Steden GEORGIE

GEORGIE   

Oudste geschiedenis

Georgië werd al bewoond in de prehistorie. Er zijn menselijke resten gevonden uit het Plio-pleistoceen, ca. 1,8 miljoen jaar geleden. In het stenen tijdperk woonden er overal op het Georgische grondgebied mensen. Archeologische vondsten van ca. 400.000 jaar v.Chr. tot 100.000 jaar v.Chr. zijn gevonden in de bergachtige gebieden, het binnenland en aan de kust van de Zwarte Zee. Ongeveer zes tot zevenduizend jaar geleden begon men in dit gebied naast stenen ook metalen voorwerpen te gebruiken.
Ca. 5.000 jaar geleden, in het bronzen tijdperk, werd Georgië bewoond door stammen die nauwe banden met elkaar onderhielden. De huidige bevolking stamt direct af van deze oudste bewoners van de Kaukasus. In het derde millennium v.Chr. verspreidden Georgische stammen zich over het huidige Georgië en Noordoost-Anatolië. In de 12e eeuw v.Chr. ontstond het eerste verbond van Georgische stammen, de Diaukh, aan de bron van de rivieren Eufraat en Chorokhi. In de 8e eeuw v.Chr. werd Diaukh veroverd en verwoest door het Voor-Aziatische koninkrijk Urartu. Urartu begon ook oorlogen tegen het tweede Georgische verbond, Colchis. Ca. 720 v.Chr. werd Colchis, nu onder de naam Colchida, verwoest door de Kimirians uit het noorden, maar zij wisten hun koninkrijk weer tot bloei te brengen door de landbouw, de veeteelt en de metaalnijverheid te ontwikkelen. Ze stichtten verder steden en gebruikten zilveren munten voor de handel met o.a. de Grieken.
Colchida verzwakte echter en werd in de derde eeuw v.Chr. verwoest, en de oostelijke gebieden hoorden vanaf die tijd tot het Oost-Georgische koninkrijk Iberia (of Kartli). Iberia was al in de vierde eeuw v.Chr. ontstaan na een strijd om het leiderschap, gewonnen door het verbond gevestigd in de stad Mtscheta. Het grondgebied breidde zich uit onder leiding van de aristocraat Parnavazi van het Kaukasus-gebergte tot aan de bron van de Eufraat. Iberia was een rijk, militair sterk land met hoog ontwikkelde landbouw en veeteelt. Aan Armeense koninkrijken verloor Iberia in de 2e eeuw v.Chr. een aantal gebieden. Colchida werd geannexeerd door koning Mithridates VI van Pontus. In de 1e eeuw v.Chr. woedden er verschillende oorlogen tussen Mithridates en de Romeinen. Iberia sloot zich bij Mithridates aan maar werd meteen daarop binnengevallen door de Romeinen onder leiding van Pompeus en in 65 v.Chr. werd het leger van Artag, koning van Iberia, verslagen.
Er werd een vredesverdrag gesloten waardoor Iberia een bondgenoot van de Romeinen zou worden. Ook Colchida werd door de Romeinen veroverd. Iberia wist haar positie weer aanzienlijk te verbeteren, wat voordelig was voor de Romeinen die zo een sterke bondgenoot in het oosten hadden. Door deze sterke positie breidde het grondgebied zich weer langzaam uit. De verloren gebieden in het zuiden en ook Armenië werden veroverd. In de derde eeuw zocht Iberia weer meer toenadering tot Rome om aanvallen van de Perzen te voorkomen. In 337 werd het christendom uitgeroepen tot staatsgodsdienst, maar de Georgische kerk ontwikkelde een geheel eigen identiteit.

Opkomst en ondergang van het Georgische Rijk

In de eerste helft van de vijfde eeuw werd de dreiging van de Perzen steeds sterker. De buurlanden Armenië en Albania werden veroverd en ook Oost-Georgië werd bedreigd. De Georgisch-Perzische oorlogen waren een feit maar onder Vachtang Gorgasali lukte het om de Perzen buiten Georgië te houden. In deze tijd werd Tbilisi gesticht als nieuwe hoofdstad. Eind vijfde eeuw ontstond er een onafhankelijk Georgisch koninkrijk dat in de zesde eeuw toch door de Perzen onder leiding van Chosrov I werd veroverd. Eind achtste eeuw nam de Bagrationi- dynastie het heft in handen, om dat duizend jaar vast te houden. Het territorium van Georgië breidde zich uit met een deel van Perzië en Noord- Armenië. Ook alle vorstendommen van West- en Oost-Georgië werden onder één heerser gebracht. Enkele bekende namen uit die tijd waren: Aschot I, Bagrat III en Georgi III. Het Georgische rijk bereikte haar politieke hoogtepunt onder koningin Tamar. Dat rijk strekte zich uit van Dagestan tot Azerbeidzjan. Ook werden enkele Oost-Turkse provincies veroverd. In 1235 volgde er een invasie van de Hunnen en Oost-Georgië werd veroverd. West-Georgië bleef nog even onafhankelijk. De inval van de Mongoolse leider Timur Lenk bleek funest voor Georgië. Zowel politiek als cultureel stelde Georgië niet zo veel meer voor. Vanaf de 15e eeuw bestond Georgië uit wat kleine, elkaar bestrijdende semi- zelfstandige koninkrijkjes. In 1510 werd West-Georgië veroverd door het Osmaanse rijk. Maatschappelijk gezien had op dat moment de hoge adel de leiding. De lage adel of Asnauri buitte de boerenbevolking uit. De Georgische cultuur werd bewaakt en bewaard door de kerk en de hoge adel, en dan met name door de vrouwen, die voor die tijd een belangrijke plaats innamen wat de cultuur betreft.

Achttiende eeuw: chaos en oorlog

Begin 18e eeuw beheerste een voortdurende burgeroorlog West-Georgië. Oost- Georgië was een vazalstaat van Iran en vocht mee in de oorlog tussen Iran en Afghaanse stammen. In 1709 volgde Vachtang VI koning Giorgi XI op die in Afghanistan sneuvelde. Onder Giorgi ontwikkelde Georgië zich voorspoedig. In 1716 werd Vachtang door de sjah van Iran tot koning benoemd. In het geheim sloot hij echter een verbond met de Russische tsaar Peter de Grote om samen ten strijde te trekken tegen Iran. Vachtang viel inderdaad Iran binnen, maar de Russen trokken zich onverwacht terug. De sjah doorzag dit bedrog van Vachtang en gaf de troon aan Constantijn II, de koning van Kachetië.
In 1723 werd Tbilisi ingenomen en begonnen de invasies van Turken in het westen. Uiteindelijk vluchtte Vachtang naar Rusland, werd Constantijn gedood en bezetten de Ottomanen Tbilisi. De jaren daarna waren perioden van grote chaos. Intern was er veel strijd en de Georgiërs vochten ook nog tegen de Turken en de Perzen die grote delen van Georgië in handen hadden. Georgië werd bovendien nog aangevallen door legers uit Dagestan. Grote man voor de Georgiërs in die tijd was Teimuraz die er in slaagde de koninkrijken Kartli en Kachetië politiek onafhankelijk te maken. Na de dood van sjah Nadir volgde er weer veel strijd tussen de koninkrijken onderling. De Georgiërs boekten verschillende successen en Erekla II werd koning van Kartli en Kachetië.
In het koninkrijk Imenetie in West-Georgië streed koning Solomon I tegen de Turken. In de tweede helft van de 18e eeuw richtte de elite van Georgië zich steeds meer op Rusland. Ze hoopten op hulp van de Russen tegen de aanvallen vanuit Dagestan. In juli 1783 werd er een verdrag gesloten in Georgijevsk met Katharina II van Rusland en Erekle II van Kartli en Kachetië. Erekle wilde hiermee bereiken dat Georgië onder de hoede van het machtige Rusland een grote Transkaukasische staat zou worden. De Perzen pikten dit niet en op 11 september 1795 werd Tbilisi geplunderd en grote delen van de bevolking gedeporteerd. De Russen waren nergens te bekennen. Rond 1800 was Georgië totaal ontredderd en volgde al snel de Russische annexatie.

Nationale gevoelens en deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Oost-Georgië (Kartli-Kachetië) werd in 1801 tot een onderdeel van het Russische rijk verklaard. Protesten van de bevolking werden bloedig onderdrukt. Leden van de koninklijke familie werden na gewapende acties verbannen naar Rusland en vanaf 1811 was Tbilisi een Russische provinciestad die volledig bestuurd en beheerd werd door de Russen. De vorstendommen van West-Georgië werd eerst tot protectoraten gemaakt en daarna volledig geannexeerd. Vele opstanden in met name in Abchazië volgden, die echter allemaal neergeslagen werden. In 1878 werd Batoemi veroverd, was geheel Georgië in Russische handen en in feite een Russische provincie.
Vanaf ca. 1830 was het in de rest van Georgië al wat rustiger en kon men weer gaan denken aan het opbouwen van de landbouw, de industrie en de handel. Ook werd er door de Russen een beperkte culturele autonomie toegestaan. Veel Georgische aristocraten traden in dienst van Russische leger. Vanaf 1860 bloeide de industrie helemaal op hoewel de landbouw toch nog overheerste. Vanaf 1870 ontstonden er diverse nationalistische bewegingen en een Georgische arbeidersbeweging. Progressieven onder leiding van Ilja Chavchavadze stonden zeer kritisch tegenover het Russische kolonialisme.
In 1881 werd tsaar Alexander II van Rusland vermoord en er volgde voor Georgië een periode van onderdrukking en russificatie. Dit laatste betekende dat alle culturele Georgische uitingen (taal, boeken, kranten) verboden werden. Hierdoor werd de nationalistische beweging rond Chavchavadze natuurlijk steeds sterker. Tijdens de Russische Revolutie van 1905 braken er in Tbilisi en West-Georgië hevige gevechten uit. De eis tot volledige onafhankelijkheid werd steeds vaker hoorbaar in Georgië. De Eerste Wereldoorlog drong deze eisen wat naar de achtergrond. De industriële productie zakte in en zo'n 200.000 arbeiders waren actief in de oorlog.
Na de deelname van Turkije aan de oorlog werd Georgië zelfs frontgebied. In 1917, tijdens de Februari-Revolutie onder leiding van Lenin, viel de monarchie in Rusland, maar Georgië bleef verstoken van alle onlusten. Na de revolutie weigerden de Kaukasische staten, partijen en organisaties de regering van Lenin te erkennen. In november 1917 werd dan ook besloten tot afscheiding van Rusland en op 15 november werd het Transkaukasische Commissariaat onder leiding van de Georgiër Chkeidze gevormd en een eigen regering uitgeroepen. Op 9 april 1918 werd de Transkaukasische Federatie onder leiding van N. Chkeidze uitgeroepen. Deze Federatie bestond uit Georgië, Armenië en Azerbeidzjan. Er werd op dat moment nog gevochten tegen het Turkse leger. De Federatie was echter onderling verdeeld en bovendien niet opgewassen tegen de Turken. Er werden snel vredesonderhandelingen gestart, maar Georgië had de hulp van Duitsland nodig om te voorkomen dat Georgië alsnog bezet zou worden door Turkije.

Onafhankelijkheid en Russische bezetting

De Transkaukasische Federatie werd op 26 mei 1918 opgeheven en tegelijkertijd werd de onafhankelijkheid van Georgië uitgeroepen. Na 117 jaar Russische overheersing herleefde de Georgische staat. De partijleider van de sociaal- democraten, Noe Zhordania, werd de leider van de eerste coalitieregering. De Georgische staat begon met veel economische problemen en voedselgebrek. In 1920 werd Georgië ook internationaal erkend door natuurlijk Duitsland, maar ook door Engeland, Italië en Frankrijk. Op 7 mei 1920 erkenden de Russen de Georgische onafhankelijkheid.
Alleen de mensjewieken in Rusland erkenden Georgië niet omdat zij voorstander waren van een "een en ondeelbaar Rusland". Ook waren er grensproblemen met Armenië en Azerbeidzjan. Binnenvallende Armeense troepen werden verslagen en met behulp van de Britten was aan het einde van 1920 weer alles onder controle; economisch en cultureel begon Georgië weer wat op te bloeien. In januari 1921 werd Georgië opgenomen in de Volkenbond.
Intussen was men in Rusland begonnen met de herannexatie van verloren gebiedsdelen. Half februari 1921 viel het Tweede Sovjetleger Georgië binnen en op 25 februari 1921 viel Tbilisi in Russische handen. Op 4 maart werd de Socialistische Sovjetrepubliek Georgië uitgeroepen en werden alle officiële Georgische instanties zoals het leger ontbonden. Banken, spoorwegen en industrie werden onder staatsbeheer gesteld. Onder leiding van Ordzhonikidze begon een enorme onderdrukking van met name de adel en de officieren van het ontbonden Georgische leger. Ook de Georgische kerk werd zwaar onder druk gezet omdat het atheïsme overal in de Sovjet-Unie ingevoerd werd. Het autonomieproject van Stalin werd door de Georgische communistische partij geweigerd in 1922, maar na een grondwetsherziening in 1936 toch ingesteld.
De opbouw van de industrie en de grootschalige reorganisatie van de landbouw werden krachtig aangepakt. Fabrieken, krachtcentrales en mijnbouw werden ontwikkeld en er werd in de landbouw monocultuur ingevoerd, met name thee en citrusvruchten voor de grote Sovjetmarkt. Ook het onderwijs, de wetenschap en de kunst ontwikkelden zich volgens socialistische principes, dus individualisme was uit den boze. Alleen al in de jaren 1937-1938 werden vele duizenden Georgiërs, waaronder velen van de intelligentsia en uit de culturele hoek, geëxecuteerd. Nog meer Georgiërs verdwenen in de gulags, de concentratiekampen van Stalin. Op Georgisch grondgebied werd in de Tweede Wereldoorlog niet gevochten, maar als soldaat in het Sovjetleger sneuvelden er ruim 300.000 Georgiërs. De industrie werd geheel gebruikt als oorlogsindustrie en leverde daardoor een belangrijke bijdrage aan de Sovjetoverwinning op de Duitsers.

Na de Tweede Wereldoorlog: op weg naar onafhankelijkheid

Na de oorlog groeide de economie van Georgië als voorspoedig, maar de Stalinistische terreur ging gewoon door. Dit werd pas minder na de dood van Stalin in 1953. Zijn opvolger Chroestjov veroordeelde zelfs het Stalinistische verleden van de Sovjet-Unie. Dit stuitte weer op tegenstand in Georgië omdat Stalin van oorsprong een Georgiër was en leidde op 9 maart 1956 tot grote onlusten in Tbilisi met meer dan 100 doden. Vanaf die tijd werd er regelmatig gedemonstreerd voor onafhankelijkheid.
In 1978 vierde men een kleine overwinning toen niet het Russisch maar het Georgisch als staatstaal gehandhaafd bleef. De perestrojka van Gorbatsjov had lange tijd geen invloed op de Georgiërs. Pas vanaf 1987 trad de nationalistische beweging steeds meer op de voorgrond, het leiderschap was toen in handen van Zviad Gamsachoerdia en Merab Kostava (in 1989 overleden na een mysterieus auto-ongeluk). Intern gebeurde er rond die tijd ook veel. De autonome republiek Abchazië wilde zich afsplitsen van Georgië. Leden van de Nationaal-Democratische Partij verzetten zich hiertegen en eiste tevens het uittreden van Georgië uit de Sovjet-Unie. Velen sloten zich aan bij dit protest dat op 9 april 1989 neergeslagen werd met o.a. gifgas: resultaat 19 doden en vele honderden gewonden. Dit betekende uiteraard dat nationalistische en anti- Russische gevoelens steeds sterker de kop opstaken. Op 19 november 1989 besloot de Opperste Sovjet van Georgië dat al het land, het water, de bodemschatten en de belangrijkste productiemiddelen eigendom werden van de Georgische Republiek. Bovendien werd het recht op afscheiding van de Sovjet-Unie bekrachtigd en de annexatie van 1921 veroordeeld.
Op 2 februari 1990 gaf het Centraal Comité van de Georgische Communistische Partij haar leidende rol op en op 9 maart 1990 eiste de Opperste Sovjet van Georgië onderhandelingen over een onafhankelijke Georgische regering. De verkiezingen van 1990 werden gewonnen door de coalitiepartij Ronde Tafel/Vrij Georgië van Zviad Gamsachoerdia. Naast eisen met betrekking tot de onafhankelijkheid en democratische verworvenheden wilde hij ook verschillende streng nationalistische eisen zoals verscherpte immigratieregels en strenge eisen voor Georgisch staatsburgerschap invoeren. De coalitie van Gamsachoerdia behaalde 155 van de 250 zetels in de Opperste Sovjet. De enige oppositiepartij was de Communistische Partij met 64 zetels. Er werd een overgangswet richting onafhankelijkheid aangenomen en o.a. werden de wetten van de Sovjet-Unie ongeldig verklaard en de vlag en het volkslied van de Sovjet-Unie werden overal vervangen.
In 1990 werd de Opperste Sovjet vervangen door het Nationaal Congres. Oppositiepartijen overheersten het Congres en organiseerden betogingen en hongerstakingen tegen het regeringsbeleid. Ook eiste men de terugtrekking van het Rode Leger en een sneller afscheidingsproces. Zuid-Ossetië (Georgisch: Samachablo) werd met goedkeuring van Gamsachoerdia bezet door Sovjet-troepen. Op 14 november 1990 werd Gamsachoerdia tot parlementsvoorzitter gekozen. Criminele groepen (mkhedrioni) openden de tegenaanval door gewelddadigheden in heel Georgië. In februari 1991 werden deze criminele groepen gedwongen zich te ontbinden. Na een referendum op 31 maart 1991 stemde 90% van de bevolking voor de onafhankelijkheid. Op 9 april 1991 werd de onafhankelijkheid uitgeroepen en na de eerste vrije presidentsverkiezingen op 26 mei werd Gamsachoerdia tot eerste president van een onafhankelijk Georgië gekozen. De Sovjet-Unie probeerde door een economische en politieke blokkade de regering onderuit te halen en weer binnen de invloedssfeer te houden. De Sovjet-Unie werd hierin zelfs gesteund door het Westen, o.a. door de Amerikaanse president George Bush, die het autoritaire regime niet wilde steunen.
Hierdoor aangemoedigd en met geld van de Sovjet-Unie werd er een coup voorbereid. Ondertussen stegen de spanningen tussen Abchazië en Zuid-Ossetië. In september zocht de naar autonomie strevende Zuid-Ossetiërs aansluiting bij het nog steeds Russische Noord-Ossetië. Er werden zelfs verkiezingen uitgeroepen en in september riep de regionale Sovjet het gebied uit tot een democratische republiek binnen de Sovjet-Unie. De Opperste Sovjet van Georgië reageerde hierop door de verkiezingen illegaal te verklaren en de autonome status in te trekken. Dit werd weer gevolgd door gevechten waarbij honderden doden vielen en velen op de vlucht sloegen. Door deze problemen trok president Gamsachoerdia steeds meer macht naar zich toe. De oppositie pikte dit niet en in augustus 1991 volgde een heuse coup. Gamsachoerdua ontbond de Nationale Garde. De leider hiervan, tevens vertrouweling van Gamsachoerdia en premier, Kitovani Sigua keerde zich tegen de president.
Ontevreden militairen, intellectuelen, parlementariërs en ministers richtten Charta '91. Deze beweging zou uiteindelijk zorgen voor de staatsgreep in 1992. Op 2 september 1991 werd er door de Nationaal Democraten gedemonstreerd bij de het regeringsgebouw; er vielen enkele gewonden. Deze demonstratie werd gevolgd door talloze andere demonstraties in Tbilisi in diezelfde maand. Een televisiegebouw werd het centrum van de steeds groter wordende oppositie. Voornaamste eis was het ontslag van Gamsachoerdia als president van de republiek. Op 21 september 1991 riep Gamsachoerdia zijn volgelingen op om het regeringsgebouw te verdedigen. Tegen het einde van 1991 kwam Gamsachoerdia steeds meer alleen te staan doordat steeds meer ministers zich bij de oppositie aansloten. De situatie escaleerde toen Gamsachoerdia weigerde om zich aan te sluiten bij oprichting van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). De oppositie stelde hem een ultimatum om af te treden. Daarop verschanste Gamsachoerdia zich in het regeringsgebouw dat twee weken lang belegerd werd. Begin januari 1992 vluchtte Gamsachoerdia via Armenië naar de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny en ging daar in ballingschap.

De coup kostte uiteindelijk aan meer dan 200 mensen het leven. Er werd een driemansregering gevormd met Tengiz Sigua (ex-premier), Tengiz Kitova (ex- commandant Nationale Garde) en Djaba Ioseliani (crimineel?). Twee maanden later verscheen ex-minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie, Eduard Sjevardnadze op het toneel. Vanaf oktober 1992 nam hij deel aan de regering. De oorlog in Abchazië zorgde voor grote spanningen tussen Georgië en Rusland. Zo stopte de energievoorziening naar Georgië waardoor de economie vastliep. In juli 1993 volgde een Abchazisch offensief om de stad Soekhoemi in te nemen. Dit mislukte maar op 27 juli 1993 werd er een staakt-het-vuren overeengekomen en de Georgische troepen trokken zich langzaam terug uit het gebied. Onder de Georgische bevolking en in het parlement werd het als een nederlaag gezien en men weigerde dan ook om met een vredesakkoord in te stemmen. Shevardnadze werd zo gedwongen om alleen het besluit te nemen. Hierdoor, maar ook door de slechte economische situatie daalde de populariteit van Sjevardnadze.
In mei 1993 ontsloeg hij Kitovani en Ioseliani om zijn gezag te herstellen. Minister van Defensie werd de pas 26-jarige Giorgi Karkarashvili. Op 20 augustus 1993 benoemde Sjevardnadze een nieuwe premier, Otar Patsatsia. Al deze pogingen om zijn greep op de situatie niet te verliezen hielpen niet echt. Uiteindelijk stemde het parlement in met zijn verzoek om de noodtoestand uit te roepen. Nog meer onheil stortte zich uit over Georgië door het offensief van de Abchazische troepen tegen de zich terugtrekkende Georgiërs. De Georgische troepen werden verslagen en op 27 september 1993 viel Soekhoemi in handen van de Abchaziërs. Sjevardnadze beschuldigde de Russen van steun aan Abchazië. Ondertussen keerde Gamsachoerdia terug in West-Georgië en zijn aanhangers ontketenden meteen een opstand in dat gebied.
Op 8 oktober 1993 maakte Shevardnadze bekend dat Georgië tot het GOS zou toetreden. Het verdrag was zeer in het voordeel van de Russen die in feite Georgië weer in hun greep kregen. Na hevige gevechten tussen de troepen van Gamsachoerdia en Georgische troepen uit West-Georgië namen de laatste weer enkele delen van West-Georgië in. In november namen de spanningen weer toe in West-Georgië, en Shevardnadze voerde zelfs de doodstraf in voor rovers en plunderaars. Gamsachoerdia vluchtte weer naar Abchazië en probeerde daar militaire steun te krijgen. Rusland schoot Sjevardnadze te hulp en op 11 november 1993 riep Sjevardnadze de overwinning uit, met dank aan de Russen. Op 1 december volgde de ondertekening van een memorandum tussen Georgië en Abchazië. Half december werden veel aanhangers van Gamsachoerdia in West- Georgië gearresteerd door de binnenlandse strijdkrachten. De situatie in Georgië verslechterde na hoog oplopende conflicten tussen de ministeries van Defensie en die van Veiligheid. Ook de Georgische paramilitaire eenheden, de Mkhedroni, speelden in dit conflict weer een rol.
Op 31 december pleegde Gamsachoerdia zelfmoord. De ware redenen en omstandigheden zijn nooit bekend geworden.
Op 3 februari 1994 bracht president Jeltsin van Rusland een staatsbezoek aan Georgië. Er werden een aantal verdragen ondertekend, o.a. een akkoord over de aanwezigheid van Russische vredestroepen in Abchazië. De sterkte van Russische troepen op Georgisch grondgebied werd opgevoerd van 8.000 naar 18.000. Op diezelfde dag nog werd de staatssecretaris van Defensie gedood bij een bomaanslag en raakte minister Karkarashvili gewond. In maart kreeg Georgië ook hulp van de Verenigde Staten, ca. 70 miljoen dollar. In maart 1994 trad Georgië toe tot het Navo- project "Partnership for Peace". Intussen namen de demonstraties toe die het aftreden eisten van Sjevardnadze. De parlementaire oppositie deed een oproep voor nieuwe verkiezingen.
De demonstratie van 9 juli 1994 werd met veel geweld uiteengeslagen door regeringstroepen. Geweld tegen onafhankelijke journalisten was ook aan de orde van de dag en de economie verkeerde in een dip met een inflatiecijfer van 62%, het hoogste van alle GOS-republieken. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank weigerden dan ook om de beloofde 100 miljoen dollar aan leningen en kredieten te verstrekken. Op 26 november werd de Republiek Abchazië als soevereine staat uitgeroepen. Juli 1995 werd de paramilitaire Mkhedrioni officieel verboden, waarna de beweging meteen gereorganiseerd werd in een politieke partij, de Sakartvelos Partij onder leiding van Ioseliani. In augustus werd een nieuwe grondwet goedgekeurd met uitgebreide volmachten voor de president en uitbreiding van het parlement naar 235 leden. De status van Abchazië en Samachablo (Zuid-Ossetië) werd nog steeds niet geregeld.
Op 29 augustus 1995 werd er een aanslag geplaagd op Sjevardnadze. Als reactie hierop ontsloeg hij de minister van nationale veiligheid, Igor Giorgadze, en werden aanhangers van Gamsachoerdia en leden van de Mkhedrioni opgepakt. Op 5 november werden presidentsverkiezingen gehouden die door Sjevardnadze met overmacht gewonnen werden. De parlementsverkiezingen werden door de Burger Unie, de partij van Sjevardnadze gewonnen met een grote meerderheid in het parlement. Op 1 april 1996 werd er een akkoord getekend over verdergaande militaire samenwerking tussen Georgië en Rusland, en in juli vroeg Georgië het lidmaatschap aan van de Raad van Europa. De kwestie Abchazië keerde vele malen terug op de politieke agenda's, maar een oplossing zou nooit gevonden worden. In februari 1997 verscheen er een rapport van de Internationale Helsinki Federatie waar de mensenrechtensituatie in Georgië sterk bekritiseerd werd. Ook Amnesty International had veel kritiek op de vele gevallen van mishandelingen en folteringen. Juni en juli 1997 waren weer maanden met veel gewapende conflicten in Abchazië. Eind juli volgde er een akkoord over het mandaat voor vredestroepen in de regio. In een gesprek met de Amerikaanse president Clinton werd Sjevardnadze geprezen om zijn markthervormingsprogramma en zijn pogingen om de democratie te bevorderen. De echte politieke en humanitaire noodsituatie werd volkomen genegeerd. Economische oliebelangen gingen opeens heel zwaar tellen.
Op 9 februari 1998 volgde er een nieuwe aanslag op Sjevardnadze; bij de omstandigheden werden grote vraagtekens gezet. Eerst werden de Russen beschuldigd, daarna werd de voormalig minister van Financiën, Guram Absandze, gearresteerd; hij zou de aanslag gefinancierd hebben. In mei 1998 wederom gevechten in Abchazië tussen Abchaziërs en het Tetri Legioni (Witte Leger), een Georgische paramilitaire organisatie. De regering van Shevardnadze kwam verder in de problemen toen de ministers van Energie en Defensie hun ontslag indienden. Shevardnadze ontwikkelde plannen voor een federale structuur om de problemen in o.a. Abchazië te beëindigen. Onderhandelingen mislukten echter weer en tot een ontmoeting tussen Sjevardnadze en de Abchazische leider Vladislav Ardzinba kwam het al helemaal niet. Met name het punt over de terugkeer van de Georgische vluchtelingen naar Abchazië is niet te overbruggen. Integendeel, de gevechten gingen gewoon door en de situatie blijft zeer gespannen.
In juli volgde er een rigoureuze reorganisatie van de regering die algemeen gezien werd als de ultieme poging zijn regerende Burger Unie te versterken voor de parlementsverkiezingen van 31 oktober 1999. De verkiezingscampagne ging gepaard met veel geweld en intimidaties, eveneens erop gericht om op de partij van Shevardnadze te stemmen. Van de 20 ingeschreven partijen haalden slechts drie partijen de kiesdrempel van 7%. De partij van Sjevardnadze haalde ruim 40% van de stemmen en ondanks beschuldigingen van fraude en manipulatie, o.a. door waarnemers van de OVSE, worden de uitslagen goedgekeurd en werd het nieuwe parlement geïnstalleerd.
Op 9 april 2000 werden er weer presidentsverkiezingen gehouden. Belangrijkste tegenstander van Shevardnadze was Aslan Abashidze, gouverneur van de autonome republiek Adjarië. Adjarië staat er economisch redelijk voor en Abashidze is dan ook vrij populair, ook al omdat hij zich weinig aantrekt van het beleid dat vanuit Tbilisi gevoerd wordt. Zo worden inkomsten uit handel niet afgedragen aan de centrale overheid, maar in de eigen regio geïnvesteerd. Een oproep tot het boycotten van de verkiezingen leverde niets op en één dag voor de verkiezingen trok Abashidze zich terug als kandidaat. De achtergronden van deze opmerkelijke stap zijn nooit helemaal duidelijk geworden. Men vermoedde dat er een deal was gesloten tussen Shevardnadze en Abashidze om de macht in het land te verdelen tussen Tbilisi en de hoofdstad van Adjarië, Batumi. Adjarië zou dan ook weer belasting gaan betalen aan de centrale overheid van Georgië.
Shevardnadze wint met een ruime meerderheid van bijna 80% van de stemmen. De vervanger van Abashidze, Djumber Patiashvili behaalde ongeveer 16% van de stemmen. Sjevardnadze zal in de komdende vijf jaren nodig hebben om de separatistische conflicten in Abchazië en Samachablo (Zuid-Ossetië)op te lossen. Honderdduizenden vluchtelingen uit die gebieden zitten nog steeds in Georgië en de meeste bedrijven liggen al enkele jaren stil. Verder heeft de corruptie enorme vormen aangenomen en staat de mensenrechtensituatie onder zware druk, en het is nog maar de vraag of Sjevardnadze of wie dan ook deze problemen definitief kan oplossen. Bovendien bestaan de vrijheid van pers en de vrijheid van meningsuiting alleen op papier, zodat het moeilijk is een juiste indruk van de situatie in het land te krijgen.

21e eeuw

In april 2000 werden de presidentsverkiezingen weer gewonnen door Eduard Sjevardnadze. In Abchazië werd in oktober 2001 een helikopter met VN-waarnemers neergeschoten. Alle negen inzittenden, onder wie vijf VN-waarnemers, kwamen daarbij om het leven.

De parlementsverkiezingen van begin november 2003 werden gekenmerkt door fraude en andere incidenten. Verwacht werd dat de verkiezingen een nederlaag zouden opleveren voor de regering van president Sjevardnadze. Veel kiezers gaven de president en zijn kabinet de schuld van de armoede en de corruptie in de Kaukasische republiek. De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking In Europa (OVSE) die 400 waarnemers naar Georgië had gestuurd, meldde dat de verkiezingen waren ontsierd door ‘schokkende‘ onregelmatigheden.
Een paar dagen later werd de oppositiepartij Nationale Beweging van voormalig minister van Justitie Michail Saakasjvili verassend tot winnaar van de parlementsverkiezingen uitgeroepen. In de hoofdstad Tbilisi hadden zich toen al ongeveer 20.000 aanhangers van de oppositie verzameld om te protesteren tegen de fraude bij de stembusgang. Na het bekend worden van de uitslag brak een jubelstemming uit onder de menigte, en Saakasjvili riep Sjevardnadze op zijn nederlaag te erkennen.
Op donderdag 13 november eiste Saakasjvili het aftreden van Sjevardnadze, en weigerde met hem te praten om naar een oplossing voor het conflict te zoeken. Saakasjvili zei verder nog dat hij één miljoen handtekeningen wilde verzamelen onder een petitie waarin het aftreden van Sjevardnadze werd geëist.
Een dag later waarschuwde Sjevardnadze voor een burgeroorlog in zijn land en maande voor de televisie de bevolking tot kalmte. Opnieuw verzamelden zich echter tienduizenden demonstranten in Tbilisi.
De Georgische president Sjevardnadze heeft vrijdag voor een burgeroorlog in zijn land gewaarschuwd. Opnieuw sloot hij een door de oppositie geëist aftreden wegens verkiezingsfraude uit. Tijdens een toespraak op televisie maande Sjevardnadze de bevolking tot kalmte. Ook adviseerde hij aanhangers van de oppositie weg te blijven van een demonstratie 's avonds in de Georgische hoofdstad Tbilisi. Uiteindelijk trok men naar het kantoor van de centrale kiescommissie met de eis om de verkiezingen ongeldig te verklaren. Op dinsdag 18 november betuigden circa 10.000 aanhangers van Sjevardnadze hun steun aan de president. Een dag eerder zei Sjevardnadze dat er een speciale commissie ingesteld zou worden die zou gaan onderzoeken of er inderdaad fraude was gepleegd.
Op donderdag 20 november verklaarde de centrale kiescommisie de partij van president Sjevardnadze, ‘Voor Een Nieuw Georgië’, tot winnaar van de verkiezingen. De tegenstanders van de president kondigden als reactie op de uitslag opnieuw vreedzame massabetogingen in de Georgische hoofdstad Tbilisi aan. Volgens de kiescommissie vergaarde de partij van de president ruim 21 procent van de stemmen. De tweede plaats was met bijna 19 procent voor de partij die haar steun voor de bekritiseerde Sjevardnadze had uitsproken. Op de derde plaats kwam het partijenblok Nationale Beweging van de belangrijkste oppositieleider Saakasjvili met ruim 18 procent.
Nog geen dag later gaf het hoofd van de Nationale Veiligheidsraad in Georgië, Tedo Japaridze, toe dat de parlementsverkiezingen van 2 november oneerlijk waren verlopen. ,,De beslissingen door de centrale kiescommissie hebben opnieuw laten zien dat de parlementaire verkiezingen vergezeld gingen met grote onregelmatigheden', aldus Japaridze tijdens een persconferentie. Hij waarschuwde dat protesten tegen de verkiezingsfraude kunnen leiden tot bloedvergieten. ,,Er zijn alarmerende signalen die de laatste tijd verder zijn toegenomen', zo zei Japaridze. ,,Als de confrontatie begint, zal die alomvattend zijn en veel gevaarlijker dan tien jaar geleden', toen in Georgië direct na de afscheiding van de Sovjetunie een burgeroorlog woedde en honderden mensen omkwamen.
De Georgische oppositieleider Saakasjvili riep vrijdagavond 21 november op een persconferentie in de Georgische Tbilisi op tot een vreedzame revolutie. En ook secretaris-generaal Kofi Annan van de Verenigde Naties riep op vrijdag nog de politieke leiders van Georgië op hun uiterste best te doen om de spanningen in het land vreedzaam op te lossen.
Zaterdag 22 november liep het dan uiteindelijk toch nog uit de hand. Aanhangers van de oppositie bestormden het presidentieel paleis in Georgië, en ondanks politiebewaking drongen duizenden betogers het gebouw binnen. Zij waren op weg naar het kantoor van president Sjevardnadze op de dertiende verdieping, aldus de Georgische tv. President Sjevardnadze kondigde daarop de noodtoestand af. De Georgische oppositie benoemde ondertussen parlementsvoorzitter Nino Boerdjanadze tot interim-president. De in het nauw geraakte Georgische president Edoeard Sjevardnadze sloot zijn aftreden in principe niet uit. In botsingen tussen voor- en tegenstanders van Sjevardnadze vielen in Tbilisi acht gewonden, twee agenten waren er ernstig aan toe. Michail Saakasjvili sprak over een fluwelen revolutie.
Op zondag 23 november 2003 nam Sjevardnadze alsnog ontslag. De oppositie garandeerde hem dat hij niet vervolgd zou worden. Parlementsvoorzitter Nino Boerdjanadze volgde Sjevardnadze tijdelijk op als president en zij moest er voor zorgen dat er binnen 45 dagen presidentsverkiezingen gehouden zouden worden.
Op 26 november werd bekend dat Michail Saakasjvili, de drijvende kracht achter de protestbeweging die president Sjevardnadze tot aftreden dwong, door de oppositiepartijen in Georgië als kandidaat gesteld werd voor het presidentschap. Nino Boerdzjanadze, waarnemend president na het aftreden van Sjevardnadze, week daarmee voor de populaire Saakasjvili.

De presidentsverkiezingen van 4 januari 2004 werden met een zeer ruime meerderheid van 85% gewonnen door Saakasjvili. Saakasjvili is getrouwd met de Nederlandse Sandra Roelofs.
Op 6 januari 2008 wint Michail Saakasjvili de presidentsverkiezingen met 52,8 procent van de stemmen. Saakasjvili wendde daarmee een verwachte tweede stemronde af. In augustus laaien spanningen op tussen troepen uit Georgië en het afgescheiden Zuid-Ossetië, dat gesteund wordt door Rusland. Dit mondt uit in een militair conflict. Na een week van vijandelijkheden tekenen de partijen een vredesovereenkomst. Rusland erkent wel de afvallige provincies Zuid-Ossetië en Abchazië, dit is een doorn in het oog van Georgië en de westerse wereld. In februari 2009 wordt Nika Gilauri benoemd tot premier. In april 2009 roept de oppositie op tot een "nationale ongehoorzaamheidscampagne". In mei 2009 vinden oefeningen van de NATO plaats op Georgisch grondgebied onder sterke protesten van Rusland. In september 2009 verschijnt er een rapport van de Europese Unie over het conflict met Rusland in 2008 waarin Georgie een flink deel van de schuld aan dit conflict krijgt. In juli 2010 brengt de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Clinton een bezoek aan Georgie. Ze verzekert dat de VS de territoriale integriteit van Georgie zal bewaken. Poetin reageert hier op door te stellen dat Georgië en Zuid-Ossetië hun conflicten moeten oplossen zonder derde partijen hierbij te betrekken.

In oktober 2012 wint Bibina Ivanishvilli de parlementsverkiezingen en hij wordt de nieuwe premier, Saakasjvili krijgt een rol op het tweede plan. In oktober 2013 wint Giorgi Margvelashvili de presidentsverkiezingen. In juni 2014 wordt er een handelsovereenkomst met de EU gesloten. In december 2015 neemt premier Garibashvili ontslag vanwege spanningen met president Margvelashvili.


GEORGIE LINKS

Advertenties
• Georgie WTC
• Georgie Sawadee Reizen
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Transport Georgië - TTS Quality Logistics B.V
• Cheaptickets Tiblisi
• Hotels Georgie
• Tiblisi Vliegtickets Tix.nl
• Eliza was here

Nuttige links

Georgië Startnederland (N+E)
Georgië Verzamelgids (N)
Reisinformatie Georgië (N)
Romans over Georgië (N)
Rondreis door Georgië 2011 (N)
Startpagina Georgie (N)
Telefoongids Georgië
Artikelen en Reisverhalen over GEORGIE
  Georgië als vakantieland

Bronnen

Bronnen

Burford, T. / Georgia
Bradt Publications

Georgia, Armenia & Azerbaijan
Lonely Planet

Rosen, R. / Georgia
Odyssey Publications

Spilling, M. / Georgia
Marshall Cavendish

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt October 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems