Steden RUSLAND

RUSLAND   

Vroege Middeleeuwen

Na de Grote Volksverhuizing werd het kerngebied van het latere Russische Rijk door Slavische volken bewoond. Zij waren weer schatplichtig aan de Chazaren, die de karavaanwegen tussen Europa en Azië beheersten.
Sinds de 6e eeuw drongen de uit Scandinavië afkomstige Varjaren (ook wel Rus genaamd) met boten vanuit de Oostzee Rusland binnen en veroverden in de negende eeuw Novgorod en Kiev.
Onder de bezielende leiding van hun beroemde Scandinavische hoofdman Rurik werden verschillende stammen rond Novgorod in 862 samengevoegd. Hierdoor ontstond de naam Rossiya, wat ‘het land van de Rus’ betekent.

Het Rijk van Kiëv (ca. 880-1240)

Rurik werd opgevolgd door Oleg, die rond 880 Kiëv veroverde en wordt beschouwd als de werkelijke stichter van de Russische staat. De Varjaren veroverden steeds meer gebieden, maar assimileerden zich als volk met de autochtone Slavische bevolking. In 998 trouwde Vladimir de Heilige met de dochter van de Byzantijnse keizer, Anna. Hierdoor werd de overgang naar een soort staatsgodsdienst, het orthodoxe christendom, bezegeld. Dit was van groot belang voor de latere opbouw van de Russische staat. Vladimirs’ zoon, Jaroslav de Wijze, leidde het rijk van Kiëv-Roes tot 1054 naar een van de rijkste en machtigste in de toenmalige christelijke wereld.

Vanaf 1054 begon de neergang van het rijk door de vele invallen van steppenomaden en door het Slavische stelsel van erfopvolging, wat leidde tot een grote versnippering van het eens zo machtige rijk. In de 13e eeuw was het dan ook al niet meer mogelijk om zich goed te verdedigen tegen belagers die zowel vanuit het oosten als het westen kwamen. Zweden en de Duitse Orde bedreigden Rusland vanuit het noordwesten en Litouwen veroverde onder andere Zwart-Rusland en Polotsk.
Vanuit het oosten vielen in 1237 de Mongolen onder leiding van Batoe Chan Rusland binnen. Binnen enkele jaren werden bijna alle belangrijke steden aangevallen en platgebrand, waaronder Kiëv in 1240. Hiermee kwam er een einde aan het rijk van Kiëv.

Mongolen en Tataren

Daniël van Galicië probeerde de Mongolen nog tegen te houden, maar in 1259 volgde een nieuwe inval en staakte Galicië de strijd. Litouwen, dat ook veel Russische vorstendommen veroverd had, wist de Mongolen bij Sinyje Vody een zware nederlaag toe te brengen. Oost-Rusland daarentegen had nog lang te lijden onder de Tataren, die de zaakjes voor de Mongolen opknapten en er een wreed regime op nahielden.
Met name Alexander Nevski, eerder nog vorst van Novgorod, werd als grootvorst van Vladimir vernederd. Na zijn dood werd het land onder zijn zoons verdeeld en werd Daniil deelvorst van Moskou. Daniil en zijn opvolgers wisten het Moskouse rijk behoorlijk uit te breiden en maakten van Moskou de kern van een nieuwe Russische staat.

Het Moskovische rijk

Pas onder Ivan III was er pas sprake van een groot-Russische eenheidsstaat. Hij veroverde de laatste vorstendommen en in 1480 was zijn rijk volledig onafhankelijk van de Tataren. Ondertussen was het Byzantijnse rijk in 1453 gevallen en werd de Russische grootvorst Ivan III wereldlijk hoofd van alle orthodoxe gelovigen. Moskou werd zelfs al het ‘derde Rome’ genoemd. De titel ‘tsaar’ (van Caesar) werd bij de bestijging van de troon door Ivan IV officieel. Rusland werd nu bestuurd door autocraten, en de bojaren (adellijke grootgrondbezitters) werden, zeer tot hun ongenoegen, overvleugeld. Dit leidde tot bloedige conflicten, vooral onder de heerschappij van Ivan IV de Verschrikkelijke (1533-1584). Hij oefende een vreselijke terreur uit ten opzichte van de bojaren maar na zijn kroning tot tsaar in 1547 werd het rustiger in het rijk.
Wel probeerde Ivan zijn grondgebied naar alle kanten toe uit te breiden. In het oosten werden Kazan en Astrakan veroverd, maar in het westen leed Ivan een zware nederlaag tegen de Polen en de Zweden, toen hij probeerde Lijfland te veroveren. De strijd duurde 24 jaar, van 1558 tot 1582.

In de 16e eeuw veranderde ook de positie van de boeren ingrijpend. Het land dat ze bezaten ging naar landheren toe en daarop trokken veel boeren naar onder andere het zuiden en leefden daar als kozakken een vrij onafhankelijk bestaan als halfnomaden. Bekend werd de kozak Jermak, die in dienst van de Stroganov-familie Siberië begon te veroveren.
Tijdens de regeerperiode van Ivan IV startte er ook een geregelde handel tussen Engeland en Rusland en later kwamen daar ook Hollandse kooplieden bij. In 1584 werd Ivan opgevolgd door zijn zwakke zoon Fjodor, die niet kon voorkomen dat de macht uiteindelijk in handen kwam van Boris Goedoenov, die eerst namens Fjodor een regentschap had bekleed. Hij wist een nieuwe oorlog met Zweden te winnen en daardoor gebieden aan de Oostzee terug te veroveren. Na de dood van Fjodor werd Boris officieel staatshoofd van Rusland.

17e eeuw

De periode 1604-1613 werd de ‘tijd der troebelen’ genoemd, en begon met een inval vanuit Polen door de troonpretendent Dimitri, de zogenaamde ‘valse Dimitri’. In 1605 overleed Boris Goedoenov en viel Dimitri de troon toe. Helaas voor hem werd hij al snel door bojaren vermoord. Deze hele periode kan gezien worden als een periode van burgeroorlog en totale verwarring. Een nieuwe Dimitri, valse Dimitri II, kondigde zich aan, maar ook hem was geen lang leven beschoren; in 1610 werd hij vermoord.
Na deze roerige periode riep de geestelijkheid steden en edelen op om de handen ineen te slaan en Rusland te redden van de ondergang. Er werd daarop een landsvergadering of ‘zemski sobor’ uitgeroepen en Michael, de zoon van Fjodor Romanov, werd in 1613 tot tsaar gekozen. Onder Michael werd de rust weer snel hersteld. Met Michael kwam er een nieuwe dynastie aan de macht, die der Romanovs.

Michael werd opgevolgd door tsaar Aleksej, terwijl het bestuur in handen was van zijn voogd en gunsteling Morozov. Dit bestuur was echter zo corrupt dat er in 1648 een opstand volgde, wat weer aanleiding was om de wetgeving te hervormen. Door deze nieuwe wetgeving werden met name de lijfeigenen steeds afhankelijker van de staat of van hun meesters. De tweede helft van de zeventiende eeuw stond ook in het teken van een scheuring in de kerk. De zogenaamde ‘raskolniki’ wensten niet mee te gaan met de kerkelijke hervormingen.
Verder werd er nog een Russisch-Poolse oorlog uitgevochten van 1654 tot 1667.

Tijdperk Peter de Grote

Vanaf 1689 regeerde tsaar Peter de Grote, de zoon van Aleksej, over Rusland. Hij was vooral op het buitenland gericht, en dan met name op de grootmacht aan de andere kant van de Oostzee, Zweden. Belangrijk hierbij was de Grote Noordse Oorlog (1700-1721). Bij de Vrede van Nystad kreeg Rusland een groot stuk van de Oostzeekust in handen en werd daarmee de belangrijkste mogendheid aan die voor de internationale handel zo belangrijke zee.
Binnenlands werd iedereen nog meer aan de staat gebonden, het bestuursapparaat gemoderniseerd en de kerk volledig onder het gezag van de staat geplaatst. Verder werd Sint-Petersburg de hoofdstad in plaats van Moskou. Onder Peter de Grote werd Rusland de machtigste staat in Oost-Europa.

Tijdperk Catharina II (1762-1796)

Na een tussenperiode van 37 jaar en zes monarchen greep Catharina II de macht in Rusland. Vanaf die tijd werd ook de lijn van Peter de Grote weer voortgezet. Daarbij hoort ook de sterke concentratie op de westerse, met name Franse, beschaving. De macht van de adel werd onder Catharina steeds verder uitgebreid, terwijl de situatie voor de lijfeigenen steeds hopelozer werd en dicht tegen pure slavernij kwam aan te liggen. Als gevolg hiervan braken er grote boerenopstanden uit in de periode 1773-1775.
In het buitenland boekte Catharina grote militaire successen. Op de Turken werd de Zwarte-Zeekust en de Krim veroverd, in het westen delen van Polen en bovendien werd Koerland ingelijfd. Catharina werd opgevolgd door haar zoon Paul, die in 1799 vrede sloot met de keizer van Frankrijk, Napoleon.

19e eeuw

Paul werd opgevolgd door Alexander I, die in zijn eerste periode allerlei hervormingen probeerde door te voeren, maar daar totaal niet in slaagde. Als reactie daarop werd de tweede periode van zijn regering gekenmerkt door juist het onderdrukken van de liberale gedachte. In 1825 stierf Alexander plotseling en kwam meteen het ongenoegen van de hogere standen over het regeren van Alexander aan het licht.
Wat de buitenlandse politiek betreft streed hij aanvankelijk samen met Engeland en Oostenrijk tegen de Fransen in de zogenaamde Coalitieoorlogen. In de Vierde Coalitieoorlog leed Rusland in 1807 een nederlaag bij Friedland. Tijdens de vredesonderhandelingen sloot hij vriendschap met Napoleon, zeer tot ongenoegen van de Russische kooplui en handelaren, die hun lucratieve handel met Engeland in gevaar zagen komen.
n 1812 echter viel Napoleon Rusland binnen en Moskou werd korte tijd bezet. De Fransen werden uiteindelijk weer verdreven uit Rusland. Na de Zesde Coalitieoorlog verwierf Rusland bij het Congres van Wenen in personele unie Polen, en verder mocht het Finland behouden.
Nicolaas I (1825-1855) voerde een streng, reactionair bewind waarbij veel groeperingen onderdrukt werden. De buitenlandse politiek van Nicolaas leidde onder andere tot de Krim-oorlog, waarin Rusland een pijnlijke nederlaag leed. Bij de Vrede van Parijs (30 maart 1856) werd Rusland van de Donaumond afgesneden en de Zwarte Zee werd neutraal gebied.

Alexander II voerde belangrijke binnenlandse hervormingen door met als belangrijkste wapenfeiten het afschaffen van het lijfeigenschap in 1861 en in 1864 de hervorming van het lokale bestuur.
In 1877 werd de oorlog verklaard aan Turkije. De Turken dreigden Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Servië en Montenegro onder de voet te lopen, waardoor er een nationalistisch-panslavistische stemming in Rusland ontstond. Na een felle strijd met de Turken werden de Turken gedwongen tot de Vrede van San Stefano, die later herzien werd tijdens het Congres van Berlijn in 1878.
Ondertussen hadden de Russen ook niet stilgezeten en veroverden onder andere Tasjkent, Samarkand en het chanaat Chiwa; de chanaten Boechara en Kokand werden Russische vazalstaten (chanaat = vorstendom geregeerd door een chan).
Onder Alexander III werden vrijwel alle hervormingen die zijn voorganger had ingezet, teruggedraaid en elke vorm van oppositie werd hardhandig onderdrukt. Wat de buitenlandse politiek betrof werd er een defensief verbond met Frankrijk gesloten in 1893, terwijl het met het Duitsland van kanselier Bismarck tot een breuk kwam.

20e eeuw

Voor Oost-Azië hadden de Russen een economische–militaire imperialistische toekomst in petto. De Russen kwamen daardoor hevig in botsing met Japan, dat economisch-militair steeds sterker werd. Rusland had na de Bokser-opstand in 1900 Mantsjoerije bezet, maar beloofd om dat voor een bepaalde datum te ontruimen.

Dit gebeurde niet en als gevolg daarvan brak er een oorlog met Japan uit die duurde van 1904-1905. Deze oorlog viel onder de eigen bevolking zeer slecht, waarna de Russische regering beloofde een volksvertegenwoordiging, de ‘doema’, in het leven te roepen. In augustus 1905 werd echter bekend dat de bevoegdheden van de doema zeer beperkt zouden worden, en dat leverde weer veel protest op onder de bevolking. De regering koos nu eieren voor haar geld en er werden vergaande burgerlijke vrijheden en democratisch kiesrecht beloofd.
Toen de doema echter stelling koos tegen de regering, volgde meteen een overspannen reactie en de doema werd meteen ontbonden. Er werd een tweede doema opgericht maar deze had nog radicalere standpunten en werd eveneens ontbonden. Ook de derde doema (1907) hield het niet lang vol en ook de vierde doema (1912) raakt steeds meer in conflict met het regime.
Bovendien stelden ook de boeren, arbeiders en intellectuelen zich steeds vijandiger op tegenover de op conservatieve kringen (adel en kapitalisten) steunende regering.

Russische Revolutie

Het Russische tsarisme was begin 1917 zeer verzwakt door de nederlagen en verliezen in de Eerste Wereldoorlog en de grote kloof die er ontstaan was tussen grootgrondbezitters en ondernemers en boeren en arbeiders.
Op 17 februari 1917 brak er een broodoproer in Petrograd uit. De machthebbers schakelden het leger in maar de soldaten weigerden in te grijpen. Om de orde te herstellen stelde de doema een uitvoerend comité in, terwijl de arbeiders samen met soldaten raden, de zogenaamde ‘sovjets’, vormden. Als reactie hierop koos de legerleiding de kant van de sovjets, waarna de tsaar aftrad en de macht overdroeg aan zijn broer Michaël. Hij weigerde echter, waarna de doema een voorlopige regering onder leiding van vorst Lvov aanstelde.
De socialisten , verdeeld in revolutionaire socialisten en sociaal-democraten, kregen steeds meer invloed door het oprichten van nog meer sovjets. Deze sovjets organiseerden vele provinciale en een belangrijk landelijk congres, waaruit in juni een centraal uitvoerend comité gekozen werd, dat optrad als officiële vertegenwoordiger van alle sovjets tegenover de voorlopige regering.

De positie van die regering werd ondertussen steeds zwakker, waarbij het plaatselijke bestuur vaak al door de sovjets overgenomen was. Op dat moment waren de doema en de politieorganisatie al verdwenen. Het programma van de voorlopige regering, doorgaan met de oorlog in Europa, geen opheffing van het grootgrondbezit en een liberale staatsvorm, zorgde voor grote onrust.
In april 1917 volgde een demonstratie tegen de oorlogszuchtige minister Miljoekov, waarna duidelijk werd dat de voorlopige regering het niet zou redden zonder de socialisten. Op 5 mei werd er dan ook een coalitieregering gevormd met de gematigde socialisten. Hun beleid werd vanaf het begin bestreden door de leider van de zogenaamde ‘bolsjewieken’, Lenin. Zijn belangrijkste eis was dat alle macht aan de sovjets toekwam.
Toen de minister van Oorlog, Kerenski, toch door ging met oorlogvoeren en vervolgens een zware nederlaag leed in Galicië, brak er in Petrograd een opstand uit onder leiding van de bolsjewieken, die nu alle macht aan de sovjets eisten. Het centrale uitvoerende comité van de sovjets weigerde echter mee te werken en de bolsjewistische partij werd verboden en Lenin vluchtte naar het buitenland. De voorzitter van de belangrijke Petrograder sovjet, Trotski, werd gearresteerd.

Op 27 augustus dreigde er nog een opstand van de opperbevelhebber van het leger, generaal Kornilov. De meeste van zijn soldaten pleegden echter insubordinatie, waardoor deze door liberalen en conservatieven gesteunde poging om een militaire dictatuur te vestigen, mislukte.
Kerenski wist het nu ook niet meer en er ontstond een machtsvacuüm. Boeren namen steeds vaker landgoederen in bezit en fabrieksarbeiders sloten zich massaal aan bij de bolsjewieken, die het in grote steden als Moskou en Petrograd min of meer voor het zeggen hadden. Eind september kondigde Lenin vanuit Finland een gewapende opstand voor, die door Trotski voorbereid werd. Op 25 oktober werden in Petrograd strategische punten bezet door de troepen van Trotski. In Moskou en Zuid-Rusland werd nog wat verzet geboden, maar in feite stuitten de bolsjewieken nergens op grote tegenstand. Op 26 oktober werd het tweede algemene congres van alle sovjets gehouden, waar de bolsjewieken duidelijk in de meerderheid waren. Op voorstel van Lenin werd dan ook de eerste officiële bolsjewistische regering gekozen.

Periode Lenin

De afwikkeling van de Eerste Wereldoorlog zorgde voor de nodige problemen. Op 2 december 1917 werd er een moeizame wapenstilstand gesloten. De Duitsers zetten nog een keer aan voor een offensief, maar op 3 maart 1918 werd de Vrede van Brest-Litovsk gesloten, waarmee er einde kwam aan de oorlog aan het oostfront. Lenin was de grote animator achter dit vredesverdrag, zeer tot ongenoegen van een groot aantal bolsjewieken en de linkse sociaal-revolutionairen in de regering.

Om de macht te behouden werden er een aantal decreten uitgevaardigd en de politieke oppositie had het zwaar te verduren, o.a. door censuur en het toepassen van geweld door de geheime politie, de Tsjeka. De echte macht van de bolsjewieken beperkte zich echter alleen tot Centraal–Rusland.
Vanaf de lente van 1918 deden de antibolsjewieken pas echt van zich spreken. Zo veroverde het zogenaamde Tsjechoslowaakse legioen, Siberië, en de oostkust werd bezet door de Amerikanen en de Japanners. Rechtse groeperingen vormden legers maar vonden geen aanhang onder de boerenbevolking, die bang was de eigen grond kwijt te raken. De linkse sociaal-revolutionairen pleegden in juli 1918 een staatsgreep en pleegden diverse aanslagen, wat weer leidde tot een grote activiteit van de geheime politie. Deze burgeroorlog kon echter nooit door de ‘witten’ gewonnen worden, omdat zij te weinig georganiseerd waren en bovendien tegen een leger van 5 miljoen manschappen moesten opboksen.
Rusland was ondertussen ook in oorlog geraakt met Polen door een grensgeschil. Bij de Vrede van Riga, op 12 oktober 1920, werd een definitieve grens vastgesteld.
De ontwikkeling van het communisme, de macht aan het volk, hinkte op twee gedachten. Aan de ene kant werd de industrie versneld genationaliseerd maar aan de andere kant stond een versterkte partijdictatuur de ontwikkeling van de arbeidersmacht danig in de weg. Hierover bestond veel onvrede en dit leidde in maart 1921 tot een opstand in de garnizoensstad Kronstadt. Deze revolutie werd echter bloedig onderdrukt. In 1922 werd tussen de Oekraïense en de Wit-Russische Sovjet-Republieken en de Russische Socialistische Federatieve Sovjet-Republiek een verdrag getekend en de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken, de USSR, opgericht.

De onvrede onder grote groepen in de samenleving werd echter steeds heviger en Lenin besloot om wat vrijheden te verlenen, de zogenaamde Nieuwe Economische Politiek (NEP). De NEP had redelijk succes want ondanks aanvankelijke hongersnood en grote werkloosheid werd in 1928 het economische peil van 1913 weer bereikt.

Periode Stalin

Op politiek gebied was het nog steeds onrustig, en dat verergerde nog toen Lenin in 1922 ernstig ziek werd en de strijd om zijn opvolging begon. Aanvankelijk leek het Trotski te worden maar hij kreeg oppositie van een driemanschap waarvan de secretaris-generaal van de partij, Jozef Stalin, aan het langste eind trok. De strijd om de macht ging echter door; Stalin wilde de NEP-politiek aanhouden en het socialisme in één land nastreven, Trotski wilde een snelle industrialisatie ten koste van de boeren en streefde de permanente revolutie na. Eind 1927 werd Trotski op een zijspoor gezet en nam Stalin diens ideeën over en kwam lijnrecht tegenover zijn vroegere medestanders Boecharin, Rykov en Tomski te staan. Het verzet van deze groep werd in 1929 gebroken waarna één man alle macht in handen had: Stalin.

De buitenlandse politiek van Stalin stond in het teken van de ideologische verbreding van de communistische revolutie, maar ook in een traditionele politiek, waarbij de eigen staat voorop stond. De wereldrevolutie bleef dan ook uit en er werden steeds meer verdragen met andere landen gesloten, waarna erkenning volgde in 1924/1925. In 1921 werd er een verdrag gesloten met Turkije, in 1922 bij het Verdrag van Rapallo met Duitsland, maar na de moorden op communisten werd er een einde gemaakt aan de coöperatie met de regering van de Chinese leider Tjiang K’ai-sjek.
Binnenlands werd in 1928 het eerste vijfjarenplan in werking gesteld, waardoor men probeerde in snel tempo de (zware) industrie op een hoger niveau te brengen. In 1929 werd begonnen met een collectiviteitsprogramma voor de landbouw. De boeren werkten aanvankelijk niet mee en er volgde in 1932/1933 een grote hongersnood en een verlaagde levensstandaard door de geforceerde eenzijdige industrialisatie.
De periode Stalin werd verder gekenmerkt door persoonsverheerlijking en eigen ideeën mocht men er niet meer op nahouden. Na een aarzelende dooiperiode volgde er een periode van staatsterreur door de geheime politie in de periode 1936-1938. Belangrijke voormalige leiders werden veroordeeld en de gehele militaire top werd geliquideerd. Ca. 5% van de bevolking werd getroffen door de terreur.

Tweede Wereldoorlog

In de buitenlandse politiek trok men steeds meer naar het westen en niet naar Duitsland en Japan. Er werden zelfs allianties met landen als Frankrijk gesloten en men sloot zich aan bij de Volkenbond.
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog lukte het de Sovjets niet om samen te werken met de westerse mogendheden tegen het nationaal-socialisme van Duitsland. Toch werd er in augustus 1939 een verdrag gesloten met de Sovjet-Unie; het Molotov-von Ribbentrop-pact. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak deelden Duitsland en de Sovjet-Unie Polen, viel Rusland tevergeefs Finland aan maar annexeerde in 1940 de Baltische staten. Duitsland bleek echter niet te vertrouwen en in juni 1941 kwamen de twee grootmachten tegenover elkaar te staan.

De Duitse troepen drongen tot Moskou door en sloegen het beleg van Leningrad. Stalin trok op dat moment alle ambten in het land naar zich toe en was op dat moment partijleider, premier en volkscommissaris van Defensie. De Slag om Stalingrad zou de definitieve nederlaag van de Duitsers betekenen, en hierna trokken de Sovjet-legers in snel tempo richting Berlijn. Internationaal kwam de Sovjet-Unie versterkt uit de Tweede Wereldoorlog, want verschillende gebieden werden aan het rijk toegevoegd, waaronder Oost-Polen en het noordelijk deel van Oost-Pruisen. Na het einde van de oorlog in Europa viel de Sovjet-Unie Japan aan in Mantsjoerije en kreeg in het oosten de Koerillen en Zuid-Sachalin in bezit. Belangrijker nog dan deze veroveringen was het feit dat de Sovjet-Unie een beslissende invloed kreeg in de door haar bevrijde landen in Oost-Europa, met uitzondering van Joegoslavië. Alle landen in Oost-Europa kregen een communistisch regime en dat zou decennia lang het wereldnieuws voor een groot deel bepalen.
De naoorlogse periode stond in het teken van de persoonlijke dictatuur van Stalin, waarbij zelfs de communistische partij maar weinig in de melk te brokkelen had. Wetenschap en cultuur waren aan zeer strenge voorschriften gebonden en contacten met het Westen werden gelimiteerd. Zuiveringen en het opsluiten van dissidenten en andere ongewenste personen in zogenaamde ‘gulags’ waren aan de orde van de dag.

Periode Chroestsjov

Na dood van Stalin in 1953 ontbrandde er een strijd om de macht tussen Chroesjtsjov, Malenkov en Beria. In maart 1953 werd Chroesjtsjov partijsecretaris en in de jaren 1955-1957 werden zijn tegenstanders op een zijspoor gezet. Op het 20e partijcongres in 1956 rekende Chroesjtsjov af met de periode Stalin en het stalinisme, maar eigenlijk werden alleen de uitwassen van het regime bekritiseerd; het communistische stelsel bleef verder intact. Toch veranderde er voor het gewone volk wel degelijk wat, in die zin dat er wat meer persoonlijke vrijheden kwamen en de veiligheid meer gewaarborgd werd. Dit duurde echter maar kort want deze destalinisatie leidde in Tsjecho-Slowakije tot de ‘Poolse Lente’ en in Hongarije tot de Hongaarse opstand in 1956. De Sovjet-Unie kwam snel op haar schreden terug en de oude situatie was begin 1957 alweer hersteld.

Chroesjtsjov was ondertussen zowel partij- als regeringsleider en zijn tegenstanders waren uit de hoogste partijorganen verdwenen. Zijn economische politiek was steeds meer gericht op de consumptie-industrie en niet langer op de zware industrie.
Wat de buitenlandse politiek betreft waren er een aantal grote crises in de betrekkingen tussen het Oosten en het Westen, met name de Verenigde Staten. Enkele voorbeelden zijn het Suezkanaal (1956), Berlijn (1958) en de Cuba-crisis (1962). Ook de relatie met de andere communistische grootmacht China kwam onder zware druk te staan en leidde in 1963 zelfs tot een breuk. Grensgeschillen leidden o.a. in 1969 tot explosieve situaties die net niet uit de hand liepen. De in het algemeen slechte economische situatie in de Sovjet-Unie en vooral de moeilijke agrarische situatie leidden in 1964 tot de val van Chroesjtsjov.

Periode Brezjnev

Hij werd als partijleider opgevolgd door Leonid Brezjnev en als premier door Kosygin. Ook zij wisten echter geen economische doorbraak te forceren, integendeel, de economische problemen stapelden zich steeds meer op.
De periode Brezjnev-Kosygin kenmerkte zich in het binnenland door een definitieve terugkeer naar de repressieve politiek van vóór de destalinisatie. De geheime dienst (KGB) en justitie waren er constant op uit om de zogenaamde ‘democratische oppositie’ subtiel dan wel hardhandig buitenspel te zetten. Vele dissidenten werden ook gedwongen naar het westen te emigreren.
Toch stak de oppositie onder intelligentsia en de (verboden) kerken steeds weer de kop op en kwamen daardoor steeds harder tegenover het partijkader en het leger te staan. Het marxisme-leninisme als ideologie verloor in die jaren onder de bevolking steeds meer terrein, terwijl vooral in militaire kringen het Russisch nationalisme sterk opleefde.

De buitenlandse politiek onder Brezjnev neigde steeds meer naar ontspanning, ondanks de slechte relatie met China en bijvoorbeeld de Sovjetinval in Tsjecho-Slowakije (1968). Met name de relatie met de Bondsrepubliek Duitsland verbeterde aanzienlijk en belangrijk was dan ook de normalisatie in de betrekkingen tussen de Duitse Demokratische Republiek, een vazalstaat van de Sovjet-Unie. Een goed teken was de ondertekening door de Sovjet-Unie van de Slotakte van Helsinki in 1975.
De relatie met de Verenigde Staten was in het begin van de jaren zeventig redelijk goed te nomen onder het presidentschap van Richard Nixon. Na Nixon volgde onder Carter en Reagan weer een afkoelingsperiode die onder andere veroorzaakt werd door de Sovjetexpansiedrift in de derde wereld en ook de positie in het olierijke Midden-Oosten ten opzichte van de Amerikanen. De Sovjetinvasie en de daaropvolgende oorlog in Afghanistan (1979-1989) was een dieptepunt in de relatie tussen de beide grootmachten, en ook de militaire staatsgreep in Polen (1981) deed die relatie geen goed.

Periode Gorbatsjov

Na de dood van Brezjnev en de tussenpauzen Andropov en Tsjernenko, kwam Michail Sergejevitsj Gorbatsjov aan de macht en hij werd op 11 maart 1985 tot secretaris-generaal van de Communistische Partij benoemd.
Gorbatsjov’s politiek was gebaseerd op openheid (‘glasnost’) en vernieuwing (‘perestroika’). Op het 27e partijcongres in 1986 werd besloten tot een verbetering en vervolmaking van het kiessysteem en verbetering van het werk van de gekozen organen van de volksmacht. Wel bleef de partij de leidende kracht achter dit proces.
Op 10 januari 1988 was het zover: bij tussentijdse verkiezingen voor de Opperste Sovjet was er een keuze mogelijk tussen twee kandidaten voor één zetel in een kiesdistrict. Het waren de eerste vrije verkiezingen sinds november 1917, zij het dat beide personen wel lid waren van de communistische partij. Na het 19e partijcongres volgden in december 1988 grondwetswijzigingen ten aanzien van het kiesrecht, het parlement en de rechterlijke macht. Gorbatsjov werd naast partijleider ook voorzitter van het parlement. Dit parlement zou vanaf deze tijd mede de politiek in Rusland gaan bepalen. Het tot dan toe machtige politbureau verloor steeds meer macht en ook het partijapparaat werd langzaamaan ontmanteld.

Als gevolg van deze ingrijpende ontwikkelingen begonnen in de deelrepublieken allerlei nationalistische stromingen te ontstaan die al snel op volledige soevereiniteit aandrongen. Verkiezingen in deze republieken werden natuurlijk allemaal gewonnen door nationale volksfronten.
Op 11 maart 1990 riep Litouwen eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Het Sovjetparlement reageerde hierop door een wet aan te nemen waarin de contouren van een nieuwe federatieve structuur werden vastgelegd. Door een Wet op de Uittreding aan te nemen probeerde men het tij nog te keren, maar dit zou vergeefs blijken te zijn. Estland en Letland ondernamen stappen richting autonomie en in de RSFSR (Rusland) van Boris Jeltsin werd een verklaring aangenomen waarin men zich soeverein verklaarde. In concreto hield dit in dat de RSFSR zelf zou beslissen of een door de Sovjet-Unie aangenomen wet ook op haar grondgebied zou gelden (de zogenaamde wettenoorlog).
Gedwongen door de veranderende omstandigheden verscheen op 24 november 1990 de eerste tekst van het ontwerp van een nieuwe Unie-overeenkomst. Gorbatsjov begon zich in deze periode te omringen met wat behoudende adviseurs en ministers om de macht in het centrum te herstellen. Op 17 maart 1991 werd er een referendum gehouden over het behoud van de Sovjet-Unie en er volgde overleg tussen Gorbatsjov, Jeltsin en de leiders van de acht overige republieken.
Dit overleg leidde op 23 april tot een overeenkomst tussen Gorbatsjov en de republieken. De nieuwe tekst van de Unie-overeenkomst zou op 20 augustus ondertekend worden, maar zover kwam het niet. Op 17 augustus besloten de conservatieve leiders van de republieken tot een coup, die echter zeer slecht was voorbereid en door de geringe medewerking van het leger mislukte. Het moedige optreden van Jeltsin, die in juni 1991 al tot president van de Federatie gekozen was, zou van belang zijn voor de verdere geschiedenis van Rusland.
Het gevolg was echter wel dat de republieken de conclusie trokken dat de Sovjet-Unie niet meer bestond. Op 5 september ging het Congres van Afgevaardigden hier mee akkoord en stelde een overgangstijd voor. Verder erkende de Sovjet-Unie de onafhankelijkheid van de drie Baltische staten.
Op dat moment werd er onderhandeld over een Economische Gemeenschap, maar de Oekraïne had grote aarzelingen. Ten tijde van de coup in augustus had deze belangrijke republiek zich al onafhankelijk verklaard en had daarvoor een referendum uitgeschreven. De bevolking stemde massaal vóór en de Oekraïne verklaarde zich meteen officieel onafhankelijk, daarmee feitelijk een einde makend aan het bestaan van de Sovjet-Unie.
Rusland, Oekraïne en Belarus (Wit-Rusland) richtten eind december de Slavische Bond op, die op 21 december werd uitgebreid met de meeste andere republieken tot het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (Sodruzjestvo Nezavisimych Gosudarstv). In het zuiden van Rusland riepen de Tsjetsjenen in 1991 de republiek Tsjetsjenië uit.

Periode Jeltsin

Op 25 december 1991 trad president Gorbatsjov af en de Sovjet-Unie werd op 1 januari 1992 officieel opgeheven. Op die datum werd de Russische Federatie officieel een onafhankelijke staat.
Jeltsin nam meteen enkele forse economische beslissingen; zo werd de staatscontrole op prijzen losgelaten en werden staatsbedrijven geprivatiseerd. Met name de eerste maatregel leidde wél tot een hyperinflatie, waardoor de belabberde economische situatie niet erg verbeterde.

In maart 1993 diende het Volkscongres een motie van wantrouwen in richting Jeltsins economische en politieke hervormingen, maar de benodigde tweederde meerderheid werd net niet gehaald. Een referendum omtrent deze zaken pakte wel gunstig voor Jeltsin uit, waardoor hij zijn positie aanzienlijk versterkte. De crisis rond Jeltsin duurde echter voort want in september ontzegde het congres Jeltsin het recht op o.a. wetgeving. In een stemming werd voor de afzetting van Jeltsin gestemd en vice-president Alexandr Roetskoj werd president. De nieuwe president en parlementsvoorzitter Chasboelatov riepen zelfs op tot een opstand tegen Jeltsin. Gewapende aanhangers van beide figuren bezetten het stadhuis en het televisiecentrum van Ostankino op 3 oktober 1993.
Jeltsin-getrouwe troepen maakten snel een einde aan de opstand en Roetskoj en Chasboelatov werden gevangengenomen. In december werden er weer verkiezingen gehouden en een referendum. Er werd tevens een nieuwe grondwet aangenomen die de president nog meer bevoegdheden gaf. Ook de communisten en ultrarechts kregen veel stemmen waardoor de regering steeds conservatiever werd. Tekenend was dat in januari 1994 twee belangrijke hervormers, Gajdar en Fjodorov, het veld moesten ruimen.
In februari werden alle personen die bij pogingen tot staatsgreep in 1991 en 1993 gevangenzaten, vrijgelaten. Tsjetsjenië stond in 1994 ook weer volop in het nieuws. In de tweede helft van 1994 ontstond er een conflict tussen de Tsjetsjeense president Doedajev en de pro-Russische oppositie. Jeltsin stelde een ultimatum maar eind december trokken Russische troepen Tsjetsjenië binnen en vonden er bloedige gevechten plaats. Als wraak gijzelden Tsjetsjeense rebellen in juni 1995 ca. 1500 mensen van de Russische stad Boedjonnovsk. Russische veiligheidstroepen probeerden de gijzeling te beëindigen maar daarbij vielen wel ca. 100 doden.

Eind juli trokken de Russische troepen zich terug, hoewel er over de soevereiniteitsvraag nog lang geen overeenstemming bereikt was. In juni 1994 sloot Rusland zich aan bij het Partnerschap voor de Vrede van de NAVO, maar bleef zich wel sterk verzetten tegen uitbreiding van de NAVO met de toetreding van enkele voormalige Oostbloklanden.
Verkiezingen voor de Doema in 1995 lieten duidelijk zien hoe groot de onderlinge verdeeldheid was. De communisten en de ultra-nationalistische Liberaal-Democratische Partij behaalden veel stemmen als gevolg van de steeds slechter wordende sociaal-economische toestand waar het land in verkeerde.
De economische crisis hield aan ondanks de stijging van de industriële productie en de groei van de economie in 1995. De belangrijkste reden hiervoor was dat de overheidstekorten niet te lijf weerden gegaan met het simpel bijdrukken van geld. Ondanks geruststellende cijfers van de overheid was algemeen bekend dat meer dan 40% van de beroepsbevolking werkloos was.
De presidentsverkiezingen van juni en juli 1996 werden weer gewonnen door Jeltsin, die in de tweede ronde de communist Zjoeganov versloeg. Jeltsin ging weer verder met economische hervormingen maar het enige wat enigszins lukte was het terugdringen van de inflatie. Om de hervormingen onverkort door te laten gaan werd in 1997 Anatoli Tsjoebais tot vice-premier en minister van Financiën en Boris Nemtsov tot vice-premier benoemd. De strijd in Tsjetsjenië was ondertussen gewoon doorgegaan en in april 1996 vond rebellenleider Doedajev de dood. In augustus werd er een wapenstilstand gesloten en op 12 mei 1997 volgde de ondertekening van een vredesverdrag. Eind februari 1996 was Rusland al lid geworden van de Raad van Europa.
In maart 1998 ontsloeg Jeltsin zonder nadere aankondiging het voltallige kabinet van premier Tsjernomyrdin.

De Russische Federatie speelde in 1999 in de Kosovo-crisis een belangrijke rol. De Russen waren nauw betrokken bij de onderhandelingen tussen de Serviërs en de Kosovaren tijdens de onderhandelingen in februari en maart in Rambouillet en Parijs. Rusland stond duidelijk aan de kant van de Serviërs, en was dan sterk gekant tegen de NAVO-luchtacties boven Servië na het mislukken van de onderhandelingen. Uiteindelijk zouden de Russen een belangrijke rol spelen bij het vinden van diplomatieke oplossing van het conflict.
Op 6 mei ging Rusland akkoord met de voorwaarden voor de stopzetting van de bombardementen. Servië verloor daarmee een van zijn belangrijkste medestanders en er zat niets anders op dan de eisen van de G8 begin juni op te volgen. Om de vrede te bewaren stuurde Rusland meer dan 3600 militairen naar Kosovo.

Periode Poetin

Op 12 mei 1999 ontsloeg president Jeltsin premier Primakov en al zijn ministers. Minister van Binnenlandse Zaken en eerste vice-premier Stepasjin werd door Jeltsin aangewezen als opvolger, maar deze werd op 9 augustus plotsklaps ontslagen.

Jeltsin droeg daarop het hoofd van de geheime dienst en voorzitter van de presidentiele Veiligheidsraad, Vladimir Poetin, aan als opvolger van Stepasjin. Tevens wees hij Poetin aan als zijn beoogde opvolger.
De Doema-verkiezingen van 19 december 1999 werden glorieus gewonnen door Poetin en zijn Eenheid-partij. Poetin was populair onder de bevolking door de harde aanpak van de problemen in de opstandige Republiek Tsjetsjenië.
Op 31 december 1999 maakte president Jeltsin volkomen onverwacht zijn aftreden bekend en benoemde premier Poetin tot waarnemend president.

2000

Op 26 maart 2000 vonden er presidentsverkiezingen plaats en Poetin werd met een absolute meerderheid van stemmen tot president gekozen en op 7 mei beëdigd. Poetin benoemde Michaïl Kasjanov tot premier.

Poetin’s prioriteit was de versterking van het centrale staatsgezag en het handhaven van de wet. Hij wilde hierdoor de macht van de regio’s en de autonome republieken beperken, uiteraard met als schrikbeeld Tsjetsjenië in het achterhoofd. Hij richtte op 13 mei per decreet zeven federale districten op om toezicht te houden op de naleving van de federale wetten.
Op 28 juni presenteerde de nieuwe regering een hervormingsprogramma voor de periode 2000-2001, waarin de hervorming en vereenvoudiging van het belastingstelsel, de modernisering van het bankwezen en de vergroting van het toezicht op geprivatiseerde monopoliebedrijven, zoals Gazprom, centraal stonden.
Verder verklaarde Poetin de oorlog aan de 'oligarchen', de groep zakenlieden die onder Jeltsin het grote geld hadden verdiend en grote politieke invloed hadden verworven. De belastingdienst en justitie begonnen onderzoeken naar verschillende magnaten, die werden verdacht van verduistering en belastingontduiking.
Op 6 februari 2000 wisten Russische militairen na een maandenlange belegering de Tsjetsjeense rebellen uit het volledig verwoeste Tsjetsjeense hoofdstad Grozny te verdrijven. Dit lukte, maar de rebellen trokken zich terug in de bergen en begonnen guerrillaoorlog die honderden Russische militairen het leven zou gaan kosten. Ondanks enkele kleine militaire successen slaagden de Russen er niet in om de rebellen definitief op de knieën te krijgen. De burgers van Tsjetsjenië leden zwaar onder voortdurende bombardementen en dat lokte grote internationale kritiek uit.
Op 12 augustus zonk de Koersk, een atoomonderzeeboot van de Russische marine, tijdens oefeningen in de Barentsz-zee. De Russische autoriteiten raakten door het ongeval ernstig in opspraak en pas eind oktober slaagden duikers erin twaalf lijken uit de onderzeeboot te halen.

In 2000 bleef de verhouding met de NAVO koel, al werd de dialoog hervat die Rusland in 1999 uit protest tegen de NAVO-luchtaanvallen op Servië had gestaakt. Poetin verklaarde zich wel voorstander van verdergaande vermindering van Amerikaanse en Russische kernwapens.
Op 9 november aanvaardde de Russische Veiligheidsraad het plan om de omvang van de Russische strijdkrachten binnen vijf jaar te verkleinen van 3 naar 2,4 miljoen manschappen.
De economie groeide in 2000 flink met meer dan 8%, terwijl de industriële productie met hetzelfde percentage steeg. De inflatie werd teruggebracht tot zo'n 20%, terwijl de valutareserves en het handelsoverschot fors toenamen. Toch was de Russische economie nog steeds in verval, met nog steeds een slecht investeringsklimaat als gevolg van bureaucratie, gebrekkig financieel toezicht, kapitaalvlucht, corruptie en criminaliteit.

2001

President Poetin ging dit jaar door met zijn hervormingsbeleid, met als speerpunten de verkleining van het ambtenarenapparaat, de hervorming van het rechtssysteem en vermindering van de bureaucratie. Belangrijk voor de bevolking in de steden was de invoering van een wet op particulier grondbezit, die het mogelijk maakte om land te kopen, te bezitten en te verkopen.
President Poetin verstevigde op 29 maart zijn greep op de Russische strijdkrachten met het ontslag van minister van Defensie Sergejev en de benoeming van zijn politieke bondgenoot Sergej Ivanov als opvolger. Sergejev was altijd tegen de plannen van Poetin ter hervorming van de Russische krijgsmacht geweest, en kreeg daarvoor nu de rekening gepresenteerd.

De Russische pogingen het verzet in de afvallige autonome republiek Tsjetsjenië te breken, mislukten. Informele contacten met de Tsjetsjeense president, Aslan Masjadov, leidden uiteindelijk niet in onderhandelingen. De door Rusland geïnstalleerde lokale regering wist geen gezag te verwerven, waardoor Russische militairen en Tsjetsjeense rebellen de bloedige strijd in alle hevigheid voortzetten. De rebellen waren niet alleen in Tsjetsjenië zelf actief. In maart 2001 kaapten zij in Turkije een Russisch verkeersvliegtuig en ontploften in Zuid-Rusland drie autobommen.
Toch nam de internationale steun voor het Russische optreden in Tsjetsjenië toe, maar dat was louter een gevolg van de aanslagen van 11 september op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington. Bij zijn steunbetuiging aan de strijd tegen het internationaal terrorisme zei president Poetin dat de oorlog in Tsjetsjenië hierbij niet buiten beschouwing kon blijven. Ook daar ging het volgens hem om terrorismebestrijding. President Bush riep in navolging van Poetin de Tsjetsjeense rebellen op hun contacten met internationale terroristen te verbreken. Ook binnen Rusland groeide de steun voor het militaire optreden in Tsjetsjenië na 11 september.
Rusland ontwikkelde zich in 2001 tot een belangrijke strategische partner van het Westen en ook dit was te danken aan de terroristische aanslagen van 11 september op de Verenigde Staten. Na de aanslagen zegde president Poetin steun toe aan de internationale campagne tegen het terrorisme en stemde volledig in met de Amerikaanse luchtaanvallen op Afghanistan. Tijdens een bezoek aan Duitsland riep Poetin op tot de oprichting van een nieuw veiligheidsstelsel, met daarin belangrijke rollen voor Europa en Rusland. Ook met de NAVO werd de samenwerking verdiept. Poetin nuanceerde het Russische verzet tegen de uitbreiding van de NAVO en ook de banden met de Verenigde Staten werden aangehaald.
De relatie met China, de grootste afnemer van Russische wapensystemen, werd ook steeds beter. Beide landen sloten op 16 juli een vriendschapsverdrag.
De economie deed het in 2001 opnieuw goed, en groeide met zo'n 5%; de industriële productie steeg met 4% en de inflatie bleef met 20% stabiel. Rusland verstevigde zijn financiële positie aanzienlijk. Rusland hernieuwde met steun van de Verenigde Staten zijn inspanningen om toe te treden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Toch was er zoals altijd veel reden tot zorg. Het positieve effect van de stijgende olie- en gasprijzen en van de devaluatie van de roebel raakte stilaan uitgewerkt, terwijl de Russische economie nog steeds gebukt ging onder bureaucratie, corruptie, een verouderde infrastructuur, slecht management en veel te weinig buitenlandse investeringen. De kwaliteit van de gezondheidszorg en van het onderwijs ging door een tekort aan geld steeds verder achteruit.

2002

President Poetin handhaafde zijn sterke politieke positie en bleef ook bij het gewone volk populair, ondanks de uitzichtloze oorlog in Tsjetsjenië. In de Doema beschikte hij over een geruststellende meerderheid van leden die hem goed gezind waren. Het werd nog beter voor hem toen in februari Eenheid en Vaderland-Heel Rusland (OVR) fuseerden en verder gingen onder de naam Verenigd Rusland.
De waardering voor zijn doortastende optreden tijdens het gijzelingsdrama in Moskou, in oktober, deed zijn waarderingscijfer in november volgens een opiniepeiling zelfs stijgen tot een recordhoogte van 83%. Op 23 oktober overvielen 50 Tsjetsjeense rebellen een musicaltheater in Moskou en gijzelden meer dan 750 bezoekers. De rebellen eisten de beëindiging van de oorlog in Tsjetsjenië en de onmiddellijke terugtrekking van het Russische leger.

Na 58 uur maakten Russische commando's een eind aan de gijzeling en maakten daarbij gebruik verdovend gas. Het idee was prima, maar meer dan 120 gijzelaars vonden de dood vanwege ademhalingsproblemen. De gang van zaken leidde tot een storm van kritiek op de Russische autoriteiten.
Voor het eerst erkende Poetin de noodzaak van een politieke oplossing voor Tsjetsjenië, ook al nam hij weer krachtig stelling tegen de islamitische extremisten. Hij kondigde aan de militaire druk op de rebellen te zullen opvoeren. Hij verklaarde nooit zullen onderhandelen met de rebellen, ook niet met president Aslan Masjadov.
De patstelling in Tsjetsjenië duurde ook 2002 voort. Het Russische leger controleerden vrijwel heel Tsjetsjenië, maar de rebellen bleven aanvallen uitvoeren en aanslagen plegen. Daarbij vielen vrijwel dagelijks doden en gewonden, evenals bij Russische tegenacties.
In de zomer liepen de spanningen met Georgië hoog op. Volgens Rusland trad Georgië niet op tegen de Tsjetsjeense rebellen, die vanuit de Pankisi-kloof uitvallen zouden doen naar Tsjetsjenië. Op 7 oktober bereikten Rusland en Georgië een akkoord over gezamenlijke grensbewaking.
Een congres van pro-Russische Tsjetsjenen werd het eens over het houden van een referendum over een nieuwe grondwet, gevolgd door presidentsverkiezingen, in maart 2003. Uitgangspunt was dat Tsjetsjenië integraal onderdeel zou blijven van de Russische Federatie, maar grotendeels autonoom zou worden. Poetin verklaard positief te staan tegenover het voorstel, maar de rebellen maakten al snel duidelijk er niets voor te voelen. Bij een zelfmoordaanslag werd het gebouw van de pro-Russische administratie in Grozny volledig verwoest, en er vielen vele doden en gewonden.
President Poetin hield dit jaar vast aan zijn pro-westerse koers, die hij had ingezet na de aanslagen van 11 september 2001. Tijdens het staatsbezoek van de Amerikaanse president Bush aan Moskou ondertekenden beide presidenten op 24 mei een verdrag ter vermindering van hun nucleaire arsenalen. Rusland kwam ook niet in verzet tegen de uitbreiding van de NAVO, waartoe het bondgenootschap in november 2002 besloot.

De economie groeide in 2002 met 4%. De inflatie nam af tot ca. 15%. Het overschot op de betalingsbalans bedroeg 32 miljard dollar, zo'n 9% van het bbp. De staatsbegroting liet een overschot zien van 1,4%. De economische groei liep in de loop van 2002 terug, onder andere als gevolg van achterblijvende investeringen. De groeiende welvaart bleef echter buiten bereik van de 39 miljoen Russische gepensioneerden; zij ontvingen gemiddeld zo'n 40 euro per maand. Volgens minister-president Kasjanov leefde ongeveer 30% van de Russen onder de bestaansgrens.
De toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), een vurige wens van president Poetin, kwam in 2002 niet dichterbij, ondanks nieuwe Onderhandelingen met de WTO. Rusland vroeg het WTO-lidmaatschap al aan in 1993.

2003

Rusland zette het plan door om via een nieuwe grondwet en de verkiezing van een nieuwe president het conflict in Tsjetsjenië te beëindigen. Op 23 maart werd een referendum gehouden over de nieuwe grondwet, die bepaalde dat Tsjetsjenië onverkort deel bleef uitmaken van Rusland. 96% van de kiezers stemde vóór de wet, die Rusland verder meer zeggenschap zou geven in de autonome republiek. De kiezers stemden eveneens massaal in met de verkiezing van een nieuwe president en een nieuw parlement.
Mensenrechtenorganisaties bekritiseerden het referendum, onder meer omdat in Tsjetsjenië gelegerde Russische soldaten hun stem mochten uitbrengen. Op 5 oktober werden presidentsverkiezingen gehouden, en Achmed Kadirov, gesteund door Moskou, kreeg 81% van de stemmen.

Tekenend voor de situatie was wel dat de belangrijkste tegenkandidaten zich nog voor de verkiezingen teruggetrokken. Rebellenleider Aslan Masjadov, de wettig gekozen president van Tsjetsjenië, had het Russische plan verworpen.
De aanslagen op Russische doelen gingen ondertussen gewoon door. Dat gold ook voor de 'zachitski', de verdwijningen van Tsjetsjeense opposanten. In de eerste helft van 2003 zouden zo'n 1800 Tsjetsjeense mannen zijn gedood. President Poetin wilde ook nu absoluut niet onderhandelen met de rebellen, en werd daarin zelfs gesteund door de Amerikaanse regering. Deze zette zelfs voor het eerst Tsjetsjeense groeperingen op de lijst van terroristen, die ook in 2003 verschillende aanslagen pleegden. Ook Moskou kreeg te maken met een zware bomaanslag, die zestien levens zou kosten.
Poetin bleef ook in 2003 populair. Een opiniepeiling in juli wees uit dat, als op dat moment presidentsverkiezingen zouden worden gehouden, hij op 49% van de stemmen kon rekenen. De communist Gennadi Zjoeganov zou niet verder gekomen zijn dan 13%. Op 18 december verklaarde Poetin zich herkiesbaar te zullen stellen voor de presidentsverkiezingen van 14 maart 2004.
Rusland verzette zich in de maanden voor de Brits-Amerikaanse interventie tegen militair optreden door de Verenigde Staten tegen Irak. Volgens Moskou dienden de VN-wapeninspecteurs zoveel tijd te krijgen als zij nodig hadden om massavernietigingswapens te vinden. Rusland zou dan zijn veto uitspreken over een resolutie van de Veiligheidsraad die de weg zou vrijmaken voor militair ingrijpen. Enkele dagen eerder steunde Rusland het voorstel van Frankrijk en Duitsland om de wapeninspecteurs ten minste vier maanden extra de tijd te geven. Op 20 maart, na het begin van de oorlog, veroordeelden Rusland, Volksrepubliek China, Duitsland en Frankrijk het Amerikaans-Britse optreden. Toch was het opmerkelijk dat de relatie met de Verenigde Staten niet verslechterde. Dat kwam omdat president Poetin geen felle kritiek uitte. Hij zei zelfs dat een Amerikaanse nederlaag niet in het belang van Rusland was en dat de samenwerking met de Verenigde Staten zou worden voortgezet. Rusland drong na de val van Saddam Hussein aan op een centrale rol voor de Verenigde Naties en was tegen het Amerikaanse voorstel om de VN-controle op de Iraakse olie-export te beëindigen. Op 23 mei stemde Rusland in met resolutie 1483 van de VN-Veiligheidsraad. De resolutie erkende de Brits-Amerikaanse bezettingsautoriteit en voorzag in de aanwijzing van een speciale VN-gezant voor Irak. De top van Bush en Poetin op 26 en 27 september benadrukte nog eens dat de kwestie-Irak de onderlinge betrekkingen niet had geschaad. Zo nam Poetin afstand van de Franse eis om de soevereiniteit zo snel mogelijk aan de Irakezen over te dragen. De overdracht was volgens hem een complexe zaak en dat had meer tijd nodig.
Op 25 oktober werd Michail Chodorkovski, president-directeur en groot-aandeelhouder van oliemaatschappij Yukos, gearresteerd op beschuldiging van verduistering en belastingontduiking. De arrestatie werd in verband gebracht met zijn steun aan de belangrijkste oppositiepartijen, de conservatieve communisten en het hervormingsgezinde Jabloko. Hij zou te veel politieke invloed hebben en ook te veel kritiek op Poetin hebben geleverd.

Op 7 december werden er parlementsverkiezingen gehouden. Verenigd Rusland behaalde 37,57% van de stemmen, de communisten (KPRF) 12,61%, de Liberaal-Democraten van Zjirinovski 11,45% en het Moederland Blok 9,02%. De overige partijen haalden de kiesdrempel van 5% niet. De uitslag was een zware tegenvaller voor de oppositie, want de communisten verloren de helft van hun kiezers en de hervormingsgezinde partijen Jabloko en SPS halden de kiesdrempel niet eens en verdwenen uit de Doema. Poetin versterkte zijn positie, want Verenigd Rusland, de pro-presidentiële partij, behaalde 223 van de 450 zetels. Met behulp van twee Poetin welgezinde partijen leek de tweederde meerderheid die nodig is voor grondwetswijzigingen, binnen handbereik.
De economie ontwikkelde zich in 2003 opnieuw voorspoedig. Het bbp groeide met bijna 6% en de industriële productie met 7,5%. De inflatie nam verder af, tot 11,4%. De vreemde-valutareserves liepen op tot ruim 80 miljard dollar. De buitenlandse investeringen gingen omhoog. Toch bleef Rusland economisch kwetsbaar vanwege de grote afhankelijkheid van de export van olie en gas. De toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) liep opnieuw vast op de Russische weigering om de prijs van gas en olie in eigen land vrij te geven. Met Kazachstan, Oekraïne en Wit-Rusland werd de oprichting van een gemeenschappelijke economische ruimte overeengekomen.

2004

Het was allang duidelijk dat Poetin bij de presidentsverkiezingen op 14 maart zou worden herkozen. Hij kreeg 71,2 procent van de stemmen. Kort ervoor had hij zijn minister-president Michail Kasjanov en diens regering ontslagen, die hem bijna vier jaar had gediend, maar zich altijd als relatief onafhankelijk tegenover Poetin had opgesteld.

Waarnemers zagen het ontslag vooral als een verkiezingsstunt om kleur te geven aan een saaie presidentscampagne. Op 1 maart droeg hij de relatief onbekende bestuurder Michail Fradkov als premier voor en op 5 maart keurde de Doema de benoeming van de premier goed.
Op 9 mei werd bij een bomaanslag in het stadion van de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny de pro-Russische president van Tsjetsjenië, Achmed Kadirov, gedood. De aanslag werd waarschijnlijk gepleegd door Tsjetsjeense rebellen en betekende een zware klap voor het Tsjetsjenië-beleid van Poetin.

2005-heden

Poetin heeft nog steeds veel goodwill bij het grootste deel van de Russische bevolking, omdat velen in hem een sterke leider zien, en hij het economisch tij meeheeft: de Russische economie is heden ten dagen een van de sterkst groeiende ter wereld, al heeft deze wel een klap gekregen door de Yukos-affaire en is de economie volgens velen nog te sterk gericht op delfstoffen als olie en gas.

Tijdens het presidentschap van Poetin is wel vooruitgang geboekt met betrekking tot de landbouw. Eind 2005 ontstond het Russisch-Oekraïens gasconflict, dat ook enkele landen in Europa trof en wat sommige waarnemers ertoe bracht te zeggen dat Rusland de greep op zijn "nabije buren" probeert te versterken. De Russische economie is in toenemende mate gericht op India en China, waar onder andere veel vraag is naar Russische grondstoffen, wapentuig en kernenergietechnologie. Ook trekken veel Chinezen naar zuidelijke Siberische steden, wat sommige nationalisten ertoe brengt te spreken van een "invasie", maar andere prognoses geven aan dat de immigratie minder snel gaat als eerder gedacht.

Problemen zoals Tsjetsjenië, de negatieve bevolkingsgroei, de deplorabele staat van het Russische Leger (met onder andere de voortdurende problematische dedovsjtsjina), het nationaliteitenprobleem, de misdaad (zoals maffiagroeperingen) en het terrorisme zijn echter nog lang niet opgelost en kunnen vroeg of laat opnieuw op de voorgrond kunnen treden. Onder Poetin groeide verder de corruptie tussen 2001 en 2006 naar het zevenvoudige van de situatie van voor zijn presidentschap.

Poetin werd geacht af te treden na zijn tweede ambtstermijn in 2008. Verschillende groepen binnen Rusland hebben wel geprobeerd om Poetin te doen overwegen om alsnog een derde ambtstermijn te aanvaarden door de grondwet te veranderen, voornamelijk uit angst dat Rusland na het aftreden van Poetin in elkaar zal storten. Uit de Russische presidentsverkiezingen van mei 2008 is Poetin's geestverwant en partijgenoot Dmitri Medvedev als winnaar naar voren gekomen. Poetin zal het premierschap onder hem op zich nemen, en zoals door de partij wordt gezegd, als zijn grote broer optreden. Daarmee wordt het tijdperk Poetin feitelijk voortgezet.

In augustus 2008 loopt het conflict met Georgië uit tot een militair treffen. Na een week van vijandelijkheden tekenen de partijen een vredesovereenkomst. Rusland erkent wel de afvallige provincies Zuid-Ossetië en Abchazië. In januari 2009 stopt Rusland de gaslevering aan de Oekraïne. Uiteindelijk en na veel druk sluiten beide landen een nieuwe overeenkomst voor een periode van tien jaar. In juli 2009 sluiten Medvedev en Obama een overeenkomst om de voorraad kernwapens te beperken. Eind 2009 en begin 2010 zijn er zelfmoordaanslagen door moslim militanten uit de Kaukasus.

In juni 2010 bezoekt Medvedev Obama in het Witte Huis, de sfeer tussen beide leiders is ontspannen. In oktober 2010 ontslaat Medvedev de populaire burgemeester van Moskou, Juri Luzhov. In maart 2012 wordt Poetin weer tot president gekozen en in mei 2012 benoemt hij Medvedev tot premier. In augustus 2012 worden leden van de punkgroep Pussy Riot veroordeeld tot 2 jaar cel, de EU en mensenrechten organisaties protesteren tegen dit vonnis. In december 2013 is Poetin bezig met een charme offensief. Hij geeft zijn voormalige tegenstander Khodorkovski gratie en laat opvarenden van de Arctic Sunrise onder wie twee Nederlanders vrij. Er wordt verband gelegd met de Olympische spelen Van Sochi in februari 2014. Net na de olympische spelen breekt de crisis rond de Oekraïne uit. Rusland grijpt in om volgens eigen zeggen haar burgers in de Krim te beschermen. De Verenigde Staten en de EU kondigen sancties aan wanneer Poetin zijn troepen niet terugtrekt. In mei 2014 sluit Gazprom een deal met China om dat land 30 jaar van olie te voorzien. Het westen ziet dit als antwoord van Poetin op de dreigende sancties. In juni en juli 2014 krijgt Rusland veel kritiek over wapenleveranties aan de pro Russische separatisten. Vooral het drama rond het neerhalen van het Maleisische verkeersvliegtuig met 298 passagiers aan boord waaronder 194 Nederlanders wordt Rusland zwaar aangerekend wegens vermeende leverantie van zware wapens. In februari 2015 wordt oppositieleider Boris Nemtsov doodgeschoten voor het Kremlin. Vanaf september 2015 intervenieert Rusland in het conflict in Syrië met luchtaanvallen. Turkije haalt in november 2015 een Russisch vliegtuig neer, met spanningen en wederzijdse sancties tot gevolg.


RUSLAND LINKS

Advertenties
• Cheaptickets Rusland
• Rusland
• Rusland Vliegtickets WTC
• SRC Cultuurvakanties Rusland
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Rusland Hotels
• Rusland Sawadee Reizen
• Rusland Vliegtickets Tix.nl
• Autoverhuur Sunny Cars Rusland
• Transport Rusland - TTS Quality Logistics B.VRusland
• Eliza was here

Nuttige links

Alles over Rusland: Startpagina (N)
Lesexpres online cursus Russisch (N)
Reisinformatie Rusland (N)
Reizendoejezo – Rusland (N)
Romans over Rusland (N)
Rondreis door Rusland (N)
Rondreis Rusland (N)
Rusland Foto's
Rusland Middeneuropa (N)
Rusland Reisbijbel (N)
Rusland Reisforum (N)
Rusland Reisstart (N+E)
Rusland Reisverhalen en Foto's (N)
Rusland Startkabel (E+N)
Rusland Verzamelgids (N)
Artikelen en Reisverhalen over RUSLAND
  Van Novisibirsk naar Irkutsk  Authentiek Rusland te Vologda
  Rusland Vologda  Nieuwjaar in Astrakhan
  Rusland Vologda naar Moscow per ..  Rusland Voronesz
  Per oldtimer naar Petersburg  Rusland Oeral deel 1
  Rusland Vologda vadertje Vorst

Bronnen

Graaf, A. van der / Reis-handboek Sovjet-Unie
Elmar

Rusland, Centraal-Azië en de Kaukasus
The Reader’s Digest,

Russia & Belarus
Lonely Planet

Te gast in Rusland
Informatie Verre Reizen

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt August 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems