Landenweb.nl

NEDERLAND
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Nederlands
  Hoofdstad  Amsterdam
  Oppervlakte  41.528 km²
  Inwoners  17.126.358
  (mei 2019)
  Munteenheid  euro
  (EUR)
  Tijdsverschil  +0
  Web  .nl
  Code.  NLD
  Tel.  +31

To read about NETHERLANDS in English - click here

Steden NEDERLAND

Amsterdam Den haag Eindhoven
MaastrichtRotterdam

Geografie en Landschap

Algemeen

Nederland (Frans: Pays-Bas; Duits: Die Niederlande; Engels: The Netherlands; in het buitenland wordt Nederland vaak Holland genoemd) is het in West-Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden. De totale oppervlakte van Nederland is 41.543 km². Van noord naar zuid is Nederland zo'n 300 kilometer lang en van oost naar west zo'n 200 kilometer breed. Nederland is iets groter dan België en negen keer kleiner dan Duitsland.

advertentie

Nederland Satellietfoto

Photo:publiek domein

Als enclaves binnen de provincie Noord-Brabant bevinden zich ca. 30 kleine Belgische gebieden, die samen de gemeente Baarle-Hertog vormen; daarbinnen liggen weer twee Nederlandse exclaves, behorend tot de gemeente Baarle-Nassau. Behalve het vasteland omvat Nederland de Waddeneilanden: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottumeroog.

Nederland grenst in het oosten aan Duitsland (577 km), in het zuiden aan België (450 km), in het westen aan de Noordzee en in het noorden aan de Noordzee en de Waddenzee (de totale kustlijn bedraagt 451 km).

De Nederlandse Antillen zijn een autonoom deel van het Koninkrijk der Nederlanden en omvat twee tot de Kleine Antillen behorende eilandengroepen in het Caribisch gebied, samen 800 km2 en met ca. 200.000 inwoners. De twee eilandengroepen behoren respectievelijk tot de Benedenwindse en Bovenwindse Eilanden en liggen op ca. 900 km afstand van elkaar; de eerste groep omvat de voor de kust van West-Venezuela gelegen eilanden Bonaire (met Klein-Bonaire) en Curacao; de tweede groep omvat de ten oosten van Puerto Rico gelegen eilanden Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten.

Tot 1 januari 1986, toen het de status aparte verkreeg, behoorde het Benedenwindse eiland Aruba ook tot de Nederlandse Antillen.

Landschap

advertentie

Afsluitdijk

Photo:MD van Leeuwen CCAttribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Ondanks de kleine oppervlakte van Nederland bestaat er een grote verscheidenheid aan landschappen, die echter vaak zijn ontstaan door menselijk ingrijpen.

Het Nederlandse landschap wordt dan ook sterk bepaald door de dijkenbouw, de landaanwinning, het droogleggen van moerassen, de landbouw en de bouw van steden en wegen.

Echte oer-natuurlandschappen kent Nederland nauwelijks meer en de natuur wordt gedomineerd door akkers, weilanden en heidevelden die ontstaan zijn door het massale kappen van bossen. De bossen die nu in Nederland voorkomen zijn dan ook allemaal aangeplant.

Ca. 200.000 jaar geleden werd Nederland gedeeltelijk bedekt door landijs. Tot de lijn Haarlem-Nijmegen werden grind, zand, keileem en zwerfstenen afgezet en door de gletsjertongen werd zand en grind opzij geduwd en ontstonden evenwijdige, tot 100 meter hoge heuvelruggen in Overijssel, Gelderland en Utrecht. Dit heuvelachtige gebied is grotendeels bedekt met heidevelden en bossen.

De bodem ten zuiden van de grote rivieren bestaat hoofdzakelijk uit zand en grind. De gronden in Zuid-Limburg zijn meer dan een miljoen jaar oud en niet door jongere afzettingen bedekt. Hier worden dan ook delfstoffen gevonden als mergel en steenkool.

In sommige drassige gebieden van Hoog-Nederland ontstonden veengebieden die echter zijn drooggemaakt en ontgonnen. Na de aanleg van veel kanalen werd het veen afgegraven, daarna afgevoerd en bijvoorbeeld in de vorm van turf gebruikt als brandstof.

Ook Laag-Nederland kent veengebieden en vooral in het Hollands-Utrechtse veengebied werd veel veen afgegraven en ontstonden plassen die nu o.a. gebruikt worden als recreatiegebieden, b.v. de Loosdrechtse plassen boven Utrecht. De laagveengebieden ontstonden achter een gesloten duinenrij.

Op basis van de hoogte- en de bodemverschillen zijn de volgende landschapstypen te onderscheiden:

Het plateau van Zuid-Limburg.

Het grondmorenelandschap van Drenthe en oostelijk Friesland.

Het stuwwallengebied in voornamelijk Gelderland en Overijssel.

Heuvelrijen in Utrecht (o.a. Utrechtse heuvelrug), Overijssel en Gelderland (o.a. Veluwe).

De dekzandgebieden van Noord-Brabant en Noord- en Midden-Limburg.

De hoogveengebieden in Groningen, Drenthe en de Kop van Overijssel.

De Hollands-Utrechtse en Fries-Overijsselse veengebieden.

De gebieden met jonge zeeklei in Friesland, Groningen, noordelijk Noord-Holland en Zeeland.

De rivierkleigebieden in het midden van het land rond de Maas en de Rijn.

De duingebieden langs de kust van Noord- en Zuid-Holland.

Bekende streken en landschappen zijn verder:

De Achterhoek, de Betuwe, Twente, het Gooi, de Peel, West-Friesland, de Zaanstreek, Salland, de Ommelanden, de Biesbosch, het Kennemerland en de Hondsrug.

Door inpoldering is er veel nieuw land ontstaan, onder andere de provincie Flevoland die bestaat uit de zeepolders Noordoostpolde en Oostelijk- en Zuidelijk-Flevoland, voornamelijk in gebruik als woon-, werk-, en recreatiegebied met groeisteden als Lelystad en vooral Almere.

De Wieringermeer en de Noordoostpolder zijn typisch agrarische polders. Tezamen is er een landaanwinst van ca. 1650 km2 geboekt. Door de Afsluitdijk, een dam van ca. 30 kilometer tussen Noord-Holland en Friesland, veranderde de Zuiderzee in een meer, het IJsselmeer.

Ten noorden van het IJsselmeer liggen de Waddeneilanden. Texel is het grootste Waddeneiland met een oppervlakte van ca. 216 km2.

Richting zuidoosten verdwijnt het polderlandschap en verschijnt er een heidelandschap met bossen, zandduinen en grasvlakten. Hier ligt o.a. het natuurreservaat"De Hoge Veluwe", een nationaal park met een oppervlakte van 5400 ha.

De eeuwige strijd tegen het water is zeer goed terug te zien in het landschap. Een groot gedeelte van Nederland ligt onder de zeespiegel en wordt door dijken tegen de oprukkende Noordzee beschermd. Bekend zijn ook de Deltawerken in de provincie Zeeland. De polders in dit gebied worden door een dammenstelsel beschermd tegen overstromingen. Bij de laatste grote overstroming in 1953 verloren meer dan 1800 mensen het leven.

De hoogte in Nederland wordt gemeten vanaf 0 meter Normaal Amsterdams Peil (NAP) wat overeenkomt met de gemiddelde vloedstand langs de kust. De grens tussen Laag-Nederland en Hoog-Nederland ligt op 1 meter boven NAP.

In het grootste deel van Nederland bestaat de bodem uit door de zee, de rivieren of de wind aangevoerd materiaal. Nederland is een tijd lang bedekt geweest met pakijs en toen zijn de heuvelruggen in Utrecht, Overijssel en Gelderland ontstaan in de vorm van stuwwallen. In het zuiden van de provincie Limburg is het landschap sterk beïnvloed door erosie, hoewel een deklaag van vruchtbare löss het erosiekarakter heeft verbloemd. Zuid-Limburg is tevens het meest heuvelachtige gedeelte van Nederland en hier is het hoogste punt van Nederland te vinden, de Vaalserberg met 322,7 meter.

advertentie

Vaalserberg, hoogste heuvel van Nederland

Photo:Xamos CC BY-SA 3.0 no changes made

Het beeld van het Nederlandse landschap is in het Holoceen sterk bepaald door de activiteit van de rivieren en de zee. Door de zee werden uitgestrekte kleigebieden gevormd en van strandwallen en met de afbraak van het veengebied, gevormd achter deze strandwallen ontstonden o.a. de Zuiderzee en de Biesbosch. De wind heeft in het Holoceen de duinen en de zandverstuivingen doen ontstaan.

Het landschap is ook sterk bepaald door menselijke activiteiten. Door uitvening en daarna drooglegging van meren en plassen zijn diepliggende droogmakerijen ontstaan (het laagste punt van Nederland ligt in de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel en bevindt zich 6.74 m beneden NAP).

Ca. 24% van Nederland ligt beneden de zeespiegel. De rest van het land ligt op zeeniveau of iets daarboven. Een groot deel van Nederland wordt tegen het zeewater beschermd door dijken die soms meer dan 25 meter hoog zijn.

Rivieren, meren en plassen

advertentie

De Rijn in de buurt van Nijmegen

Photo:Scorewith German Creative Commons Attribution 3.0 Unported no changes made

De Rijn is zowel gletsjerrivier als regenrivier en de afvoer van de Rijn bedraagt gemiddeld 69 miljard m3 water per jaar. Door de kanalisatie van de Neder-Rijn en de Lek verbeterde de bevaarbaarheid van de IJssel, het Pannerdens Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek.

De Maas is een echte regenrivier, waardoor het verschil tussen de grootste en de kleinste voorgekomen afvoer veel groter is dan die bij de Rijn. Een groot deel van de Maas is gekanaliseerd.

Van de Schelde ligt alleen de brede mond binnen de Nederlandse grenzen. De kleine rivieren die buiten het Nederlandse grondgebied ontspringen, brengen in totaal slechts gemiddeld 3 miljard m3 water per jaar over de grenzen. Deze hoeveelheid is in het kader van de waterhuishouding alleen van regionale betekenis.

De vele meren en plassen liggen voornamelijk in het veenlandschap van Nederland en zijn vaak op natuurlijke wijze ontstaan door afslag van veenoevers nadat bijvoorbeeld door een inbraak van de zee een aanzet tot de vorming van open water had plaatsgevonden.

Veel meren zijn gevormd vanuit oude riviertjes in het veenlandschap. De uitgeveende gebieden worden veelal als plas aangeduid. Een groot aantal meren en plassen is in de loop van eeuwen drooggemalen. Een bijzondere plaats nemen de meren in, die ontstaan zijn als gevolg van de Zuiderzeewerken (IJsselmeer en zijn randmeren) en de meren die gevormd zijn door de Deltawerken.

Klimaat en Weer

advertentie

Nederland weer, wind water en wolken

Foto:Rob Oo Attribution 2.0 Generic (CC BY 2.0) no changes made

Nederland heeft over het algemeen een gematigd zeeklimaat met koele winters en milde zomers waarin de temperatuur vooral bepaald wordt door de ligging ten opzichte van de zee en de nabijheid van de warme Noord-Atlantische Golfstroom. De verschillen in temperatuur zijn aan zee dan ook kleiner dan landinwaarts.

De gemiddelde jaartemperatuur neemt van het noorden naar het zuiden toe en de afstand tot de zee bepaalt ook in sterke mate de windsnelheid, die in het zuiden iets kleiner is dan in het noorden.

De hoogste temperaturen komen voor in juni en juli in continentaal-tropische lucht met een gemiddeld dagelijks maximum in De Bilt van 28 °C. In de drie wintermaanden vallen de laagste temperaturen wanneer Nederland zich in continentaal-polaire lucht bevindt. Het gemiddeld dagelijks maximum blijft dan net beneden het vriespunt.

De gemiddelde temperatuur aan de kust bedraagt in de zomer ca. 16°C en in de winter 3°C. In het binnenland liggen de gemiddelde temperaturen in de zomer en de winter respectievelijk op 17°C en 2°C. De laagste temperatuur ooit in Nederland gemeten bedroeg –27,8°C en de hoogste temperatuur ooit gemeten bedroeg +38,6°C. Het gemiddelde aantal zomerse dagen van boven de 25°C varieert van minder dan vijf op de Waddeneilanden tot ca. 25 per jaar in het zuiden van het land. De zonnigste maanden zijn mei tot en met augustus en de warmste maanden zijn juni tot en met september.

De neerslag is vrij regelmatig over het jaar verdeeld. In het binnenland valt de meeste regen in de zomer, in de kustgebieden in het najaar. De droogste maand is over het algemeen maart. In de wintermaanden sneeuwt het regelmatig en hagel valt meestal in de zomer. Motregen en mist zijn het meest frequent in najaar en winter. In de herfstmaanden oktober en november komen de meeste stormen voor.

Gemiddeld valt er ongeveer 780 mm neerslag per jaar.

Kijk hier naar de neerslagbeelden in Nederland van de laatste 24 uur.

Planten en Dieren

Planten

Duinlandschap tussen Katwijk en Noordwijk Nederland

Foto:Paul Arps Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

De plantengroei is als gevolg van de variatie in en binnen de landschappen zeer gevarieerd. Een aantal landschappen zijn zelfs uniek voor Europa of in ieder geval zeer bijzonder. Als voorbeelden kunnen genoemd worden het duinengebied langs de kust en het geheel van kwelders en begroeide strandvlakten. De grote laagveenmoerassen bij Nieuwkoop, in de Vechtstreek, Noordwest-Overijssel en Friesland komen in West- en Zuid-Europa verder nergens voor. Ook de door inpoldering ontstane Oostvaardersplassen in Flevoland zijn uniek.

In het oosten en het zuiden liggen stuwwallen, heidevelden, hoogvenen, vennen en loofbossen, rivierdalen, beken en bronnen, elk met hun eigen karakteristieke plantengroei. In Zuid-Limburg ligt een plateaulandschap met in de dalen een gevarieerde, ten dele aan de daar voorkomende kalk gebonden plantengroei, die sterk afwijkt van de rest van Nederland.

De verscheidenheid wordt nog versterkt door regionale klimaatverschillen en bovendien heeft de mens duizenden jaren lang landschap en plantengroei beïnvloed, voornamelijk door het bedrijven van een kleinschalige en gevarieerde landbouw. Als de menselijke invloed zou wegvallen zou het land, voor zover niet onder de zeespiegel verdwijnend, voor het overgrote deel begroeid raken met een klein aantal bosvegetatietypen, die nu, ten dele als resten van een oorspronkelijke begroeiing, nog aanwezig zijn.

De mens heeft het oorspronkelijk bosrijke land in de loop der eeuwen geleidelijk vervangen door stabiele half-natuurlijke landschappen zoals heidevelden, blauwgraslanden en andere schraallanden, rietlanden en krijthellinggraslanden, waardoor de verscheidenheid aan de plantengroei vergroot is. De oerbossen werden in de loop van de geschiedenis gekapt of afgebrand voor akkers, dorpen, wegen en steden. In 1876 verdween het laatste oerbos met de kap van het Beekbergerwoud bij Apeldoorn.

Kroondomein het Loo

Foto:Agnes Monkelbaan Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes

Rond 1870 was nog maar 3% van de landoppervlakte van Nederland bos. Op dit moment is dat weer gestegen tot meer dan 9% door voornamelijk nieuwe aanplant met vaak uitheemse soorten. Veel terreinbeheerders laten het bos nu natuurlijk verjongen en planten steeds meer inheemse soorten aan. Een voorbeeld hiervan zijn de Koninklijke bossen het Loo bij Apeldoorn, die nu op een natuurlijke manier beheerd worden. Andere voorbeelden van enigszins natuurlijk bos in Zuid-Limburg zijn het Savelsbos en Petit Gravier.

Tot in de 20ste eeuw namen deze landschappen een veel groter oppervlak in beslag dan het cultuurland als bijvoorbeeld akkers en weiden. In de 20e eeuw verschraalde de plantengroei door de toenemende woningbouw, de industrialisering en de schaalvergroting op velerlei gebied wat leidde tot onder meer milieuverontreiniging, wegenbouw en gebruik van herbiciden en pesticiden.

Hierna volgt een korte beschrijving van de flora in diverse landschappen en gebieden:

De kustduinflora van het kalkarme Waddendistrict wordt gekenmerkt door onder andere zeewinde, zeehaver en zeedistel. De flora van de binnenduinen bestaat onder andere uit duindoorn, duinroos en knopbies. Verder vinden we in dit gebied typische duinheidevegetatie als struikheide, dopheide, stekelbrem, berendruif, rijsbes, kraaiheide en verfbrem.

In het binnenduin van het duindistrict komen soorten voor die aan kalk gebonden zijn zoals wilde liguster, zuurbes, wegedoorn, kardinaalsmuts. Ook vinden we hier zoomvegetatie als nachtsilene, driedistel en ruig viooltje. Vele andere soorten wijzen erop dat het klimaat hier ook warmer is dan in het Waddendistrict.

De gebieden langs de grote rivieren in Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden worden o.a. gekenmerkt door vele Midden-Europese soorten als weidesalie, cypreswolfsmelk, akkerklokje, marjolein, kleine ruit, Engelse alant, genadekruid, polei, grote engelwortel. Deze planten hebben behoefte aan kalkrijk droog zand, kalkrijke klei of komen voor op vaak overstromende oevers van rivieren.

Het Hafdistrict in Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen wordt gekenmerkt door veel plassen en moerassen en in cultuur gebracht polderland. Enkele typische soorten voor dit gebied zijn: moeraswolfsmelk, moeraslathyrus, groot nimfkruid en veenreukgras. Een aantal kenmerkende soorten van voedselrijke moerassen zijn watergentiaan, gewoon blaasjeskruid, slangenwortel en fonteinkruidsoorten.

In het Drents district zijn heiden en de bijna verdwenen hoogvenen het meest kenmerkend. Hierin en in de bossen en moerassen komen o.a. voor: dopheide, brem en hulst, maar ook van oorsprong noordelijke soorten als kraaiheide, zevenster, Linnaeusklokje, Zweedse kornoelje en Noordse zegge.

In het Gelders district is de noordelijke invloed veel minder en de invloed van stromend water daarentegen is weer groter. Deze regio is voor de kleine wolfsklauw zeer belangrijk, maar voor bijvoorbeeld kleine schorseneer en heidezegge veel minder belangrijk.

Kempense heide

Foto:KB72 Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Het Kempens district ligt in Noord-Brabant en een deel van Limburg. De noordelijke soorten komen hier bijna niet meer voor. De heidevelden zijn opvallend arm, de bossen en beekdalen daarentegen rijk aan soorten. Kenmerkend zijn o.a. knolsteenbreek, kruipende waterweegbree en een aantal bijna verdwenen soorten, bijvoorbeeld kranskarwij.

Vele loofbossen met een Midden-Europese flora komen onder andere voor in een deel van Oost-Twente, de Achterhoek, het Rijk van Nijmegen en Oost-Limburg. Hier groeien onder andere taxus, zoete kers, zwarte rapunzel, gele dovenetel, heelkruid, en goudveilsoorten.

De flora in het krijtdistrict in het uiterste zuiden van Nederland wijkt sterk af van de rest van het land door een meer continentale en een plaatselijk kalkrijke bodem. Bijzondere planten zijn hier o.a. maretak, peperboompje, christoffelkruid, lievevrouwebedstro, witte veldbies, franjegentiaan en 13 soorten orchideeën.

Begin oktober 2010 is in een bos bij Schoorl (Noord-Holland) een sinds 1971 in Nederland uitgestorven paddenstoel ontdekt. Het gaat om een denne-eekhoorntjesbrood. Mycologen waren al jaren tevergeefs op zoek naar de paddenstoel op stuifzanden in het binnenland, waar de schimmel voor het laatst was gezien. Onderzoek van het Nationaal Herbarium wees uit dat het om de Boletus pinophilus ging.

Dieren

De dierenwereld in Nederland is door een groot aantal factoren betrekkelijk arm te noemen. Echte natuurlijke landschappen komen nog maar op zeer kleine schaal voor door o.a. de sterke verstedelijking. Door deze urbanisatie werden bijvoorbeeld berg- en rotsbewoners als zwarte roodstaart en gierzwaluw stadsbewoners. Door grootscheepse inpolderingen, met name die van de Zuiderzee en de Deltawerken nam het zoetwateroppervlak sterk toe, maar werd de fauna in bijvoorbeeld de Waddenzee weer negatief beïnvloed.

Grutto, nationale vogel van Nederland

Foto:Hans Hillewaert CCAttribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Ook de monocultures van akker-, weide- en bosbouw hadden grote invloed op de fauna. Bepaalde diersoorten, vaak schadelijke, werden erdoor aangetrokken en andere soorten verdwenen. De laatste decennia heeft de milieuverontreiniging sterk bijgedragen tot verarming van de fauna, niet in de laatste plaats die van het zoete water. Ook de nationale vogel van Nederland, de grutto, een weidevogel, heeft het moeilijk. Sinds de jaren zestig van de 20e eeuw is de populatie grutto's met ca. 70% afgenomen; in 2020 waren er nog ca. 30.000 koppels over.

Een opmerkelijk verschijnsel is dat naast het verdwijnen van een aantal diersoorten ook het opkomen van andere te constateren valt. Zo broedt de Turkse tortel pas sinds 1950 in Nederland en komt nu in heel Nederland voor. Vogels als merel, grote lijster, Europese kanarie en zwarte specht konden hun leefgebied ook behoorlijk uitbreiden. Andere diersoorten konden nog net behouden worden of zijn opnieuw uitgezet, o.a. grauwe gans, kwak, havik, raaf, edelhert, ree, en wild zwijn. Roofdieren als dassen en marters kunnen zich nauwelijks handhaven door steeds kleinere jachtgebieden met steeds minder prooidieren.

Soorten die in Nederland uitgestorven zijn door de toenemende bevolking en de voortschrijdende ontbossing zijn o.a. oeros, bruine beer, wolf, wilde kat en bever, die echter in 1988 weer met succes heringevoerd werd in de Biesbosch.

Al of niet opzettelijk ingevoerde dieren komen nu algemeen voor. Voorbeelden hiervan zijn o.a. konijn, muskusrat, fazant, snoekbaars en Chinese wolhandkrab. Op een wat beperkter gebied handhaven zich moeflon, damhert en beverrat.

Waddenzee - Zeehonden op een Zandbank

Foto:Txllxt TxllxT Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Ook de ondiepe kustwateren van de Noordzee en de Waddenzee kennen een geringe soortenrijkdom, waarbij echter wel grote aantallen van één soort kunnen voorkomen. De Waddenzee is van groot belang als broedplaats van talloze in de zee levende organismen waarvan de zeehond en de bruinvis de grootste zijn.

In Zuid-Limburg komen via de Ardennen Midden-Europese talrijke diersoorten voor die elders in Nederland niet voorkomen. De meeste soorten zijn echter zeldzaam en worden met uitsterven bedreigd, o.a. eikelmuis, muurhagedis, vuurpad, vroedmeesterpad, beekforel en wijngaardslak. Zuid-Limburg is ook van groot belang door de vele grotten waar vleermuizen in groten getale overwinteren. In 2003 werd bekend dat het aantal vleermuizen weer toeneemt. Zeven soorten, baardvleermuis, franjestaart, grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, meervleermuis, vale vleermuis en watervleermuis, waren sinds 1990 in aantal ruim verdubbeld. In 2020 werd tijdens een vleermuizentelling de dwergvleermuis veruit het meeste gezien, daarna volgden laatvlieger, rosse vleermuis, grootoorvleermuis, watervleermuis en meervleermuis. In Zuid-Limburg komt ook de zeldzame veldhamster of Europese hamster voor, die in Zuid-Limburg"korenwolf" wordt genoemd.

Nederland is in 2010 24 nieuwe diersoorten rijker geworden, 23 soorten insecten en een kwal. Nieuwe soorten zijn onder andere de luzernebehangersbij en de schubhaarkegelbij. Verder zijn er 17 nieuwe soorten bronswespen aangetroffen, waaronder de kogelgoudwesp, die parasiteert op andere wespen en bijen. In de Oosterschelde werd de steelkwal gesignaleerd.

Atalanta vlinder

Foto:Kars Veling Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Een vlindertelling in 2015 bracht naar voren dat de atalanta de meest getelde vlinder was. Op de tweede plaats stond de dagpauwoog, gevolgd door het klein koolwitje, het groot koolwitje en de citroenvlinder. Buiten de top-5 vielen onder andere de kleine vos, de grote weerschijnvlinder en het bont zandoogje.

Geschiedenis

Paleolithicum (ca. 250.000 - 8300 v.Chr.)

Devoon fossiel koraal uit de Belvédère groeve in Maastricht

Foto:Kleon 3 Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit een warme fase in het klimaat ca. 250.000 jaar geleden. Een aantal elkaar in tijd opvolgende woonplaatsen van de Homo erectus werd aangetroffen onder löss- en rivierafzettingen en in de Belvédère-groeve bij Maastricht. Uit de sporen blijkt dat de oudst bekende bewoners van Nederland o.a. jacht maakten op olifanten, neushoorns en herten.

Bij Rhenen leverden zandgroeven vondsten op van ca. 200.000 tot 150.000 jaar oud. Van ca. 12.500 jaar geleden dateren nederzettingen langs de Maas, terwijl op de dekzanden ten noorden van de grote rivieren jagers-verzamelaars jacht op rendieren maakten. Naast de jacht waren in deze periode visvangst en het verzamelen van wat vruchten en knollen belangrijk.

Mesolithicum (ca. 8300-5300 v.Chr.)

Kano van Pesse Drentts Museum

Foto:Drents Museum Creative Commons Attribution 3.0 Unported no changes made

Gedurende het mesolithicum steeg de temperatuur relatief snel waardoor de zee- en grondwaterspiegel steeg. Hierdoor werd de planten- en dierenwereld veel gevarieerder, wat zijn weerslag had op de mens. Er ontstonden veel meer voedselbronnen naast de jacht op groot wild: vis- en vogelvangst en het verzamelen van noten, vruchten en schaaldieren. Men trok minder rond, de bevolking groeide en bleef langer op één plaats wonen in primitieve nederzettingen.

Rond 6500 v.Chr. wordt op grond van het materiaalgebruik en het voorkomen van bepaalde soorten vuursteenspitsen Nederland globaal in twee cultuurgebieden onderscheiden. Noord-Nederland vormde toen samen met de Noord-Duitse laagvlakte de Nordwest Kreis en Zuid-Nederland maakt met de Belgische Kempen en het Duitse Rijnland deel uit van de Rhine Basin Kreis. Het Drents museum bezit het waarschijnlijk oudste bewaard gebleven vaartuig ter wereld: de kano van Pesse.

Neolithicum (ca. 5300-2100 v.Chr.)

Hunebed van Borger

Foto:Publiek domein

Omstreeks 5300 v.Chr. worden in Nederland voor het eerst de veranderingen van de neolithische revolutie merkbaar door de bandkeramiek, typisch versierd aardewerk en het vroegste voorbeeld van keramiek in Nederland. De bandkeramiekers vestigden zich bij voorkeur op de licht te bewerken löss en een aantal nederzettingsterreinen is dan ook opgegraven in Zuid-Limburg. Boven de grote rivieren bleef de mesolithische cultuur gangbaar.

Omstreeks 4400 v.Chr. werd de neolithische leefwijze in Noord-Nederland geïntroduceerd door mensen van de Deense en Noord-Duitse Swifterbantcultuur. Van deze jagende en vissende boeren zijn veel sporen teruggevonden in de IJsselmeerpolders en in Overijssel en verder in het Maas- en Rijnmondgebied en in Drenthe en Gelderland.

Omstreeks 3500 v.Chr. zijn er weer twee van elkaar gescheiden cultuurgebieden te onderscheiden. De trechterbekercultuur (ca. 3400-2850 v.Chr.) is bekend geworden dankzij de hunebedden in met name de provincie Drenthe en tegelijkertijd woonden bij de grote rivieren verspreide populaties van de Vlaardingencultuur (ca. 3500-2500 v.Chr.).

In Zuid-Limburg werd al ten tijde van de Michelsbergcultuur aan vuursteenmijnbouw gedaan en aanvankelijk speelde de winning zich af in dagbouw en later ook in schachten.

Tijdens het laat-neolithicum begroef men zijn doden steeds vaker onder grafheuvels. Het laat-neolithicum in Nederland begint met de opkomst van de zogenaamde strijdhamer- of strijdbijlculturen (ca. 2900 v.C.) en de vroegste Nederlandse vertegenwoordiger hiervan is de standvoetbekercultuur (ca. 2900-2450 v.Chr.), waaruit zich ca. 2500 v.Chr. de klokbekercultuur (ca. 2700-2100 v.Chr.) ontwikkelde, die in vrijwel geheel Nederland gevonden wordt. In 1991 werden op Schokland (resten van) skeletten van twintig mensen uit ca. 2600 v.Chr. gevonden. Ze waren begraven in hurkhouding, de mannen met het hoofd naar het westen en de vrouwen met het hoofd naar het oosten.

Bronstijd (ca. 2100-800 v.Chr.)

Wikkeldraadbeker

Foto:Publiek domein

De overgang van neolithicum naar bronstijd is geleidelijk verlopen. Het wikkeldraad-aardewerk uit het allereerste begin van de bronstijd (ca. 2100-1800 v.C.) sluit qua versiering en techniek aan op het late klokbeker-aardewerk. De dodenbezorging gebeurde nog steeds onder grafheuvels, nu echter meestal zonder bijgaven, de voorwerpen die aan de dode werden meegegeven. Stenen werktuigen bleven nog lang in gebruik.

Koperen voorwerpen werden al tijdens het laat-neolithicum gebruikt en in de vroege bronstijd werd het brons als grondstof steeds vaker gebruikt voor gereedschap en later ook voor sieraden. Gedurende de gehele bronstijd zijn er in Nederland regionale bronsindustrieën geweest. Voor de grondstoffen was men afhankelijk van aanvoer van elders, en dat gebeurde bijvoorbeeld via ruilhandel.

In de midden-bronstijd (ca. 1800-1200 v.C.) bestond in Midden- en Zuid-Nederland de Hilversumcultuur en in Noord-Nederland de Elpcultuur. Sommige archeologen onderscheiden in West-Friesland in deze tijd nog een derde culturele eenheid (Hoogkarspel) die doorloopt tot ca. 800 v.Chr.

De late bronstijd (ca. 1200-800 v.Chr.) wordt gedomineerd door de over vrijwel geheel Nederland voorkomende urnenvelden. De urnenveldenperiode (ca. 1200-500 v.Chr.) loopt door tot in de midden-ijzertijd en deze urnenvelden ontstonden vermoedelijk in de 13de eeuw v.Chr. in Centraal-Europa en drongen via o.a. een veranderend religieus besef in Nederland door.

IJzertijd (ca. 800-550 v.Chr.)

Gereconstrueerde boerderij uit de ijzertijd op het Reijntjesveld

Foto:Gouwenaar in het publieke domein

Opvallend overblijfselen uit de vroege ijzertijd (ca. 800-550 v.Chr.) zijn de zogenaamde vorstengraven in het zuiden van Nederland. Deze vorstengraven bevatten prestigieuze bijgaven, zoals uit Italië geïmporteerde bronzen emmers, rijk versierde zwaarden, en in Wijchen zelfs onderdelen van een vierwielige pronkwagen.

Door het scherpe contrast met de zeer sobere begravingen uit de urnenvelden denkt men dat het kan gaan om de bijzettingen van een regionale elite die begraven werd volgens de Keltische stijl.

De Europees getinte bronshandel verdween al snel en werd vervangen door een plaatselijke ijzerproductie en daardoor werden ook de contacten van Zuid-Nederland met het Centraal-Europese cultuurgebied verbroken.

In Noord-Nederland dreigde overbevolking en werden de bewoners van de Hondsrug in Drenthe tot kolonisatie van de kuststreek gedwongen. Daar kwamen de bewoners van West-Friesland waarschijnlijk bij, die als gevolg van de uitbreiding van het hoogveen hun drassige woongebied moesten verlaten. Men vestigde zich op de drooggevallen kwelders voor de kust van Friesland en Groningen, waar de vruchtbare grond geschikt bleek voor de verbouw van gewassen. Toen het water weer begon te stijgen, trok men zich niet meer terug op de hogere gronden. In plaats daarvan werd met behulp van mest en klei de woonplaats verhoogd waardoor de eerste terpen ontstonden.

De terpboeren schakelden ook steeds meer over op de veeteelt. Zo ontstond na enige tijd in dit geïsoleerde terpengebied een nieuwe cultuur, verbonden met de naam Friezen. Op de hogere zandgronden, met name in Drenthe, werden in de ijzertijd op grote schaal"celtic fields" aangelegd, akkers die omgeven werden door lage walletjes.

In de late ijzertijd (ca. 250-12 v.Chr.) nam de bevolking van Nederland sterk toe en kwam het zuiden weer in de buurt van het Centraal-Europese cultuurgebied te liggen. Dat uitte zich in toenemende aantallen waardevolle geïmporteerde voorwerpen. In de Betuwe, het woongebied van de Bataven, gebruikte men waarschijnlijk zelfs een eigen muntslag. In het oostelijke rivierengebied werden glazen armbanden en sieraden geproduceerd.

In 57 v.Chr. drongen de legioenen van Gaius Julius Caesar door tot in Zuid-Nederland. De Romeinen stuitten echter op sterke tegenstand en zij trokken zich dan ook terug. In 12 v.Chr. kwamen de Romeinse legers, nu definitief, terug. Door hun komst kwamen de eerste geschreven geschiedkundige bronnen die handelden over deze gebieden, tot stand.

Middeleeuwen

Munt met afbeelding van karel de Grote

Foto:Publiek domein

Toen de Romeinen (57 v.C.) voor het eerst arriveerden werd het latere Nederlandse grondgebied bewoond door Kelten en Germanen. De invloed van de Romeinen op deze volken was niet zo groot doordat de afstand tot Rome te groot en het verzet van de inheemse volken te sterk was. Door interne strijd in het Romeinse Rijk had het veroveren van deze uithoek van het rijk bovendien geen prioriteit. In de 5e tot en met de 7e eeuw werd het Nederlandse grondgebied verdeeld door drie bevolkingsgroepen: in het noorden tot de IJssel en langs de westkust tot in het huidige Zeeland overheersten de Friezen; in het oosten, tussen de rivieren de Eems en de Rijn, de Saksen en in het zuiden de Franken die door het geslacht der Merovingers tot één rijk verenigd waren. In de 7e eeuw kwam het noordelijke deel van het Nederlandse grondgebied te vallen onder de zogenaamde"hofmeiers", opzichters over de hofhouding van de Merovingers. Het zuiden was ondertussen gekerstend na de bekering van Clovis I.

Het Karolingische Rijk, dat duurde van 751 tot 925, breidde zich uit naar het noorden en het zuiden. Karel de Grote vestigde zijn gezag over de Friezen in 785 en over de Saksen in 804. Karel de Grote stierf in 814 en onder zijn zoon Lodewijk de Vrome en diens opvolgers verzwakte de macht van de Karolingers zienderogen. De Noormannen maakten van deze desintegratie gebruik en vielen het rijk binnen.

Na het Verdrag van Verdun in 843 viel het rijk in drie delen uiteen: het Westfrankische, het Oostfrankische Rijk en het Middenfrankische Rijk waar het grootste deel van Nederland bijkwam. In 855 werd het Middenfrankische Rijk weer in drieën verdeeld. De Nederlanden behoorden toen tot het noordelijke deel en werden in 925 bij het Oostfrankische of Duitse Rijk gevoegd, waar het formeel tot 1648 (Vrede van Münster) deel zou gaan uitmaken. De Duitse keizer bleef in naam leenheer van de Nederlandse gebieden, maar had in feite niet meer dan een ceremoniële functie.

In de Middeleeuwen, tussen de tweede helft van de 9de en het eind van de 14de eeuw, zag een groot aantal grondbezitters kans zijn territorium uit te breiden en meer of minder machtige"leenstaten" te vestigen. De graven van Holland en Zeeland en de hertogen van Gelre en van Brabant werden de machtigste feodale vorsten. Het gebied dat nu ongeveer België, Nederland en Luxemburg omvat, de Lage Landen, bestond uit vrijwel autonome gebieden.

De belangrijkste bestuurlijke eenheden waren toen:

Het graafschap Vlaanderen, later uitgebreid met Rijksvlaanderen.

Het hertogdom Brabant, met als centrum Leuven.

Het bisdom Utrecht.

Het graafschap Holland, dat later Zeeland veroverde.

Gelre of Gelderland dat pas in de 12e eeuw een eenheid werd.

De graafschappen Namen, Luxemburg en Henegouwen dat vanaf 1300 verenigd werd met Holland, Zeeland en Friesland.

Friesland had geen landsheer en was niet meer dan een federatie van boerenrepubliekjes.

Nederlands Limburg lag in die periode ten oosten van de Maas en Belgisch Limburg lag in het graafschap Loon, dat in 1366 door het prinsdom Luik werd ingelijfd. Luik was tot de Franse Revolutie een afzonderlijke staat.

Bourgondische periode

Karel V

Foto:Publiek domein

In 1369 trouwde Filips de Stoute, de zoon van de Franse koning en hertog van Bourgondië, met Margaretha van Male, de erfdochter van de Vlaamse graaf. In 1384 werd Filips graaf van Vlaanderen en Artois. De kleinzoon van Filips de Stoute, Filips de Goede, startte met de dynastieke eenmaking van de Nederlanden. Zo kocht hij Namen en erfde in 1430 Brabant en Limburg.

In 1433 lukte het hem om Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, te onttronen. De Bourgondische veroverings- en huwelijkspolitiek resulteerde ca. 1470 in de vorming van een machtig middenrijk, dat zich uitstrekte van Bourgondië tot Groningen. Filips stelde ook een adviesorgaan in, de Staten-Generaal, die in 1464 voor het eerst in Brugge bijeen kwamen.

De zoon van Filips, Karel de Stoute, stierf in 1477 maar had geen mannelijke opvolger. Lodewijk XI van Frankrijk profiteerde hiervan door enkele gebieden in te nemen.

De dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië, trouwde eveneens in 1477 met Maximiliaan I, de aartshertog van Oostenrijk en later Duits keizer. De Nederlanden werden hierdoor opgenomen in het bestel van het Habsburgse vorstenhuis en zo werd voorkomen dat de Fransen nog meer gebieden konden innemen. Maximiliaan werd opgevolgd door zijn zoon Filips de Schone, die weer trouwde met de Spaanse prinses Joanna van Aragon. Uit dit huwelijk werd in 1500 Karel V geboren die later koning van Spanje, Napels en Sicilië werd. Verder erfde hij de Oostenrijkse bezittingen van de Habsburgers en werd tenslotte keizer van het Heilige Roomse Rijk. Karel V maakte zich ook druk over de eenmaking van Nederland en verwierf in de periode 1523-1543 achtereenvolgens Friesland, Utrecht en Overijssel, Groningen en Drenthe en Gelderland. Op het Prinsdom Luik na was het gehele huidige grondgebied van België, Nederland en Luxemburg in handen van Karel V en dit gebied werd vaak aangeduid met de naam Zeventien Provinciën.

In 1555 deed Karel troonsafstand en werd zijn broer Ferdinand keizer van het Heilige Roomse Rijk. Zijn zoon Filips II werd vorst in de Nederlanden en tevens koning van Spanje.

De opstand tegen Spanje

Stnnbeeld Wilem van Oranje

Foto:F Eveleens Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Ondertussen was het protestantisme vanuit Duitsland (Maarten Luther) en Frankrijk (Calvijn) in de Lage Landen doorgedrongen en was door de katholiek Karel V de koninklijke inquisitie ingevoerd, die onder zijn regeerperiode al meer dan 2000 protestanten veroordeelde en liet executeren. Filips II keerde zich nog feller tegen het protestantisme dat hij ook als een bedreiging voor de staatkundige eenheid van zijn rijk beschouwde. Het verzet bij de adel en het gewone volk tegen de inquisitie en een fenomeen als de"plakkaten", die uitgevaardigd werden tegen het protestantisme, nam steeds grotere vormen aan. In 1566 boden ca. 400 edelen aan de landvoogdes, Margaretha van Parma, een smeekschrift aan waarin o.a. gevraagd werd de inquisitie te stoppen. Het gewone volk uitte zich door in drie weken tijd op grote schaal beelden, andere objecten van religieuze kunst en liturgische gebruiksvoorwerpen te vernielen in kerken en kloosters. Deze oproer werd de"Beeldenstorm" genoemd.

Filips besloot om het oproer streng te bestraffen en schakelde hiervoor de hertog van Alva in, die met een leger van 10.000 man naar de Nederlanden trok. Alva richtte de"Raad van Beroerten" op, door het volk de Bloedraad genoemd. Door deze raad werden meer dan duizend personen ter dood veroordeeld, o.a. Egmont, de stadhouder van Vlaanderen, die onthoofd werd.

Willem van Oranje was op dat moment stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en organiseerde vanuit zijn graafschap Nassau in Duitsland het militaire verzet tegen het Spaanse schrikbewind. In 1568 trok hij de Maas over, richting Brussel: de Tachtigjarige Oorlog was begonnen!

Deze poging en een andere in 1572 mislukten echter. Een groepje zogenaamde"watergeuzen" had meer succes en bezette enkele Hollandse en Zeeuwse havens, waarna de bevolking van Holland en Zeeland zich massaal achter de bevrijders schaarde. Ook Willem van Oranje vertrok naar Holland, om van daaruit verder te vechten. Door muitende Spaanse troepen in de Zuidelijke Nederlanden keerde ook het Zuiden zich tegen de rovende en moordende Spanjaarden. In 1576 kwamen vertegenwoordigers van alle officiële gewesten samen in Gent en bereikten een akkoord, de Pacificatie van Gent. Ze dienden een aantal eisen in bij de Spanjaarden waaronder de onmiddellijke terugtrekking van de Spaanse troepen en algemene amnestie. De eensgezindheid was echter van korte duur en in 1578 verenigden de katholieke Waalse gewesten zich in een katholieke liga, de Unie van Atrecht. De zoon van Margaretha van Parma, Farnese, werd erkend als de nieuwe landvoogd. In 1579 werd de Unie van Utrecht opgericht, die bestond uit Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en de voornaamste Vlaamse en Brabantse steden. Deze vooral militaire unie was gericht tegen het door Farnese gebruikt geweld. De twee unies waren verder een voorbode voor de definitieve scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

Tot 1589 veroverde Farnese verschillende steden en gebieden, behalve Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland en een deel van Gelderland. Na de"Val van Antwerpen", de verovering door de Spanjaarden en de sluiting van de Schelde door de Noordelijke Nederlanden was de scheiding van de Nederlanden definitief en de Republiek der Zeven Provinciën (1588) geboren.

In 1590 ging de zoon van Willem van Oranje, prins Maurits, in de tegenaanval en veroverde alle gebieden boven de grote rivieren. In 1598 stond Filips II de Nederlanden af aan zijn dochter Isabella, die later zou trouwen met Albrecht van Oostenrijk. Deze Albrecht werd door geldgebrek gedwongen de strijd te staken en het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) te ondertekenen. De Spaanse koning erkende de Verenigde Provinciën als vrije en soevereine gewesten.

In 1621 werd de oorlog hervat en veroverde de opvolger van Maurits, prins Frederik Hendrik, een aantal steden in Noord-Brabant, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. Uiteindelijk werd in zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden de oorlogsmoeheid zo groot dat in 1648 de vrede werd getekend. Bij deze Vrede van Münster werd de Republiek van de Zeven Provinciën door Spanje erkend en bleven de Zuidelijke Nederlanden Spaans.

Bloeitijd van de Republiek: De Gouden Eeuw

Gezicht op Delft van Johannes Vermeer

Foto:Mauritshuis in hetpublieke domein

Economisch ging het de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw voor de wind. In de slipstream van de economische opgang kwamen ook de kunsten en wetenschappen tot grote bloei. Zo werd in 1575 de Universiteit van Leiden opgericht en schilderden Rembrandt, Jan Steen, Frans Hals en Johannes Vermeer prachtige schilderijen.

Vóór de opstand was Antwerpen de link tussen de producten uit de Spaanse en Portugese koloniën en Noord-Europa. Na de Val van Antwerpen trokken veel kooplieden uit het Zuiden naar de Republiek in het noorden. Met hun kennis en kapitaal werden de producten uit Afrika, Azië en Amerika nu zelf gehaald. De organisatie van de overzeese handel en het beheer daarvan kwam langzamerhand bijna volledig in handen van de Hollanders en hun compagnieën, de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC: 1602) en de Westindische Compagnie (WIC: 1621). Deze compagnieën bezaten uitgebreide bevoegdheden en waren bijvoorbeeld gerechtigd om bondgenootschappen te sluiten en een leger en een vloot te onderhouden. Ook het bestuur, de rechtspraak en de ordehandhaving werden door hen uitgevoerd in de Nederlandse bezittingen overzee.

In die tijd legde de Republiek de basis voor de Nederlandse bezittingen in Zuid-Afrika en de latere koloniën Oost-Indië (nu: Indonesië) en West-Indië (nu: Suriname en de Antillen).

De opvolger van Frederik Hendrik, zijn zoon Willem II, kwam na de vrede in ernstig conflict met de Hollandse regenten over de door hem niet gewenste afdanking van de troepen. Willem II won het conflict maar stierf al in 1650. Doordat zijn opvolger nog maar pas geboren was en de Staten geen nieuwe stadhouder aanstelden, ving het eerste stadhouderloze tijdperk aan dat tot 1672 zou duren. Het mag duidelijk zijn dat in deze periode de macht van de Hollandse regenten zeer groot was. De leidende staatsman in die periode was raadspensionaris Johan de Witt. Voordat hij in 1653 benoemd werd brak de Eerste Engelse Oorlog uit, die door Engeland werd gewonnen in 1654. De Witt versterkte na de nederlaag de vloot en wist de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) te winnen onder leiding van de geniale Michiel de Ruyter.

In die jaren rukte het leger van Lodewijk XIV, de Zonnekoning, op richting de Zuidelijke Nederlanden. Met behulp van de Republiek en haar bondgenoten wist men de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen te voorkomen. In het zogeheten"rampjaar" 1672 werd de Republiek rechtstreeks aangevallen door Lodewijk, samen met de Engelsen en in het oosten door Münster en Keulen. Het oosten en het zuiden van de Republiek werden bezet tot aan de Hollandse Waterlinie. Het volk kwam echter in opstand en de jonge prins van Oranje, Willem III, werd tot stadhouder en bevelhebber van het leger uitgeroepen. Willem III kreeg in die strijd hulp van Spanje, de Duitse keizer en Brandenburg en wist al in 1673 de vijand uit de Republiek te verdrijven. In 1674 werd met Engeland, Münster en Keulen vrede gesloten en in 1678 volgde de Vrede van Nijmegen met Frankrijk.

Willem III werd in Europa de verpersoonlijking van het verzet tegen het Franse expansionisme. Zijn positie werd nog versterkt toen hij in 1688 de Engelse troon besteeg. In datzelfde jaar brak de Negenjarige Oorlog uit, waarin Nederland en Engeland Lodewijk XIV wisten te verslaan. Niet veel later stonden dezelfde kemphanen weer tegenover elkaar in de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) die ging over de erfopvolging in Spanje. In 1702 overleed Willem III en opnieuw werd er geen nieuwe stadhouder aangesteld, het begin van het tweede stadhouderloze tijdperk dat tot 1747 zou duren. De Spaanse Successieoorlog had echter zeer veel geld gekost en de positie van de Republiek als grote mogendheid kwam zwaar onder druk te staan. Het tweede stadhouderloze tijdperk werd gekenmerkt door een gebrek aan leiderschap en de Republiek liep geheel aan de leiband van de Engelsen. Ook economisch streefden Frankrijk en Engeland de Republiek voorbij. In 1741 raakte de Republiek betrokken bij de Oostenrijkse Successieoorlog (1741-1748) en in 1747 drongen Franse troepen het Staatse grondgebied binnen. Het volk riep weer de hulp van de Oranjes in en Willem van Nassau-Dietz, stadhouder van Friesland, Drenthe en Gelderland werd stadhouder van alle gewesten en kapitein- en admiraal-generaal van de Unie.

Onder invloed van de Verlichting waaiden uit Frankrijk ideeën over en kregen democratische denkbeelden steeds meer invloed op het staatsbestel. De opvolgers van Willem III, Willem IV en Willem V, trokken zich echter weinig aan van de wensen van het volk. Er ontstond al snel een anti-Oranjegezinde beweging, de patriotten. In de periode 1785 tot 1787 hadden de patriotten zelfs het bestuur van Holland en Utrecht in handen.

In 1780 raakte de Republiek, als bondgenoot van Frankrijk, weer in oorlog met Engeland, de Vierde Engelse Oorlog. Nederland leed de ene nederlaag na de andere en uiteindelijk eindigde de strijd onbeslist en dit was voor de patriotten olie op het vuur. In 1787 werd prinses Wilhelmina, de zuster van de Pruisische koning en echtgenoot van de stadhouder, door de patriotten aangehouden. Als reactie hierop vielen in september 1787 de Pruisische troepen de Republiek binnen. Het gevolg hiervan was dat de Oranjes overal weer het heft in handen namen en veel patriotten naar Frankrijk vluchtten.

In 1793 werd de Republiek de oorlog verklaard door de Franse Republiek en in januari 1795 werd de Republiek overlopen door Franse troepen.

De Franse tijd (1795-1813)

Lodewijk Napoleon, koning van Holland

Foto:JoJan Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Samen met de Franse troepen kwamen ook de uitgeweken patriotten terug en zij namen overal het bestuur weer in handen. Op 16 mei 1795 werd er al een verdrag ondertekend en werd de Bataafse Republiek, zoals het land zich voortaan noemde, als onafhankelijke staat erkend, maar in feite gewoon een Franse vazalstaat was. In 1806 werd de Bataafse Republiek tot het"Koninkrijk Holland" uitgeroepen met de broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon, als koning. Op 13 juli 1810 volgde de inlijving bij het Franse Keizerrijk. Napoleon leed in 1813 echter grote nederlagen in Rusland en bij Leipzig. Hierdoor behield men in Nederland de hoop op een snelle bevrijding van de Fransen. Onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp bereidde men zich voor op de onafhankelijkheid.

Op 21 november 1813 begonnen de Franse troepen zich terug te trekken en op 30 november kwam de prins van Oranje, de zoon van Willem V, in Scheveningen aan, naar Nederland geroepen door Van Hogendorp. Op 2 december 1813 werd hij als de soevereine vorst koning Willem I ingehuldigd. In maart 1814 kwam de eerste Grondwet tot stand en al eerder was besloten dat de Zuidelijke Nederlanden met de Noordelijke Nederlanden verenigd zouden worden. Dit alles werd geregeld bij het congres van Wenen in 1814.

Na het aftreden van Napoleon op 6 april 1814 vertrokken de laatste Franse troepen uit Nederland. In 1815 keerde Napoleon echter weer terug maar na de verloren slag bij Waterloo keerden de Fransen definitief terug naar Frankrijk. Op 24 augustus kwam de nieuwe Grondwet voor het Verenigd Koninkrijk tot stand en in 1816 kreeg Nederland de meeste koloniën weer terug.

Nederland en België

Legerbewegingen tijdens de tiendaagse veldtocht 2-12 augustus 1831

Foto:Hans Erren Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De nieuwe Grondwet zorgde voor een sterk koninklijk gezag. Het kiesrecht was beperkt tot een kleine groep bevoorrechte burgers en van partijen in moderne zin was nog geen sprake. Alleen voor wetgeving was de koning gebonden aan medewerking van de Staten-Generaal, de Eerste en Tweede Kamer. Door o.a. enkele taalbesluiten probeerde Willem I van de Verenigde Nederlanden ook echt een eenheid te maken. Het Nederlands zou de officiële taal in de Vlaamse provincies moeten worden maar de verfranste burgerij was hier fel op tegen. Men was bovendien toch al niet zo gecharmeerd van het autocratische bewind van Willem I. Ook probeerde de regering de kerken aan haar toezicht te onderwerpen en in 1828 sloten de katholieken en liberalen in het zuiden zich in een unie aaneen tegen de regering.

In 1830 brak in Frankrijk de Juli-revolutie uit die in Zuid-Nederland leidde tot de Belgische Revolutie, waarna België zich afscheidde van Nederland. In 1839 werd deze scheiding definitief. De Personele Unie met Luxemburg bleef nog tot 1890 bestaan en de provincie Limburg bleef tot 1866 als hertogdom lid van de Duitse Bond.

Een herziening van de Grondwet van 1815 was natuurlijk weer noodzakelijk en in 1840 kwam de nieuwe Grondwet tot stand. In 1840 deed Willem I afstand van de troon en werd opgevolgd door zijn oudste zoon, Willem II. Een liberale grondwetsherziening zat er nu nog niet in, maar in 1848 nam de koning, onder de indruk van de revoluties in Frankrijk en Duitsland zelf het initiatief tot een grondwetsherziening. In de geest van de grote liberaal Thorbecke werd o.a. de volledige ministeriële verantwoordelijk ingevoerd, de bevoegdheden van de Staten-Generaal sterk uitgebreid (o.a. recht van amendement en interpellatie) en directe verkiezingen voor de Tweede Kamer ingevoerd.

In 1849 werd Willem II opgevolgd door zijn zoon Willem III. Door een constitutionele crisis die duurde van 1866 tot 1868 kwam Nederland tot een volledige parlementaire regeringsvorm en had de persoonlijke wil van de koning steeds minder invloed op het beleid van de regering. Tot twee keer toe ontbond Willem III de Kamer, nadat deze het ministerieel beleid afgekeurd had. En toen een nieuwe Kamer ook een derde maal afkeurend oordeelde, bleef er maar één mogelijkheid over: ontbinding van de regering. Het principe dat een regering die het vertrouwen van het parlement mist, aftreedt, had daarmee gezegevierd.

In 1890 overleed koning Willem III en werd opgevolgd door zijn dochter Wilhelmina, die tot 1898 onder regentschap stond van haar moeder, koningin Emma. Rond de eeuwwisseling beleefde Nederland op velerlei gebied een bloeiperiode, o.a. in de handel, nijverheid, scheepvaart en landbouw. Ook cultuur en wetenschapbeoefening stonden op een hoog peil met tot 1913 zes Nobelprijswinnaars. Alleen militair bleef Nederland zwak.

Eerste Wereldoorlog en Interbellum

Pieter Jelles Troelstra

Foto: Attribution 2.0 Generic (CC BY 2.0) no changes made

Die militaire zwakheid werd in de Eerste Wereldoorlog nog niet afgestraft omdat het liberale kabinet-Cort van der Linden de neutraliteit van Nederland wist te bewaren. Net voor het eind van de oorlog werd Nederland opgeschrikt door een socialistische revolutiepoging, de"vergissing" van Troelstra. De sterke negatieve reacties van het koningsgezinde deel van de bevolking zorgden ervoor dat de poging mislukte.

In 1922 werd het vrouwenkiesrecht in de grondwet vastgelegd. Verder was het in het interbellum vrij saai in Nederland. In de politiek waren en bleven de confessionelen aan de macht en de samenleving was in duidelijke blokken of"zuilen" opgedeeld. In de krachtsverhoudingen tussen de zuilen kwamen nauwelijks veranderingen voor en extreme groeperingen als de communisten kregen niet echt een voet aan de grond in het parlement. Ook wisten de voormannen van de grote partijen het gezag binnen hun partijen gamakkelijk te handhaven.

Zelfs de grote economische crisis en de revolutionaire ontwikkelingen in Europa in de jaren dertig werden door burgers en arbeiders met een grote mate van passiviteit ondergaan, alleen het Jordaan-oproer was een uitzondering. Zelfs in de laatste jaren vóór de oorlog bleef de Nederlandse bevolking blindelings vertrouwen op de schijnbaar onaantastbare neutraliteit.

Oorlog en bezetting

Arthur Seyss-Inquart

Foto:Anefo in het publieke domein

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen Nederland binnen, vijf dagen later was het land grotendeels bezet en op 14 mei capituleerde het Nederlandse leger. De Nederlandse regering had ondertussen al het land verlaten en leidde van Londen uit het Nederlandse verzet buiten bezet gebied en bereidde de bevrijding van Nederland voor. Ook behield men vanuit Londen het oppertoezicht over de overzeese gebiedsdelen. Het belangrijkste gebied, Nederlands-Indië, ging na de val van Java op 9 maart 1942 verloren aan de Japanners.

Voor Nederland begon intussen een zware tijd. De Duitse bezetters, sinds 28 mei 1940 onder Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, beschouwden het land niet alleen als oorlogsbuit die uitputtend gebruikt moest worden voor de algemene Duitse oorlogvoering (o.a. dwangarbeid in Duitsland), maar ook als een van de gebieden waarin de nazi-ideologie goedschiks of kwaadschiks moest worden ingevoerd en gaan overheersen. Sterke steun aan de kleine NSB (Nationaal-Socialistische Beweging), die zich haastig opwierp als helper van Duitsland, en oprichting van allerlei nieuwe nationaal-socialistische instellingen en organisaties (o.a. de SS Nederland) moesten dit bevorderen. Andere politieke partijen werden al op 5 juli 1941 definitief verboden. Toch lukte het de bezetter niet een grote aanhang voor het nationaal-socialisme te verwerven.

Op maatschappelijk gebied waren de gevolgen veel ernstiger toen de Duitsers ook in Nederland de joden begon te vervolgen en door deportatie en massamoord in concentratiekampen het grootste deel van de joodse bevolking in Nederland wist uit te roeien (104.000 doden op een totaal van 140.000). In de oorlog werden drie grote proteststakingen gehouden (de Februaristaking in Amsterdam tegen het wegvoeren van joden in 1941, de Meistakingen in 1943 en de Spoorwegstaking vanaf september 1944). Een minderheid voerde actief verzet zoals hulp aan de joden en andere slachtoffers van het regime, het organiseren van de zogenaamde onderduik, ondergrondse pers, spionage en sabotage en voorbereiding voor militaire hulp bij de bevrijding.

In politiek opzicht was daarbij van belang dat in deze illegale beweging politieke toekomstplannen werden gemaakt, die via de ondergrondse pers onder een groter publiek werden verbreid. Het waren meest radicale plannen, die na de bevrijding in twee etappen - namelijk het gebied ten zuiden van de rivieren in september-november 1944 en overig Nederland in april en mei 1945 – weinig kans van slagen bleken te hebben.

Politieke ontwikkelingen na 1945 en wederopbouw

Willem Drees

Foto:Rijksoverheid.nl in het publieke domein

Willem Schermerhorn van de Nederlandse Volksbeweging en Willem Drees van de SDAP formeerden het eerste naoorlogse kabinet en op 24 juni 1945 ging de regering–Schermerhorn-Drees van start.

Aan dit zogeheten"nationaal kabinet voor herstel en vernieuwing" namen vertegenwoordigers van RKSP, SDAP, CHU, Liberale Staatspartij en de VDB deel. Men stelde zich tot taak het productieproces op gang te brengen, het woningbestand te repareren, de zwarte handel terug te dringen en de lonen en prijzen te beheersen. Als eerste begon men met de geldzuivering van minister van Financiën Lieftinck. Ook werd het in Londen al ontworpen systeem van Bijzondere Rechtspleging en zuivering vanwege de noodzakelijke politieke zuivering aangepast.

De vooroorlogse verzuiling op partijpolitiek gebied bleef grotendeels bestaan en echte politieke vernieuwing bleef vooralsnog uit. De ARP, CHU, SGP en CPN kwamen direct na de oorlog weer terug, terwijl de RKSP alleen haar naam veranderde in Katholieke Volkspartij (KVP). Belangrijk was nog dat de VDB grotendeels opging in de nieuw opgerichte Partij van de Arbeid (PvdA), in februari 1946 opgericht en voortkomend uit de SDAP.

Op 17 mei 1946 werden de eerste verkiezingen gehouden en de door de PvdA gehoopte"doorbraak" mislukte. De PvdA kreeg zelfs een lager percentage van de stemmen dan de in deze partij samengekomen groeperingen vóór de oorlog hadden behaald. De confessionele partijen handhaafden zich goed en de communisten van de CPN wonnen flink. De KVP wilde samenwerken met de PvdA en in juli kwam het kabinet-Beel tot stand, grotendeels bestaande uit vertegenwoordigers van PvdA en KVP. Belangrijk in deze periode was de totstandkoming van de ouderdomsverzekering van Drees. De binnenlandse politiek werd vrijwel geheel door de kwestie-Indonesië beheerst. Met name de politionele acties zorgden nationaal en internationaal voor veel opschudding.

Onder andere als gevolg van de Indonesische politiek was de PvdA-er Oud met een aantal medestanders in oktober 1947 uit de PvdA getreden en sloot zich aan bij de door Stikker geleide Partij van de Vrijheid, die de naam Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) kreeg. Na de verkiezingen in 1948 werd in juli 1948 het kabinet-Drees geformeerd. Ook nu stond de situatie in Indonesië weer hoog op de politieke agenda. Op 27 december 1949 vind de soevereiniteitsoverdracht van Indië plaats, met uitzondering van Nieuw-Guinea.

In 1949 trad Nederland ook toe tot de Noord Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO). Op 25 juni 1952 vonder er weer verkiezingen plaats waarbij de PvdA de grootste partij werd. Ook nu werd Drees weer leider van een kabinet dat deze keer bestond uit de PvdA, KVP, ARP en CHU. Deze combinatie kwam ook tot stand na de verkiezingen van 13 juni 1956, en ook nu werd Drees weer premier.

Dit kabinet hield het maar iets meer dan twee jaar vol nadat alle socialistische ministers in december 1958 aftraden na een conflict met de kamer. Op 12 maart 1959 vonden daarom vervroegde verkiezingen plaats die door de VVD werden gewonnen terwijl de PvdA, CPN, CHU en ARP veel stemmen verloren. De PvdA en de CPN verloren veel stemmen aan een nieuwe partij, de Pacifistisch-Socialistische-Partij (PSP).

Het kabinet-De Quay, zonder de PvdA, kreeg al snel te maken met de problemen rond Nieuw-Guinea, dat werd opgeëist door Indonesië. Onder Amerikaanse druk sloot de Nederlandse regering in augustus 1962 een akkoord waarbij Nederland het bestuur over westelijk Nieuw-Guinea overgedragen werd aan een speciaal orgaan van de Verenigde Naties. Tevens werd overeengekomen dat de Papoea's zich voor eind 1969 in een volksstemming over hun politieke toekomst zouden kunnen uitspreken.

De jaren zestig

Huwelijk Beatrix en Claus

Foto:Anefo in het publieke domein

De verkiezingen van 15 mei 1963 leverden veel stemmenverlies op voor de PvdA en de VVD, terwijl de PSP haar zetelaantal verdubbelde. Nieuw in de Tweede Kamer waren het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) met 1 zetel en de Boerenpartij met 3 zetels. Opnieuw werd er een VVD-KVP-kabinet geformeerd onder leiding van Marijnen. Moeilijke vraagstukken in deze kabinetsperiode lagen op het gebied van de loonpolitiek, het radio- en televisiebestel en de verwikkelingen rond de geloofsovergang en het huwelijk van prinses Irene met de Spanjaard Juan Carlos van Bourbon.

De meningsverschillen omtrent de toekomst van het radio- en televisiebestel liepen zo hoog op dat het kabinet in februari 1965 zijn ontslag aanbood. Het hierop volgende kabinet-Cals bestond uit KVP, PvdA en ARP. Dit kabinet kreeg te maken met de problemen rond het huwelijk van prinses Beatrix en de Duitser Claus von Amsberg. De huwelijksplechtigheid in Amsterdam werd ontsierd door rookbommen en relletjes. Het beleid van Cals was vooral gericht op uitbreiding van de collectieve voorzieningen. De financiering daarvan leidde bij de KVP, de partij van Cals, tot hevige kritiek. In de"nacht van Schmelzer" (13 op 14 oktober 1966) werd een motie aangenomen voor een betere dekking van de overheidsuitgaven. Onder andere een groot deel van de KVP-fractie stemde voor de motie en daarop diende het kabinet-Cals zijn ontslag in.

Bij de vervroegde verkiezingen van 15 februari 1967 verloren de PvdA en de KVP en behaalde de nieuwkomer D'66 (nu: D66) zeven zetels in de Tweede Kamer.

Door Piet de Jong werd een kabinet samengesteld uit KVP, ARP, CHU en VVD. De problemen van dit kabinet lagen vooral op sociaal-economisch gebied. De invoering van de btw (belasting toegevoegde waarde) op 1 januari 1969 leidde tot grote prijsstijgingen en een prijsstop in april van dat jaar. Ook een nieuwe loonwet leidde tot grote problemen met de Tweede Kamer. Al in februari 1968 verloor de KVP vier kamerleden die een eigen fractie vormden. Met een aantal afgescheidenen uit de ARP werd in april de Politieke Partij Radikalen (PPR) opgericht.

In de PvdA splitste zich in april 1970 een gedeelte van de rechtervleugel uit de partij af, en stichtte de partij Democratisch Socialisten '70 (DS'70). Deze partij werd met 8 zetels de grote winnaar van de verkiezingen van 28 april 1971. De oude coalitie haalde geen meerderheid en samenwerking met een van de partijen van de linkerzijde was uitgesloten omdat PvdA, D'66 en PPR de verkiezingen waren ingegaan met een gezamenlijk program, een"schaduwkabinet" hadden geformeerd en formatie-onderhandelingen na de verkiezingen afwezen. Daarnaast had het PvdA-congres in 1969 een resolutie aangenomen waarin samenwerking met de KVP werd uitgesloten, tenzij deze partij alsnog met het kabinet-De Jong zou breken.

De jaren zeventig

Joop den Uyl

Foto:Rob Bogaerts / Anefo in het publieke domein

Uiteindelijk lukte het de ARP-fractieleider Biesheuvel om een kabinet te formeren uit vertegenwoordigers van KVP, ARP, CHU, VVD en DS'70. Dit kabinet kreeg te maken met de eventuele gratieverlening aan de"Drie van Breda", Duitse oorlogsmisdadigers die in Breda een levenslange straf uitzaten. Uiteindelijk kregen ze na veel commotie in de Tweede Kamer en onder de bevolking geen gratie. Economisch had Nederland sterk te lijden onder een hoge inflatie. Op 17 juli 1972 trad DS'70 uit de regering en werden weer vervroegde verkiezingen uitgeschreven. Grote winnaar van de verkiezingen werd de VVD en ook de PvdA en de PPR boekten winst.

Na een langdurige formatie kwam het kabinet-Den Uyl (PvdA, PPR, D'66, KVP en ARP) tot stand dat als motto de spreiding van macht, kennis en inkomen predikte.

De wereldwijde oliecrisis in 1973 stelde dit kabinet voor grote problemen. Het lukte nog wel om de lonen en prijzen te beheersen waardoor de inflatie teruggedrongen kon worden, maar de werkloosheid nam sterk toe. Een delicaat probleem was de Lockheedaffaire waarbij prins Bernhard, de man van de vroegere koningin Juliana betrokken zou zijn geweest. In deze kabinetsperiode werd de vroegere kolonie Suriname onafhankelijk. Het kabinet diende in februari 1977 zijn ontslag in vanwege interne onenigheid over de grondpolitiek.

In 1976 besloten de drie confessionele partijen KVP, CHU en ARP om in 1977 in federatief verband als Christen-Democratisch Appèl (CDA) aan de verkiezingen van 25 mei 1977 deel te nemen, waarna in 1980 de omvorming tot politieke partij volgde. De verkiezingen werden gewonnen door de PvdA en de VVD, waarna de langste kabinetsformatie uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis volgde: 208 dagen. Het zou uiteindelijk een CDA-VVD kabinet worden onder leiding van de CDAer Dries van Agt. Ook dit kabinet had veel economische tegenwind. Een wereldwijde economische crisis leidde tot meer dan 400.000 werklozen en een oplopend begrotingstekort. Bovenop deze problematiek kan nog gevoegd worden het aftreden van de ministers van Defensie en Financiën.

Voor veel maatschappelijke onrust zorgden de discussies in de kamer en in het land over de invoering van de neutronenbom en de stationering van kruisraketten op Nederlands grondgebied. Op 30 april 1980 werd koningin Beatrix in Amsterdam gekroond, en ook nu vonden er ernstige rellen plaats.

De jaren tachtig

Ruud Lubbers

Foto:Rob Croes/Anefo in het publieke domein

De grote winnaar van de verkiezingen van 1981 was D'66. Het CDA en de VVD verloren de absolute meerderheid, maar door het grote verlies van de PvdA bleef het CDA de grootste partij. De nieuwe regering bestond uit het CDA, PvdA en D'66, met als premier Dries van Agt en vice-premier Joop den Uyl van de PvdA. Door grote problemen op financieel gebied haakte de PvdA binnen een jaar af en werden er vervroegde verkiezingen uitgeschreven.

Grote winnaar werd de VVD onder leiding van Ed Nijpels en er ontstond een meerderheid van CDA en VVD. Dit kabinet stond onder leiding van CDAer Ruud Lubbers die een stringent bezuinigingsbeleid voerde. Het kabinet kwam in de problemen door de parlementaire enquête naar aanleiding van de RSV-affaire en dat kostte de VVD bij de verkiezingen van 1986 veel stemmers. Door de grote winst van het CDA kon de combinatie CDA/VVD nogmaals een regering vormen, zij het dat de VVD door het stemmenverlies minder in te brengen had dan het CDA. Bijzonder was dat de CPN na 68 jaar uit de kamer verdween.

Het lukte dit kabinet om het financieringstekort en de werkloosheid terug te dringen. Aan de andere kant waren er vele affaires die verschillende ministers en staatssecretarissen de kop kostten, met name van de VVD. In 1989 geraakte de VVD in een interne gezagscrisis die door de toenmalige leider Voorhoeve verloren werd, waarna hij het kabinet liet vallen.

Bij de vervroegde verkiezingen in 1989 leed de VVD zware verliezen. Desondanks behield de CDA/VVD coalitie een kleine meerderheid, doch het CDA koos ervoor om met de PvdA in zee te gaan. Voor de derde keer kwam er een kabinet onder leiding van Ruud Lubbers met deze keer als vice-premier Wim Kok, voormalig vakbondsman en opvolger van de illustere Joop den Uyl.

De jaren negentig

Wim Kok

Foto:Rijksoverheid.nl in het publieke domein

In de tweede helft van 1991 was Nederland voorzitter van de Europese Gemeenschap. Nederland slaagde er niet in om een bestand te realiseren in de oorlog in Joegoslavië. Ook het Nederlandse voorstel om tot een Europese Politieke Unie te komen haalde het bij lange na niet. Wel werd op de topconferentie in Maastricht in december 1991 het Verdrag van Maastricht aangenomen, waardoor op 1 november 1993 de Europese Unie ontstond.

Na de verkiezingen in 1994 ontstond het kabinet-Kok met naast de PvdA, de VVD en D66. Dat betekende dat er sinds 1918 geen confessionele partij in de regering zat en er voor het eerst in 42 jaar liberalen de sociaal-democraten regeerden. De speerpunten van dit eerste zogenaamde"paarse" kabinet waren bestuurlijke en politieke vernieuwing, hestel van de werkloosheid en flexibilisering van de arbeidsmarkt. Met name in economisch opzicht was het kabinet-Kok zeer succesvol en binnen een aantal jaren was de werkloosheid zeer fors teruggedrongen. Het stelsel van sociale voorzieningen werd grondig versoberd.

In 1995-1996 deed een volgende parlementaire enquête, naar de opsporingsmethoden bij de politie, weer veel stof opwaaien en binnen de EU groeide, met name van Franse zijde, de kritiek op het in hun ogen lankmoedige drugsbeleid.

Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de krijgsmacht vormden de gebeurtenissen in en rond de Bosnische moslimenclave Srebrenica in de zomer van 1995. Nederlandse VN-soldaten moesten daar machteloos toezien hoe de enclave onder de voet werd gelopen door Bosnische Serviërs, waarna duizenden moslims werden vermoord.

Onder Nederlands voorzitterschap kende het Verdrag van Amsterdam maar één belangrijke overeenkomst: het zogenaamde Stabiliteitspact, waarin de begrotingseisen werden vastgesteld waaraan landen moesten voldoen als ze tot de Europese Monetaire Unie (EMU) wilden toetreden.

De betrekkingen met Suriname bleven slecht o.a. door het in juni 1997 uitvaardigen door het Nederlandse Openbaar Ministerie van een internationaal arrestatiebevel tegen de voormalige legerleider Desi Bouterse wegens zijn vermeende betrokkenheid bij drugssmokkel.

In februari 1997 werd voor het eerst sinds 1989 in Nederland varkenspest geconstateerd. De pest greep snel om zich heen ondanks maatregelen van het ministerie van Landbouw werden er in totaal ruim 400 varkenshouderijen getroffen en miljoenen varkens moesten worden afgemaakt. De varkenspest was voor de minister van Landbouw Van Aartsen aanleiding, ook in het belang van het milieu, rigoureus het mes te zetten in de nog steeds groeiende varkensstapel.

Op 6 mei 1998 vonden parlementsverkiezingen plaats, waarbij de PvdA, VVD en Groen Links de grote winnaars werden en het CDA en D66 de grote verliezers.

Er kwam een tweede"paars" kabinet-Kok tot stand met ongeveer hetzelfde beleid omdat het zogenaamde poldermodel ook internationaal steeds meer erkenning kreeg. Ook de parlementaire enquête naar de behandeling van de Bijlmerramp, het neerstorten van een Israëlische Boeiing op twee flats in de Bijlmermeer in 1992, baarde veel opzien.

Van diverse kanten werd er herhaaldelijk op aangedrongen ook een parlementaire enquête uit te voeren over de gang van zaken rond de val van de Bosnische enclave Srebrenica. Tot nu toe wordt er alleen een onderzoek gedaan door het Nationaal Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Na de presentatie van het rapport in 2002 werd alsnog besloten om in de tweede helft van 2002 een parlementaire enquête te houden.

In mei 1999 leek het kabinet te vallen n.a.v. het wetsvoorstel over een correctief wetgevingsreferendum, een wens van D66 en inhoudend dat burgers een wetsvoorstel zouden moeten kunnen tegenhouden nadat het is aanvaard door de Tweede en Eerste Kamer. In februari 1999 stemde de Tweede Kamer in met een wijziging van de grondwet om een dergelijk referendum mogelijk te maken. Vervolgens bleek in de Eerste Kamer geen meerderheid voor het wetsvoorstel te vinden en dreigde D66 met een kabinetscrisis als het correctief referendum zou worden afgewezen. De crisis werd echter gelijmd en het demissionaire kabinet kon weer verder regeren.

Economisch ging het Nederland nog steeds voor we wind ondanks economische problemen in Azië, Rusland en Latijns-Amerika. Net als de voorgaande drie jaren zou de economische groei boven de 3% uit gaan komen volgens het Centraal Plan Bureau (CPB). De geregistreerde werkloosheid ging maandelijks met 6000 omlaag en in april 2000 telde Nederland voor het eerst sinds 1980 minder dan 200.000 werklozen. Bovendien werd voor het eerst in 25 jaar de Rijksbegroting in 1999 afgesloten met een overschot van ƒ2 miljard. In april 2000 bleek dit bedrag te zijn opgelopen tot ƒ 6 miljard. De regering verklaarde dat het zou worden besteed aan o.a. onderwijs en zorg, politie en milieu.

In 1999 nam Nederland deel aan de luchtacties van de NAVO boven Servië tijdens de oorlog in Kosovo.

21e eeuw

Jan Peter Balkenende

Foto:Minister-president Rutte Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Op 1 januari 2002 werd de Nederlandse gulden vervangen door de euro, de gezamenlijke munt van een aantal landen van de Europese Unie.

In de jaren negentig van de vorige eeuw kwamen de zogenaamde"Leefbaar"-partijen sterk op, o.a. in Hilversum onder leiding van Jan Nagel, een voormalig PVDA-politicus. Door o.a. Nagel werd de landelijke partij Leefbaar Nederland opgericht die in 2002 mee deed aan de landelijke verkiezingen. Als lijstrekker werd de populaire Pim Fortuyn aangetrokken. Na een geruchtmakend interview in de Volkskrant, waarin Fortuyn afstand nam van de partijlijn, stapte Fortuyn op en richtte zijn eigen partij op, de Lijst Pim Fortuyn. In de peilingen voor de verkiezingen bleek dat de LPF op 20 à 30 zetels kon rekenen. Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn doodgeschoten. Een week later werden de verkiezingen voor het Nederlandse parlement gehouden en behaalde de LPF 26 zetels en werd daarmee de tweede partij van het land.

Er werd een coalitie gevormd tussen CDA, VVD en nieuwkomer LPF, die echter nog geen 100 dagen stand zou houden. Op 16 oktober 2002 werd duidelijk dat het kabinet zou vallen als gevolg van de voortdurende ruzie tusssen twee LPF-ministers en de vele interne problemen in zowel de LPF-Tweede Kamerfractie als in de partij.

Als gevolg hiervan werden er op 22 januari 2003 weer verkiezingen gehouden. Het CDA bleef nipt de grootste partij. De christen-democraten haalden 44 zetels, één meer dan op 15 mei 2002. De PvdA kwam uit op 42 zetels, een winst van 19. Voor de VVD bleef de winst beperkt: de liberalen gingen van 24 naar 28 zetels.

Er werd een kabinet gevormd van CDA, VVD en D66. Dit kabinet kwam in het voorjaar van 2006 ten val en er werden vervroegde verkiezingen uitgeschreven die in november 2006 werden gehouden.

Na de vervroegde parlementsverkiezingen van 22 november 2006 bleef het CDA de grootste fractie in de Tweede Kamer met 41 zetels. De PvdA verloor 9 zetels en kwam uit op 33 zetels. De SP van Jan Marijnissen behaalde een monsterzege van 25 zetels.

De VVD werd de vierde partij van het land met 22 zetels. GroenLinks haalde zeven zetels, de PVV van Geert Wilders negen, D66 drie, de ChristenUnie zes, de SGP twee en de Partij voor de Dieren twee. Lijst Vijf Fortuyn, de vroegere LPF, die in 2003 nog goed was voor acht zetels, verdween uit de Kamer. Ook EénNL van Marco Pastors en de partij van Nawijn haalden geen zetels. Vanaf februari 2007 lijdt Jan Peter Balkenende een coalitie van CDA, PvdA en de ChristenUnie.

De partij van de Vrijheid van Geert Wilders maakt in 2008/2009 een grote opmars in de peilingen. Geert Wilders wordt voor het gerecht gedaagd vanwege het aanzetten tot haat tegen de Moslims. In juni 2009 wordt de partij van de vrijheid van Wilders de tweede partij van Nederland bij de Europese verkiezingen. In februari 2010 valt het kabinet Balkenende over het al dan niet verlengen van de troepenmacht van Nederland in Afghanistan. In juni 2010 zijn er verkiezingen met een onduidelijke uitslag. Na een spannend en emotioneel partijcongres van het CDA (een derde stemt tegen een akkoord om samen te werken met de partij van Geert Wilders)) lijkt in oktober 2010 de weg vrij voor er een rechts minderheidskabinet van CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV. Het kabinet onder leiding van VVD-leider Mark Rutte is beëdigd. De ministers verschenen donderdagmiddag 14 oktober 2010 om kwart over een op het bordes van Paleis Huis ten Bosch in Den Haag.

De Nederlandse Antillen bestaan sinds 10 oktober 2010 niet meer in hun huidige vorm. Sinds die datum zijn Curacao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het koninkrijk. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn nu bijzondere gemeenten van Nederland. In april 2012 valt het kabinet omdat Wilders de gedoogsteun intrekt. Bij de verkiezingen van september 2012 wordt de VVD de grootste partij, op de voet gevolgd door de PvdA. In november treedt een kabinet van VVD en PvdA snit aan. Deze combinatie wordt gesteund door een meerderheid in de tweede kamer, maar heeft geen meerderheid in de eerste kamer.

Willem-Alexander, Maxima en Beatrix

Foto:Floris Looijesteijn Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

In April 2013 wordt Willem-Alexander koning van Nederland. In 2013 moet de regering diverse deals met de oppositie sluiten om hervormingen politiek haalbaar te maken. Met name D66, CU en SGP krijgen de status van geliefde oppositiepartijen. De SP en de PVV blijven fel tegen het kabinetsbeleid ageren. Eind 2013 en begin 2014 lijken de economische vooruitzichten iets te verbeteren en klimt Nederland langzaam uit de recessie. In mei 2014 wordt Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn op voorwaarden vrijgelaten nadat hij twee derde van zijn straf heeft uitgezeten. In juli 2014 wordt Nederland in rouw ondergedompeld na het neerschieten van vlucht MH 17 boven Oost-Oekraïne, aan boord waren 298 slachtoffers onder wie 194 Nederlanders. In maart 2015 treden minister Ivo Opstelten en staatssecretaris Fred Teeven af vanwege misleiding van het parlement (bonnetjesaffaire). In 2015 en 2016 is er veel rumoer rond de migrantencrisis en de vestiging van asielzoekerscentra. In maart 2017 ontstaat aan de vooravond van de verkiezingen diplomatieke spanning tussen Nederland en Turkije naar aanleding van het weigeren van een Turkse minister die in Nederland campagne wilde voeren voor een referendum dat president Erdogan meer macht wil geven. Bij de verkiezingen komt de VVD als grootste partij uit de bus, maar het politieke landschap is erg gefragmenteerd.

Mark Rutte

Foto:EU2017EE Estonian Presidency CCAttribution 2.0 Generic no changes made

Pas in oktober 2017 na een recordformatie wordt Rutte premier van een kabinet van VVD, D'66, CDA en de Christenunie. In 2018 wordt besloten de winning van aardgas in Groningen versneld te gaan stoppen vanwege aanhoudende aardbevingen en veel protesten vanuit de provincie Groningen. Bij gemeenteraadsverkiezingen winnen de lokale partijen terrein ten opzichte van de landelijke partijen. In september 2019 wordt de advocaat Derk Wiersma, die een kroongetuige verdedigde vermoord. Dit veroorzaakt een grote schok en wordt gezien als een aanslag op de rechtsstaat. Het jaar 2020 staat in het teken van de Covid-19 (Corona) pandemie die ook Nederland zwaar treft. De gezondheidszorg staat zwaar onder druk en ook de economie kraakt.

Bevolking

Algemeen

Randstad concentratie inwoners Nederland

Foto:Junuxx Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

In 1830 telde Nederland maar 2,6 miljoen inwoners. In 1996 had Nederland 15.460.000 inwoners en in maart 2001 werd de zestien miljoenste inwoner geboren. In 2017 telde Nederland 17.084.719 inwoners. Nederland is daarmee een van de dichtstbevolkte landen ter wereld (ca. 411 inwoners per km2) en het dichtstbevolkte land van enige grootte in Europa. De grootste toename vond plaats in de na-oorlogse periode van 1945 tot 1990, namelijk 6 miljoen.

Het westen, en dan met name de Randstad met steden als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag, is het dichtstbevolkte gebied met bijna 1000 inwoners per km2. Het dunst bevolkt is het noorden met ca. 190 inwoners per km2. Het zuiden en het oosten hebben ongeveer de gemiddelde bevolkingsdichtheid van Nederland. Ook de voormalige eilanden-provincie Zeeland is dunbevolkt met ca. 200 inwoners per km2.

In vijftien jaar tijd is de bevolking van 15 naar ruim 17 miljoen gegroeid. Het Centraal Bureau voor de Statistiek verwacht dat de bevolking nog zal doorgroeien tot rond de 18 miljoen. Door vergrijzing en een sterfteoverschot zal het bevolkingsaantal in de loop van de eeuw geleidelijk weer afnemen.

Het percentage Nederlanders dat in steden met 100.000 of meer inwoners woont, nam tot 1984 af, sindsdien stijgt het weer. 91% van de Nederlandse bevolking woont in een verstedelijkt gebied. (2017)

De grootste steden van Nederland zijn zijn Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en Utrecht.

De bevolking van Nederland vergrijst in een snel tempo. Zo is het aantal mensen boven de 65 jaar in vijftig jaar tijd enorm opgelopen.

Bevolking naar leeftijd:

2017

00-14 jaar 16,4%

15-24 jaar 12,1%

24-65 jaar 52,8%

65+ 18,7%

De levensverwachting bij geboorte van de mannelijke bevolking bedraagt in 2017 79,3 jaar (1950: 70,4 jaar).

De levensverwachting bij geboorte van de vrouwelijke bevolking bedraagt in 2017 83,7 jaar (1950: 72,7 jaar).

Etnische minderheden

Moskee Amsterdam

Foto:FaceMePLS Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wonen er in 2017 in Nederland ca. 2,25 miljoen niet-westerse allochtonen. Het totaal aantal allochtonen bedraagt ca. 4 miljoen.

Halverwege de 21e eeuw zullen er naar verwachting 5,9 miljoen allochtonen in Nederland wonen. Het aandeel in de totale bevolking groeit daarmee tot iets meer dan 32% op een totale bevolkingsomvang van 18 miljoen personen.

Mediterrane werknemers en hun gezinnen zijn na 1960 naar Nederland gekomen als arbeidsmigranten en werden veelal ingezet in de fabrieken en knapten vaak het zware vuile werk op. Deze categorie omvat in feite tien etnische groepen: Turken, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Joegoslaven, Portugezen, Kaapverdianen (met name in Rotterdam), Grieken, Egyptenaren en Tunesiërs.

Van de niet-westerse allochtonen behoort 40% tot de grootste twee groepen: Turken en Surinamers. De allochtonen van Turkse achtergrond vormen op dit moment met ca. 400.000 de grootste groep niet-westerse allochtonen.

Bij de Marokkanen groeit vooral de tweede generatie sterk door het relatief hoge aantal kinderen dat Marokkaanse vrouwen gemiddeld krijgen. Hoewel het vruchtbaarheidscijfer van 3,3 de komende jaren zal dalen naar 2,6 kinderen per vrouw, is dat nog altijd veel meer dan bij autochtone vrouwen.

De inwoners van Surinaamse afkomst zijn zowel diegenen die vóór de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 naar Nederland kwamen en in het algemeen op grond van de Toescheidingsovereenkomst de Nederlandse nationaliteit hebben, als wel diegenen die na die datum zijn gekomen en in het algemeen Surinaams staatsburger zijn.

Het aantal personen met een Surinaamse achtergrond bedraagt op dit moment ca. 350.000.

De ongeveer 153.000 Arubanen en Antillianen in Nederland zijn ingevolge het Koninkrijksstatuut van 1954 staatsburgers van het Koninkrijk. Vanaf het midden van de jaren tachtig is een derde stroom jonge ongeschoolde Antilliaanse migranten uit de Antillen op gang gekomen.

De eerste twee stromen waren de Antillianen die in Nederland kwamen studeren en arbeiders die na de sluiting van de grote raffinaderijen op Curaçao in Nederland werk zochten. Door hun lage opleiding en geringe kennis van de Nederlandse taal raakten veel Antillianen van de derde stroom werkloos en verzeilden daarna in de criminaliteit.

De in Nederland aanwezige Molukkers zijn van oorsprong ex-KNIL-militairen (Koninklijk Nederlands Indisch Leger), die na de ontmanteling van het koloniale Indische leger in 1951 naar Nederland kwamen met hun gezinnen.

De internationale vluchtelingen is een groep met verschillende nationaliteiten die óf op uitnodiging van de Nederlandse regering hier kwamen óf op eigen initiatief arriveerden en vervolgens na een asielaanvrage de status van vluchteling hebben verkregen.

De snelst groeiende groep allochtonen wordt gevormd door mensen uit Aziatische landen, met name uit Irak, Iran en Afghanistan. Verwacht wordt dat ca. 60% van de asielzoekers uit Aziatische landen zal komen.

In Nederland wonen nog ongeveer 1500 zigeuners die over het algemeen in woonwagens wonen en een trekkend bestaan leiden. Steeds meer zigeuners vestigen zich echter permanent in grote stacaravans of gewone huizen.

Taal

Nederlands taalgebied (inclusief Afrikaans)

Foto:190 Christian Creative Commons Attribution 3.0 Unported no changes made

Het Nederlands is een Indo-Europese, West-Germaanse taal en heeft als zodanig overeenkomsten met andere West-Germaanse talen als het Engels en het Duits. Toch zijn er ook onderling vele verschillen.

Historisch kan men de Nederlandse taal indelen in Oud-Nederlands (tot ca. 1100), Middel-Nederlands (tot ca. 1500), in de middeleeuwen Diets (Vlaamse term) of Duuts (Brabantse term) genoemd, en het Nieuw-Nederlands (vanaf ca. 16e eeuw), aanvankelijk ook wel Neder-Duits genoemd.

Uit de Oud-Nederlandse periode is de in 1932 ontdekte West-Vlaamse zin"Hebban olla uogala nestas bigunnan hinase hic enda thu = hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij". De oudst bekende Middel-Nederlandse tekst is in een Limburgs dialect geschreven door Henric van Veldeke (ca. 1170). Tegen het einde van de 16de eeuw groeide een algemene taal uit het Hollandse dialect, met vooral in de schrijftaal sterke zuidelijke invloeden.

Er ontstond een toenemende belangstelling voor een eigen nationale taal die zou kunnen wedijveren met het Latijn of het Grieks van de klassieken. De eerste Nederlandse spraakkunst, waarvoor het Latijn model stond, verscheen in 1584 onder de titel Twe-spraack van de Neder-Duitse Letterkunst en wordt toegeschreven aan H.L. Spiegel. Vooral de Statenvertaling (1637) van de bijbel heeft de eenheid van taalgebruik bevorderd. Er begon sedert de 17de eeuw een grote afstand te ontstaan tussen het geschreven Nederlands en de gesproken taal. De (betrekkelijke) eenheid in het gesproken Nederlands is veel later pas tot stand gekomen, misschien zelfs pas ver in de 19de eeuw. Sinds het eind van de 19de eeuw wordt steeds meer gestreefd de schrijftaal dichter bij de gesproken taal te brengen.

De nieuwste spelling van de Nederlandse taal is officieel geregeld in de Woordenlijst van de Nederlandse Taal (1995), bijgenaamd het"Groene Boekje". De grammatica van het Nederlands is uitputtend beschreven in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (1997), vaak afgekort tot ANS.

Het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) in Leiden is een Belgisch-Nederlandse instelling die o.a. tot taak heeft de verdere samenstelling van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), inmiddels afgerond in 1998, en de vorming van een geautomatiseerd woordarchief te verzorgen.

Het Meertens-Instituut (voorheen P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde), dat valt onder de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, is gevestigd te Amsterdam. De Nederlandse Taalunie is sinds 1980 een samenwerkingsverband tussen Nederland en België inzake de Nederlandse taal en letteren.

De officiële rijkstaal is het Nederlands en de Nederlandse standaardtaal wordt Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) genoemd. In het Nederlandse taalgebied wonen ongeveer 22 miljoen mensen: ruim 16 miljoen Nederlanders en ongeveer zes miljoen Vlamingen in België. Het Nederlands is daardoor een middelgrote taal en staat ongeveer de dertigste op de wereldranglijst.

Verder zijn er nog veel dialecten waarvan alleen de Friese taal een speciale status heeft. Het Fries is een officiële minderheidstaal van ongeveer 400.000 Friezen en vertoont overeenkomsten met het Engels en de Scandinavische talen. Het is dan ook zeker geen dialect van het Nederlands maar een zelfstandige Westgermaanse taal. Ongeveer de helft van de Friese bevolking spreekt nog Fries.

Op basis van een aantal verschillen worden de Nederlandse dialecten in vijf hoofdgroepen verdeeld:

De zuidwestelijke Westvlaamse en Zeeuwse dialecten.

De zuidelijk centrale Oostvlaamse en Brabantse dialecten.

De noordelijk centrale Hollandse dialecten.

De zuidoostelijke Limburgse dialecten.

De noordoostelijke Saksische dialecten.

Zelfs in Noordwest-Frankrijk spreken enkele tienduizenden mensen een Nederlands dialect. Op de Nederlandse Antillen en Aruba en de voormalige kolonie Suriname is het Nederlands de taal bij de overheid en het onderwijs. Verder heeft het zeventiende-eeuwse Hollands als grondslag gediend voor het Afrikaans, dat in Zuid Afrika gesproken wordt. Het Nederlands wordt op ca. 250 universiteiten in de hele wereld gedoceerd

Door de vele in Nederland wonende immigranten worden veel allochtone talen gesproken waaronder Turks, Arabisch, Sranantongo (Surinamers) en Papiamento (Antillianen).

Godsdienst

Grote Kerk Haarlem

Foto:Rolf Kranz Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Vrijheid van godsdienst is vastgelegd in de grondwet van 1848. Volgens schattingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (1997) hangt 40% van de bevolking geen godsdienst aan. Van de gelovigen vormen de katholieken numeriek de sterkste groepering: 31% van de bevolking; de Nederlandse hervormden telden toen 14%, de leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland 7%.

Oud -Katholieke kerk leiden

Foto:Michiel 1972 Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De Oud-Katholieke Kerk ontstond in Nederland als reactie op de concentratie van de macht in de rooms-katholieke kerk bij de paus.Met de verkiezing van een eigen bisschop door het kapittel in Utrecht in 1723 werd de breuk met Rome definitief. Nadat het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 de onfeilbaarheid van de paus had afgekondigd, vonden de oud-katholieken en gelijkgezinde groepen in andere landen elkaar in 1889 in de Unie van Utrecht. De Oud-Katholieke Kerk in Nederland telt ongeveer 8000 leden in 26 parochies. Wereldwijd zijn er ongeveer 500.000 oud-katholieken. In 2000 werd de Antwerpse theoloog en pastoor J. Vercammen gekozen tot hoofd van de Oud-Katholieke Kerk in Nederland.

Humanistich Verbond Groningen

Foto:Gijs Bolmeijer CCAttribution-Share Alike 4.0 International no changes made

De hedendaagse ontwikkeling van de godsdienst beweegt zich in de richting van onkerkelijkheid. Sinds de jaren vijftig is de invloed van de kerk in Nederland sterk afgenomen.

De komst sinds de jaren zestig van Marokkaanse en Turkse werknemers heeft de vestiging van de islam tot gevolg gehad (4,2% van de totale bevolking in 1997). Daarnaast wonen er hindoes (0,5%) en boeddhisten in Nederland.

Samenleving

Landsbestuur

Ridderzaal van het Binnenhof Den Haag

Foto:Jan Arkesteijn Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Het Koninkrijk der Nederlanden is formeel een constitutionele, erfelijke monarchie waarbij de scheiding van de machten grotendeels is geregeld in de Grondwet. Nederland is staatsrechtelijk een parlementaire democratie waarin de koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk zijn.

De wetgevende macht wordt uitgeoefend door de regering en de Staten-Generaal. De Kamers van de Staten-Generaal, de Eerste en de Tweede Kamer, vertegenwoordigen het Nederlandse volk en bestaan al sinds 1815. De Eerste Kamer telt 75 leden en de Tweede Kamer heeft 150 leden.

In de Grondwet is zowel het principe van algemeen kiesrecht als van evenredige vertegenwoordiging vastgelegd. De Tweede Kamer wordt om de vier jaar rechtstreeks gekozen door de stemgerechtigden, en dat zijn alle Nederlanders van 18 jaar of ouder. De leden van de Eerste Kamer worden via getrapte verkiezingen gekozen door de Provinciale Staten. De verkiezingen voor de Provinciale Staten hebben eveneens om de vier jaar plaats.

De uitvoerende macht berust bij de Koning en concentreert zich bij de ministers die hoofd zijn van ministeriële departementen, waarover het gehele centrale rijksbestuur is verdeeld. Het algemeen adviesorgaan voor de Koning is de Raad van State. Bij elk wetsontwerp moet de Raad van State gehoord worden. Het staatshoofd is uit hoofd van zijn functie de voorzitter van de Raad van State, die verder bestaat uit een vice-president en maximaal 28 leden telt. De dagelijkse leiding berust bij de vice-president. De hoofdstad van Nederland is Amsterdam, doch de regering heeft haar zetel in Den Haag.

De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door onafhankelijke rechters, die door de Koning voor het leven worden benoemd. De rechtspraak in civiele zaken en strafzaken berust bij kantongerechten, arrondissementsrechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad der Nederlanden, het hoogste rechtscollege van Nederland op civielrechtelijk en strafrechtelijk gebied. De Hoge Raad heeft de bevoegdheid uitspraken van legere rechters te vernietigen.

De Algemene Rekenkamer, die uit drie leden bestaat, oefent controle uit op het financiële beheer van de rijksmiddelen.

Waterschappen nederland

Foto:Janwillemvanaalst CCttribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Het Nederlandse grondgebied is ingedeeld in waterschappen die de waterhuishouding verzorgen en over het algemeen belast zijn met de verdediging van het land tegen het water. De waterschappen zijn onder andere verantwoordelijk voor irrigatie, bemaling, waterzuivering en het onderhoud van kanalen en rivieren. Het algemeen bestuur wordt gekozen door huis- en grondeigenaren binnen het gebied van het waterschap. Het dagelijks bestuur en de voorzitter, de dijkgraaf, wordt door de regering benoemd.

De staatsinrichting voor wat betreft de Nederlandse Antillen is krachtens het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van 1954 geregeld in een Staatsregeling. De Koning der Nederlanden wordt als hoofd van de regering van de Nederlandse Antillen vertegenwoordigd door een door hem benoemde gouverneur. Deze is tegelijkertijd orgaan van het Koninkrijk en orgaan van de Nederlandse Antillen. Zijn bevoegdheden als orgaan van het Koninkrijk worden geregeld bij of krachtens het Statuut.

De gouverneur oefent de regering uit samen met de Raad van Ministers, waarvan de (in totaal acht) leden door hem benoemd worden en aan de Staten (het parlement) verantwoordelijk zijn. Voorts staat hem een Raad van Advies ter zijde. De wetgevende macht wordt uitgeoefend door de gouverneur met de Staten (22 leden: 14 van Curaçao, 3 van Bonaire, 3 van Sint-Maarten, 1 van Saba en 1 van Sint-Eustatius), voor vier jaar bij algemeen kiesrecht gekozen en vertegenwoordigend het gehele volk van de Nederlandse Antillen.

De regelende bevoegdheden van de organen van de Nederlandse Antillen hebben alleen betrekking op zgn. Landsaangelegenheden. Het Statuut voor het Koninkrijk bepaalt wat Koninkrijksaangelegenheden zijn. De Nederlandse Antillen zijn administratief verdeeld in vijf Eilandgebieden, te weten Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten.

Administratieve indeling, provinciaal en gemeentelijk bestuur

Kaart van Nederland met Provincies en hoofdsteden van provincies

Foto:Hans Erren Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Nederland is verdeeld in twaalf provincies en 636 gemeenten. Het aantal gemeenten varieert nogal door voortdurende gemeentelijke herindelingen. De provincies worden bestuurd door Provinciale Staten en de Provinciale Staten kiezen uit hun midden een dagelijks bestuur, de Gedeputeerde Staten. De Voorzitter van Provinciale en van Gedeputeerde Staten is de door de Kroon benoemde Commissaris der Koningin.

Aan het hoofd van de gemeenten staat de gemeenteraad, die wordt voorgezeten door een door de Kroon benoemde burgemeester voor een periode van zes jaar benoemd wordt. Deze vormt samen met de wethouders het dagelijks bestuur. De wethouders werden tot recent nog uit en door de raad gekozen. Tegenwoordig kunnen er ook wethouders van"buiten" gekozen worden. Gemeenteraadsverkiezingen vinden om de vier jaar plaats. Bij de verkiezingen voor de gemeenteraden in 2002 konden de burgers in twee plaatsen ook meedoen aan een referendum voor een gekozen burgemeester. De gemeenten Best en Vlaardingen kregen respectievelijk een D66'er en een PvdA'er als burgemeester.

Koninklijk Huis

Koning Willem-Alexander, Koningin Maxima en de Prinsessen

Foto:Floris Looijesteijn Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Het Huis van Oranje is het Nederlandse koninklijk huis. Dit vorstenhuis is sinds de zestiende eeuw met Nederland verbonden en de stamvader is prins Willem van Oranje (1533-1584).

Sinds 1980 is koningin Beatrix het staatshoofd en zij volgde haar moeder, nu prinses Juliana, op. Koningin Beatrix was getrouwd met prins Claus der Nederlanden, Jonkheer van Amsberg, die op 6 oktober 2002 overleed. De oudste zoon van Beatrix en Claus, Willem-Alexander, is de beoogde troonopvolger. Hij trouwde in 2002 met de Argentijnse Máxima Zorreguieta. Het koningschap is erfelijk zowel in de mannelijke als de vrouwelijke lijn, waarbij het oudste kind voorrang heeft. Willem-Alexander volgde zijn moeder Beatrix in 2013 op.

Politieke partijen

tweede kamer zetelaantal politieke partijen van 1888-2017

Foto:Harmenator Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Voor het Nederlandse politieke bestel zijn de politieke partijen zeer belangrijk. Alle in de Staten Generaal vertegenwoordigde partijen dateren van na de Tweede Wereldoorlog maar zijn vaak een voortzetting van de vooroorlogse politieke partijen of stromingen. Tot halverwege de jaren zeventig waren de drie belangrijkste levensbeschouwelijke stromingen in Nederland: de confessionele, de socialistische en de liberale.

Als gevolg van een complex van oorzaken verloren deze levensbeschouwingen aan inspiratiekracht, maar de erop gebaseerde politieke partijen wisten zich door fusies en koersveranderingen grotendeels te handhaven.

Het Christen-Democratisch Appèl (CDA), voortgekomen uit een samenvoeging in 1977 van Katholieke Volkspartij (KVP), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk-Historische Unie (CHU), trok aanvankelijk voornamelijk confessionele kiezers, maar sinds het midden van de jaren tachtig wist het CDA ook niet kerkelijk gebonden kiezers aan te trekken doordat zij meer afstand nam van de kerken en de confessionele organisaties en positie koos rechts van het politieke midden. Na de verkiezingen van 1989 slaagden de christen-democraten erin om voor de vierde maal achtereen aan de macht te blijven.

In 1994 belandden de confessionelen voor het eerst in hun geschiedenis in de oppositie. De sociaal-democratische Partij van de Arbeid (PvdA), sinds de Tweede Wereldoorlog vaak de coalitiepartner van de confessionelen, smeedde in 1994 voor het eerst sinds 1919 een niet-confessionele, zgn."Paarse" coalitie met de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en Democraten '66 (D66). Deze partij, in 1966 opgericht om het bestaande politieke bestel op te blazen, ontwikkelde zich in de loop van de tijd steeds meer tot een gevestigde partij en maakte vooral in de tweede helft van de jaren tachtig een spectaculaire groei door. Na de verkiezingen van 2002 behaalde D66 echter nog maar acht zetels.

Eind jaren tachtig ontstond een nieuwe groepering, Groen Links; ontstaan uit een samengaan van kleine linkse partijen, te weten de Communistische Partij van Nederland (CPN), de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), de Evangelische Volkspartij (EVP) en de Politieke Partij Radikalen (PPR). Los daarvan staat, eveneens ter linkerzijde, de Socialistische Partij (SP).

Daarnaast zijn enkele kleine politieke partijen ter rechterzijde van het politieke midden blijven bestaan te weten de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en de Reformatorische Politieke Federatie (RPF). De laatste twee partijen vormen op dit moment de Christen Unie.

Naast de landelijk opererende partijen zijn met name op gemeentelijk niveau veel lokale partijen en belangenbehartigingsorganisaties actief, waarvan de invloed en aanhang echter langzamerhand afneemt ten gunste van de landelijke partijen.

In de jaren negentig van de vorige eeuw kwamen de zogenaamde"Leefbaar"-partijen sterk op, o.a. in Hilversum onder leiding van Jan Nagel, een voormalig PVDA-politicus. Door o.a. Nagel werd de landelijke partij Leefbaar Nederland opgericht die in 2002 medeet aan de landelijke verkiezingen. Als lijstrekker werd de populaire Pim Fortuyn aangetrokken. Na een geruchtmakend interview in de Volkskrant, waarin Fortuyn afstand nam van de partijlijn, stapte Fortuyn op en richtte zijn eigen partij op, de Lijst Pim Fortuyn. In de peilingen voor de verkiezingen bleek dat de LPF op 20 à 30 zetels kon rekenen. Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn doodgeschoten. Een week later werden de verkiezingen voor het Nederlandse parlement gehouden en behaalde de LPF 26 zetels en werd daarmee de tweede partij van het land. Na veel schermutselingen aan de rechterkant van het politieke spectrum trekt de PVV van Geert Wilders vanaf 2010 veel kiezers met anti-Islam en anti-Europa standpunten.

De actuele politieke situatie staat beschreven in het hoofdstuk geschiedenis.

Onderwijs

Algemeen

In de Grondwet van 1848 is de onderwijsvrijheid vastgelegd. Dit houdt in dat groeperingen in de Nederlandse samenleving op basis van godsdienstige, levensbeschouwelijke of pedagogisch-didactische grondslag een school mogen stichten. Nederland kent dan bijvoorbeeld ook protestants-christelijke, rooms-katholieke, joodse, islamitische en vrije scholen.

Scholen op pedagogisch-didactische grondslag zijn montessori-, dalton-, en jenaplanscholen of een combinatie hiervan. Scholen gesticht door de overheid worden openbare scholen genoemd. Alle andere scholen, gesticht door particulieren, heten bijzondere scholen.

De leerplicht geldt voor kinderen van vijf tot achttien jaar. Voor de laatste twee jaar geldt een partiële leerplicht.

Onderwijssysteem

Onderwijssysteem Nederland

Foto:JrPol Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Het Nederlandse onderwijssysteem is op te splitsen in drie niveaus: primair, secundair en tertiair onderwijs.

Het primair of basisonderwijs is bestemd voor kinderen van vier tot en met twaalf jaar. Deze fase in het onderwijs is opgebouwd uit acht jaarklassen, groepen genaamd, en gericht op de creatieve, verstandelijke en emotionele ontwikkeling van de kinderen. Ook aan het verwerven van voldoende sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden wordt veel aandacht besteed.

Bijna 100% van alle kinderen volgt basisonderwijs en stroomt door naar het secundair of voortgezet onderwijs.

Tot het primair onderwijs behoort ook het speciaal basis- en voortgezet onderwijs voor kinderen van 3 tot 20 jaar met een geestelijke, lichamelijke en of sociale handicap.Door extra zorg te besteden aan deze kinderen, probeert men hen zo snel en zo goed mogelijk te laten instromen in het reguliere onderwijs.

Elke dag gaan meer dan anderhalf miljoen kinderen naar de basisschool of het speciaal onderwijs.

In de achtste en laatste groep van het basisonderwijs legt de leerling een test af, meestal de CITO-toets, op grond waarvan hij of zij een advies krijgt welke vorm van middelbaar onderwijs hij of zij het beste kan volgen.

Het secundair onderwijs bestaat uit:

VMBO: Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs. De duur is vier jaar en bereidt voor op het secundair beroepsonderwijs (SBO, voorheen MBO);

HAVO: Hoger Algemeen Vormend Onderwijs. De duur is vijf jaar en bereidt voor op het Hoger Beroeps Onderwijs (HBO);

VWO: Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs (VWO).

De duur is 6 jaar en bereidt voor op het Wetenschappelijk Onderwijs (WO).

Het VMBO is een nieuwe schoolsoort die vanaf 1 augustus 1999 werd ingevoerd. Dit type onderwijs bestaat uit zogenaamde"leerwegen", die geleidelijk in de plaats kwamen van het VBO (Voorbereidend Beroepsonderwijs) en het MAVO (Middelbaar Algemeen Voortgezet Onderwijs). Het VMBO kent vier leerwegen met vaste vakkenpakketten, en de leerlingen kiezen voor een van die leerwegen.

De vier leerwegen zijn:

De theoretische leerweg

De gemengde leerweg

De kaderberoepsgerichte leerweg

De basisberoepsgerichte leerweg

Leerlingen in het VMBO volgen eerst twee jaar basisvorming, hetgeen wil zeggen dat alle leerlingen hetzelfde brede vakkenpakket krijgen.

De leerlingen in het HAVO en VWO volgen in de meeste gevallen drie jaar basisvorming in dezelfde vakken, waarna zij definitief kiezen voor het HAVO of het VWO. In de basisvorming krijgen de leerlingen les in vijftien vakken. Daarnaast kan elke school nog andere vakken aanbieden.

Het HAVO duurt vijf jaar en is vooral bedoeld als voorbereiding op het HBO. Het VWO duurt zes jaar en is vooral bedoeld als voorbereiding op het wetenschappelijk onderwijs. Tot het VWO behoren het atheneum en het gymnasium. Op het gymnasium krijgen alle leerlingen Grieks en Latijn in de onderbouw en Grieks en/of Latijn in de bovenbouw. Er bestaan ook lycea waar kinderen zelf kiezen voor het gymnasium of het atheneum.

De bovenbouw HAVO (klas 4 en 5) en VWO (klas 4,5 en 6) is vernieuwd en heet tegenwoordig de Tweede Fase. Profielen in de Tweede Fase vervangen de vrije vakkenpakketkeuze. Men probeert hierdoor de aansluiting tussen het voortgezet en het hoger onderwijs te verbeteren. De leerlingen kunnen kiezen uit de profielen cultuur en maatschappij, economie en maatschappij, natuur en gezondheid en natuur en techniek.

Een tweede grote verandering is het studiehuis waarin de leerlingen steeds meer hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren en werkstukken maken. Ook hiermee wordt de zelfstandigheid vergroot en de aansluiting met het hoger onderwijs verbeterd.

Het hoger beroepsonderwijs behoort met het wetenschappelijk onderwijs tot het hoger onderwijs. Sinds 1993 vallen de hogescholen en universiteiten onder dezelfde wetgeving: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Het HBO kenmerkt zich door verscheidenheid: er zijn ongeveer 200 verschillende opleidingen voor uiteenlopende beroepen op verschillende maatschappelijke terreinen. Er zijn brede en meer gespecialiseerde opleidingen. Er zijn grote hogescholen met een gevarieerd aanbod aan opleidingen, maar ook middelgrote en kleine met een beperkt assortiment. Door fusies is het aantal hogescholen gedaald van bijna 350 midden jaren '80 naar 56 in 2000.

De opleidingen zijn verdeeld over zeven CROHO-onderdelen: Onderwijs, Techniek, Gezondheidszorg, Economie, Gedrag & Maatschappij, Taal & Cultuur en Landbouw. Ook de Open Universiteit (afstandsonderwijs) behoort tot het wetenschappelijk onderwijs.

Academiegebouw universiteit Utrecht

Foto:Steven Lek Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Het wetenschappelijk onderwijs leidt op tot zelfstandige beoefening van de wetenschap of verzorgt de voorbereiding op maatschappelijke betrekkingen waarvoor een wetenschappelijke opleiding vereist is. Naast het aanbieden van wetenschappelijk onderwijs voeren universiteiten ook wetenschappelijk onderzoek uit. Na het afsluiten van de eerste fase in het wetenschappelijk onderwijs kunnen studenten zich gaan richten op verdere specialisatie, onderzoek of voorbereiding op de promotie.

Afgestudeerden van een universiteit mogen de titel ingenieur (ir), doctorandus (drs) of meester in de rechten voeren (mr). Wie promoveert mag de titel doctor (dr) voeren. Deze titels zijn wettelijk bepaald en beschermd.

Nederland kent de volgende universiteiten:

Economie

Algemeen

Poldermodel overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid in Nederland

Foto:Rob Bogaerts / Anefo in het publieke domein

Nederland heeft een vrije-markteconomie waarin de overheid door middel van wetgeving en regelgeving kan ingrijpen in het economisch proces en er van een geleide economie gesproken wordt.

De Tweede Wereldoorlog heeft de Nederlandse economie sterk veranderd door onder andere sterk veranderde omstandigheden zoals een sterke bevolkingsgroei en het verlies van de koloniën. In relatief korte tijd heeft Nederland zich van een overwegend agrarisch land tot een industriële, internationaal georiënteerde natie ontwikkeld. De Nederlandse economie is over het algemeen stabiel en dat wordt mede in stand gehouden door een structureel, intensief overleg tussen overheid, bedrijfsleven en vakbonden, het zogenaamde poldermodel. Al deze factoren hebben ervoor gezorgd dat Nederland bij de grootste economieën van de wereld behoort.

In 2017 droegen landbouw en visserij voor 1,6% aan het bruto nationaal product bij, de industrie voor 17,9% en de resterende 80,2% kwam voor rekening van de dienstensector.

De grote aardgasvoorraden waren van oudsher voor de Nederlandse economie van groot belang, o.a. vanwege de inkomsten uit export. Door de aarbevingen in Groningen is deze inkomstenbron aan het verminderen. Grote Europese rivieren als de Rijn, Maas en Schelde vervullen voor Nederland een grote rol als knooppunt in het Europese transitoverkeer naar bijvoorbeeld het Duitse Ruhrgebied, waardoor Rotterdam bijvoorbeeld al jarenlang de grootste haven ter wereld is. Ook de luchthaven Schiphol is een belangrijke aanjager van de Nederlandse economie en verder zijn de hoofdkantoren van veel multinationals in Nederland gevestigd, o.a. Shell, Unilever en Philips.

De Nederlandse economie heeft in de jaren tachtig en negentig geprofiteerd van de economische hoogconjunctuur; in de periode van 1990 tot 2008 bedroeg de economische groei gemiddeld rond de 2%. Aan deze periode van voorspoed kwam een eind door de kredietcrisis. In 2013 kromp de economie met -1%. Het officiële werkloosheidscijfer bedroeg in 2017 4,9% van de beroepsbevolking, waarmee Nederland ruim onder het EU-gemiddelde ligt. Het BNP van de Nederlander is $53.900 (2017).

Land- en tuinbouw, veeteelt

Kassen in het Westland

Foto:Rob Hooft Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Het aandeel van de land- en tuinbouw in de totale beroepsbevolking daalde van ca. 17% in 1950 tot rond de 1% in 2017 en het aandeel in het nationaal inkomen nam in deze periode af van 14,4 tot 1,6%. Nederland is desondanks nog een van de grootste landbouwexporteurs ter wereld. Er worden veel agrarische producten geëxporteerd met Duitsland als voornaamste afnemer, gevolgd door de andere landen van de Europese Unie.

Meer dan 60% van de Nederlandse bodem is in agrarisch gebruik. Dankzij intensivering van het bodemgebruik en door de hogere opbrengsten per hectare, is de totale productiehoeveelheid van de Nederlandse land- en tuinbouw enorm toegenomen. Deze productie-uitbreiding kon alleen plaatsvinden door een sterke vergroting van de hoeveelheid productiemiddelen, zoals kunstmest en uitgebalanceerd veevoeder.

Ook goed landbouwkundig onderwijs en praktijkgerichte voorlichting hebben veel bijgedragen aan de stijging van de productiviteit.

De agrarische activiteiten zijn gespreid over het hele land. Een belangrijk deel van de akkerbouw wordt aangetroffen op de zeekleigronden in het noorden en het zuidwesten van het land en tevens in de IJsselmeerpolders. Hoewel de hoeveelheid akkerland terugloopt, zijn de opbrengsten per hectare de afgelopen decennia sterk gestegen. Belangrijke producten zijn aardappelen, tarwe, suikerbieten en vooral snijmaïs, dat gebruikt wordt als veevoer. De Nederlandse pootaardappelen worden over de hele wereld geëxporteerd.

De intensieve veehouderij of bio-industrie (varkenshouderij, pluimveehouderij en kalvermesterij) is grotendeels geconcentreerd op de zandgronden in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Deze sector bedreigt het milieu met haar gigantische mestoverschot. De melkveehouderij komt voor in het hele land, maar specifieke weidegebieden zijn Friesland en Noord- en Zuid-Holland.

De tuinbouw is qua productieomvang de grootste agrarische sector in Nederland. Zo is Nederland de grootste exporteur van bloemen en bloembollen ter wereld. Andere belangrijke tuinbouwproducten zij komkommers, tomaten, sla, champignons, fruit, paprika's en potplanten.

De glastuinbouw, die economisch gezien verreweg het belangrijkste onderdeel vormt van de Nederlandse tuinbouw, is voor een groot deel geconcentreerd in enkele grote centra, waaronder die in het zuidwesten van Zuid-Holland het belangrijkste zijn. Deze bedrijven richten zich vaak op één of enkele gewassen.

De aandacht voor het milieu wordt steeds belangrijker en steeds meer landbouwers streven naar duurzame vormen van landbouw die het milieu sparen. Zo schakelt men steeds meer over op biologische gewasbescherming om ziekten en plagen te voorkomen en te bestrijden. Belangrijk is ook het onderzoek naar minder ziektegevoelige gewassen.

Bosbouw

Bosbouw Nederland

Foto:E Dronkert Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Nederland is een weinig bosrijk land. In 2017 was nog maar 8% (ca. 300.000 ha) van de oppervlakte bebost. Het bos bestaat voor ca. 60% uit naaldhout. De provincie met de grootste oppervlakte aan bos is Gelderland en daarna volgen Noord-Brabant en Overijssel.

Bos komt in hoofdzaak voor op de slechtere gronden. Er is echter een tendens ook op betere gronden bos aan te planten. Behalve als houtleverancier is het bos van belang voor de recreatie. De milieuvervuiling, vooral in de vorm van verzuring, is een ernstige bedreiging voor het bomenbestand.

Visserij

Vissersboot nederland

Foto:Rijkswaterstaat Creative Commons Attribution 3.0 Unported no changes made

De visserij in open zee wordt in de Noordzee en haar zeeboezems bedreven en in verder gelegen wateren (wateren rond Ierland, bij IJsland en Newfoundland). Een voorname tak van de Nederlandse beroepsvisserij is de kustvisserij. Er wordt over het algemeen vooral gevist op rondvis, haringachtigen en makreel. Nederland heeft een zeer moderne vloot van kotters en de grote trawlers. De trawlers vissen voornamelijk op haring en makreel. De kleine kotters vissen op o.a. schol, kabeljauw, schelvis, wijting en garnalen.

De economisch belangrijkste groep werd in dat jaar gevormd door de platvissen, gevolgd door de rondvissen en schaal- en weekdieren als oesters, garnalen en mosselen. Mosselen, oesters en kokkels worden vooral gekweekt in de Zeeuwse wateren en op de Waddenzee. De binnenvisserij is, behalve de palingvangst, economisch van weinig belang. De belangrijkste vissershavens zijn IJmuiden, Scheveningen en Urk.

Doordat bepaalde vissoorten sterk teruglopen stelt de Europese Unie sinds 1983 jaarlijks vangstquota vast. Ook wordt het aantal dagen waarop gevist mag worden wel eens beperkt.

Industrie

Petrochemische industrie Botlekgebied

Foto:Michiel1972 at Dutch Wikipedia

Eind 19e eeuw werd Nederland een industrieland toen het aandeel van de werkgelegenheid in de nijverheid groter werd dan in de landbouw. Daarvoor waren er met name in het zuiden van Nederland industriële activiteiten. Het betrof vooral kleding-, textiel- en schoeiselindustrie. In de periode tot de Eerste Wereldoorlog kende de industrie een sterke groei, met nam in de metaalnijverheid en de grafische, chemische en de papierindustrie.

De al eerder genoemde bedrijfstakken en ook bouwnijverheid en de voedingsmiddelenindustrie bleven vooralsnog zorgen voor de meeste werkgelegenheid. Er werden ook steeds meer fabrieken gebouwd in Rotterdam, Amsterdam, het zuiden en in Twente, het centrum van de katoenindustrie. Hierdoor werd de huisindustrie steeds minder belangrijk.

Tot de Tweede Wereldoorlog veranderde er niet zoveel. De industrie bleef zich voornamelijk in het westen van het land ontwikkelen en de zuivelindustrie en slachterijen kwamen op als exportindustrie. De chemische industrie, later van groot belang, stelde nog niet veel voor in die tijd. Toch werd de voor Nederland belangrijke textielindustrie toen al bedreigd door de ontwikkeling van de kunstvezel in het buitenland.

Na de Tweede Wereldoorlog stond de economische ontwikkeling van Nederland in het teken van de wederopbouw en in het kielzog daarvan groeide de industriële nijverheid zeer snel. Bouwnijverheid en infrastructuur waren natuurlijk zeer belangrijk maar ook het scheppen van werkgelegenheid door vergroting van de export had hoge prioriteit. Echte groei industrieën werden de elektrotechnische, de basismetaal- en de chemische industrie.

Na de totstandkoming van de Europese Economische Gemeenschap (EEG, 1958), nu Europese Unie (EU), versnelde de groei van de industrie o.a. door de sterk stijgende export, maar ook de vondst van aardgas werkte stimulerend. De petrochemische industrie was de grootste groeier, met name in de periode 1963-1973. De lage energieprijzen en de mogelijkheid tot vestiging in het Rijnmondgebied zorgden voor veel buitenlandse investeringen.

Aan de andere kant kregen de traditionele arbeidsintensieve industrieën het moeilijk door de grote loonstijgingen, waardoor bedrijven steeds vaker uitweken naar zogenaamde lage-lonen landen.

Op dit moment richt de Nederlandse industrie zich vooral op primaire producten en halffabrikaten en kenmerkt zich door de internationale gerichtheid, zowel wat betreft de afzet in het buitenland als de spreiding van productievestigingen en de samenwerking met buitenlandse bedrijven. De belangrijkste sectoren zijn de sterk geautomatiseerde chemische- de voedselverwerkende, en de metaalverwerkende industrie. Ook de grafische- en de elektrotechnische industrie zijn goed ontwikkeld.

Sinds het eind van de jaren zestig van de 20e eeuw trekken ook de nadelige effecten van de industriële groei wereldwijd de aandacht, o.a. de vervuiling van het milieu, het afbreken van de ons beschermende ozonlaag en het uitgeput raken van natuurlijke grondstoffen. Na de oliecrisis in 1973, met zijn sterk stijgende prijzen, kreeg de Nederlandse industrie stevige klappen te verwerken en vertraagde de groei. Het bezit van aardgas betekende nog wel een belangrijk voordeel ten opzichte van het buitenland.

Vanaf 1982 richtte het overheidsbeleid zich steeds meer op de groei van de export. De bedrijven investeerden ook steeds meer in het buitenland waardoor de gewenste verbreding van de industriële basis stagneerde. Vernieuwing van de Nederlandse industrie in de jaren tachtig bleef achterwege, alleen de bestaande productieprocessen werden verbeterd. Hierdoor nam de gemiddelde groei nog wel steeds toe maar bleef achter in vergelijking met andere bedrijfstakken.

Mijnbouw en energievoorziening

NAM ondergronds gasopslagveld bij Norg/Langelo

Foto:Thijs.nl Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Aan de oppervlakte zijn alleen delfstoffen als zand, klei, grind, mergel en kalk te vinden. In diepere lagen zit zout, aardolie, aardgas en steenkool. Zout wordt bij Hengelo gewonnen door water omlaag te spuiten en de pekel op te pompen. Steenkool werd tot 1975 ondergronds in de provincie Limburg gewonnen, maar de vondst van aardgas en de lage prijs van buitenlandse steenkool waren aanleiding de mijnen te sluiten. In de ondergrond is nog 1000 miljard ton steenkool aanwezig, maar daarvan is slechts 4% winbaar met conventionele methoden.

Op het vasteland heeft Nederland twee aardolievelden in Schoonebeek en West-Nederland en op het continentaal plat één aardolieveld.

In 1959 werd het aardgasveld bij Slochteren ontdekt, maar pas in 1967 kwam het veld in productie.

Tot de Tweede Wereldoorlog was Nederland voor het energieverbruik vooral afhankelijk van in eigen land aanwezige hulpbronnen als steenkool en wind. Na de oorlog, tot 1967, werd met name aardolie uit het buitenland zeer belangrijk voor de energievoorziening. Daarna werd het aardgasveld bij Slochteren in gebruik genomen en nam het aandeel van aardgas voor de energievoorziening snel toe. Er werd zelfs genoeg aardgas gewonnen om te exporteren en Nederland werd al snel de grootste aardgasproducent van West-Europa. Nederland staat door de afbouw van fossiele brandstoffen in 2017 aan het begin van een energietransitie.

Handel

Amsterdamse Efdectenbeurs

Foto:Zandcee Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

De binnenlandse markt van Nederland is maar klein en daardoor richten veel bedrijven zich op afzetgebieden in het buitenland. Ook de gunstige geografische ligging in West-Europa is uitermate geschikt voor internationale handel, zowel op het water als in de lucht, en over de weg.

De belangrijkste importproducten zijn (elektrische) machines, fabricaten, voedingswaren, brandstof en kleding. De totale waarde van de invoer bedroeg $ 453,8 miljard (2017)

De belangrijkste exportproducten zijn voedingswaren, chemische producten, (half)fabricaten, (elektrische) machines, bloemen en aardolieproducten. De totale waarde van de uitvoer bedroeg $ 840 miljard (2017)

De handelsbalans kent traditioneel een overschot, evenals het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. De belangrijkste afzetmarkt voor Nederland is Europa, en dan met name de landen van de Europese Gemeenschap. Belangrijke handelspartners in andere werelddelen zijn de Verenigde Staten, China, Japan en Zuid Afrika.

Verkeer

Eemhaven Rotterdam

Foto:Wikifritz in het publieken domein

In economisch opzicht speelt het verkeer een zeer belangrijk rol door de ligging aan de monding van de rivieren als de Rijn, de Maas en de Schelde en het hooggeïndustrialiseerde achterland (o.a. Ruhrgebied). Nederland heeft zich daardoor ontwikkeld als de toegangspoort van Europa en door zijn centrale ligging is Nederland ook de vestigingsplaats geworden van veel internationale bedrijven.

Nederland beschikt hiervoor over een uitgebreid en hoogwaardig (snel)wegennet waar de Nederlands transportsector van kan profiteren. Deze sector heeft een belangrijk deel van de Europese transportmarkt in handen.

Van groot belang voor het goederenvervoer zijn ook de vele binnenlandse en grensoverschrijdende waterwegen.

De Nederlandse Spoorwegen zijn vooral van belang voor het binnenlandse personenvervoer, hoewel er ook steeds meer goederen per spoor vervoerd worden.

Het binnenlandse luchtverkeer speelt maar een geringe rol van betekenis voor de Nederlandse economie. De KLM is de nationale luchtvaartmaatschappij die een uitgebreid internationaal luchtnet heeft. De KLM is gefuseerd met Air France. Schiphol is een van de grootste internationale luchthavens ter wereld en wordt als een van de motors van de economie beschouwd.

De handelsvloot neemt zowel qua grootte als economische betekenis af, maar Rotterdam blijft één van de grootste zeehavens ter wereld voor goederenoverslag en ook Amsterdam heeft zich ontwikkeld tot een overslagplaats van betekenis. Jaarlijks worden er tientallen miljoenen tonnen aan goederen afgeleverd in de haven van Rotterdam. Met name het containervervoer bepaalt tegenwoordig het gezicht van de haven. Naast Rotterdam en Amsterdam zijn ook de zeehavens van Velsen/IJmuiden, Delfzijl, Eemshaven, Vlissingen, Terneuzen en Vlaardingen van belang.

Vakantie en bezienswaardigheden

Molens van Kinderdijk

Foto:Lucas Hirschegger CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Nederland is zowel voor de eigen bevolking als voor buitenlanders een populaire toeristische bestemming en daardoor een belangrijke economische factor. In 2011 werd Nederland bezocht door meer dan 11,3 miljoen buitenlandse toeristen. De meeste toeristen komen uit Duitsland en verder vooral uit Engeland, de Verenigde Staten, België en Frankrijk. In de jaren negentig kwamen er steeds meer toeristen uit Spanje en Italië, terwijl het aantal bezoekers uit Oostbloklanden snel toenam na de val van de Muur.

Deltawerken Zeeland

Foto:Martin Terber Attribution-NoDerivs 2.0 Generic (CC BY-ND 2.0) no changes made

Het toerisme levert Nederland vele tientallen miljarden Euro's aan omzet op. Nederland is een echt waterland en een eldorado voor surfers, zeilers en zwemmers. Bruggen, dijken, molens en gemalen zorgen voor toeristische plaatjes bij uitstek en bijvoorbeeld de Deltawerken worden door veel buitenlandse toeristen bezocht.

Keukenhof Lisse

Foto:Alessandro Vecchi CCAttribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Ook de grote steden met ieder hun eigen karakter trekken veel toeristen. Amsterdam is natuurlijk een tophit maar ook steden als Rotterdam, Den Haag, Delft, Eindhoven, Haarlem, Utrecht, Groningen en Maastricht zijn toeristisch van belang. Historische gebouwen, monumenten, musea, tradities en vele evenementen zijn de trekpleisters. Nederland telt rond de 1000 musea en heeft daarmee de grootste museumdichtheid ter wereld. Het Rijksmuseum met de"Nachtwacht" van Rembrandt is het bekendste kunsthistorische museum. Nederland is als bloemenland bij uitstek, beroemd in het buitenland. Vooral de bollenvelden in Noord- en Zuid-Holland en de Keukenhof zijn wereldberoemd. Door buitenlandse toeristen worden er jaarlijks tussen de 25-30 miljoen overnachtingen geboekt. Het aantal hotelgasten steeg in de periode 2002-2012 met 18%.

Interieur van het paleis op de Dam in Amsterdam

Foto:Davidh820 Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Tijdens een bezoek aan Amsterdam kan het Anne Frankhuis niet overgeslagen worden. Aan de Prinsengracht ligt het huis waar Anne Frank tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna 2 jaar ondergedoken zat. In dit huis schreef Anne haar wereldberoemde dagboek. Het achterhuis is omgebouwd tot een museum waar nog precies te zien is hoe de familie Frank samen met vier andere onderduikers leefde tijdens de oorlog.

Het Koninklijk paleis op de Dam in Amsterdam is open voor publiek, als het niet gebruikt wordt door de Koninklijke familie (gebeurt ongeveer 2 keer per jaar, bij ceremoniële familie- en staatsaangelegenheden). De bouw van dit indrukwekkende gebouw werd gestart in 1648 en pas in 1665 was het paleis af. Jacob van Campen ontwierp het paleis in de Hollands Classicistische stijl. Officieel diende het gebouw als stadhuis van Amsterdam, maar na 1808 werd het in gebruik genomen als Koninklijk paleis. Vandaag de dag worden er rondleidingen gegeven door het paleis en zijn er regelmatig tentoonstellingen.

Gorilla Bokito in diergaarde Blijdorp in Rotterdam

Foto:Maarten Visser Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

In Rotterdam is het uitgaansleven wat gefragmenteerd. Belangrijke gebieden zijn De Oude haven, Stadhuisplein, Delfshaven en de Witte de Withstraat. Ook de Nieuwe Binnenweg (Café Ari, Rotown) is een bekend uitgaansgebied. Er zijn talloze eet- en drinkgelegenheden. Rotterdam in tevens de geboorteplaats van de gabber-scene en heeft internationaal bekende clubs. Ontspannen een drankje doen kan bij café De Witte Aap, dat door de Lonely Planet, dé internationale reisgids voor rugzaktoeristen, uitgeroepen is tot beste bar ter wereld. De Diergaarde Blijdorp in Rotterdam is een van de oudste dierentuinen van Nederland. Vanaf 1988 hanteert Blijdorp een 'masterplan', dat de hele dierentuin heeft veranderd. Volgens het masterplan worden dieren per werelddeel geordend, in natuurlijk ogende biotopen. Daarbij worden niet alleen dieren, maar ook planten en culturele elementen uit het nagebootste biotoop getoond.

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

NEDERLAND LINKS

Advertenties
• Nederland Tui Reizen
• Autohuur Nederland
• Vakantiehuizen in Nederland
• Vakantieparken in Nederland
• Amsterdam Hotels
• Vakantieveilingen bied mee op de beste deals
• Autoverhuur Sunny Cars Nederland
• Nederland Campings
• Nederland Vliegtickets Tix.nl

Nuttige links

Campersite Nederland (N)
Dieren in Nederland (N)
Duiken en landschap Zeeland Oosterschelde (N)
Lies en Teije's Reiswebsite (N+E)
Nederland Fotoreportage
Nederland Reisstart (N)
Overheid.nl: Officiële site van de Nederlandse overheid (N)
Reisinformatie Nederland (N)
Reizendoejezo – Nederland (N)
Vacanceselect (N)

Bronnen

Haafkens, M. / Nederland

Gottmer

Harmans, G.L.M. / Nederland

Van Reemst

Metze, M. / De staat van Nederland

SUN

Ver Berkmoes, R. / Netherlands

Lonely Planet

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt april 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems