BAHREIN   

Oudheid

Dilmun cultuur Bahrein Foto:Rapid Travel Chai

De geschiedenis van Bahrein gaat terug tot het ontstaan van de mensheid. Bahrein-eiland is ca. 6000 jaar v.Chr. losgeraakt van het Arabisch vasteland en is vrijwel zeker al bewoond geweest sinds de prehistorie. In het derde millennium v.Chr. komt Bahrein de wereldgeschiedenis binnen. Het stond toen bekend onder de naam Dilmun, een van de grote handelsrijken van de antieke wereld.
Het rijk profiteerde van de strategische ligging tussen Mesopotamië en de Indus- Vallei. Het Midden-Oosten had ± 4500 jaar geleden een veel milder klimaat dan nu het geval is hoewel het toen al steeds droger werd. Dilmun was een heilig eiland in de Sumerische mythologie. De Sumeriërs waren een van de eerste beschavingen die opbloeiden in het huidige Zuid-Irak. De Sumeriërs stamden af van de Ubaïden en Bahrein continueerde dit contact na het ontstaan van Dilmun, 3000 jaar v.Chr. Dilmun's invloed strekte zich op haar hoogtepunt ten noorden uit tot het huidige Koeweit en landinwaarts tot de Al-Hasa-oase in oostelijk Saoedi-Arabië.
Tussen 1600 en 1000 v.Chr. trad het verval in en dit viel samen met de val van Indus Vallei-beschaving in Pakistan. Dilmun leed hier sterk onder als handelshaven op de route van Mesopotamië naar de Indus. Het verval van Dilmun duurde de eeuwen daarna voort en in de 8e eeuw v.Chr. werd Dilmun genoemd als een schatplichtig deel van Assyrië. Een paar eeuwen later werd Dilmun volledig overgenomen door de Babyloniërs en hield op te bestaan. Van de volgend 200 jaar is bijna niets bekend over deze regio, die pas weer in beeld komt na de komst van de Nearchus, een admiraal van het leger van Alexander de Grote in de 4e eeuw v.Chr. Bahrein werd tot de komst van de islam in de 7e eeuw n.Chr. algemeen bekend onder zijn Griekse naam Tylos. De periode 300 v.Chr. tot 300 n.Chr. was een redelijk welvarende. De dominante regionale macht was op dat moment het Seleucidenrijk, een van de opvolgerstaten van het rijk van Alexander de Grote. Het rijk van de Seleuciden strekte zich uit van het huidige Israël en Libanon tot Mesopotamië en Perzië en waarschijnlijk ook Bahrein. De Seleuciden, die maar kort overheersten, werden opgevolgd door de Parthen, een Perzische dynastie. De Parthen regeerden over Bahrein tot de derde eeuw en werden weer opgevolgd door de Sassaniden die Bahrein in de vierde eeuw annexeerden. In de derde en vierde eeuw waren al veel inwoners van Bahrein tot het christendom bekeerd. Het Sassanidische rijk was ook een centrum van Zoroasterianisme en Manicheïsme. Het Zoroastrianisme werd evenwel de officiële godsdienst van het Sassanidische rijk. Afvalligen werden vervolgd maar Bahrein bleef veelal gespaard van deze vervolgingen. Begin 5e eeuw vestigde zich de christelijke Nestorianen-sekte zich in Bahrein en langs de Arabische kant van de Golf. De twee bisdommen in Bahrein bleven bestaan tot ca. 835. Er zijn ook bewijzen gevonden dat Bahrein gedurende deze periode ook een gedeelte van de aangrenzende kust controleerde. Het hoofdeiland van Bahrein stond toen ook bekend als "Awal", een naam die de Bahreini's tot begin 20e eeuw nog steeds gebruikten.

Islam en Portugese overheersing

Bahrein Fort Foto:Martin Falbisoner

Bahrein is een van de eerste gebieden buiten het Arabische vasteland dat zich bekeerde tot de islam. Rond 640 ging Bahrein over tot de islam, maar christenen en moslims zouden nog twee eeuwen vreedzaam naast elkaar leven. Van de 9e tot de 11e eeuw werd Bahrein een deel van het Umayyad en het Abassidische Rijk. Bahrein verkreeg weer een redelijke welvaart en was opnieuw een belangrijke plaats op de handelsroute tussen Mesopotamië en het Indische subcontinent. Gedurende de Middeleeuwen werd het gunstig gelegen Bahrein overheerst door verschillende machthebbers, net als de rest van het Golfgebied dat constant in oorlog was. De Omanis veroverden Bahrein en de Muharraq-eilanden in 1487 en bouwden fort Arad op Muharraq.
Rond 1485 was de Portugees Duarte Barbosa de eerste Europeaan die Bahrein bezocht. Hij noemde de eilanden "Barem", refererend aan de hoeveelheid en de kwaliteit van de gevonden parels. Rond 1520 veroverde de Portugese vloot de eilanden. Als parelvisserijhaven had Bahrein een zekere economische waarde voor de Portugezen, en was tevens belangrijk door de grote aanwezige voorraden vers drinkwater en de strategische ligging. Bahrein lag dan ook in de frontlijn toen de Ottomaanse Turken en de Portugezen in de eerste helft van de 16e eeuw vochten om de controle over Golfregio. De tweede helft van de 16e eeuw was rustiger doordat de Portugezen Bahrein toen stevig in handen hadden.

Al-Khalifa familie, Groot-Brittannië en olie

Hamad bin Isa Al Khalifa Bahrein Foto:Publiek domein

In 1602 werd de broer van een van de rijkste handelaren in Bahrein, Rukn-el- Din, geëxecuteerd. Rukn el-Din leidde de daarop volgende opstand en de Portugezen werden verjaagd van het eiland. Rukn el-Din zocht snel steun bij de Perzen (sjah Abbas I de Grote) en als gevolg daarvan bleef Bahrein de gehele 17e eeuw een deel van Perzië. In het midden van de 18e eeuw arriveerde de Al- Khalifa familie vanuit Koeweit in Bahrein. Rond 1782 verdreef de sjeik Ahmed al- Fatih het Perzische garnizoen en bezette de belangrijkste eilanden van de Bahrein-archipel met behulp van de Al-Sabah familie in Koeweit. Bahrein en de Muharraq-eilanden waren op dat moment van groot belang doordat ze vanwege hun ligging redelijk immuun waren voor de rooftochten van de Wahhabi's, voorouders van de huidige Saoedi-Arabische koninklijke familie. Deze rooftochten kwamen regelmatig voor tot ca. 1818. Ahmed regeerde tot zijn dood in 1796 waarna zijn twee zoons Abdullah en Sulman het overnamen. In 1799 werden de twee broers echter alweer verjaagd door de Omanis. Pas in 1820 lukte het hem om de eilanden te heroveren. Vlak daarna sloot Bahrein een verdrag met Groot-Brittannië waarin Bahrein verklaarde zich niet met piraterij tegen de Britse schepen bezig te houden. Vanaf 1834 begonnen de Britten hun aanwezigheid in de Golf te formaliseren. India werd namelijk een steeds belangrijker deel van het Britse koninkrijk, en veiligheid in de Golf was daarom van het grootste belang. In 1835 werden de heersers van de verschillende Golfstaten er door de Royal Navy min of meer toe gedwongen om een vredesverdrag te ondertekenen. Ook werd door de Britten aangedrongen op het afschaffen van de slavernij. Toch bleef het niet lang rustig in de Golfregio. Rond 1840 volgden drie decennia met veel problemen. Na de dood van Khalifa zette zijn zoon, Mohammed bin Khalifa, zichzelf op de troon in Muharraq als mede-heerser en rivaal van Abdullah. In 1843 veroverde hij Al-Zubra in Qatar en zette Abdullah af, die vijf jaar later in ballingschap zou sterven. In 1861 sloot Mohammed een vriendschapsverdrag, het "Treaty of Perpetual Peace and Friendship" met de Britten. Door deze verdragen (idem in 1881 en 1891) kreeg Groot-Brittannië de controle over de buitenlandse zaken van Bahrein en andere Golfstaten in ruil voor bescherming door het Britse leger. Mohammed bin Khalifa werd al snel uitgedaagd door de zoon van de uitgezette Abdullah, Mohammed bin Abdullah. Hij viel Bahrein aan vanaf het Arabische vasteland. Tijdens deze turbulent periode brak er een oorlog uit tussen Bahrein en Qatar die in 1868 eindigde toen Mohammed bin Khalifa naar Quatar vluchtte en zijn broer Ali zichzelf als heerser over Bahrein uitriep. In Quatar bouwde Mohammed bin-Khalifa een nieuwe vloot, viel Bahrein binnen en doodde Ali in 1869. Mohammed bin-Khalifa maakte echter een grote fout, hij gaf Mohammed bin-Abdulah een hoge post in het veroveringsleger. Na de verovering van Bahrein zette hij Mohammed bin-Khalifa meteen af en zette hem in de gevangenis. De Britten zagen dit aan en besloten in te grijpen. De Royal Navy stoomde op naar Bahrein, de beide Mohammeds werden naar Bombay in India gedeporteerd en Ali's zoon sjeik Isa bin Ali werd als emir aangesteld. Sjeik Isa's bloedlijn heeft Bahrein sindsdien geregeerd. Omdat het belang van de Britten alleen was om de Turken uit de regio te houden, bleven ze de rest van de 19e eeuw buiten de binnenlandse politiek van Bahrein. Zowel Turkije als Perzië bleven tot 1970 aanspraak maken op Bahrein maar ze durfden de Britten niet uit te dagen. De zeer conservatieve Sjeik Isa bin Ali regeerde tot zijn dood in 1932. In 1923 werd hij door de Britten gedwongen om de dagelijkse gang van zaken over te dragen aan zijn zoon Hamad, die na de dood van zijn vader tot 1942 zou regeren. Meteen na zijn aantreden in 1923 begon hij met het moderniseren van Bahrein. Tien jaar later, na de vondst van olie, werd het tempo van moderniseren opgeschroefd. Scholen, ziekenhuizen en nieuwe moskees werden gebouwd, praktisch het hele land werd geëlektrificeerd en er werd een vliegveld aangelegd. Belangrijk voor de ontwikkeling van Bahrein was de komst in 1923 van een nieuwe adviseur van de emir, Charles Belgrave. Hij was behulpzaam bij de opzet van een onderwijssysteem en begeleidde de ontwikkeling van de infrastructuur op het eiland. De Tweede Wereldoorlog ging vrij onopgemerkt voorbij. Een dag na de Britten verklaarden de Bahreini's in 1939 de oorlog aan Duitsland en Italië. Bahrein was natuurlijk wel van groot belang in verband met de levering van olie voor de legers van de geallieerden. Sjeik Hamad werd in 1942 opgevolgd door zijn negentienjarige zoon Sulman. De levensstandaard was op dat moment al zeer hoog in Bahrein ook vergeleken met de oliereuzen als Saoedi-Arabië en Koeweit. De productie van olie stelde, vergeleken met deze twee landen, niet veel voor maar Bahrein diende door zijn ligging als belangrijke opslagplaats voor de olie uit de gehele Golfregio.

Bahrein richting onafhankelijkheid

Bahrein Comitee van Nationale Eenheid 1954 Foto:Publiek doemein

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw was het zeer onrustig in de Arabische wereld. Zo keerde de Egyptische president Nasser zich sterk tegen de koloniale aanwezigheid in de Arabische wereld en zorgde daardoor voor een bewustwordingsproces in de Arabische wereld. Ook in Bahrein kwamen er steeds meer mensen met een aversie tegen de Britten. Met name studenten die in Caïro, Beiroet of Londen hadden gestudeerd kwamen met een antipathie jegens de Britten terug in hun land. In 1952 vormden hervormingsgezinde soennitische en sjiitische leden van de gemeenschappen een uit acht personen bestaande "Higher Executive Committee". Zij eisten vakbonden naar westers voorbeeld, een parlement en het ontslag van Belgrave. Hoewel Belgrave mocht blijven, willigde de emir verschillende andere wensen in. In 1956 liepen de zaken enigszins uit de hand toen er stenen werden gegooid naar de Britse minister van buitenlandse zaken Selwyn Lloyd, tijdens diens bezoek aan Bahrein. Als vergelding werden er verschillende leden van het "Committee of National Union" (opvolger van de Higher Executive Committee) gedeporteerd. In november van dat jaar werden er verschillende mensen gedood tijdens rellen naar aanleiding van de Suez-crisis. Britse troepen landden om de olievelden te beschermen, maar tegelijkertijd werden de leveranties van olie door Saoedi-Arabië naar de olieraffinaderij van Bahrein gestopt. Niet lang daarna ging Belgrave met "pensioen". De emir benoemde een andere Brit, maar tegen die tijd was de rust weergekeerd en ging men verder met veel geld verdienen. Sjeik Sulman stierf in 1961 en werd opgevolgd door zijn zoon Isa bin Sulman al-Khalifa, die regeerde tot zijn dood in maart 1999. Hij werd weer opgevolgd door zijn zoon Hamad bin Isa al-Khalifa. Nadat Groot-Brittannië had aangegeven zich te willen terugtrekken uit de Golf deed Bahrein eind 1971 mee in een poging om een federatie te vormen met Qatar en de zeven "Trucial States", nu de Verenigde Arabische Emiraten Als grootste qua inwoneraantal van de negen emiraten eiste Bahrein de grootste zeggenschap in de voorgestelde federatie. De andere weigerden hierop in te gaan waarna Bahrein besloot om alleen verder te gaan en riep op 14 augustus 1971 de onafhankelijkheid uit, met instemming van Groot-Brittannië. Groot-Brittannië sloot met de nieuwe staat een vriendschapsverdrag zonder defensieve verplichtingen. Ook Qatar trok zich terug uit de toekomstige federatie. Eind 1972 werd er een soort werkgroep opgericht die een nieuwe grondwet moest maken. De emir keurde de grondwet in mei 1973 goed en later dat jaar werden er verkiezingen gehouden voor een "National Assembly" die voor het eerst bijeenkwam in december van dat jaar. Twintig maanden later werd het orgaan door de emir ontbonden omdat radicale leden het onmogelijk maakten voor de uitvoerende macht om goed te functioneren. Vanaf die tijd wordt het land geregeerd door die decreten van de emir die uitgevoerd worden door het kabinet. In 1975 werden vakbonden en stakingen wettelijk verboden. Gedurende de jaren zeventig en tachtig realiseerde Bahrein een enorme economische groei door de hoge olieprijs en de uitstekende infrastructuur, de beste van de hele Golfregio. Een bedreiging voor het bewind leek de islamitische revolutie in 1979 in Iran en de daaropvolgende Eerste Golfoorlog tussen Iran en Irak (1980-1988) te vormen. Niet alleen betoogden Bahreini- sji'ieten van Iraanse afkomst voor een islamitische staat, tevens leek Iran zijn historische aanspraken op Bahrein te hernieuwen.

Interne onlusten en democratische ontwikkelingen

Hamad bin Isa Al Khalifa Bahrein Foto:Publiek domein

Recent is de status als opslagplaats van olie achteruit gegaan, maar de economie richt zich steeds meer op de ontwikkeling van de industrie en de dienstensector (o.a. toerisme) en daardoor is men minder afhankelijk van de olie geworden. Bahrein is bijvoorbeeld een van de belangrijkste financiële centra van de regio geworden als opvolger van Beiroet in Libanon. Eind jaren tachtig ging het in het Golfgebied economisch een stuk minder, maar Bahrein bleef kalm en welvarend. Zo deed de scheepsindustrie halverwege de jaren tachtig goede zaken door tankers die getroffen waren in de oorlog tussen Iran en Irak te repareren. In 1985 werd een samenzwering tegen de staat ontmanteld. Bahrein deed belangrijke wapenaankopen bij de Verenigde Staten en leverde faciliteiten aan de Amerikaanse vlooteenheden die in 1987 en 1988 in de Golf patrouilleerden. Opmerkelijk was de toenadering tot Iran; in december 1990 bezocht de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Bahrein. De Koning Fahd snelweg tussen Bahrein en Saoedi-Arabië in 1986 gaf een impuls aan de zakenwereld en het toerisme. Begin jaren negentig onderhield Bahrein nauwe banden met Iran, terwijl de relatie met Irak op een dieptepunt belandde na een raketaanval in de tweede Golfoorlog op Bahrein. Na de Golfoorlog werd Bahrein de basis van de wapeninspecteurs van de Verenigde Naties. In 1999 vroeg de Bahreinse regering om deze bases te sluiten. In 1991 ontstond met Qatar een conflict om de Hawar-eilanden en de zandbanken Fasht al-Dibal en Jaradah, waar olie was gevonden; Qatar eiste de soevereiniteit over de eilanden op. In 1994 weigerde de emir een petitie met 25.000 handtekeningen aan te nemen waarin gevraagd om meer democratie. Ontevredenheid hierover leidde in november 1994 tot wat rellen in sjiitische dorpen ten westen van Manama. De belangrijkste eisen van de demonstranten was herstel van het buitenspel gezette parlement en een betere spreiding van de welvaart (van de sjiitische bevolking was 30% werkloos). Er vielen 16 doden en vele honderden mensen werden gearresteerd. Ook in 1995 en 1996 was er onrust en werden verschillende bomaanslagen gepleegd en verijdeld. De regering beschuldigde Iran van medeplichtigheid. In december 1996 boycotte Bahrein de topconferentie van de Samenwerkingsraad voor de Golf (GCC: samen met Saoedi-Arabië, Oman, Koeweit, Verenigde Arabische Emiraten en Qatar) in Doha (Qatar) vanwege een grensconflict met dit land. Als gevolg van dit grensconflict verslechterden ook de relaties met andere Golfstaten. Bahrein en Qatar gingen in 1997 wel weer diplomatieke banden aan. In 1997 stichtten jonge werklozen branden als protest tegen de discriminatie van de sjiitische meerderheid (de regerende al-Khalifa familie is soennitisch), en het gebrek aan democratische hervormingen. Ook het grote aantal banen die bezet werden door Aziaten waren hen een doorn in het oog. Opnieuw beschuldigde Bahrein Iran ervan om de oproerkraaiers te trainen en financieel te ondersteunen en men trad hard op tegen de dissidenten. Bahrein riep zijn ambassadeur uit Teheran terug. Sjeik al-Khalifa besloot wel om leden van de oppositie in zijn regering op te nemen. Daarna bleef het rustig en komt geweld nog maar zeldzaam voor. In 1998 leidde het bezoek van de Iraanse oud-president Rafsanjani tot een voorzichtige toenadering tussen beide landen. Het vertrek van het beruchte hoofd van de Bahreinse veiligheidsdienst, de Brit Ian Henderson, werd door de (sji'itische) oppositie zeer gewaardeerd, evenals de ondertekening door de Bahreinse regering van de VN-conventie tegen marteling. In 2001 wees het Internationaal Gerechtshof in Den Haag de Hawar-eilanden toe aan Bahrein. Het voortdurende conflict met Qatar kwam daarmee ten einde.De binnenlandse politiek wordt beheerst door de Al-Khalifa familie en enkele belangrijke Soennitische handelsfamilies. De oppositie is verdeeld en bevat o.a. kleine, meer radicale oppositiegroepen. De belangrijkste oppositiepartij is de Bahrein Freedom Movement (BFM). Na zijn dood in 1999 werd Sheikh Isa opgevolgd door zijn zoon Sheikh Hamad bin Isa al-Khalifa. Laatstgenoemde heeft zich actief met de politieke besluitvorming bemoeid. In februari 2001 won hij brede steun binnen de oppositie voor een politiek hervormingsplan en zette aldus het proces van politieke liberalisering in gang. In lijn met dit hervormingsplan gaf de emir in februari 2002 zijn goedkeuring aan een grondwetswijziging die de staatsvorm van zijn land wijzigde in een constitutionele monarchie en aan het staatshoofd de titel van Koning verleende. Hij schreef tevens gemeenteraadsverkiezingen voor mei 2002 en algemene verkiezingen voor 24 oktober 2002 uit. De nieuwe grondwet verleende het kiesrecht aan zowel mannen als vrouwen. Deze wijzigingen legden de grondslag voor een democratisch bestel in Bahrein.

In oktober 2006 worden wederom parlementsverkiezingen worden gehouden waaraan de sjiieten, die in 2002 weigerden aan de verkiezingen mee te werken, zullen deelnemen. Deze toezegging werd gedaan, nadat enige amendementen op de " Societies Law" recent werden geaccepteerd. De oppositie blijft echter wel doorgaan met het nastreven van ruimere parlementaire bevoegdheden en minder invloed van de Consultatieve Raad (Shoura Council).

De verkiezingen hebben uiteindelijk in november 2006 plaatsgevonden en de sjiieten hebben 40% van de stemmen gewonnen. Hun leider Jawad bin Salem al-Oraied wordt benoemd tot vicepremier. In september 2007 krijgen duizenden illegale immigranten amnestie. In mei 2008 wordt Houda Nonoo benoemd tot ambassadeur van Bahrein bij de Verenigde Staten. Ze is de eerste joodse vertegenwoordigster van een Arabisch land. In april 2009 geeft de koning gratie aan 170 gevangen die er van verdacht worden om de nationale veiligheid in gevaar te brengen. In 2011 zijn er protesten in Bahrein in de nasleep van de Arabische lente, de protesten worden neergeslagen, maar herhalen zich tijdens de Grand Prix van 2012. In maart 2013 benoemt koning Hamad de kroonprins, die als gematigd bekend staat, tot vicepremier om de onrust in te dammen. Eind 2013 staakt de (sjiitische) oppositie gesprekken met de regering. Verzoeningsgesprekken in 2014 mislukken ook, de parlementsverkiezingen van november 2014 worden door de oppositie afgedaan als een farce. In augustus 2016 beschuldigt een door de VN benoemde commissie de regering van het stelselmatig lastigvallen van de sjiitische oppositie.


BAHREIN LINKS

Advertenties
• Cheaptickets Bahrein
• Bahrein (Bahrain) Hotels
• Bahrein Vliegtickets WTC
• Autoverhuur Sunny Cars Bahrein
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Eliza was here
• Bahrein Vliegtickets Tix.nl

Nuttige links

Reisinformatie Bahrein (N)
Reizendoejezo - Bahrein (N)
Romans over Bahrein (N)
Telefoongids Bahrein
Willgoto Bahrein (N)
Schrijf uw artikel over BAHREIN

Bronnen

Robison, G. / Bahrain, Kuwait & Qatar
Lonely Planet

Whetter, L. / Live & work in Saudi & the Gulf
Vacation Work

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt August 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems