Landenweb.nl

LANGUEDOC-ROUSSILLON
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Frans
  Hoofdstad  Montpellier
  Oppervlakte  27.376 km²
  Inwoners  2.727.000
  (2013, laatst bekend)
  Munteenheid  euro
  (EUR)
  Tijdsverschil  +0
  Web  .fr
  Code.  FRA
  Tel.  +33

Populaire bestemmingen FRANKRIJK

ArdecheAuvergneBourgondie
BretagneCevennenCorsica
Cote d'azurDordogneElzas
JuraLanguedoc-roussillonLoiredal
LotNormandiePicardie
Provence

Geografie en Landschap

Geografie

Languedoc-Roussillon ligt in het zuiden van Frankrijk en wordt begrensd door het Rhône-dal, het Garonne-bekken, het Centraal Massief, de Pyreneeën en de Middellandse Zee. De regio heeft een oppervlakte van 27.376 km2, ca. 5% van geheel Frankrijk (Nederland 41.526 km2).

advertentie

Zuid-Frankrijk Satellietfoto NASAPhoto: Publiek domein

De streek Languedoc is te verdelen in de Haut-Languedoc en de Bas-Languedoc. De Haut-Languedoc ligt in het oosten en aan de Middellandse Zee en is verdeeld over de departementen Hérault, Tarn, en Aude, noordelijk van het Canal Midi. De Bas-Languedoc omvat het zuidwestelijke binnenland tussen de uitlopers van het Massif Central en die van de Pyreneeën en omvat de streken Minervois, Lauragais, Corbières en Pyrénées Audoises. De kust van Languedoc-Roussillon strekt zich over 240 km uit langs de Middellandse Zee, van de Côte Vermeille in het oosten tot de Camargue in het westen.

De Vallespir is de meest zuidelijke streek van Frankrijk en omvat verschillende soorten landschappen.

Vijf kilometer ten westen van Saillagouse ligt de voormalige hoofdstad van de Cerdagne, Llívia, nu op Spaans grondgebied. Deze 12 km2 grote Spaanse enclave ligt dus midden in Frankrijk!

In 1681 werd het 240 lange Canal du Midi opengesteld. Het kanaal (vóór 1789 ook Canal Royal en Languedoc en Canal des Deux-Mers) loopt door de Languedoc, van Sète naar Toulouse en van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan. Het kanaal telt 126 bruggen, 64 sluizen, 55 aquaducten en 7 kanaalbruggen. Het kanaal werd in 1996 opgenomen in de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Tegenwoordig wordt het kanaal alleen nog gebruikt door pleziervaartuigen.

Landschap

Languedoc-Roussillon wordt in feite begrensd door twee natuurlijke barrières, in het oosten de rivier de Rhône en in het westen het hooggebergte van de Pyreneeën. De kustvlakte van Languedoc-Roussillon wordt omgeven door een aantal bergketens en hoge plateaus, met van noordoost naar zuid Cevennen, Causse du Larzac, Monts de ‘Espinouse, Rouergue, Albigeois, Montagne Noire, Corbières en Pyreneeën.

De kustvlakte is iets meer dan 200 km lang en loopt van de Frans-Spaanse grens tot de Petite Camargue bij Aiges-Mortes. Door eeuwenlange verzanding ontstonden aan de kust zandstranden met daarachter meren, de ‘étangs’, die door een soort natuurlijke kanalen, de ‘graux’, met de zee verbonden zijn. Het zand dat door zeestromingen en door de Rhône werd aangevoerd zorgde langs de kust voor lagunes. De landtongen (‘barres’ of ‘lidos’) van die lagunes groeiden aan elkaar en aldus ontstonden grote meren en moerassen met brak water. In het uiterste zuiden bij de grens met Spanje heeft de Côte Vermeille een kustlijn van steil uit de zee oprijzend gebergte.

Tot Languedoc-Roussillon behoort ook een zuidoostelijke rand van het Massif Central. Ten zuiden hiervan ligt een groot gebied van causses (kalksteenplateaus), die doorsneden worden door kloven, ‘gorges’ genaamd. De grootste causse van Frankrijk is die tussen Millau en Lodève: de Causse de Larzac. De hoogste causse is de zeer dunbevolkte Causse Méjean. Tot de ´Causses Majeurs´ behoren verder nog de Causse de Sauveterre en de Causse Noir. Tot de kleinere ´Causses Mineurs´ behoren o.a. de Causse de Blandas en de zeer kleine Causse Bégon. De causses zijn zeer oud, zelfs ouder dan de Alpen of de Pyreneeën. De vorming van deze gebergten is de oorzaak geweest van veel plooiingen en scheuren in het landschap, die op hun beurt onder invloed van water en kalk voor een breed scala aan karstverschijnselen zorgden, o.a. dolomieten (grillige rotsformaties), onderaardse rivieren, ‘avens’ (gaten in de bodem met daaronder vaak enorme grotten), stalactieten (hangende zuilen) en stalagmieten (staande zuilen). De Aven Armand bevat ruim 400 stalagmieten, waaronder de hoogste ter wereld. Door erosie zijn er verder nog prachtige keteldalen of ‘cirques’ op de causses ontstaan. In mei 1995 werden de causses opgenomen in een nieuw regionaal natuurpark, ´Grands Causses´. Dit beschermde gebied behoort met een oppervlakte van meer dan 300.000 ha (bijna net zo groot als Friesland) tot de grootste van Europa.

advertentie

Druipsteengrot Aven Armand, Languedoc-RoussillonPhoto: Petr1888 CC 3.0 Unported no changes made

De Gorges du Tarn vormen een schitterend natuurverschijnsel. De Tarn ontspringt op de Mont Lozère op 1575 meter hoogte en scheidt de hooggelegen kalksteenplateaus Causse de Méjean. De Tarn wordt gevoed door regen die op de causses valt, in de poreuze grond verdwijnt en via zogenaamde ‘résurgences’ weer in de Tarn vloeit. Hier en daar komen ‘cirques’ voor, dat zijn keteldalen of krommingen in de rivier: Cirque de St-Chély, Cirque de Pougnadoires en Cirque des Baumes.

Tussen de causses en de kustvlakte liggen de Cevennen, een middengebergte met bergen, heuvels en dalen. Ten zuiden van de rivier de Aude ligt de Corbières, een laaggebergte en tevens belangrijke wijnstreek. Dit laaggebergte wordt in het westen begrensd door de vallei van de Aude en in het zuiden door de vlakte van de Fénouillèdes.

Het zuidelijk deel van deze vlakte bestaat uit uitlopers van de Pyreneeën. De vallei van de rivier de Agly loopt in de richting van de kust uit in een brede laagvlakte, de Vlakte van de Roussillion. Hier zijn de eerste toppen van de Pyreneeën al te zien, die ten zuiden van Argèles-sur-Mer tot aan de Middellandse Zee doorlopen. De hoogste toppen aan de Franse kant van de Pyreneeën zijn de Pic de Vignemale (3298 m), Pic de Puigmal (2910 m), Pic du Géant (2882 m) Pic de la Vache (2826 m) en de Pic de Canigou (2784 m). Lozère is met een gemiddelde hoogte van 1000 meter het hoogste departement van Frankrijk.

In het Parc Naturel Régional du Haut-Languedoc (145.000 ha) ligt de Sidobre, één groot blok graniet van 10 bij 10 km met een dikte van 10 km. Het gesteente is 285 miljoen jaar geleden gestold lava en bestaat uit de mineralen mica, kwarts en veldspaat.

Het departement Lozère telt 725 rivieren en vele grote en kleine meren. Van oost naar west stroomt dwars door het departement de rivier de Lot. De rivier ontspringt op de berg Goulot (1270 m), op de noordflank van de Lozère, en stroomt door de kleine kloven bij Le Bymard naar Bagnols-les-Bains, vervolgens via Mende naar de Causse de Sauveterre om het departement Lozère bij La Canourgue te verlaten. De waterval van Cupserviès is met 75 meter een van de hoogste van Europa (departement Aude).

Zeer bijzonder is het beschermde natuurmonument Les Orgues in het departement Pyrénées-Orientales. Hier zijn afzettingen te zien van twee miljoen jaar oud die een vreemde verzameling aardpijlers vormen. Het materiaal waar ze van gemaakt zijn erodeert zo snel dat het gebied om de 20-30 jaar totaal verandert.

De Gorges de la Fou is een van de smalste kloven ter wereld, 1700 meter lang, 250 meter diep en maar 1,5 meter breed.

De Cevennen vormen de laatste uitlopers van het Massif Central. Het gebied omvat de Mont Lozère, de ‘causses’ (Noir, Larzac, Sauveterre, Méjean, gorges du Tarn et de la Jonte), het dal van de Gardon en de Mont Aigoual (totale oppervlakte 91.279 ha). De Cevennen vormen een nationaal park: het Parc National des Cévennes. Tevens is het gebied in 1985 door de UNESCO uitgeroepen tot ‘mondiaal biosfeerpark’.

Het natuurreservaat Parc du Haut-Languedoc omvat het zuidwestelijke gedeelte van het Massif Central, feitelijk de overgang van het hooggelegen centrale deel van Frankrijk naar de Middellandse Zee. Het klimaat en de vegetatie worden beïnvloed door zowel de Middellandse Zee als de Atlantische Oceaan. Het gebied kent een groot aantal verschillende planten, waaronder veel orchideeën, en een fauna met onder andere moeflons, herten en koningsadelaars.

Klimaat en Weer

Over het algemeen heeft Languedoc-Roussillon een mediterraan klimaat met hete droge zomers, regenachtige winters en gematigde lente en herfst. Gemiddeld kan men ca. 300 dagen met zonneschijn verwachten, maar er zijn per gebied behoorlijke verschillen.

Na Corsica is Languedoc-Roussillon de warmste regio van Frankrijk (gemiddeld 4 graden hoger dan Parijs), met gemiddelde temperaturen tussen 13,5 en 16°C. Aan de kust, beschermd door de bergen, is het gemiddeld warmer en zonniger dan in het binnenland. In de hogere gelegen gebieden is het uiteraard wat koeler, en in de valleien is het veel vochtiger.

In de kustgebieden vriest het bijna nooit en de zomertemperaturen liggen in de zomer geregeld boven de 30°C. In het binnenland is het in de winterperiode een paar graden koeler en in de zomer een paar graden warmer dan aan de kust. Zo wordt Nîmes beschouwd als het warmste plekje van Frankrijk met een recordtemperatuur in 2001 van 43°C in de zomer van 2001.

Sommige gebieden in Languedoc-Roussillon hebben microklimaten. Zo hebben vlak naast elkaar gelegen valleien een droog dan wel een nat weertype. Het Massif de l’Aigoual is een van de belangrijkste waterreservoirs van het Massif Central. Door de voortdurende botsingen tussen wolken van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee bedraagt de gemiddelde neerslag ca. 2.25 meter per jaar. Het aantal mistdagen bedraagt gemiddeld 241 per jaar en de wind haalt hier snelheden van wel 250 km per uur.

Het weer in de Languedoc-Roussillon is een van de meest extreme in Frankrijk. Zo heeft het gebied niet alleen de warmste zomers, maar waait er het ook het hardst. Verder spectaculaire onweersbuien, hagelstormen en soms ernstige overstromingen.

In het noorden waaien in de zomer droge winden als de mistral (droge, koude noordenwind, afkomstig van het Massif Central; ca. 150 dagen per jaar) en de tramontane. De tramontane waait regelmatig (ca. 192 dagen per jaar) en komt uit het noordwesten van Frankrijk. Een paar dagen per jaar waait de hete sirocco, die veel Noord-Afrikaans woestijnzand met zich meebrengt. Minder bekend zijn de ‘cers’-winden, die vooral voorkomen in het gebied rond Béziers; de Marin, een warme zuidoostenwind vanuit zee; de Autun, een warme en vochtige zuidoostenwind in de Corbières en Montagne.

Samenvattend:

Planten en Dieren

Planten

Door het gevarieerde klimaat, de samenstelling van de bodem en de ingrepen van de mens in de natuur, komen er veel verschillende vormen van plantenleven voor in Languedoc-Roussillon.

Het beste voorbeeld van het ingrijpen van de mens is de olijfboom. Deze boom werd pas ca. 500 jaar v.Chr. door de Grieken ingevoerd. Ook karakteristieke bomen als de sinaasappelboom, de amandelboom, de cederboom, de eucalyptus, de mimosa en de palmboom zijn niet inheems. Even karakteristiek voor Languedoc-Roussillon, maar wel inheems, zijn de plataan, de cipres en de micocoulier, een soort iep. Veel voorkomende dennensoorten, met name in het bergachtige achterland, zijn de parasolden, de zeeden en de aleppoden. Hoe hoger het gebied, hoe meer sparren en lariksen men tegenkomt, vooral aan de schaduwzijden van de bergen. Aan de zonzijde vindt men ook nog veel beukenbomen.

Achter de kustvlakte, van Nîmes tot Narbonne, en in de Corbières komt de ‘garrigue’ vaak voor, de typische begroeiing (maximaal 2 m hoog) van arme kalkgronden, met o.a. een kleine variant van de steeneik, de ‘laurier-tin’, de salsapareille, de érable de Montpellier (soort esdoornstruik), de kermeseik, de buksboom, de cistusroos, de stekelbrem en kruiden als rozemarijn, tijm, lavendel, jeneverbes, wolfsmelk en verschillende grassen. Het woord garrigue is waarschijnlijk afgeleid van het Provençaalse woord ‘garric’, dat ‘boom van de rots’ betekent, waarmee de kermeseik wordt aangeduid (een andere uitleg is het Occitaanse ‘garoulia’, dat ook kermeseik betekent).

In de buurt van Narbonne ligt het berggebied Massif de la Clape. Hier groeit een knoopkruidachtige die uniek is, de Centaurea corymbosa; het plantje trekt veel krekels aan, waaronder drie soorten die nergens anders op de wereld voorkomen.

Op de subalpiene grasvelden van de Pyreneeën (ca. 2400 meter hoogte) groeien endemische soorten als de Pyreneeën-lelie, ridderspoor, boomvormige ganzerik en steenbreek.

De tamme kastanje is de meeste kenmerkende boom van de Cevennen. Deze elegante boom, die het uitstekend doet op de zure, voedselarme grond van de Cevennen, is vrijwel overal in de Cevennen te vinden.

De tamme kastanje werd ook wel de ‘broodboom van de Cevennen’ genoemd, omdat ze eeuwenlang een van de belangrijkste voedselbronnen van de Cevennen zijn geweest. Tegenwoordig zijn de meeste kastanjebossen verwaarloosd, verwilderd of ziek, en daardoor van weinig nut meer voor de bevolking.

De Petite Camargue is qua planten- en dierenwereld zeer divers. Dit komt bijvoorbeeld doordat het noordelijke deel veel minder zout is dan het zuidelijke deel. Het noorden wordt dan ook gekenmerkt door veel loofbomen, o.a. abeel, wilg, iep, els en es. De moerasachtige gronden kennen vooral veel lisdodde en riet.

De hogere delen van de Camargue zijn zeer droog door de zon en de mistral, die hier regelmatig waait. De vegetatie bestaat hier voornamelijk uit grasvlakten en op de gebieden met een hoog zoutgehalte groeit nog minder, o.a. kweldergrassen en zoutmelde. De duinen in het zuiden zijn begroeid met helmgras, blauwe zeedistel en mediterrane heesters.

De brakwatermeren van de Camargue zijn begroeid met waterranonkel, fonteinkruid en verschillende biezensoorten. Ook de ‘saladelle’, de tamarisk, het loogkruid, het lamsoor en zeekraal zijn planten die het prima doen in een brakke omgeving.

Dieren

Languedoc-Roussillon is onlosmakelijk verbonden met de roze flamingo's en de wilde paarden van de Camargue, maar er leven nog meer grote zoogdieren zoals de zwarte inheemse Camarguestier, het wilde zwijn en de moeflon. Kleine roofdieren zijn das, genetkat, lynx, bunzing, steenmarter en vos. In de Rhône zijn bevers uitgezet die het prima doen in hun nieuwe leefomgeving. Bijzonder is de zeldzame watermol, een waterzoogdier met een zuigsnuit. In een bosrijk park in Ste-Eulalie loopt een kudde Europese bizons of wisenten rond.

Reptielen, amfibieën en insecten zijn in dit deel van Frankrijk in vele varianten te vinden, waaronder verschillende soorten schildpadden, slangen (o.a. de 2 meter lange veldslang), hazelwormen, gekko’s, hagedissen (o.a. parelhagedis), kikkers (o.a. de lachkikker), salamanders, vlinders, kevers en bidsprinkhanen. De zangcicade is met zijn doordringende geluid typisch voor de sfeer in Languedoc-Roussillon.

Ook vele vogelsoorten vinden in Languedoc-Roussillon een leefomgeving, waaronder eksters, woudhoenders, gaaien, haviken, kerkuilen, leeuweriken, bonte spechten, groene spechten, goudborstjes, vinken, bonte vliegenvangers, sperwers, valken, steenarenden, slangenarenden, Bonelli-arenden en vale gieren.

De Middellandse Zee herbergt een zeer gevarieerde zeefauna met o.a. zee-egels, zeesterren, slangsterren, zeekomkommers, krabben, garnalen, kreeften, kwallen, zeeanemonen, sponzen, octopussen, sepia’s, pijlinktvissen, zeeschildpadden, hondshaaien, kathaaien, zeewolven, murenes en zeevissen als harder, zeegrondel, zeeaal, tonijn, geep, ombervis, bor, tong, zeebarbeel en boniet.

Het Nationale Park van de Cevennen herbergt 89 zoogdiersoorten, 208 vogelsoorten, 17 verschillende reptielen, 18 amfibiesoorten, 24 soorten vis en 1200 bloemsoorten. Een aantal diersoorten die van oorsprong hier thuishoorden, zijn met succes geherintroduceerd, waaronder herten, bevers, gemzen en vale gieren.

De Petite Camargue is qua planten- en dierenwereld zeer divers. Dit komt bijvoorbeeld doordat het noordelijke deel veel minder zout is dan het zuidelijke deel.

Met name in het zoetwatergedeelte van de Camargue komt de vogelaar volledig aan zijn trekken (ca. 300 soorten), met o.a. de roze flamingo (die in Europa alleen hier broedt!), ralreiger, koereiger, purperreiger, kwak, roerdomp, bruine kiekendief, zwarte ibis en veel moerasvogels. Op wat salamanders, kikvorsen en de moerasschildpad na, leven hier opmerkelijk weinig reptielen en amfibieën. Bijzonder zijn de moerasbevers, die zich van de gewone bever onderscheiden door hun ronde staart.

De droge, zoute gebieden van de Camargue worden bevolkt door dassen, vossen en konijnen. Ook de ertshazelworm, de ladderslang en de Girondijnse gladde slang komen hier voor.

Aan de oevers van de brakwatermeren leven broedkolonies van de zilvermeeuw, kokmeeuw, dwergstern, grote stern, kluut, tureluur en krooneend. De open watervlakten worden bewoond door steltkluut, wintertaling, tafeleend, kuifeend, smient, slobeend en pijlstaart.

In de étangs van de Petite Camargue worden schelpdieren als tapijtschelp, steenmossel en platschelp gevangen. De bekendste van de ca. vijftig vissoorten zijn paling, karper en snoekbaars in het zoete watergedeelte. In het brakke water zijn de zeenaald en het zeepaardje.

Het Parc Naturel Régional du Haut-Languedoc herbergt de belangrijkste concentratie moeflons in Europa.

Het natuurreservaat Réserve Naturelle le Forêt de la Massane is een insectenparadijs, met alleen al meer dan 1200 soorten kevers.

Geschiedenis

Prehistorie en oudheid

Het huidige Frankrijk is al zeer lang bewoond. De eerste bewoner van de Languedoc-Roussillon was de homo erectus, die hier ca. 450.000 jaar v.Chr. rondliep. In Tautavel zijn in de grot Caune de l’Arago beenderen en werktuigen van deze eerste bewoners gevonden.

Ca. 150.000 v.Chr. leefden hier de Neanderthalers en daarna de moderne mens, de homo sapiens. Ongeveer 7500 jaar geleden kwamen vanuit het Midden-Oosten de eerste landbouwers en veetelers naar het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied.

Duizend jaar later waren de rivierdalen en de kustvlakten al behoorlijk bewoond en tweeduizend jaar later maakte de mensen in deze streken al gebruik van paarden, ploegen en wagens met wielen. De bevolking groeide gestaag en trok richting Noord-Frankrijk.

Rond 1500 v.Chr. trokken de Oost-Europese Kelten, in Frankrijk Galliërs genoemd, naar West-Europa en bereikten in de ca. 5e eeuw v.Chr. het huidige Frankrijk.

In de 6e eeuw v.Chr. koloniseerden Grieken uit Klein-Azië gedeeltes van de huidige Languedoc-Roussillon en stichtten onder andere de Agathè (nu: Agde). De invloed van de Grieken duurde tot de 2e eeuw n.Chr.

Romeinse tijd

Tijdens het bewind van de Romeinen, vanaf 118 v.Chr., versmolt de Keltische (Gallische) cultuur met de Romeinse en vormde zo de Gallo-Romeinse cultuur. In die tijd was al een deel van het huidige Frankrijk, de Provincia Narbonensis (hoofdstad Narbonne), Romeins grondgebied. Deze Romeinse provincie omvatte destijds het huidige Languedoc-Roussillon en was de eerste ‘officiële’ Romeinse kolonie in Gallië. De rest van Gallië werd tussen 58 en 51 v.Chr. door Julius Caesar veroverd.

De Romeinse tijd was er een van grote welvaart en vrede, bovendien werd de christelijke godsdienst door de Romeinen verspreid. De grote welvaart was onder andere te danken aan het uitgekiende wegensysteem, met de Via Aquitania (Atlantische Oceaan – Middellandse Zee) en de Via Domitia (RomeSpanje). Arena’s, tempels, triomfbogen en aquaducten getuigen verder van de enorme invloed van de Romeinen in deze streek.

Gallië wordt Frankrijk

Na de ondergang van het Romeinse Rijk werd Gallië overspoeld door barbaarse stammen als de Alamannen, Vandalen en Visigoten. Het laatste volk maakte van de Provincia Narbonensis het hertogdom Septimanië en Germaanse Franken stichtten in Noord-Frankrijk een koninkrijk. In 496 bekeerde de Frankische koning Clovis zich tot het christendom en daarmee werd het Latijn de taal van de kerk, wetenschap en politiek. De ‘gewone’ Franken namen de Romaanse taal van de oorspronkelijke bevolking over en hieruit ontwikkelde zich de huidige Franse taal. Onder de Frankische koning Karel de Grote (742-814) breidde het Frankische Rijk zich enorm uit en omvatte op haar hoogtepunt geheel West-Europa. De graven van Toulouse stelden zich in die tijd onafhankelijk op van de Franse koning, en dit leidde tot de bloeiperiode in de 12-13e eeuw van de Occitaanse cultuur. De Occitaanse cultuur kwam ten einde door de Albigenzenkruistocht tegen de Katharen, maar uiteindelijk leidde tot de overname van de Languedoc door Noord-Frankrijk.

Ook Roussillon wordt Frans

In 1172 annexeerde de Koning van het Spaanse Aragon de Roussillon en er ontstond een machtige en welvarende staat. In de 13e eeuw werden de Balearen, waaronder Mallorca, door Aragon veroverd. Na de dood van de Aragonese koning werd het hele gebied in 1276 in tweeën opgesplitst en vormden de Balearen, de Roussillon en de heerlijkheid Montpellier het koninkrijk Mallorca met als hoofdstad Perpignan. In 1344 moest Mallorca de Balearen afstaan en in 1349 werd Montpellier verkocht aan Philippe de Valois en kwam er een einde aan het koninkrijk Mallorca.

In 1469 trouwde Ferdinand van Aragon met Isabella van Castilië waardoor bijna geheel Spanje in handen kwam van één dynastie. In die tijd werden ook de laatste Arabieren van het Iberische schiereiland verdreven en in 1640 werd zelfs het trotse Catalonië onderdeel van dit machtige rijk. In 1659 sloten Frankrijk, onder Lodewijk XIV, en Spanje het Verdrag van de Pyreneeën, waarbij de grens tussen beide landen bovenop het gebergte kwam te liggen. Dit hield tevens in dat de Roussillon voorgoed Frans grondgebied zou worden.

Protestantisme

De Languedoc werd al snel door het protestantisme beïnvloed, maar door de Franse overheid te vuur en te zwaard bestreden. Vanaf 1559 was er dan ook sprake van een heuse godsdienstoorlog, maar toch begon het protestantisme vanaf 1562 aan een opmars. Aan de onrust als gevolg van de godsdiensttwisten kwam pas een eind met het door Hendrik IV afgekondigde Edict van Nantes. Dit verdrag zorgde ervoor dat de protestantse kerken religieuze vrijheid kregen in een aantal, met name in het zuiden en westen, aangewezen steden.

In 1685 werd het Edict echter weer herroepen door Lodewijk XIV. Hij wilde alle protestanten weer katholiek maken en dat gebeurde vaak met harde hand. Zo werden protestantse kerken afgebroken en werden protestantse ouders gedwongen hun kinderen katholiek te laten dopen. Mannen die hagenpreken bijwoonden riskeerden galeislaaf te worden en vrouwen werden voor hetzelfde feit levenslang opgesloten. Hierop vluchtten honderdduizenden protestanten naar het buitenland, niet alleen naar landen als Holland en Zwitserland, maar ook naar Zuid-Afrika en de Verenigde Staten.

In 1787 kwam er aan deze onderdrukking een einde toen Lodewijk XVI het Édit de Tolérance ondertekende. Na de Franse Revolutie kwam er uiteindelijk vrijheid van godsdienst en scheiding van staat en kerk.

Na de Franse revolutie loopt de geschiedenis van de streek gelijk met die van het hieronder beschreven Frankrijk

Franse Revolutie

Omdat de zwakke regering weinig aan de situatie deed steeg de onrust onder de bevolking die zichzelf op 17 juni 1789 uitriep tot Nationale Vergadering. De feodale rechten en standenprivileges werden afgeschaft en de rechten van de mens en de burger werden geproclameerd.

Op 14 juli 1789 was het zover. Het volk bestormde de Bastille, een gevangenis in Parijs die het symbool was van de absolute monarchie, en bezette die. Dit was het begin van de Franse Revolutie. Het koningshuis viel en er brak een roerige tijd aan. In 1791 werd de afgekondigde grondwet door de koning erkend. Hij gebruikte echter wel zijn veto ter bescherming van de gehate edelen en onbeëdigde priesters en dat pikte de bevolking niet.

De opstandige Parijse gemeenteraad en de nieuwe Nationale Conventie riepen tussen 21 en 25 september 1792 de"eerste" republiek uit. In de Conventie werd de macht betwist tussen twee groeperingen: de Girondijnen, gematigde republikeinen, en de radicale Montagnards, met de bekende figuren Danton, Robespierre, Hébert en Marat. De gematigden werden door de radicalen met veel bloedvergieten uitgeschakeld maar kregen onderling ook ruzie, met name tussen aanhangers van Danton en Hébert.

Uiteindelijk bracht Robespierre ze beiden ten val maar werd zelf ook gedood op 28 juli 1794. Na deze gewelddadige periode keerde de rust weer even terug in Frankrijk. Maar uit de verwarde situatie werd de grondwet van het jaar III en het Directoire geboren, een nieuwe vergadering die tevergeefs de orde probeerde te herstellen. Er volgde een opstand van de Parijse burgerij die bloedig werd neergeslagen door de Corsicaan Napoleon Bonaparte. Ook had men te kampen met voortdurende katholieke en koningsgezinde opstanden in de Vendée en met grote financiële problemen.

De republiek wist zich goed te verweren tegen diverse buitenlandse vijanden en het Franse grondgebied was eind 1793 gezuiverd van vreemde elementen. Men kon er zelfs weer aan gaan denken om de revolutiebeginselen over Europa te verspreiden. Het Directoire stuurde Napoleon naar Egypte en dat was het begin van Frankrijk als koloniale macht in Noord-Afrika. Men had tevens gedacht om zich zodoende van Napoleon te ontdoen, maar dit mislukte totaal.

Consulaat en Keizerrijk

Op 9 november 1799 volgde een staatsgreep waarna de grondwet van het jaar VIII doorgevoerd werd en het consulaat ingericht werd, waar generaal Napoleon Bonaparte de sterke man was.

Toen Napoleon eindelijk aan de macht kwam trok hij met zijn legers door een aantal Europese landen om de ideeën van de Franse Revolutie te verbreiden. Hij werd gedwongen mee te doen aan oorlogen met steeds wisselende partners, de zogenaamde coalitieoorlogen, maar wel steeds met Engeland als grote tegenstander. Hij veroverde op het continent een groot imperium (o.a. Italië, Spanje, Duitsland en Polen) maar zou uiteindelijk stuiten op de Engelse suprematie op zee, het voortdurende verzet in Spanje en het door Frankrijk zelf opgeroepen nationalisme in de rest van Europa.

In Frankrijk zelf werd het onderwijs, het gerecht en de administratie hervormd en gecentraliseerd, o.a. door het uitvaardigen van de"Code Civil" en andere wetboeken. Verder werden betrekkingen met de kerk hersteld en de economie gesaneerd. Door al deze successen benoemde hij zichzelf tot consul voor het leven in 802 en tot keizer voor het leven in 1804.

Zijn voortdurende oorlogsplannen stuitten echter op steeds meer tegenstand en na een aantal forse nederlagen o.a. in Rusland, werd hij verbannen naar het eiland Elba. In maart 1814 deed hij afstand van de troon. De verbanning duurde slechts 100 dagen en hij keerde als een held terug. Na de nederlaag in de Slag bij Waterloo op 18 juni 1815 was het echter afgelopen met de"kleine generaal" en begon de restauratie. Napoleon werd door de Engelsen verbannen naar het eiland St. Helena in de Atlantische Oceaan, waar hij de laatste jaren van zijn leven zou doorbrengen en in 1821 stierf.

Restauratie

Na Napoleon werd de monarchie van de Bourbons opnieuw geïnstalleerd en kreeg Frankrijk een nieuwe koning, Lodewijk XVIII, die tot 1824 zou regeren.

Het gecentraliseerd bestuur en de wetgeving van de republiek en van het keizerrijk bleven behouden, maar de adel en de geestelijkheid herwonnen hun politiek overwicht ten nadele van de burgerij. De buitenlandse politiek, in het spoor van de Heilige Alliantie, wekte verzet.

De inzet van een nieuwe koloniale expansie door de verovering van Algiers (1830) kon daaraan niets verhelpen. De autoritaire machtsgreep van Karel X (1824–1830) beantwoordden de liberalen onmiddellijk met de Juli-revolutie van 1830.

Julimonarchie

De burgerlijk denkende Louis-Philippe van Orléans (1830–1848) trok de weinig populaire maatregelen van zijn voorganger weer in. Hij aanvaardde het, te regeren met een grondwet die de politieke macht in de handen van de bezittende klasse legde. Sinds de economische depressie van 1846 won de republikeinse en socialistische agitatie gedurig veld.

Toen de conservatief Guizot zich in februari 1848 met geweld wilde verzetten tegen het gevraagde algemeen stemrecht, kwam het volk in beweging. De socialist Louis Blanc en de republikeinen vormden een voorlopig bewind. Ondanks de volksoproeren van mei en juni hielden de burgerlijke republikeinen de bovenhand. Louis-Philippe vluchtte naar Engeland en in Frankrijk werd besloten voorlopig geen nieuw koninkrijk in te stellen maar werd de Tweede Republiek uitgeroepen.

Tweede Republiek

De roep om een sterke man bracht Lodewijk Napoleon met behulp van de katholieken aan de presidentszetel. Als tegenprestatie werd van hem bevoordeling van de katholieke godsdienst verwacht. Na een conflict met de Wetgevende Kamer over de kieswet ontbond hij op 2 december 1851 deze wet en ging zich bezighouden met een grondwetsherziening waardoor een jaar later op 2 december 1852 het tweede keizerrijk kon worden opgericht en regeerde hij als Napoleon III verder als een absolute vorst. In de Krim-oorlog en de Italiaanse veldtocht werden belangrijke militaire overwinningen behaald die Frankrijk als internationale macht op de kaart zetten.

Ook handel en nijverheid bloeiden op. Door de dubbelzinnige houding t.o.v de paus in de Italiaanse vrijheidsoorlog zetten de katholieken zich steeds meer af tegen Napoleon III en was hij sinds 1859 genoodzaakt minder autocratisch te regeren. De vrijhandelsverdragen met Engeland en wat andere landen lokten binnenlands veel kritiek uit en de afgang in Mexico werd ook niet vergeten. Daarentegen werden er wel nieuwe koloniën gesticht in Algerije, Senegambië (nu Senegal en Gambia), Cochin-China en Kambodja in de periode 1858-1867. Ook het gebrek aan daadkracht in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog in 1866 kostte hem veel aanzien. Hij probeerde nog door het leger te reorganiseren en de grondwet te wijzigen zijn gezicht te redden, maar dat lukte al niet meer. Naar aanleiding van de Hohenzollern-kandidatuur voor de Spaanse troon brak de Frans-Duitse Oorlog uit.

Derde Republiek

In deze oorlog werd een zware nederlaag geleden bij Sedan op 1 september 1870 en dit leidde in Parijs tot het uitroepen van de"Derde Republiek" en een verdrag met het Duitse keizerrijk op 10 mei 1871. Hierin werd overeengekomen dat Frankrijk de Elzas en een deel van Lotharingen aan de Duitsers moest afstaan. In maart 1871 was er ondertussen in Parijs een radicalere gemeenteraad gekozen. Deze zogenaamde"Parijse Commune" kwam in opstand tegen de landelijke overheid, die tropen zond om de hoofdstad te heroveren. Na zes weken stedelijke guerilla-oorlog werd de opstand neergeslagen en zo'n 20.000"communards" doodgeschoten of gedeporteerd. In 1871 werd ook de Nationale Vergadering gekozen waarin de monarchistische meerderheid al snel grote onenigheid kreeg. Als gevolg daarvan werd in 1875 de Derde Republiek grondwettelijk ingericht.

In 1876 kregen de republikeinen de meerderheid in de Vergadering en trad de royalistische president Mac-Mahon af. In de laatste twee decennia van de negentiende eeuw stond het regeren in het teken van een aantal grote politieke schandalen, waaronder het handelen in ridderorden (1887), het Panamaschandaal (1892-1893) en natuurlijk de Dreyfuss-affaire (1894-1906).

In de sterk anti-katholieke binnenlandse politiek werd nog eens de scheiding van kerk en staat uitgeroepen. Sociale wetgeving kwam maar mondjesmaat op gang.

De buitenlandse politiek in deze periode stond in het teken van verschillende verdragen met andere grote Europese mogendheden. Zo werd er met Duitsland samengewerkt in diverse Afrikaanse kwesties en na diverse geschillen met de Engelsen werd ook tot hen toenadering gezocht. Door de brutale houding van de Duitse keizer Wilhelm II tekenden Frankrijk en Rusland een tweevoudig verbond in 1892-1894, de zogenaamde Duple Alliantie.

In Noord-Afrika wisten Frankrijk en Italië hun belangen te handhaven waardoor de internationale positie van Frankrijk nog meer verbeterde. Ook met Engeland werden alle koloniale geschillen opgelost in een Entente Cordiale in 1904. Ook de banden met Rusland werden steeds hechter en leidden uiteindelijk tot een Triple Entente met deze twee landen waardoor de positie ten opzichte van Duitsland sterker werd. Hierdoor werd Frankrijk wel min of meer de Eerste Wereldoorlog ingetrokken door het Servische conflict tussen Rusland en Duitsland.

Tot 1917 was Frankrijk niet erg succesvol in de strijd tegen de Duitsers. Bij de rivier de Marne wisten ze de Duitse opmars te stuiten. Vier jaar lang zou de oorlog zich in loopgraven afspelen en vele miljoenen soldaten en burgers vonden de dood. In november 1917 kwam de regering Clemenceau aan de macht en onder zijn enigszins dictatoriale leiding werd de verdediging van Frankrijk succesvol gereorganiseerd en een jaar later de overwinning op de Duitsers behaald. Op de vredesconferentie van Versailles wilde Clemenceau Duitsland volledig ontkrachten maar dit plan viel niet in goede aarde bij de geallieerden. Wel kreeg Frankrijk Elzas en Lotharingen terug.

Frankrijk leed zware demografische en economische verliezen door de Eerste Wereldoorlog en de regering van de rechtse Nationale Unie had de handen vol aan de relatie met Duitsland en een grote stakingsgolf.

Ook de relatie met de Britten werd steeds moeizamer. In de kwestie van de herstelbetalingen door Duitsland aan Frankrijk namen de Britten een gematigd standpunt in. De Franse regering zocht toenadering tot dat standpunt maar de regering werd daardoor ten val gebracht door de nationalist Poincaré. Deze sloeg door met een eenzijdige bezetting van het Ruhrgebied in januari 1923 om zodoende een oplossing te forceren. De relatie met de Britten kwam nog verder onder druk te staan door de Grieks-Turkse oolog waarin Frankrijk Turkije steunde en Groot-Brittannië achter Griekenland stond. Frankrijk had ondertussen wel een aantal continentale bondgenoten: België, Polen en de kleine entente die bestond uit Tsjechoslowakije, Joegoslavië en Roemenië.

Pas in 1924 werd de relatie met de Britten weer genormaliseerd. De Ruhr-politiek werd teruggedraaid door de nieuwe regering en het Britse Dawesplan met betrekking tot de herstelbetalingen werd geaccepteerd. De regering Briand zorgde voor nog meer aanzien in de wereld door het Pact van Locarno in 1925 en het Briand-Kellogg verdrag in 1928.

Poincaré slaagde er ook in om de precaire financiële problemen te stabiliseren, maar had daarentegen weer te kampen met opstanden in Marokko en Syrië. Voor de verkiezingen viel de Nationale Unie uit elkaar.

Tardieus strenge politiek tegen Duitsland (1932) ondervond Britse kritiek en verbitterde Duitsland. Zo was Frankrijk weer op zijn continentale bondgenootschappen en op een stevige verdediging (Maginotlinie) aangewezen.

De verkiezingen van 1932 werden gewonnen door links, maar de financiële moeilijkheden, de economische achteruitgang en de kritiek op het parlementaire stelsel maakten een stabiele regering onmogelijk. In Parijs zelf werd gevochten door communistische, fascistische en royalistische groepen. Premier Doumergue vormde in februari 1934 een kabinet van nationale signatuur met een oorlogsheld uit de Eerste Wereldoorlog, Pétain, en Barthou. Hij probeerde het Franse alliantiesysteem te verstevigen, o.a door Italië en Rusland erbij te betrekken. Hij hoopte zo het gevaar Hitler-Duitsland te isoleren na de Poolse opgave van de pro-Fanse politiek, maar werd tijdens zijn poging om Joegoslavië en Italië met elkaar te verzoenen op 9 oktober 1934 vermoord. Niet lang daarna nam premier Doumergue ontslag. Zijn opvolger werd Laval, die door zijn deflatiepolitiek zeer onpopulair was. In juli 1935 vormde zich een eenheidsfront tussen communisten, socialisten en radicalen tegen de fascistische groeperingen. Ook de buitenlandse politiek van Barthou was aan veel kritiek onderhevig, o.a. door het Verdrag met Rome dat gesloten werd met Mussolini. In 1936 werden verder het Rijnland door Duitse troepen bezet en werd het Locarnoverdrag opgezegd, waar Frankrijk niets meer aan kon doen, o.a. door gebrek aan steun van de Engelsen.

In juni 1936 kwam de Volksfront-regering van Léon Blum aan de macht. Hij voerde sociale verbeteringen door die echter enorm veel geld kostten en daardoor een sterke inflatie tot gevolg hadden. Daarop werd de Franse Bank en de wapenindustrie onder toezicht gesteld en werd er fors opgetreden tegen fascistische groeperingen. In de Spaanse burgeroorlog bleef Frankrijk samen met Engeland aan de zijlijn staan met een politiek van non-interventie. Het radicale kabinet Daladier hanteerde een scherpe deflatiepolitiek wat stakingen uitlokte maar de economische toestand wel verbeterde.

Internationaal liep Frankrijk in die tijd achter Groot-Brittannië aan. Ex-bondgenoot Tsjecho-Slowakije werd op de Conferentie van München in september 1938 in feite uitgeleverd aan de Duitsers. Na de schending van het Verdrag van München door Duitsland gaven Frankrijk en Groot-Brittannië garanties aan Polen en de Balkanstaten.

Tweede Wereldoorlog

Frankrijk verklaarde Duitsland de oorlog op 3 september 1939, samen met Groot-Brittannië. Dit gebeurde na de Duitse inval in Polen. Op 10 mei 1940 trokken de Duitse troepen Frankrijk binnen en binnen enkele weken stortte de Franse defensie volledig in elkaar. Ook de veel geroemde Maginotlinie bleek niet bestand tegen de Duitse overmacht en het grootste deel van Frankrijk werd door de Duitsers bezet.

Op 22 juni sloot de regering van maarschalk Pétain een wapenstilstand met Duitsland. Pétain was de opvolger van Paul Reynaud, die Daladier als premier was opgevolgd op 20 maart 1940. Twee dagen later werd er ook een wapenstilstand met Italië gesloten dat op 10 juni Frankrijk was binnengevallen. De regering van Pétain vestigde zich in Vichy, dat lag in het onbezette deel van Frankrijk. Nadat de geallieerden geland waren in Noord-Afrika in november 1942 breidden de Duitsers hun bezetting over geheel Frankrijk uit.

Ex-premier Laval had inmiddels de feitelijke leiding van de regering te Vichy overgenomen van Pétain en hij streefde naar samenwerking met de Duitsers. De plaatsvervanger van Pétain, admiraal Darlan, sloot zich in november 1942 bij de geallieerden aan. Pétain collaboreerde in feite met de Duitsers. Buiten Frankrijk zette de naar Engeland uitgeweken generaal Charles de Gaulle met een kleine groep"vrije Fransen" de strijd tegen de Duitsers voort. In Frankrijk zelf ontstonden verschillende verzetsbewegingen, die vanaf mei 1943 samenwerkten in het Conseil National dela Résistance.

In juni 1944 landde een geweldig geallieerd invasieleger op de kust van Normandië en van de Provence in het zuiden. De Duitsers konden de opmars van de geallieerden niet stuiten. September 1944 was bijna geheel Frankrijk bevrijd en op 8 mei 1945 verklaarde Duitsland zich in Reims akkoord met de onvoorwaardelijke overgave.

De Gaulle werd in 1943 hoofd van een Frans nationaal bevrijdingscomité en keerde bij de bevrijding in augustus 1944 terug als hoofd van een voorlopige regering. Deze regering steunde op de progressieve katholieke MRP (Mouvement Républicain Populaire), de socialisten en de communisten. De Fransen die met de Duitsers hadden samengewerkt, werden gestraft. Pétain werd ter dood veroordeeld (door De Gaulle in levenslang gewijzigd) en Laval werd gefusilleerd. In januari 1946 trok De Gaulle zich uit de regering terug.

Vierde Republiek

In oktober 1946 werd bij een volksstemming de nieuwe grondwet goedgekeurd en de socialist Vincent Auriol werd in januari 1947 de eerste president van de Vierde Republiek. De periode na de Tweede Wereldoorlog werd gekenmerkt door een combinatie van grote politieke instabiliteit en gunstige economische ontwikkelingen. In snel tempo volgden de kabinetten elkaar op en een aantal belangrijke premiers uit die tijd waren Georges Bidault, Robert Schuman, Antoine Pinay en de radicaal Mendès-France. Hij was het die de beslissing nam om tot een wapenstilstand in de oorlog in Indo-China te komen.

Nadat de rechtse partijen korte tijd hun aantrekkingskracht hadden verloren, herstelden de conservatieven zich na de oorlog al snel. Begin jaren vijftig organiseerde Pierre Poujade de ontevreden middenstand en ambachtslieden, waarmee het georganiseerde rechtse volksprotest zijn herintrede deed in de Franse politiek.

De Gaulle, die zich tegen de nieuwe grondwet had gekant wegens de zijns inziens te zwakke positie van de uitvoerende macht tegenover het parlement, richtte in 1947 een eigen partij op, de Rassemblement du Peuple Français. De dekolonisatie bracht ten slotte de ondergang van de Vierde Republiek. In Algerije was in 1954 verzet tegen het Franse bewind ontstaan. Uit vrees voor mogelijke onderhandelingen met de Algerijnse nationalisten vormden Fransen in Algerije met steun van het leger op 13 mei 1958 een revolutionair"comité de salut public", dat een regering onder De Gaulle bepleitte. Om een burgeroorlog te voorkomen gaf president Coty (die in 1954 Auriol was opgevolgd) de opdracht om een kabinet te formeren aan De Gaulle, die behalve van de rechtse partijen ook steun kreeg van de MRP en een deel van de radicalen en de socialisten (1 juni 1958).

Al ging de Vierde Republiek uiteindelijk aan haar eigen instabiliteit ten onder, op het Europese vlak initieerde zij vele integratieplannen (Kolen- en Staalgemeenschap, Defensiegemeenschap) die de stabiliteit in Europa moesten bevorderen. Deze plannen kunnen echter niet los gezien worden van de naoorlogse Duitslandpolitiek, waarmee Frankrijk poogde om de Bondsrepubliek Duitsland onder controle te krijgen door het te integreren in West-Europa.

Vijfde Republiek

Nu hij aan de macht was gekomen zette De Gaulle zijn plannen voor staatkundige hervormingen door. Op 28 september 1958 stemde meer dan 80% van de kiezers voor de nieuwe grondwet die de president veel macht en gezag gaf. Bovendien kreeg de nieuwe gaullistische partij Union pour la Novelle République de grootste fractie in de nationale vergadering. De Gaulle zelf werd op 8 januari als president geïnstalleerd, met M. Debré als premier die in 1962 werd opgevolgd door de latere president Georges Pompidou.

Door de situatie in Algerije kwamen rechtse politici en militairen in opstand. Deze staatsgreep in de Algerijnse hoofdstad Algiers op 22 april 1961 mislukte echter. Op 8 april 1962 sprak meer dan 90% van de bevolking zich in een referendum uit voor de onafhankelijkheid van Algerije. Uiteindelijk werd Algerije na een bloedige koloniale oorlog onafhankelijk na een grondwetswijziging op 28 oktober 1962. Na verkiezingen in maart 1967 behielden de Gaullisten met hun bondgenoten nog een krappe meerderheid; de ambtstermijn van De Gaulle was in december 1965 met zeven jaar verlengd.

De periode De Gaulle werd in het algemeen gekenmerkt door het herstel van Frankrijks positie als een onafhankelijk en invloedrijk land tussen de grote naties van de wereld. Bovendien wilde De Gaulle uiteindelijk een groot Europa van de Atlantische Oceaan tot aan de Oeral en daarvoor was het nodig dat de invloed van de Verenigde Staten teruggedrongen werd. Als gevolg van deze stelling onttrok Frankrijk zijn troepen in 1966 aan het gezag van de Navo en alle Navo-bases werden ontruimd. Ook wilde men een kernmacht worden en ondertekenden daarom niet het non-proliferatieverdrag. Groot-Brittannië werd tot tweemaal toe uit de EEG geweerd, maar de betrekkingen met Duitsland werden wel genormaliseerd, en ook die met Rusland en andere Oost-Europese landen. Met de Arabische landen konden de Fransen het goed vinden maar dat had weer zijn weerslag op de relatie met Israel. Onder studenten en arbeiders ontstond in de tweede helft van de jaren zestig ontevredenheid over het beleid van de regering. In mei 1968 brak in Parijs de befaamde opstand uit die slechts een maand zou duren na toezeggingen voor loonsverhogingen voor de arbeiders.

Bij de in juni gehouden verkiezingen boekten de Gaullisten grote winst en vormden een front tegen de socialisten samen met de onafhankelijke republikeinen en andere onafhankelijken.

Jaren zeventig en tachtig

In april 1969 trad De Gaulle af omdat zijn voorstellen met betrekking tot hervormingen waren verworpen, o.a. over een nieuwe regionale indeling. De presidentsverkiezingen brachten een overwinning voor de gaullist Georges Pompidou. Op binnenlands terrein streefde Pompidou naar een snelle industrialisatie, in de buitenlandse politiek volgde hij de lijn-De Gaulle, hoewel minder star. Zo gaf hij zijn medewerking bij de toetreding van Engeland tot de EEG en nam vaker positieve standpunten in tijdens Navo-vergaderingen. De parlementsverkiezingen van maart 1973 werden gewonnen door de samenwerkende socialisten en communisten, maar de regeringspartijen behielden de meerderheid. Links vormde ook een coalitie bij de dood van Pompidou (2 april 1974) en de daarop volgende presidentsverkiezingen. Deze werden in mei 1974 gewonnen door de minister van Financiën en Economie, de onafhankelijke republikein Giscard d'Estaing.

Hij versloeg met zeer klein verschil de socialistische leider François Mitterrand. De gaullisten hadden op dat moment geen nieuwe kandidaat voor het presidentschap en gaven daarom hun steun aan de republikein Giscard. Jacques Chirac werd premier van een kabinet van gaullisten en republikeinen. In 1976 ontsloeg de president Chirac en benoemde Raymond Barre tot premier.

Onder Giscard werd het door zijn directe voorgangers gevoerde beleid in grote lijnen voortgezet. In de buitenlandse politiek bleef het streven naar een sterk, door Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland beheerst Europa, onafhankelijk van de Verenigde Staten, gehandhaafd, evenals de pro-Arabische houding in het Midden-Oosten.

In voormalig Frans-Afrika bleef Frankrijk vertegenwoordigd door de aanwezigheid van militaire troepen en adviseurs, terwijl de financieel-economische invloed nog werd vergroot. In het binnenland had Giscard te maken met o.m. separatistische bewegingen op Corsica en in Bretagne. Mei 1981 werd Giscard verrassend verslagen door de socialistische presidentskandidaat François Mitterrand.

Hij werd de eerste socialistische president van het land sinds de instelling van de Vijfde republiek in 1958.

Na de parlementsverkiezingen in juni kwam er een regering van socialisten (PS) en communisten (PCF) onder P. Mauroy, die probeerden om via nationalisaties de Franse economie te verbeteren. Door tegenvallende resultaten werd men in juni 1982 al gedwongen om het progressieve economische beleid af te zwakken. Onder L. Fabius maakten de communisten niet langer deel uit van de regering. Nadat UDF–RPR onder aanvoering van Jacques Chirac (RPR) in maart 1986 de parlementsverkiezingen hadden gewonnen werd de Vijfde Republiek geconfronteerd met een in de geschiedenis van Frankrijk onbekende staatkundige variant, de"cohabitation": een premier en een president van verschillende politieke kleur. Nadat Mitterrand in mei 1988 opnieuw de presidentsverkiezingen had gewonnen van Chirac, kwam er na de parlementsverkiezingen van juni 1988 opnieuw een socialistische regering onder leiding van M. Rocard.

In de jaren tachtig vielen vooral op: het kleiner worden van de electorale basis van de communistische partij en haar politieke invloed, de opkomst van extreem-rechts in de vorm van het Front National van Jean-Marie Le Pen en de opkomst van de Groenen, Les Verts, die sinds juni 1989 vertegenwoordigd zijn in het Europees Parlement.

Jaren negentig

In 1991 werd voor het eerst een vrouw premier van Frankrijk, Edith Cresson. Impopulaire maatregelen, o.a. premie- en belastingverhogingen, waren fnuikend voor haar populariteit en zij werd al in april 1992 opgevolgd door Pierre Bérégovoy. Deze trad als premier terug na de socialistische nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd opgevolgd door Edouard Balladur. In mei pleegde de teleurgestelde Bérégovoy zelfmoord, mede naar aanleiding van het mislukken van zijn economisch programma. De slechte economische situatie leidde in juli 1993 tot aanvallen door speculanten op de Franse franc. Het gevolg was dat de Franse franc in feite het Europees Monetair Stelsel moest verlaten.

De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken met talrijke corruptieschandalen die enkele ministers tot aftreden dwongen.

Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995 liet Jacques Chirac, leider van de gaullistische RPR en burgemeester van Parijs, eerst zijn partijgenoot Balladur achter zich en won in de tweede ronde ook van de socialistische kandidaat Lionel Jospin. Jean-Marie Le Pen van het extreem-rechtse Front National verwierf 15% van de stemmen. Na aanvankelijk enige van Chiracs verkiezingsbeloften te hebben ingelost, daalde de populariteit van premier Juppé, die een straf bezuinigingsbeleid voorstond, snel.

Een golf van stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam en ook in oktober en november 1996 kwam het tot massale stakingen bij de spoorwegen, in de luchtvaart, het onderwijs en andere overheidsdiensten. Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot blokkades ter verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam. Intussen daalde de economische groei en bereikte de werkloosheid een naoorlogs record.

In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een aantal terroristische aanslagen van de Algerijnse fundamentalistische-islamitische organisatie GIA en op Corsica vond in 1995 en 1996 een groot aantal bomaanslagen plaats door verschillende nationalistische bewegingen.

Begin januari 1996 overleed oud-president François Mitterrand. Bij gemeenteraadsverkiezingen in februari 1997 in het Zuid-Franse stadje Vitrolles behaalde het Front National een absolute overwinning, waarmee de vierde Zuid-Franse stad in handen viel van extreem-rechts, terwijl Nice wordt bestuurd door een geestverwant van Le Pen.

In het voorjaar van 1997 schreef president Chirac vervroegde verkiezingen uit in de hoop de positie van de regering-Juppé te versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de socialisten onder leiding van Jospin en hun bondgenoten op 1 juni een grote overwinning en kwamen met 282 van de 577 zetels in de Nationale Vergadering.

In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol Mururoa in de Stille Zuidzee felle protesten uit vooral van Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. Na de proeven ondertekende Frankrijk begin 1996 het Verdrag van Rarotonga voor een kernwapenvrije zone in de Stille Zuidzee. In juni 1996 maakte minister van Defensie Millon op een halfjaarlijkse vergadering van zijn NAVO-collega’s in Brussel bekend dat Frankrijk wilde meewerken aan een"nieuwe" NAVO met een aparte Europese defensie-identiteit.

In de aanloop naar de Europese top in Dublin van december 1996 ontstond onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over het stabiliteitspact, dat na inwerkingtreding van de EMU moet zorgen voor begrotingsdiscipline bij de deelnemende landen. Parijs pleitte voor meer politieke vrijheid: ruimere marges en minder autonomie voor de Europese Centrale Bank.

Met de vervroegde parlementsverkiezingen van mei/juni 1997 beoogde president Chirac extra tijd te creëren om, zo nodig, pijnlijke maatregelen uit te voeren die nodig waren om te voldoen aan de criteria voor deelname aan de EMU. Chirac gokte en verloor: winnaar werd de Socialistische Partij (PS) onder leiding van Lionel Jospin, die een coalitie vormde met de communisten (PCF) en de Groenen.

De populariteit van de nieuwe coalitieregering –Jospin was aanvankelijk groot, maar werd al spoedig op de proef gesteld door onder meer verzet van de vakbonden tegen saneringen in de sociale voorzieningen en dat van middelbare scholieren die in oktober 1998 massaal de straat opgingen om meer middelen voor het secundair onderwijs te eisen.

De invoering van een 35-urige werkweek in 1998 om meer arbeidsplaatsen te scheppen, deed de relatie tussen regering en werkgevers geen goed en in 1999 werd de positie van Jospin verder verzwakt toen minister van Financiën Dominique Strauss-Kahn, na Jospin de machtigste man in de regering, op 2 november zijn aftreden bekendmaakte, nadat hij van corruptie was beschuldigd.

21e Eeuw

In september 2000 spraken de Franse kiezers zich uit voor een grondwetswijziging waarmee de presidentiële ambtstermijn werd teruggebracht van zeven naar vijf jaar; 73% was voor de wijziging. In 2002 is parlementair rechts aan de macht gekomen na verrassend verlopen Presidentsverkiezingen, waarin extreem rechts in de eerste ronde er in slaagde de socialistische presidentskandidaat Jospin uit te schakelen. Het gevolg was brede steun voor de herverkiezing van President Chirac die Le Pen als kandidaat voor het Front National tegenover zich zag.

De regering en de door President Chirac benoemde eerste minister Raffarin ging - gezien de omstandigheden - voorzichtig aan het werk, volgens sommigen commentatoren zelfs te voorzichtig. Men wilde ten koste van alles de sociale rust handhaven omdat die essentieel werd geacht voor het handhaven van het consumentenvertrouwen en daarmee de werkgelegenheid. Noodzakelijke hervormingen, zoals belastinghervorming (in Frankrijk wordt nog steeds geen belasting aan de bron geheven) en liberalisering/privatisering van semi-overheidsbedrijven en hervorming van het gezondheidswezen, werden voor zich uit geschoven. In plaats daarvan concentreerde de regering zich op thema's als decentralisatie, veiligheid op straat en verhoging van de defensie-uitgaven. Toch werd het eerste jaar van de regering Raffarin voor de zomer van 2003 met een relatief positieve balans afgesloten. Successen werden met name geboekt bij de aanpak van de criminaliteit (minder misdaad) en de verkeersproblematiek (minder verkeersslachtoffers).

In de zomer van 2003 begon het tij te keren. In juli werd het regeringsvoorstel voor een institutionele hervorming voor Corsica met bijna 51 procent nee stemmen verworpen. Hierdoor kwam de decentralisatiewetgeving van de regering onder grotere druk te staan. Ook kwam er onverwacht veel verzet vanuit de bevolking tegen de wijzigingen van het pensioenstelsel, tegen het decentraal werven van ondersteunend personeel in de onderwijssector in het kader van het decentralisatiebeleid en tegen het aanscherpen van de uitkeringscriteria voor werknemers in de theater- en festivalwereld. Daarboven op kwam de catastrofaal verlopen hittegolf in augustus 2003 die meer dan 15000 slachtoffers eiste.

Daarna kwam de regering wat zijn populariteit betrof in een vrije val terecht: de pers sprak over het begin van het einde. Hoewel het er begin 2004 even op leek dat de regering vertrouwen terug won - onder meer vanwege de harde opstelling ten faveure van het niet confessionele karakter van de Franse staat (verbod van het islamitische hoofddoekje) - kreeg dit geen vertaling bij de regionale verkiezingen van 21 en 28 maart 2004. Links kreeg 13 procentpunten meer dan rechts (50,3 tegen 36,8 procent). Links kwam in alle regio's (ook de tot dan toe onneembare bolwerken van rechts) aan de macht. Met uitzondering van de Elzas en Corsica. Als gevolg werd een deel van de regeringsploeg vervangen en trad de regering Raffarin III aan.

In een televisietoespraak had President Chirac de vernieuwde regering Raffarin III geplaatst in het kader van de noodzaak van structurele hervormingen in Frankrijk. Hervormingen en sociale rechtvaardigheid dienden hand in hand te gaan. Frankrijk diende, aldus de president, een echte sociale dialoog voeren. Hervormingen dienen liefst breed gedragen te worden. Tegelijk dienen de staatsfinanciën te worden gesaneerd. De regeringsverklaring Raffarin III was in lijn met de wensen van de president.

Op zondag 29 mei 2005 heeft het Franse volk zich middels een referendum massaal uitgesproken tegen het Grondwettelijk Verdrag voor de Europese Unie. Chirac heeft hierop Dominique de Villepin tot premier benoemd en Nicolas Sarkozy als ‘ministre d’Etat’ (daarmee protocollair de nummer twee in de regering) herbenoemd in de functie van minister van Binnenlandse Zaken. Op voordracht van De Villepin is het regeringsteam drastisch hervormd en in omvang sterk gereduceerd (alle staatssecretarissen zijn geschrapt).

Op 9 juni 2005 legde premier De Villepin de regeringsverklaring af in de Assemblee. De aangekondigde maatregelen hadden met name betrekking op het sociaal-economisch beleid:"Frankrijk weer aan het werk helpen" was de centrale boodschap.

De kosten van het maatregelenpakket worden geschat op 4,5 miljard euro. De verlaging van de inkomstenbelasting die in 2006 zou worden doorgevoerd (aankondiging van President Chirac van juli 2004) wordt voorlopig opgeschort.

De Villepin zal het werkgelegenheidspakket niet via wetten, maar via ‘ordonnances’ doorvoeren. Hij omzeilt daarmee lange procedures (en amendementen) in het Parlement. Oppositie verzette zich uiteraard stevig tegen deze vermeende ‘autoritaire’ bestuursvorm.

In de Franse pers wordt gesproken over de “nadagen van Chirac”. Er is sprake van duidelijke onrust binnen de regeringspartij UMP. De jongere generatie van rechtse politici wil voorkomen dat links in 2007 het Elysée weer overneemt en tracht daarom in de UMP het roer meer in eigen handen te nemen. Ook herinnert men aan het feit dat de UMP geacht was een doorbraakpartij te zijn, met allerlei stromingen en dus niet alleen Gaullisten of Chirac aanhangers. Achter dit streven naar herstel van de bloedgroepen kan men de opening van de eerste schermutselingen over de opvolging van Chirac zien. De benoeming van De Villepin in combinatie met Sarkozy, beide zeer ambitieus en mogelijk in de race voor het volgende presidentschap, roept vragen op over de teamgeest van de nieuwe regering.

Ook de socialisten zijn door de afwijzing van het Grondwettelijk Verdrag zwaar aangeslagen. Hoewel de officiële partijlijn steun voor het verdrag voorschreef, leidde de tweede man van de PS, Laurent Fabius, een actieve nee-campagne. Na het Franse ‘neen’ restte partijleider François Hollande dan ook geen andere keuze dan Fabius als lid van het bestuur te royeren. De verdeeldheid binnen de PS is nu aanzienlijk. Het partijcongres van de PS is een half jaar vervroegd naar het najaar van 2005 teneinde de brokstukken te repareren voordat de campagne voor de presidentsverkiezingen van 2007 van start gaat.

Sinds 16 mei 2007 is Nicolas Sarkozy president. De president heeft een relatief grote macht, doordat hij staatshoofd en regeringsleider is. In juli 2008 krijgt Frankrijk voor een half jaar het voorzitterschap van de Europese Unie. In oktober 2008 wordt de omvang van de kredietcrisis merkbaar en in februari 2009 pompt de overheid miljarden in de economie. In maart 2010 leiden de regeringspartijen een groot verlies bij regionale verkiezingen. In juni 2010 kondigt de regering drastische bezuinigingen aan om de staatsschuld te verlagen.

Na de Nationale Vergadering van Frankrijk stemde in september 2010 ook de Senaat in Frankrijk in met het boerkaverbod. Wanneer de wet van kracht wordt, wordt alle gezichtsbedekkende kleding verboden in openbare ruimtes. Vrouwen die op straat of in openbare ruimten gezichtsverhullende kleding dragen, kunnen volgens de wet een boete krijgen van 150 euro. In mei 2012 treedt de socialist Francois Hollande aan als nieuwe president. In 2013 stuurt Frankrijk een interventiemacht naar de voormalige kolonie Mali. In maart 2014 wordt Manuel Valls de nieuwe premier, na een opmars van het Front Nationaal. Ook bij de Europese verkiezingen in mei 2014 wint het front nationaal.Het jaar 2015 staat in het teken van terroristische aanslagen op Frans grondgebied door Islamitische Staat. In januari vallen 17 slachtoffers, voornamelijk medewerkers van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. In november zijn er 130 doden te betreuren bij diverse aanvallen in Parijs. In februari 2016 begint de opruiming van de"jungle" van Calais, dat is een groot kamp met illegalen die de oversteek naar Groot-Brittanië willen maken. Op 14 juli 2016 slaat Islamitische Staat opnieuw toe, een vrachtwagen rijdt in op een menigte tijdens de nationale feestdag met meer dan 80 doden tot gevolg. In mei 2017 wint de kandidaat van het centrum Emaunuel Macron de Franse presidentsverkiezingen van de ultrarechtse Marine Le Pen. Zijn beweging La République en Marche wint vervolgens in juni bij parlementsverkiezingen de absolute meerderheid.

Bevolking

Languedoc-Roussillon telt ca. 2,7 miljoen inwoners (2017) en kent al enkele tientallen jaren de sterkste toename van het bevolkingsaantal in Frankrijk. Hier zijn met name een aantal grote immigratiegolven uit Italië, Spanje en Noord-Afrika voor verantwoordelijk, maar ook veel ouderen uit noordelijke delen van Frankrijk en Noordwest-Europa komen af op het aantrekkelijke leefklimaat van Languedoc-Roussillon. Dit zorgt er wel voor de dat de gemiddelde leeftijd van de inwoners vrij hoog ligt; 25% van de bewoners is zestigplusser.

De bevolkingsdichtheid van Languedoc-Roussillon bedraagt ca. 100 inwoners per km2. De Lozère is het dunst bevolkte departement van Frankrijk: met ca. 75.000 inwoners gemiddeld maar ca. 14 inwoners per km2.

Ca. drie kwart van de bevolking woont in een stedelijke of semi-stedelijke zone. De bevolking van de kustgebieden bestaat voor 10% uit Afrikaanse immigranten.

Grootste steden in 2017:

Taal

De officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden Bretons (Bretagne) gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in de westelijke Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen), Nederlands (Frans Vlaanderen), Catalaans (Roussillon), Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica).

De Franse taal is een Romaanse taal die door ca. 100 miljoen mensen als moedertaal wordt gesproken, waarvan ca. 60 miljoen in Frankrijk. Frans wordt verder nog gesproken in België beneden de lijn Wezet-Moeskroen en Brussel, in Zwitserland (Suisse romande), Italië (Valle d'Aosta), Haïti en Canada (Quebec), en die, naast de moedertaal, in vele voormalige Franse koloniën als taal van bestuur en administratie wordt gehanteerd. Het Frans is de voortzetting van het vulgair Latijn, dat door de Romeinse veroveraars in Gallia Transalpina werd ingevoerd (58–50 v.C.) en zich daar ontwikkelde.

advertentie

Regio's in de wereld waar Frans of Franse dialecten gesproken wordenFoto: Jonatan argento CC 3.0 Unported no changes made

De geschiedenis van het Frans begint op het moment waarop men zich door de Karolingische renaissance, die de studie van het klassieke Latijn deed herleven, bewust werd van een kloof tussen het Latijn, taal van bestuur, rechtspraak en godsdienst, en de omgangstaal. Hiervan getuigt onder meer een besluit van het concilie van Tours (813), dat voortaan in de volkstaal ("lingua romana rustica") gepreekt moest worden. In de geschiedenis van het Frans zijn globaal drie perioden te onderscheiden: het Oud-Frans (begin 9de – begin 14de eeuw), het Middel-Frans (begin 14de – begin 17de eeuw) en het moderne Frans (begin 17de eeuw – heden).

advertentie

Frans 4-delig woordenboek uit 1889Foto: LPLT / Wikimedia Commons, CC 3.0 Unported no changes made

De Franse taal bestond oorspronkelijk uit door de Romeinen ingevoerde Latijnse woorden, aangevuld met woorden van Keltische en Frankische afkomst. Bij deze"volkswoorden" zijn vanaf de 12e eeuw de ontleningen aan het Latijn, de"geleerde" woorden, gekomen. In de 16e eeuw werden er ook veel woorden aan het Italiaans ontleend. Ook aan het Nederlands zijn vele woorden ontleend en sinds de 18e eeuw ook aan het Engels.

Vooral de afgelopen decennia is veel ontleend aan het Engels op het gebied van techniek, sport, mode, en dergelijke, waardoor de spottende term Franglais is ontstaan. Franse puristen verzetten zich tegen deze"invasie" van vreemde woorden.

Occitaans

algemeen

Het Occitaans is de verzamelnaam voor een aantal nauw verwante streektalen die zich vanaf ca. 1300 hebben ontwikkeld uit de Langue d’Oc, soms ook wel Provençaals genoemd. Het taalgebied van deze streektalen wordt voor het gemak Occitanië genoemd, hoewel in Frankrijk ook de term Pays d’Oc gebruikt wordt.

Het Occitaans maakt deel uit van de occitano-romaanse taalfamilie, waar verder alleen het Catalaans lid van is. Waarschijnlijk waren deze talen tot in de 12e eeuw één taal, vandaag bestaat het belangrijkste verschil uit de schrijfwijze. Voor het Occitaans houdt men namelijk de dicht tegen het Latijns staande Middeleeuwse spelling aan, terwijl voor het Catalaans de spelling dichter bij de uitspraak ligt. Pas in 1934 koos de Catalaanse taalunie voor een eigen verbond, los van de Occitaanse. Voor beide talen geldt dat spellingsregels in de 19e eeuw opnieuw zijn opgesteld, nadat beide talen eeuwenlang niet in geschreven vorm gebruikt waren. Door de historische situatie heeft het Occitaans veel Franse invloeden ondergaan en het Catalaans veel Spaanse invloeden.

Verspreidingsgebied

Een groot deel van de zuidelijke helft van Frankrijk wordt tot het Occitaanse taalgebied gerekend. Uitzondering is onder andere het ten noorden van de Pyreneeën liggende Roussillon, en dan met name het departement Pyrénées Orientales. Dit gebied hoort het Catalaanse taalgebied. Hoewel er een groot aantal streekvarianten bekend zijn, wordt het Occitaanse taalgebied globaal in drie varianten onderverdeeld:

-het Gascon, gesproken in het gebied tussen Bordeaux, Toulouse en de Pyreneeën

-het Occitan Meridional, of Zuidelijk Occitaans, gesproken langs de Middellandse Zeekust

-het Nòrd-Occitan, dat gesproken wordt in de streek van Limoges, het Centraal Massief tot aan de Alpen

Binnen deze varianten worden de volgende dialecten tot het Occitaanse taalgebied gerekend: Aranees (Val d’Aran), Auvernhàt (Auvergne), Gascon (Gascogne), Lemosin (Limousin), Lengadocian (Languedoc), Provençau (Provence), en Aupenc (Vivarais).

Ontstaan

In de 12e eeuw was Frankrijk in twee taalgebieden te verdelen, waarbij men de taal benoemde met het respectievelijk woord voor ‘ja’: Oc (Latijn: hoc) in het zuiden en Oïl (een oude vorm van oui, Latijn: hoc ille) in het noorden.

De Langue d’Oc ontwikkelde zich uit het Volkslatijn onder invloed van de taal van de Visigothen (Westgothen), die na de Volksverhuizing in die streek waren neergestreken. Het verspreidingsgebied van de Langue d’Oc kwam dan ook globaal overeen met het noorden van het Iberisch schiereiland, het zuiden van het huidige Frankrijk en het noordwesten van Italië. Het Occitaans is taalkundig nauwer verwant aan het Spaans dan aan het Frans, dat veel meer Keltische en Germaanse invloeden heeft ondergaan.

Het Occitaans kent ruim vier maal zoveel woorden als het Frans. De invloed van deze taal op andere talen was van de 12e tot en met de 14e eeuw dan ook groot, met name op het Frans, Italiaans, Spaans en Engels – grote delen van het Occitaanse taalgebied stonden in die periode namelijk onder Engels gezag.

Ontwikkeling

De Langue d’Oc was op zijn hoogtepunt de juridische en bestuurlijke taal van de regio die onder invloed stond van het graafschap Toulouse. Veel hoofse literatuur werd oorspronkelijk in de Langue d’Oc geschreven en troubadours maakten de taal aan de hoven van Europa populair. Ook een van de eerste bijbelvertalingen in een volkstaal, althans het nieuwe testament, werd door de Katharen in de Langue d’Oc geschreven.

Na het overlijden van de laatste graaf, Raymond VIII, in 1249 kwam het graafschap Toulouse aan de Franse kroon en nam het Frans langzaam maar zeker de rol van officiële taal over. Beroofd van haar centrum verloor de Langue d’Oc haar eenheid en ontwikkelden zich hieruit een aantal streektalen. Met het Edict van Villers-Cotterêts in 1539 legde koning François I het Frans op voor alle officiële documenten. Dit betekende het einde voor de geschreven vorm van de Langue d’Oc en haar varianten. Het Occitaans bleef echter wel de belangrijkste gesproken taal in Zuid-Frankrijk tot Franse Revolutie van 1789. Het Frans was toen de taal van de vrijheid en de vooruitgang en alle andere talen werden als ouderwets, boers of als een brabbeltaal (patois) beschouwd.

In de 18e en vooral de 19e eeuw beleefde het geschreven Occitaans een bescheiden wedergeboorte door:

Op dit moment is het Occitaans een bedreigde minderheidstaal. Ca. 65% van de inwoners van Occitanië begrijpt het Occitaans en ca. 2 miljoen mensen zou de taal nog dagelijks spreken, waarvan de meesten echter ouderen en plattelanders zijn. Er is wel een cultureel circuit ontstaan dat zich intensief bezighoudt met de poëzie en muziek uit de 12e eeuw. Hierbij spelen de New Age-beweging en het internet een belangrijke rol.

Godsdienst

De Franse bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek (ca. 48 miljoen), voor 4,5% overwegend soennitisch islamitisch (ca. 4 miljoen) en verder zijn er kleine minderheden van protestanten (ca. 950.000), joden (ca. 700.000; de grootste Joodse gemeenschap in Europa) en Armeens-christelijken. Sinds de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV was het katholicisme staatsgodsdienst.

Sinds de scheiding van kerk en staat in 1905 heeft de staat geen enkele bemoeienis meer met de Kerk. De rooms-katholieke kerk heeft in Frankrijk achttien kerkprovincies en in totaal 95 bisdommen. Aan het hoofd van de kerkprovincies staat de aartsbisschop van Lyon.

advertentie

Philippe Barbarin, aartsbisschop van Lyon sinds 2002Foto: MEDE,F CC 2.0 Generic no changes made

Na de Bartholomeusnacht (1572) was de kracht van het protestantisme in Frankrijk gebroken. Pas door de wet van 1802 werden de protestantse kerken erkend. De voornaamste protestantse kerkgenootschappen zijn: de Église Réformée de France, de Église de la Confession d'Augsburg d'Alsace et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne en de Église réformée d'Alsace et de Lorraine.

Sinds 1905 is er een federatie van protestantse kerken die bestaat uit gereformeerden, lutheranen, baptisten, methodisten en vrije kerken: de Fédération protestante de France.

Protestantse theologische faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en Straatsburg; de laatste twee zijn interconfessionele faculteiten. Ondanks het relatief kleine aantal is de invloed van de protestanten in Frankrijk vrij groot.

advertentie

Notre-Dame de Paris is een in vroeggotische stijl opgetrokken kathedraalFoto: Madhurantakam CC 3.0 Unported no changes made

KATHAREN

Algemeen

Het departement Aude is het land van de katharen. De toeristische slogan voor dit gebied luidt dan ook: 'Aude, pays cathare'.

De Katharen of Albigenzen (naar de stad Albi) waren een religieuze groepering die actief was tijdens de late Middeleeuwen in Occitanië, het zuiden van Frankrijk. De Katharen beschouwden zich als de ware christelijke Kerk, waarin Jezus de centrale plaats innam. Op basis van hun dualistische opvattingen wezen ze het Oude Testament af. De Albigenzen werden als ketters aanzien en door de Rooms-katholieke Kerk en de Franse koningen bloedig vervolgd.

Geschiedenis

Vanaf de tiende eeuw worden zowel de Westerse als de Oosterse Kerken geconfronteerd met de opkomst van nieuwe dualistische leerstellingen. Dit leidt tot zware vervolgingen door de officiële Kerk. In Occitanië echter kunnen de katharen uitgroeien tot een echte"tegenkerk". De multiculturele samenleving in Zuid-Frankrijk speelt hierin een grote rol.

Het katharisme vindt zijn oorsprong in dualistische geloofsopvattingen zoals de gnostiek, het paulicianisme en de leer van de bogomielen uit Bulgarije.

In 1145 wordt Bernard van Clairvaux naar Zuid-Frankrijk gestuurd om de katharen te overtuigen zich terug bij de Katholieke Kerk aan te sluiten. Zijn predikingen hebben geen succes. Het zelfde dient gezegd te worden van de prediking in 1206 door Dominicus Guzman, de latere stichter van de Dominicanerorde.

Paus Innocentius III komt tot het besluit dat tegen de Albigenzen krachtig moeten worden opgetreden. In 1209 slaagt hij erin een leger te verzamelen voor een kruistocht naar Occitanië. De Franse koning koning Filips-August geeft zijn baronnen toestemming om mee te strijden. Hij neemt zelf niet aan de kruistocht deel.

Het ontkennen van de autoriteit van de Katholieke Kerk door de Albigenzen, samen met de wereldlijke ambities van de paus en de conflicten tussen de Occitaanse adel en de koning maken een openlijke oorlog tegen de Katharen mogelijk.

Aanvankelijk staat het leger onder opperbevel van Arnaud-Amaury, abt van de abdij van Citaux. Later, en nadat andere edelen uit het kruisvaardersleger geweigerd hadden, neemt Simon de Montfort, een lage edelman uit Noord-Frankrijk, de militaire leiding op zich. Tijdens deze kruistocht wordt in juli 1209 de volledige bevolking van Béziers uitgemoord. In juli 1210 worden in Minerve 140 katharen levend verbrand.

Met Simon de Montfort wordt de kruistocht een echte veroveringsoorlog en wordt de inbreng van de Kerk naar het tweede plan verschoven. De godsdienstkwestie verdwijnt hiermee naar de achtergrond. In juni 1215 verovert Simon de Montfort Toulouse en kan hij zich meester van Zuid-Frankrijk noemen. In november 1215 bevestigt het vierde concilie van Lateranen de overwinning van de Montfort; hij krijgt de titel van graaf van Toulouse.

Hij sneuvelt echter in 1218. De verdreven edelen, de faidits, komen op aansporen van Raymond VII, de zoon van de verdreven graaf van Toulouse Raymond VI, in opstand en verdrijven de kruisvaarders in 1223. Op 15 januari 1224 verlaat zoon Amaury de Montfort met de laatste kruisvaarders Carcasonne.

In 1226 lukte het paus Honorius III de Franse koning Lodewijk VIII, bijgenaamd Lodewijk de Leeuw, te overtuigen zelf een kruistocht te leiden. Zijn vader had dit steeds geweigerd. Dankzij een ingenieuze propaganda ontvangen de faidits de koning welwillend. Lodewijk VIII overlijdt echter het zelfde jaar en het leger van de koning wordt uit Occitanië verdreven.

De nieuwe koning Lodewijk IX van Frankrijk, de Heilige Lodewijk, is nauwelijks twaalf jaar als hij zijn vader opvolgt. Zijn moeder Blanca van Kastilië treedt op als regentes. Zij heeft aanvankelijk weinig belangstelling voor een nieuwe kruistocht.

In 1243 start toch een derde kruistocht tegen de Albigenzen. Montségur, het bolwerk van de katharen, valt in 1244. 215 parfaits worden verbrand op de brandstapel. In 1244 zijn de hoogdagen van het katharisme over.

In 1232 heeft paus Gregorius IX bevel gegeven aan de Dominicanerorde om de taak van de inquisitie op zich te nemen. Deze inquisitie gaat een grote rol spelen in de vervolging van de Albigenzen. Wat resteerde van parfaits en croyants wordt opgeruimd. Dit gaat door tot het begin van de 14e eeuw. De inquisitie bleef actief tot 1321, toen de laatste bekende kathaar, Guillaume Bélibaste, op de brandstapel ter dood werd gebracht.

Naamgeving

De meeste historici die in de loop der eeuwen over de katharen (uit de Languedoc) schreven gebruikten uitsluitend de termen"Albigeois","Albigenzen".

In de middeleeuwse kronieken, de inquisitieverslagen en de kathaarse teksten worden de katharen nergens"katharen" genoemd, wel"ketters" of positiever,"goede mannen","goede vrouwen". Zijzelf noemden zich christenen of"vrienden van God".

Halverwege de 12e eeuw komt het woord"kathaar" voor de eerste keer voor in een preek van de Duitse monnik Eckbert von Schonau. Maar hij heeft het over de ketters in het Rijnland die"katharen" worden genoemd. Een halve eeuw later wordt het woord ook gebruikt buiten Duitsland in geschriften van tegenstanders. Gebruik in verband met de Languedoc wordt niet teruggevonden. Alain de Lille, een katholieke theoloog, schreef in"De Fida Catholica" ("Over het katholieke geloof", Montpellier 1200) onder meer :"Men noemt ze katharen van catus (kat) omdat ze het achterste van een kat kussen..." Katten werden geassocieerd met satanisme. In het Rijnland en ook in onze streken werd een kat aanzien als de verpersoonlijking van Satan.

In 1848 schrijft Charles Schmidt, een Elzasser, de"Geschichte der Valdesier und Katharer"; in het Frans wordt de titel"Histoire et doctrine de la secte des Cathares ou Albigeois" (1848). Het woord"kathaar" in de betekenis, waarin we het thans over katharen hebben, werd voor het eerst gebruikt in de 19e eeuw.

Vanuit de esoterie heeft men de link gelegd tussen"kathaar" en het Griekse woord"catharos" wat"gereinigd" betekent. Een argument werd gevonden bij Augustinus die een Afrikaanse manicheïsche secte beschrijft die zich"catharoi" of"zuiveren" noemde; deze leefden echter in de 4e eeuw. Wanneer ten tijde van de Albigenzen"kathaar""catharos" zou betekend hebben zou het zeker door de katharen zelf zijn gebruikt geweest, wat echter niet het geval is.

Iets gelijkaardigs is terug te vinden betreffende het woord"parfait" of"volmaakte". De kathaarse geestelijken noemden zichzelf niet"volmaakten", maar gewoon"christenen" of"ware christenen". Het Franse woord"parfait" is afkomstig van de inquisitie. Iemand die het consolamentum had ontvangen werd door de inquisitie een"volmaakte ketter" genoemd, in het Latijn"hereticus perfectus", later ingekort tot"perfectus" of"parfait”.

Beginselen van de leer

De Kathaarse leer is gnostisch van oorsprong. Zoals de andere gnostici zijn de katharen dualisten, ze gaan er van uit dat er"twee scheppingen" bestaan: de goede, geestelijke schepping en de slechte, stoffelijke schepping. Hun visie is dat de wereld zoals wij die kennen slechts een schijnwereld is. Alle stoffelijke zaken zijn vernederend voor het goddelijke dat in iedere mens aanwezig is.

De katharen kennen zowel een goede als een slechte God. De slechte god was Jahweh, de god van het Oude Testament, die de wereld geschapen had en de geesten had gevangen in stoffelijke lichamen, ze vulde met ellende en lijden. De goede god was de God van Jezus, die liefde predikte. Voor de katharen was het volstrekt ondenkbaar dat God zijn eigen zoon naar de aarde zou sturen om door zijn lijden en dood de mensen te verlossen. Het kruis is voor hen een verwerpelijk martelwerktuig waarmee gepoogd werd de missie van Christus te doen mislukken. Zijn missie was de Boodschap brengen.

De eucharistie is voor de katharen geen sacrament. Zij kennen wel de zegening van het brood bij het begin van de maaltijd (als herinnering aan de missie van Christus), maar ze verwerpen zonder meer het idee van de transsubstantiatie waarbij Christus zou aanwezig zijn in de hostie. Het is voor hen ondenkbaar dat God zich in zoiets laags en stoffelijks als een stuk brood zou manifesteren. De katharen geloofden in reincarnatie.

De katharen kenden 3 niveaus van betrokkenheid.

Een 'chrétien' had, na een noviciaat, het"consolamentum" ontvangen. Dit was het enige sacrament voor de katharen. Na het consolamentum moest hij leven volgens strenge voorschriften. Hij moest de leer verkondigen, huis en familie verlaten, geen seksuele betrekkingen hebben, geen vlees en geen zuivelproducten eten, geen persoonlijke bezittingen hebben, leven van handenarbeid, geen mensen of dieren schade berokkenen of doden, geen eden zweren. Het"consolamentum" kon pas ontvangen worden op latere leeftijd; de katharen meenden dat dit bewust moest gebeuren, in alle vrijwilligheid.

Een 'croyant' geloofde in de juistheid van de kathaarse leer, maar ondergingen geen wijding. De kathaarse Kerk legde de croyant geen enkel gebod of verbod op. Dat bracht de roomse Kerk ertoe de katharen laksheid te verwijten. De stervenden konden een vereenvoudigde vorm van het consolament ontvangen.

Een 'auditeur' was diegene die niet geloofde in de kathaarse leer, maar er wel welwillend tegenover stond. De meeste Occitaanse faidits (edelen) waren auditeurs.

Vrouwen werd het consolamentum enigszins anders toegediend, nl. zonder de vrouw aan te raken. Dit verschil was gebaseerd op het filosofische uitgangspunt dat"vrouwen eerst mannelijk moesten worden om het heil te kunnen bereiken". Dit verschil was gebaseerd op het filosofische uitgangspunt van de Katharen, op basis waarvan vrouwen eerst mannelijk moesten worden om het heil te kunnen bereiken. Deze principiële achterstelling van de vrouwelijke lichamelijkheid is kenmerkend voor gnostiserende stromingen. Wel waren voor de katharen de zielen evenwaardig, het verschil zat alleen in het stoffelijke lichaam.

Kleine kinderen die stierven hadden het consolamentum niet ontvangen. Toch konden ook zij volgens de katharen de hemel bereiken; door reïncarnatie kregen ze een tweede kans.

Samenleving

Staatsinrichting

Frankrijk is een democratische republiek die in het jaar 1789 ontstond, toen de Franse Revolutie een einde maakte aan de monarchie en de feodale staatsvorm. Er zij in totaal 101 departementen (96 in Frankrijk en 5 in de overzeese gebieden), die allen in alfabetische volgorde een nummer hebben. De departementen zijn verdeeld in 326 arrondissementen, die weer zijn onderverdeeld in ca. 3800 kantons. De kleinste bestuurseenheden zijn ca.37.000 gemeenten. De arrondissementen en de kantons hebben slechts een administratieve betekenis, de gemeentes hebben zeer beperkte bevoegdheden.

De departementen bleken te klein om goed te kunnen functioneren en dus herverdeelde men het land in 22 regio's. Iedere zes jaar gaat men naar de stembus om een departementale raad te kiezen. Zij kiezen op hun beurt het dagelijks bestuur (4-7 leden) van het departement, de departementale commissie. Aan het hoofd staat de prefect, de vertegenwoordiger van de nationale regering. De belangrijkste taak van een regionaal bestuur is het bevorderen van de sociale, economische en culturele ontwikkeling van de regio. Een raadgevend comité, waarin maatschappelijke en economische organisaties zitting hebben, staat het regioparlement hierin bij.

Tot de regio Languedoc-Roussillon behoren de departementen Lozère, Gard, Hérault, Aude en Pyrénées-Orientales. Montpellier is de hoofdstad van het departement Hérault en van de regio Languedoc-Roussillon. Samen met de voorsteden heeft Montpellier ca. 450.000 inwoners en is daarmee de achtste gemeente van Frankrijk. Voor de actuele politieke situatie in Frankrijk zie hoofdstuk geschiedenis.

Typisch Languedoc-Roussillon

WIJN

Op de kusten van de Middellandse Zee, tussen de Rhône-delta en Spanje, vormen de wijngaarden van deze zonnige streek het meest uitgestrekte wijngebied ter wereld! Met ca. 300.000 ha wijngaarden is de regio Languedoc-Roussillion verantwoordelijk voor 40% van de Franse wijnproductie. Dit wordt met name bepaald door uitzonderlijk gunstige natuurlijke omstandigheden.

Het gebied produceert hoofdzakelijk rode wijnen, veel"Vin de Table" (tafelwijn), maar grotendeels"Vin de Pays" (landwijn). Sinds een aantal jaren wordt er hard aan gewerkt om de kwaliteit van de wijn te verbeteren, vooral door ontwikkeling van druivenrassen als Grenache en Cinsault. Andere druivensoorten zijn Mourvèdre, Carigan en Syrah.

Languedoc-Roussillon kent drie wijnstreken, met in totaal 32 AOC-vermeldingen (AOC = Appellation d’Origine Contrôlée): de vallée du Rhône, de coteaux du Languedoc en de Roussillon. Deze wijnen van uitstekende kwaliteit zijn nauwkeurig gereglementeerd, o.a. wat betreft de methodes van verbouwen, de productiemethodes, de plaatsbepaling, de druivensoort en het minimale alcoholgehalte.

Aan de kwaliteitseisen die verbonden zijn aan het AOC-keurmerk voldoen onder andere Costières de Nîmes, Faugères, Saint-Chinian, Minervois, Fitou, Cabardès, Collioure en Malepère.

In Thuir, de hoofdstad van de Aspres, is de aperitiefproducent Byrrh gevestigd, de bezitter van het grootste eikenhouten vat ter wereld (1 miljoen liter).

ROQUEFORT-KAAS

De beroemde roquefort-kaas wordt geproduceerd in Roquefort-sur-Soulzon, waarschijnlijk al vele duizenden jaren. Ook de Romeinen vonden de kaas erg lekker.

De kaas wordt gemaakt van rauwe, volle schapenmelk zonder toevoegingen. Homogeniseren en pasteuriseren is niet nodig en de verwerking vindt in plaatselijke fabrieken plaats. De gestremde melk transformeert zich in ‘fleurines’ (spleten in een ondergrondse rots) tot de ‘koning der kazen’ zoals Diderot hem noemde.

De schimmel die kaas maakt van de gestremde melk en zorgt voor groen-blauwe aders, is de Penicillium roqueforti. Het schimmelproces duurt ongeveer drie maanden en de jaarlijkse productie bedraagt 17.000 ton, waarvan ca. 15% naar de Verenigde Staten en de landen van de Europese Unie gaat. De melk komt van het Lacaune-schaap.

COURSE CAMARGUAISE

Langs de kust neemt de stier een belangrijke plaats in bij festiviteiten. In de ‘corridas’ worden de dieren gedood, maar in de ‘course camarguaise’ blijven de stieren ongedeerd. In veel dorpjes in de Camargue worden courses gehouden.

Bij een ‘course camarguaise’ treden zes stieren op. Tussen de hoorns van de stieren zijn een ‘cocarde’ van rode stof, twee ‘glands’ (witte wollen kwasten) en twee ‘ficelles’ (koorden) vastgemaakt. Als de stier in de arena verschijnt proberen twaalf in het wit geklede ‘raseteurs’ de attributen te pakken en zich in veiligheid te brengen.

Economie

De wijnbouw is zeer opvallend aanwezig in het landschap van Languedoc-Roussillon. Grote gebieden zijn bedekt met wijngaarden die vooral rode wijn produceren.

De boeren op de causses zijn afhankelijk van de schapenteelt, vooral voor de melk en het vlees. De schapenmelk gaat onder andere naar de Roquefort-kaasmakerijen. Geiten worden gehouden voor hun melk; koeien vooral voor vlees en melk.

De industrie stelt niet zoveel voor in dit gedeelte van Frankrijk. Door de aanwezigheid van universiteiten in Montpellier zijn in de buurt van de stad een aantal moderne industrieën neergestreken, vaak verbonden met de dienstensector. Verder is de haven van Sète, na Marseille, de grootste aan het Franse gedeelte van de Middellandse Zee en dat trekt ook weer een aantal industrieën aan.

De metaalindustrie concentreert zich rond Béziers en Narbonne. In de buurt van de plaatsen Lacrouzette en Burlats is de granietindustrie van grote betekenis voor de plaatselijke economie. Enkele duizenden mensen verdienen er hun brood mee. Mazamet is bekend om de wolindustrie.

Sète is de belangrijkste vissershaven aan het Franse deel van de Middellandse Zee; Collioure heeft twee ansjovisfabrieken. In Listel ligt de grootste wijngaard van Europa met een oppervlakte van 1300 ha. Saint-Chély-d’Apcher heeft een bloeiende elektronica- en metaalindustrie. Alès is een belangrijk industriecentrum voor metaalnijverheid, chemie en werktuigkunde. De productie van hoeden in de Aude verminderde sterk toen het dragen van hoeden uit de mode raakte. De hoedenindustrie was vroeger gevestigd in steden als Espéraza, Quillan, Couiza en Chalabre. Er is nu nog slechts één fabriek in Montazels. De andere fabrieken maken nu schoenen, meubels, schuimplastic of decoratieve formica panelen. Ille-sur-Têt is een belangrijk centrum voor de groente- en fruithandel. Millau is de handschoenenstad, want fabriceert nog steeds over de hele wereld ongeveer 200.000 handschoenen per jaar. Tegenwoordig maken de leerlooiers van Millau ook kleding, schoenen en lederwaren. De belangrijkste tuinbouwgebieden liggen in de buurt van de Rhône; in de Camargue wordt nog op beperkte schaal rijst verbouwd. Een olijfsoort die alleen in de Languedoc wordt verbouwd, is de Lucques de Bize, die de vorm heeft van een halve maan.

Bij de plaats Lodève worden vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw enkele uraniummijnen geëxploiteerd. Het uraniumerts wordt gewonnen in ondergrondse gangen en in open groeven. In dit gebied ligt ongeveer een kwart van alle bekende Franse reserves.

Al sinds de oudheid wordt in de Salin de Midi zout gewonnen. De huidige zoutpannen, die tot de grootste van Europa behoren, beslaan een totale oppervlakte van 10.800 ha en tijdens de zoutwinningsperiode wordt er 15.000 ton geproduceerd. Er ligt tussen 400.000 en 500.000 ton zout opgeslagen.

Tegenwoordig zorgt de tertiaire sector (dienstverlening, administratie, gezondheid en met name het toerisme) voor de meeste inkomsten en werkgelegenheid (ca. 76% van de beroepsbevolking).

Vakantie en Bezienswaardigheden

Het toerisme is met ca. 5 miljoen toeristen per jaar de belangrijkste economische sector van Languedoc-Roussillon. De regio behoort tot de top vijf van Franse toeristische gebieden. Globaal gesproken zijn er drie soorten toerisme: het sportieve toerisme, het strandtoerisme aan de Middellandse Zeekust en het op cultuur gerichte toerisme.

Vanaf 1955 werd de kust van de Languedoc-Roussillon aangelegd en ontstonden nieuwe badplaatsen als La Grande Motte, Cap d’Agde, Port-Leucate, Carnon-Palge en Port-Barcarès.

Aude

Het is een interessante streek met ca. 50 km kust aan de Middellandse Zee, het land van de Katharen en de uitlopers van de Pyreneeën.

De hoofdstad van dit naar de rivier Aude genoemde departement is Carcasonne, een schitterend gerestaureerde vestingstad die in 1997 door de UNESCO werd uitgeroepen tot cultureel werelderfgoed.

Gard

Dit departement, met als hoofdstad Nîmes, omvat de prachtige Cevennen met zijn gorges en rivieren (Tarn, Jonte) maar ook een prachtige stad als Avignon. In het uiterste zuiden sluit de Petite Camargue (800 km2: door de Unesco aangemerkt als ‘natte zone van internationale betekenis’) aan op de Middellandse Zee. Het 13.000 ha grote Réserve Naturelle Zoologique et Botanique bestaat uit meren en moerassen en herbergt de Étang de Vaccarès, de grootste binnenzee van de Camargue.

Op de Cham des Bondons (Cevennen), meer dan 1000 meter hoog, staan meer dan 150 menhirs. Het is de op één na grootste megalithische vindplaats van Frankrijk. Met 4500 ligplaatsen is Port-Camargue de grootste jachthaven van Europa.

Hérault

Montpellier is de hoofdstad van dit departement. Het heeft een kustlijn van ca 80 km met prachtige stranden. Het gebied erachter is vrij vlak en bij uitstek geschikt voor fietstoeristen die niet van al te hoge heuvels houden. Leuke plaatsen zijn Sète, Agde en Aige Morte. Ook het Canal du Midi biedt kansen voor een fietstocht of flinke wandeling. Het is de streek van vis, oesters, mosselen en natuurlijk bouillabaisse.

De badplaats La Grande-Motte heeft een overnachtingcapaciteit van niet minder dan 110.000 bedden en is daarmee de tweede badplaats van de kust van de Languedoc, na Agde met 156.000 toeristenbedden.

Lozère

Met de hoofdstad Mende is dit het noordelijkste departement van Languedoc-Roussillon. Er wonen maar 70.000 mensen en is het dunst bevolkte departement van Frankrijk. In 1985 riep de Unesco een deel van het departement uit als wereldnatuurreservaat. De vlaktes van de Grands Causse zijn uniek, terwijl ook de prachtige en de la Jonte niet te versmaden zijn.

Pyrénées Orientales

Dit is een zeer toeristisch departement met een fantastisch klimaat en een prachtige omgeving. De bergen van de Pyreneeën, de zee en heuvels met onafzienbare wijngaarden. is de hoofdstad, waar de Catalaanse sfeer nog duidelijk aanwezig is. De inwoners laten door de roodgele vlaggen ook duidelijk blijken waar hun hart ligt.

Port-Leucate en Port-Barcarès vormen samen de grootste jachthaven van de Franse Middellandse Zeekust. Argèles-sur-Mer telt ca. 60 campings, de meeste van de gehele Middellandse Zeekust.

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

LANGUEDOC-ROUSSILLON LINKS

Advertenties
• ANWB vakantie boeken Languedoc-Roussillon
• Langudedoc-Roussillon Tui Reizen
• Languedoc-Roussillon Hotels
• Marseille Vliegtickets.nl
• Languedoc Campings
• Vakantieveilingen bied mee op de beste deals

Nuttige links

Languedoc-Roussillon Startnederland (N+E)
Telefoongids Frankrijk

Bronnen

Bongartz, M. / Languedoc-Roussillon

ANWB

Brutinot, L. / Languedoc-Roussillon

ANWB

Deggau, H. / Wandelgids Cevennen en Languedoc

ANWB

Encarta Encyclopedie

Graaf, G. de / Languedoc-Roussillon

ANWB

Hiddema, B. / Languedoc-Roussillon : Camargue, Cevennen

ANWB

Languedoc-Roussillon

Lannoo

Languedoc Roussillon : Gorges du Tarn, Cevennen, Carcassonne, Perpignan

Lannoo

Pijnenburg, H. / Cevennen, Languedoc

Gottmer/Becht

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt augustus 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems