het totale Belgische ertsgebruik.

De winning van gesteenten is heel wat belangrijker dan de ontginning van ertsen. Genoemd kunnen worden Porfier, een eruptief gesteente, kwartsiet, harde zandsteen, harde leisteen voor dakbedekking, arduin of blauwe hardsteen, verschillende marmersoorten zoals zwart marmer, rood marmer en grijs marmer, kalksteen voor kalkovens en cementfabrieken, krijt, voornamelijk verwerkt in de kalkovens en de cementnijverheid, kalkfosfaat, waarvan de ontginning aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de superfosfatenindustrie, klei en leem voor steenbakkerijen en pannenfabrieken, klei, geschikt voor aardewerk en vuurvast materiaal, zand voor het bouwbedrijf en witzand als grondstof voor de glasnijverheid.

Energievoorziening

Kerncentrale Tihange Belgie Foto:Hullie

De energiesector is in België zeer belangrijk voor de industrie, met name de metaal- en chemiesector. De industrie is de grootste verbruiker van energie gevolgd door huishoudelijk gebruik en daarna het overige bedrijfsleven.
De meeste energie wordt uit kernenergie gehaald die uitsluitend voor de elektriciteitsproductie wordt gebruikt.
Daarnaast wordt er energie geproduceerd uit aardolie, steenkolen, cokes, aardgas, waterkracht en alternatieve energiebronnen. Doordat België zelf niet over fossiele brandstoffen beschikt is men zeer afhankelijk van het buitenland.

Aardgas deed zijn intrede op de Belgische markt in 1966 en wordt voornamelijk ingevoerd uit Noorwegen, Nederland en Algerije. Aardolie vanuit het Midden-Oosten (o.a. Saoedi-Arabië, Libië, Iran), Noorwegen en Oost-Europa. België speelt een belangrijke rol als verdeler van aardgas voor de EU-landen.

Sinds 1991 zijn er in België geen steenkoolmijnen meer in gebruik. Wat er nog aan steenkool wordt verbruikt, wordt als energiebron ingevoerd vanuit het buitenland.

Industrie

Staalproductie Luik Belgie Foto:François Schreue

Rond 1800 lag het zwaartepunt van de industriële bedrijvigheid nog in het Nederlandstalige landsgedeelte: textielnijverheid. Door de industriële revolutie en de ontginning van de steenkoolbekkens van Wallonië verschoof de industriële bedrijvigheid in de richting van het zuiden en de streek van Luik. Sinds 1900 en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de industrie zich weer sneller in de noordelijke provincies.
Onder de factoren die de naoorlogse verschuiving in de hand werkten, dienen vooral vermeld: de ontginning van het Kempisch steenkoolbekken, de wijzigingen in de energiebalans, de betere demografische verhoudingen in het Vlaamse gewest, de verkeersgeografische ligging en de vestiging van filialen van buitenlandse ondernemingen, mede in de hand gewerkt door een actief overheidsingrijpen.

De sterkst industrieën in België zijn de voedingsmiddelenindustrie, de chemie, de auto-industrie en de technologisch hoogwaardige productie in de metallurgie, de machine-industrie en elektronische apparatuur.

De transportmiddelenbranche is de belangrijkste metaalbewerkingsindustrie in België. Zij bestaat voor het grootste gedeelte uit auto-assemblagebedrijven en 250 toeleveranciers aan de auto-industrie. Elk jaar worden er 1 miljoen personenauto's geassembleerd waarvan ca. 95% wordt geëxporteerd. Verder worden er vrachtwagens, opleggers, bussen en aanhangwagens geproduceerd. Bovendien zijn er enkele grote Belgische producenten van tram- en spoorwegmaterieel, zoals Alstom en Bombardier.

In 2000 droeg de bouw voor 4,7 bij aan het bruto binnenlands product en zij is ook belangrijk voor de werkgelegenheid. In 2000 werkten er 237.000 mensen in de bouw en eind jaren negentig waren er iets meer dan 70.000, vaak kleine bedrijven.

De chemische industrie is één van de belangrijkste industrieën in België. In de voornamelijk middelgrote en kleine bedrijven werken ca. 100.000 mensen. De belangrijkste handelspartners van de chemische branche zijn Duitsland, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Italië. De chemische industrie speelt zich voor tweederde in Vlaanderen en voor eenderde in Wallonië af.

De textielindustrie is naast één van de grootste industriële sectoren ook één van de grootste werkgevers. Na Italië, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, neemt België in West-Europa wat betreft marktomzet de vijfde plaats in. De subsectoren interieurtextiel, kleding en technisch textiel zijn het belangrijkst. 70 procent van de productie is bestemd voor de export.

In de machinebouw (mechanica en mechatronica) zijn hoogtechnologische bedrijven actief. o.a. fabrikanten van machines, apparatuur en onderdelen. Verder veel bedrijven die zich toeleggen op toelevering aan de industrie, inspectie en certificatie en onderhoud en reparatie. Bijna 70% van de productie gaat naar het buitenland.

De metaalindustrie in België wordt ingedeeld in de sectoren non-ferrometalen, metaalproducten, kunststofproducten, machine-industrie, elektrotecniek en elektronica, ICT-branche, auto-industrie en lucht- ruimtevaart en defensie en veiligheid.
De vroeger zo sterke staalindustrie in Wallonië heeft het de afgelopen decennia moeilijk gehad, ondanks steun van de overheid. Door het terugdraaien van de overheidssteun is er flink gereorganiseerd in de staalindustrie en het grootste Waalse staalbedrijf Cockerill Sambre kwam voor meer dan de helft in handen van het Franse staalconcern Usinor.

De olie-industrie bestaat uit twee bedrijfstakken, namelijk de verwerking van ingevoerde ruwe aardolie en de verhandeling van geraffineerde producten. De olie-industrie en de petrochemische industrie hebben zich in de buurt van de havens van Antwerpen en Gent ontwikkeld. De haven van Antwerpen, na Houston in de Verenigde Staten, op de tweede plaats van de wereldranglijst van petrochemische centra.
De ingevoerde ruwe aardolie wordt in België verwerkt door twaalf op de export gerichte raffinaderijen. De sector bestaat uit zowel internationale bedrijven als zelfstandige invoerders, handelaren, en kleine en middelgrote bedrijven. Als gevolg van de tweede oliecrisis, toen energiebesparing en de omschakeling op andere energievormen steeds belangrijker werden, is de bedrijvigheid in deze sector behoorlijk achteruitgegaan.

Handel

Belgie Export Foto:R Haussmann, Cesar Hidalgo, et. al.

De Belgische economie richt zich heel sterk op de internationale handel en de export draagt dan ook voor meer dan 70% bij aan het bnp.

De Belgische economie is een open economie, waarin de welvaart zeer afhankelijk is van de buitenlandse handel. Binnen de EG-landen heeft België, na Luxemburg, de grootste afhankelijkheidscoëfficiënt. Sinds de jaren zestig expandeerde de buitenlandse handel. In 2000 bedroeg de totale invoer in België 202.426 miljoen euro en de totale uitvoer uit België 186.728 miljoen euro.
Lang was Nederland de belangrijkste afnemer van Belgische producten. Sinds de jaren zeventig zijn dat Duitsland en Frankrijk en verder nog Engeland en Italië. De belangrijkste invoerpartners zijn Duitsland, Frankrijk, Nederland, Verenigd Koninkrijk en Italië.

Verkeer

Hoge Snelheids Treinen Belgie Foto:JH Mora

De verkeerssector is van groot belang voor de Belgische economie. De ontwikkeling van de verkeerssector wordt sterk bevorderd door de grote bevolkingsdichtheid, de groeiende industriële en commerciële bedrijvigheid en de ontwikkeling van de Europese Unie.
Het personenvervoer werd al in de negentiende en begin twintigste eeuw sterk bevorderd door het uitbouwen van het spoorweg- en buurtspoorwegnet. In 1860 beschikte België al over 5000 km spoorlijnen, en het buurtspoornet bereikte net voor de Eerste Wereldoorlog dezelfde lengte. Hierdoor had het spoor een grote invloed op de ruimtelijke spreiding van woon- en werkgelegenheden. Het gebruik van het openbaar vervoer kende rond 1960 een hoogtepunt.
De grote mobiliteitstoename is daarna echter volledig voor rekening van het groeiend aantal personenwagens gekomen.

Het spoorwegnet van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen had eind 1988 nog een lengte van 3554 km, waarvan 2240 km geëlektrificeerd. De grondige hervorming van het spooraanbod in 1984, met de invoering van intercity- en interregioverbindingen heeft het vervoer over langere afstand geconsolideerd en de productiekosten afgeremd.

Het overheidsplan STAR 21 omvat herstructurering van het gehele spoorwegsysteem in België, met uitbreiding en modernisering van de bestaande spoorwegen, spoorwegwerken en stations, maar ook de completering van het Belgische deel van het HST-traject Parijs-Brussel-Keulen-Amsterdam.

Het stedelijk openbaar vervoer wordt geëxploiteerd door Maatschappijen voor Intercommunaal Vervoer, tot 1988 gesubsidieerd door de staat en vanaf 1989 door het betrokken gewest. In de periode 1963-1988 werd zeer veel geld besteed om de grote agglomeraties, vooral Brussel, Antwerpen en Charleroi, met een metro- of premetronet uit te rusten.
In 1991 werd de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn opgericht, die instaat voor het stads- en streekvervoer in het Vlaams Gewest. In het Waals Gewest en te Brussel bleven de lokale diensten bestaan. Alleen Brussel beschikt over een echte metro.
Het streekvervoer voldeed steeds minder aan een wezenlijke behoefte: het aantal reizigers daalde van 306 miljoen in 1980 naar 244 miljoen in 1988 en tot 242 miljoen in 1990. De kwalitatieve achteruitgang van de dienstverlening, de verkeersmoeilijkheden in de binnensteden, de sterke tariefverhogingen en de verminderde overheidsbijdragen waren de grootste oorzaken van deze terugloop.

Tegenover het stagnerend openbaar vervoer stond de enorme expansie van het autoverkeer. België heeft het dichtste wegennet van de Europese Unie per honderd vierkante km: nl. 462 km, en naast Hongkong, Macau en Singapore ook ter wereld. Ook voor de autowegen behoudt België de eerste plaats; net voor Nederland: 55 km per 1000 km2.

In België zijn vijf belangrijke vliegvelden, Zaventem bij Brussel, en de kleinere regionale vliegvelden Antwerpen-Deurne, Charleroi-Gosselien, Luik-Bierset en Oostende Airport.
Het luchtverkeer expandeerde sterk door onder meer de democratisering van het passagiersverkeer, vooral bij de toeristische vluchten. Zaventem neemt in Europa de vijfde plaats in wat betreft vrachtvervoer en Bierset staat op de twaalfde plaats.

Het goederenvervoer werd sterk beïnvloed door de expansie van de havenbedrijvigheid en de industriële mutaties die niet zozeer het massavervoer dan wel het gediversifieerd internationaal vervoer over de weg in de hand werkten.
De vormen van gecombineerd vervoer kwamen sterk tot ontwikkeling, terwijl het vervoer ook meer en meer als schakel in een geïntegreerde productieketen werd benaderd.

Antwerpen Haven Foto:Wwuyts

België heeft vier zeehavens: Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende en drie grote binnenhavens: Brussel, Luik en Charleroi. De haven van Antwerpen is na de haven van Rotterdam de grootste haven van Europa.
Antwerpen is vooral een containerhaven; zo'n 60% van het stukgoedvervoer wordt in containers aangevoerd. De enorme inspanningen tot uitbouw van Zeebrugge is vooral een doorvoerhaven en gespecialiseerd in containerhaven en roll-on-roll of vervoer.
De haven van Gent is een middelgrote zeehaven met een aantal industriële specialisaties. De haven van Oostende is de kleinste zeehaven en gespecialiseerd in roll-on roll-off vervoer, overslag en vervoer van zand en grind.

Het vervoer over de binnenwateren is geconfronteerd met een overcapaciteit in geheel Europa en veroudering van de vloot van vooral kleinere schepen waarvan het grootste deel eigendom is van schippers met één schip. Het Belgische binnenvaartnet is 1506 km lang, waarvan 406 km bevaarbaar is voor schepen van 1350 ton en meer.

Toerisme

Plopsaland Belgie Foto:Publiek Domein

Door de gestegen welvaart en de toenemende vrije tijd kende sedert 1950 ook het toerisme een groeiend belang voor de Belgische economie. Dit blijkt onder meer uit de sterk stijgende belangstelling voor recreatiedomeinen van velerlei aard (eendagstoerisme), maar ook uit het aantal overnachtingen in België. De belangrijkste toeristische gebieden in België zijn: de kust: 26,6%; kunsthistorische steden (Antwerpen, Brugge, Brussel, Doornik, Gent, Leuven, Luik, Mechelen en Tongeren): 20,8%; Maas en Ardennen: 22,5%; Kempen 18%; andere toeristische gemeenten 12,2%.
De Ardennen trekken zowel 's zomers als in de winter toeristen. Dit gebeid telt gemiddeld 40 tot 75 sneeuwdagen per jaar en beschikt over pistes voor alpine-skieën en langlaufloipes.

Overige economische activiteiten

Hypermarche belgie Foto:Jean Housen

De Belgische detailhandel lijkt meer op de Franse detailhandel dan op de Nederlandse. Zowel in Frankrijk als in België zijn winkelcentra buiten de stad te vinden, ontstaan vanuit de grote supermarkten of hypermarchés. De Belgische detailhandel wordt gedomineerd door buitenlandse bedrijven en met name geldt dat voor de voedingsmiddelenmarkt en de kledingsector.

België was één van de eerste industrielanden in Europa, maar heeft zich de afgelopen decennia veel meer tot een diensteneconomie ontwikkeld. In 2017 droegen diensten in België voor 77% bij aan het bnp. Veel diensten zijn gerelateerd aan de industrie, en dat varieert dan van loonadministratiebedrijven, accountancy, juridische dienstverlening, callcenters en consultancy. De dienstensector met veel Belgische maar ook buitenlandse bedrijven bevindt zich vooral in de Brusselse regio, met name vanwege de centrale ligging in Europa en de nabijheid van de vele instanties van de Europese Unie. De financiële dienstverlening draagt in belangrijke mate bij aan het bruto nationaal product. De vele kleine banken in België zijn door fusies met vooral Nederlandse en Franse banken tot grote concerns uitgegroeid.

De Belgische voedingssector met zijn vele kleine bedrijven neemt wat omzet betreft de derde plaats in binnen de totale Belgische industrie. Ca. 80% van de export gaat naar EU-landen.

BELGIE LINKS

Advertenties
• KRAS België aanbiedingen
• Belgie
• België met de Trein
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• België Hotels
• Vakantieparken in België
• Ferry overtochten van en naar Belgie
• Ardennen
• Autohuur Belgie
• SRC Cultuurvakanties Belgie
• Autoverhuur Sunny Cars België
• Belgie WTC
• België Campings
• Brussel Vliegtickets Tix.nl
• Eliza was here

Nuttige links

België Foto's Kees Hulsen
België Reisfoto's
Campersite België (N)
Dieren in België (N)
Fotoreportage België (N)
Lies en Teije's Reiswebsite (N+E)
Reisfotografie (N)
Reisinformatie België (N)
Reizendoejezo – België (N)
Romans over België (N)
Telefoongids België
Artikelen en Reisverhalen over BELGIE
  Luik en Spa Francorchamps  Scheepslift van Strepy Thieu
  Stad Geel de barmhartige stede  Vakantieparken in België

Bronnen

België, een manier van leven
Lannoo

Europese Unie : vijftien landendocumentaties
Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs

The Stateman's Yearbook: the politics, cultures and economies of the world
Macmillan Press Limited

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt november 2018
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems