Steden SLOVENIE

SLOVENIE   

Oudheid en Vroege Middeleeuwen

Menselijke bewoning was er al in de oude steentijd, maar helaas zijn er weinig overblijfselen uit deze periode gevonden. Uit het Neolithicum zijn wel heel veel overblijfselen gevonden, onder andere resten van nederzettingen van paalwoningen in de buurt van de hoofdstad Ljubljana. Ook uit de zogenoemde Centraal-Europese Hallstatt-periode (10e-4e eeuw v.Chr.) is veel bewaard gebleven.
De oudste bekende bewoners van het Sloveense grondgebied waren Kelten en Illyriers die in de 4e eeuw v.Chr. de oostelijke Alpenregio introkken. De Kelten noemden dit gebied Noricum, naar de belangrijkste stam uit die tijd. In de 2e eeuw v.Chr. werd er veel handel gedreven tussen de Romeinen en de Kelten, die ook steeds meer van de Romeinse cultuur overnamen. Uiteindelijk werd in 10 v.Chr. Noricum zonder enige strijd ingelijfd bij het Romeinse rijk en alle veroverde gebieden werden in provincies opgedeeld, een daarvan Histria (nu: Istrië).
De belangrijkste Sloveense nederzetting werd Emona, nu Ljubljana. In de 3e eeuw n.Chr. werd het Romeinse rijk bedreigd door Germaanse stammen en er werd een uitgebreid defensiesysteem gebouwd (Claustra Alpinum Juliarum). Dat hielp niet echt want in de 5e eeuw trokken de West-Goten Italië binnen, gevolgd door de Hunnen en de Oost-Goten. Deze Oost-Goten bezetten ook even Sloveens grondgebied evenals de Lombarden in het midden van de 6e eeuw.

Middeleeuwen

In 500 n.Chr. komt de grote volksverhuizing op gang en Slavische en Germaanse stammen trekken een verwoestend spoor door Europa. In de 6e eeuw vestigden uit de oostelijke Alpen afkomstige West-Slavische stammen, de voorvaderen van de huidige Slovenen, zich in dit gebied. Rond 620 ontstond het Slavische vorstendom Karantanija dat grote delen van het huidige Oostenrijk en Slovenië omvatte. In 8e eeuw werden de Slovenen bedreigd door de oprukkende Avaren en zochten steun bij het hertogdom Beieren.
In 788 werd Slovenië een Frankische provincie in het rijk van keizer Karel de Grote. Tussen 869 en 874 is het land, toen Carniola geheten, weer onafhankelijk en voert prins Kocelj het Slavische schrift en de liturgie in de volkstaal in. In de 9e eeuw werd Slovenië gekerstend door missionarissen uit het Oostenrijkse Salzburg en samen met deze geestelijken arriveerden er veel Duitse kolonisten. In de tweede helft van de 9e eeuw werd het Frankische rijk door de Hongaren bedreigd, maar de Slag bij Lechfeld in 955 werd door de Hongaren verloren. In 963 werden de voorlopers van Slovenië, Karantanija en Carniola, onderdeel van het Heilige Roomse Rijk en verdeeld in zogenaamde “marken” of grensgewesten. In de Middeleeuwen ontwikkelden deze grensgewesten zich onder leiding van feodale heersers tot vrij zelfstandige provincies, met als belangrijkste provincie Karinthië. In de 11e eeuw domineerde Karinthië alle andere gewesten maar in de eerste helft van de 12e eeuw kwam aan deze overheersing een einde. In deze tijd veroverde de Boheemse koning Ottokar Premsyl II grote delen van de grensgewesten, maar deze werden vervolgens weer opgeëist door de Habsburgse keizer van het Heilige Roomse Rijk, Rudolf I. In 1278 werd de Slag bij Dürnkrut door Rudolf gewonnen en Ottokar sneuvelde op het slagveld. Sinds 1282 maakten bijna alle Sloveense gebieden deel uit van de Habsburgse monarchie.

Zestiende tot en met negentiende eeuw

Toch bleef er in de Sloveense gebieden altijd een verlangen naar onafhankelijkheid en vrijheid bestaan. Zo probeerden in de 15e eeuw de graven van Celje dit streven te verwezenlijken, maar na een politieke moord in 1456 mislukte deze poging. Hierna zorgde het protestantisme voor nieuwe nationalistische gevoelens en in 1551 kwamen er een catechismus en een taalboek in het Sloveens uit, gevolgd door een bijbelvertaling in 1584. Door de contrareformatie werd het protestantisme echter de kop ingedrukt en verdween praktisch geheel.
De boeren kwamen van de zestiende tot en met begin 18e eeuw (1515-1713) regelmatig in opstand en eisten meer vrijheid en politieke medezeggenschap, eveneens zonder resultaat. Verder werden de Slovenen regelmatig door de Turken bedreigd maar zij kwamen niet verder dan het zuiden van het land. Begin 18e eeuw raakte de Habsburgse monarchie in oorlog met Spanje en de Hongaren. Hierdoor kregen de Habsburgers meer toegang tot de Adriatische Zee en werden Triëst en Rijeka uitgeroepen tot vrijhavens. Voor de Sloveense gebieden braken er economische goede tijden aan en ontstond er een Sloveense middenklasse met een hernieuwd Sloveens zelfbewustzijn.
De Franse Revolutie bevorderde het nationale gevoel weer sterk en in 1788 verscheen het eerste geschiedenisboek over Slovenië en de eerste nationalistische dichters lieten van zich horen.

Vanaf 1805 wist de Franse keizer Napoleon Bonaparte het vrijwel gehele Sloveense grondgebied te bezetten. Hij creëerde in 1809 de Illyrische provincies door een aantal Kroatische en Sloveense regio’s met elkaar te verbinden. Na de nederlaag bij Waterloo in 1813 werden de Illyrische provincies ontruimd door de Fransen en overgenomen door de Oostenrijkers.
In 1848 werd in Oostenrijk het absolute regime van Metternich aan de kant geschoven en dit was voor de Sloveense boeren het sein om in opstand te komen tegen de feodale heersers. De opstand was een groot succes en in september 1848 werd het feodale systeem bij keizerlijk manifest definitief afgeschaft. Ook de verlichting en de opkomst van het liberalisme zorgde voor de verdere ontwikkeling van het Sloveens nationaal bewustzijn. Er ontstond zelfs een politiek bewustzijn en door liberalen en nationalisten werd er een politiek programma opgesteld voor een verenigd Slovenië. Vooralsnog kreeg deze autonomiebeweging echter geen poot aan de grond bij de Oostenrijkse machthebbers, die daarbij sterk werden beïnvloed door de Duitse inwoners van het Oostenrijks-Hongaarse rijk.
In 1866 leden de Habsburgers een nederlaag tegen de Pruisen en ontstond er een zogenaamde dubbelmonarchie, het Oostenrijks-Hongaarse rijk. In de hogere Sloveense kringen staken denkbeelden rond het ‘trialisme’ de kop op. Deze nieuwe staatsvisie ontstond door de dreiging van steeds verdergaande verduitsing van de Sloveense regio. De ‘trialisten’ stelden een verbond voor met de Kroaten (Illyrische beweging) om zo een derde eenheid (ook nog samen met Bosnië-Hercegovina) in het Habsburgse rijk te creëren. De meerderheid van de Sloveense bevolking was echter niet enthousiast over dit idee.

Eerste Wereldoorlog, Interbellum en Tweede Wereldoorlog

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit en de Slovenen vochten met de Habsburgse (Duitse) legers mee. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde er veel in Europa. In Slovenië werd de trialistische gedachte weer populairder en in 1917 eisten Zuid-Slavische afgevaardigden in het Weense parlement de vereniging van Slovenië, Kroatië, Vojvodina, Bosnië-Hercegovina en Dalmatië (later kwam Servië daar nog bij). Men verklaarde een onafhankelijke Zuid-Slavische staat te willen. Na de oorlog viel het Habsburgse rijk uiteen in de republieken Hongarije en Oostenrijk en ontstond inderdaad het zo vurig gewenste onafhankelijke ‘Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen’. Op 1 december 1918 werd Alexander Karadjorjevic tot koning uitgeroepen en het Koninkrijk werd nog uitgebreid met Kosovo, Macedonië en Montenegro.

Dat dit kunstmatige land decennia later volledig in elkaar zou storten was bijna onvermijdelijk. Al vanaf het begin liep het niet goed tussen de Serven en de Kroaten door fundamentele verschillen in zaken als mentaliteit, godsdienst en toekomstbeeld. Zo wilde Kroatië een federatieve staat terwijl de Serven er alleen maar op uit waren hun macht te vergroten. In 1929 werd de grondwet afgeschaft en ontstond er een koninklijke dictatuur. Koning Alexander veranderde de naam in Joegoslavië (officieel: Yugoslavia = Zuid-Slavië) en de Serven werden de dominerende bevolkingsgroep. Zowel in het ambtenarenapparaat als in het leger maakten zij de dienst uit. Tot 1941 was er maar één niet-Servische premier, de Sloveen Anton Korošec, die het echter maar een half jaar uithield. De jaren dertig waren economisch en politiek zeer onrustig en koning Alexander kwam in 1934 bij een aanslag om het leven.

Joegoslavië werd op 6 april 1941 in de Tweede Wereldoorlog betrokken. Ondanks het feit dat Joegoslavië zich had aangesloten bij Duitsland en Italië, vielen de Duitsers Joegoslavië binnen en bombardeerden Belgrado. Op 17 april gaf het Joegoslavische leger zich onvoorwaardelijk over. Hitler verdeelde Joegoslavië hierna, waarbij de Duitsers Noord-Slovenië bezetten en Italië het westen en zuidwesten van Slovenië. Kroatië werd een fascistische staat en andere delen van Joegoslavië gingen naar Albanië, Bulgarije en Hongarije, dat zich ontfermde over het Sloveense Prekmurje.
Kroatië ging zich ondertussen te buiten aan ongekende wreedheden tegen Servische minderheden, waardoor de haat tussen beide volken aanwakkerde. Onder de Serviërs ontstonden twee grote verzetsbewegingen, de cetniks en de partizanen. De cetniks wilden het oude koninkrijk terug, uiteraard gedomineerde door de Serven. De communistische partizanen onder leiding van de Kroaat Josip Broz (Tito) zagen meer in een federatief Joegoslavië en wisten daartoe een grote multi-etnische verzetsbeweging te organiseren, het Nationaal Bevrijdingsfront. Ook de Slovenen namen deel aan dit Bevrijdingsfront, dat niet alleen vocht tegen de Italianen en de Duitsers maar ook tegen de anti-communistische cetniks. Het Bevrijdingsfront kwam als overwinnaar uit de bus en bevrijdde in oktober 1944 samen met de Russen Belgrado. Op 8 mei 1945 gaven de Duitsers zich over en had Joegeoslavië ca. één miljoen doden te betreuren.

Ook na de oorlog voltrok zich nog een groot menselijk drama. Tienduizenden vluchtelingen, cetniks, ustaša’s en andere anticommunisten probeerden zich bij de geallieerden te voegen, die ze echter uitleverden aan de partizanen. De partizanen van Tito vermoordden vervolgens tienduizenden anticommunisten en ook in Vojvodina vond een enorme slachtpartij onder de Hongaren plaats.

Periode Tito

Tito was dus de machtige man in het naoorlogse Joegoslavië en hij streefde naar een federatief Joegoslavië onder leiding van de communistische partij. In november 1945 was het zover en werd de Federale Volksrepubliek Joegoslavië uitgeroepen, die bestond uit de deelrepublieken Bosnië-Hercegovina, Kroatië, Macedonië, Montenegro, Servië en Slovenië. Servië bezat ook nog de autonome gebieden Vojvodina en Kosovo.
Joegoslavië was op dat moment een staat met een centraal gezag in Belgrado en deelrepublieken die alleen op papier wat te zeggen hadden. Pogingen van de Sovjet-leider Stalin om Joegoslavië volledig onder de Sovjet-invloedssfeer te brengen stuitten op veel verzet van Tito en de zijnen en in 1948 volgde er een breuk tussen Joegoslavië en de Sovjet-Unie. Tito was ook degene die met o.a. Nehru van India en Nasser van Egypte de Beweging van Niet-Gebonden landen oprichtte.
In de jaren zestig ontwikkelde zich toch langzaam een federale staatsstructuur met meer vrijheden voor het bedrijfsleven. Ondanks dat, steeg de werkloosheid fors en veel Joegoslaven trokken als gastarbeiders naar West-Europa. In de tweede helft van de jaren zestig besloot de partij tot vergaande politieke decentralisatie waardoor de macht grotendeels bij de communistische partijafdelingen van de republieken kwam te liggen. Dit was een poging van Tito om de etnische tegenstellingen en het daaraan verbonden nationalisme in toom te houden. Toch ontstonden er steeds meer wrijvingen tussen de verschillende republieken en bevolkingsgroepen. Zo werd de roep om afscheiding en onafhankelijkheid begin jaren zeventig in Kroatië steeds sterker. Tito reageerde hier hardhandig op met zuiveringen onder de intellectuelen.

In 1980 overleed Tito en hij liet een land achter met een gierende inflatie, een grote staatsschuld, massawerkloosheid en een groot deel van de bevolking leefde in armoede. En verder was de uit meer dan 15 etnische groepen bestaande instabiele samenleving nog steeds een kruidvat waarvan alleen het lont nog maar aangestoken hoefde te worden.
In 1981 braken er studentenrellen uit in Priština, de hoofdstad van Kosovo. Veiligheidstroepen herstelden de orde ten koste van een onbekend aantal doden, maar dit was het begin van veel ellende die zou volgen. De Serven profiteerden van deze gebeurtenis en in 1986 werd een memorandum gepubliceerd door een aantal Servische kunstenaars en geleerden. Dit memorandum hield in dat er gewaarschuwd werd voor alle ‘vijanden’ die Servië bedreigden en dat het de hoogste tijd was voor een Groot-Servië om dat onheil af te wenden.

Periode Miloševic

In mei 1986 werd de Montenegrijn Slobodan Miloševic voorzitter van het Servisch National Comité, dat natuurlijk volledig achter de ideeën van het memorandum stond. In 1987 werd president Stambolic opzij gezet door Miloševic die daarmee alle macht naar zich toetrok. In oktober 1988 werd aan de autonomie van Vojvodina en Kosovo een einde gemaakt door Miloševic. De opstand die volgde in Kosovo werd hardhandig onderdrukt door de Serven, en de Albanese bevolking werd in feite alle rechten ontnomen.
Hierna sloeg Miloševic door en probeerde de Servische invloed in alle republieken uit te breiden. Deze houding zou het totale uiteenvallen van Joegoslavië echter alleen maar bespoedigen. In Slovenië was ondertussen de communistische partij onder leiding vanMilan Kucansteeds liberaler geworden en intellectuelen pleitten al enige tijd voor volledige democratie, markteconomie en onafhankelijkheid.

Slovenië onafhankelijk

In december 1989 werden er voor het eerst in de Sloveense geschiedenis vrije verkiezingen gehouden die werden gewonnen door de Democratische Unie van Slovenië (DEMOS), een coalitie van zes burgerlijke partijen. Tijdens het 14e Buitengewone Partijcongres in januari 1990 kwam het tot een breuk in de overkoepelende Joegoslavische communistische partij. De Sloveense communistische partij stelde allerlei vergaande eisen (o.a. meerpartijenstelsel, persvrijheid) die uiteraard niet gehonoreerd werden. In februari 1990 scheidden de Sloveense communisten zich af van de Joegoslavische Bond van Communisten, en gingen verder als ‘Partij van de Democratische Vernieuwing’.
Op 22 april 1990 werd de leider van de Sloveense Communistische Partij, MilanKucan, als president gekozen. Hij verklaarde de republiek in juli 1990 soeverein. Op 23 december 1990 werd er een referendum gehouden waarin ruim 88% van de bevolking zich uitsprak vóór de onafhankelijkheid. Een half jaar later, op 25 juni 1991, werd de onafhankelijkheidsverklaring uitgeroepen. In een poging om het proces te stoppen rukten federatieve Joegoslavische troepen en tanks op. Er werd zelfs wat gevochten en Ljubljana werd op 2 juli 1991 gebombardeerd. De Joegoslavische troepen waren echter dermate ongemotiveerd dat ze zich terugtrokken waardoor Slovenië zich bevrijdde met niet meer dan enkele tientallen gesneuvelden. Op 23 december van datzelfde jaar werd Slovenië door Duitsland als onafhankelijke staat erkend en werd de nieuwe Sloveense grondwet aangenomen door het parlement. Op 15 januari 1992 volgden de andere landen van de Europese Unie. In datzelfde jaar werd Slovenië lid van de Verenigde Naties en in 1993 van de Raad van Europa.

In februari 1992 viel de DEMOS uit elkaar en een deel van de coalitiepartijen trok zijn steun aan de regering van de christen-democratische premier Lozje Peterle in. Nadat het parlement een motie van wantrouwen had aangenomen, trad Peterle in april 1992 af en werd opgevolgd door de liberaal Janez Drnovsek die een centrum-linkse regering vormde. Met het buurland Kroatië bestonden in die periode conflicten over onder andere het verloop van de grens en de geringe opvang van Joegoslavische vluchtelingen door Slovenië. In december 1992 werd presidentKucanvoor een tweede termijn herkozen als president.

Het belangrijkste doel van de nieuwe regering was dat halverwege 1994 het grootste deel van de economie zou zijn geprivatiseerd.

De hoogste prioriteit van de regering in 1993 was het uitvoeren van de zogenaamde eigendom-transformatiewet. Doel ervan was dat medio 1994 het grootste deel van de economie zou zijn geprivatiseerd. Tussen minister van Defensie Janša en presidentKucanontstond begin 1994 een machtsstrijd, die leidde tot het ontslag van Janša. Als gevolg hiervan trok zijn partij, de Sociaal-Democratische Partij van Slovenië, zich uit de coalitieregering terug. Om een regeringscrisis te voorkomen bewerkstelligde premier Drnovšek, tevens leider van de grootste coalitiepartij, de Liberaal-Democratische Partij, een fusie met drie kleinere partijen, waarna in maart 1994 de Liberale Democratie van Slovenië (LSD) ontstond. De nieuwe partij was echter wel aangewezen op samenwerking met de Christen-Democratische Partij.

De betrekkingen met Italië verslechterden als gevolg van het in 1975 gesloten Osim-verdrag, waarin de grenzen van het toenmalige Joegoslavië en Italië waren vastgelegd. Italië eiste echter, bijna twintig jaar later, een compensatie voor de confiscatie van Italiaanse eigendommen na de Tweede Wereldoorlog. In 1995 liet Italië zijn veto vallen dat de Sloveense toenadering tot de EU in de weg stond. Eind november kondigde Slovenië aan diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de Federale Republiek Joegoslavië, waarmee sinds de desintegratie van Joegoslavië geen formele contacten waren onderhouden.

In januari 1996 kwam het tot een breuk in de coalitieregering toen vier sociaal-democratische ministers ontslag namen, waarop presidentKucanvervroegde verkiezingen aankondigde. De centrum-linkse Liberaal-Democraten (LDS) werden bij die verkiezingen in november de grootste partij. Haar leider, premier Drnovšek, kreeg de opdracht weer een regering te vormen.

In februari 1997 vormde hij een regering van LDS, SLS en DPG. Eind december 1997 werd president MilanKucanmet 55% van de stemmen herkozen.

De buitenlandse politiek van de regering-Drnovšek was vooral gericht op toetreding tot de NAVO en de Europese Unie. Op 10 juni 1996 ondertekende Slovenië een Europa-Akkoord met de EU en diende het een aanvraag tot het EU-lidmaatschap in. Tijdens de Europese Raad in Luxemburg in december 1997 werd Slovenië uitgenodigd voor de toetredingsonderhandelingen die in maart 1998 van start gingen.
Slovenië behoorde echter niet tot de eerste groep van landen uit de voormalige communistische wereld die tot de NAVO zouden worden toegelaten, dat waren in maart 1999 Polen, Hongarije en Tsjechië. Slovenië was in 1999 de enige van de voormalige Joegoslavische republieken die de NAVO-luchtaanvallen in de Kosovo-oorlog openlijk steunde. De regering stelde het Sloveense luchtruim open voor de vluchten van de NAVO-vliegtuigen.

21e eeuw

Op 8 april 2000 viel de regering-Drnovšek na een motie van wantrouwen. Een interim-kabinet onder leiding van Andrej Bajuk overbrugde de periode naar de parlementsverkiezingen van 15 oktober 2000. Daarbij won de liberale partij van ex-premier Janez Drnovšek (34 zetels). Bajuks partij, Nieuw Slovenië, in augustus 2000 opgericht, behaalde maar 8 zetels. Drnovšek werd op 16 november opnieuw gekozen als premier. Eind november kon hij zijn vierde regering presenteren, een sociaal-democratische coalitie samengesteld uit LDS, USLD, SLS en SKD Sloveense Volkspartij en de gepensioneerdenpartij DeSus. De coalitie behaalde een ruime meerderheid in de Assemblée: 58 van de 90 zetels.
Begin december 2002 werd premier Drnovšek de nieuwe president van Slovenië. De leider van de linkse regering versloeg de rechtse procureur-generaal Brezigar bij de presidentsverkiezingen. Drnovšek behaalde 56% van de stemmen en volgde een sterk pro westerse koers.

Op 1 mei 2004 trad Slovenië toe tot de Europese Unie. In oktober 2004 werden er in Slovenië parlementaire verkiezingen gehouden. Hierbij werd de Liberaal Democratische Partij (LDS, centrumlinks) van voormalig premier Anton Rop voor het eerst sinds de onafhankelijkheid niet de grootste partij doch moest deze plaats met een verschil van 6 zetels afstaan aan de Sloveense Democratische Partij (SDS) van Janez Janša, die bijna twee keer zoveel zetels kreeg als in 2000, namelijk 29.

De nationalistisch getinte Sloveense Nationale Partij (SNS) van Zmago Jelincic, die haar zetelaantal met 50% zag stijgen, van 4 naar 6 zetels, was de tweede winnaar. De SDS van Janša had samen met de Nieuw Slovenië Christelijke Volkspartij (NSi) en de Sloveense Volkspartij (SLS) (tot april 2004 lid van de vorige regering) 45 zetels, wat één zetel te weinig was voor een centrumrechts meerderheidskabinet. Om toch tot een "comfortabele meerderheid" te komen, is er een coalitie gevormd tussen deze partijen en de Democratische Partij van Gepensioneerden van Slovenië (DeSUS), tot dan toe lid van de vorige regering. Het kabinet Janša kan derhalve op 49 van de 90 zetels in de Nationale Assemblee rekenen. De oppositie bestaat uit de LDS (23 zetels) van voormalig premier Rop, de Verenigde Lijst van Sociaal-Democraten (ZLSD, 10 zetels) van oud-parlementsvoorzitter Pahor en de SNS (6 zetels). Op 3 december 2004 keurde het Nationale Assemblee de coalitie goed.

De regering Janša continueert op hoofdlijnen het EU- en NAVO-beleid, waarover ook tijdens de vorige regeringen brede consensus in de Nationale Assemblee bestond. Premier Janša heeft ook de prioriteit bevestigd voor de invoering van de Euro in 2007.

Op 1 januari 2007 werd de euro zonder problemen ingevoerd. Een euro is 239,64 tolar waard, de munteenheid die werd ingevoerd nadat het land zich in 1991 afscheidde van Joegoslavië. In november 2007 wordt Danilo Türk, een onafhankelijke kandidaat maar gesteund door de sociaal democraten, gekozen tot president.

Bij de parlementsverkiezingen van september 2008 winnen de sociaaldemocraten nipt en in november 2008 wordt Borut Pahor de premier van een centrum links coalitiekabinet. In april 2009 wordt Kroatië officieel lid van de NAVO, na verzet van Slovenië. In juni 2009 schorst de EU de onderhandelingen met Kroatië op vanwege het gebrek aan vooruitgang in de ruzie met Slovenië over waar de (zee)grens precies ligt. In november 2009 sluiten de parlementen van Slovenië en Kroatië een akkoord om internationale arbitrage toe te staan. Slovenië heft de blokkade op die het had opgeworpen tegen toetreding van Kroatië tot de EU. In juni 2010 wordt één en ander bekrachtigd door een referendum in Slovenië. In september 2011 wordt de coalitie van Pahor weggestemd. In december 2011 wint de nieuwe partij Positief Slovenië veel zetels, maar haar leider wordt geen premier. In februari 2012 wordt een centrumrechts kabinet gevormd onder leiding van Janez Jansa. Bij de presidentsverkiezingen van december 2012 wint de centrumlinkse ex-premier Borut Pahor. In maart 2013 struikelt de coalitie over bezuinigingen. De liberale oppositieleider Alenka Bratusek wordt premier. In april en mei geeft de EU aan dat Slovenië maatregelen moet nemen tegen haar bankensector. Eind mei 2013 komt Slovenië met een pakket maatregelen. In november 2013 overleeft de coalitie een stemming over de begroting van 2014 en een plan om de banken te redden. In mei 2014 treedt premier Alenka Bratusek af en maakt op die manier de weg vrij voor verkiezingen. De nieuwe centrumlinkse Partij van Miro Cerar (SMC) heeft de parlementsverkiezingen in Slovenië in juli 2014 gewonnen en hij wordt de nieuwe premier. In december 2015 wordt door middel van een referendum het homohuwelijk afgestemd.


SLOVENIE LINKS

Advertenties
• Slovenië
• Cheaptickets Slovenië
• Slovenië Hotels
• Slovenie Vliegtickets WTC
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Autoverhuur Sunny Cars Slovenië
• Slovenie Sawadee Reizen
• Ljubljana Vliegtickets Tix.nl
• Transport Slovenië - TTS Quality Logistics B.V
• Eliza was here

Nuttige links

InfoSlovenia.be
InfoSlovenia.info
Lies en Teije's Reiswebsite (N+E)
Reisinformatie Slovenië (N)
Romans over Slovenië (N)
Slovenië
Slovenië Foto's
Slovenië Middeneuropa (N)
Slovenië Start (N)
Slovenië Verzamelgids (E+N)
Startpagina Slovenië (N)
Artikelen en Reisverhalen over SLOVENIE
  Rondreis van Heleen Hoek

Bronnen

Buma, H. / Reishandboek Slovenië
Elmar

Derksen, G. / Slovenië, Istrië (Kroatië)
Gottmer

Wilson, N. / Slovenia
Lonely Planet

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt mei 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems