Steden VENEZUELA

Populaire bestemmingen VENEZUELA

VENEZUELA   

Wil je persoonlijke reistips ontvangen? Klik hier.

Pre-Columbiaanse periode

Rond 14.000 jaar voor Chr. arriveerden de eerste mensen in het gebied wat nu Venezuela is. Primitieve nomadische volken bevolkten vanaf die tijd het Venezolaanse grondgebied. Venezuela heeft echter nooit een indiaans volk op haar grondgebied gehad zoals de Azteken en de Maya’s in Midden-Amerika of de Inca’s in het naburige Andes-gebergte. Een van de redenen hiervoor zouden klimatologische omstandigheden kunnen zijn. Het waren in ieder geval geen grote staatkundige eenheden als bij de genoemde volken want nergens in de warme laaglandoerwouden van Zuid- en Midden-Amerika is een hoge organisatiegraad vastgesteld. Er waren alleen maar kleine stammen, ieder met hun eigen cultuur en taal. Sommigen waren halfnomadisch, anderen waren juist weer landbouwers. De omvang van de toenmalige inheemse bevolking was gering. En omdat er ook niets op schrift gesteld is weet men erg weinig van de eerste bewoners van Venezuela af.

Columbus ontdekt Amerika en Spaanse overheersing

Het jaar 1498 is voor het gehele Amerikaanse continent natuurlijk een keerpunt in de geschiedenis. In dat jaar landde Columbus tijdens diens derde reis op de oostpunt van Venezuela, het schiereiland Paria. Ook de buitenmonding van de Orinoco en het eiland Margarita werden verkend. In 1499 zeilden Alonso de Ojeda en Amerigo Vespucci ter hoogte van de huidige stad Maracaibo. Vanwege de paalwoningen van de indianen werd de streek Venezuela genoemd, dat “Klein- Venetië betekent. In het jaar 1500 wordt de eerste Spaanse nederzetting in Latijns-Amerika opgericht op het eiland Cubagua. In 1508 wordt Ojeda de eerste gouverneur van het gebied, maar de Spanjaarden slagen er niet in een blijvende kolonie te vestigen. Ook de missiepoging van de franciscaanse monniken mislukte vooralsnog.

Pas in 1521 slaagt men erin om de eerste stad op het Zuid-Amerikaanse vasteland te stichten, Cumaná. Op bescheiden schaal werden groepen negerslaven ingevoerd, waarvan enkele nederzettingen nu nog aan de noordkust van Venezuela te vinden zijn. In totaal zijn er ongeveer 120.000 slaven in Venezuela terechtgekomen. Ook de indianen werden als slaven getransporteerd naar Cuba, Cubagua of Hispaniola (nu Haïti en de Dominicaanse Republiek). In 1527 wordt Venezuela door Karel V verpacht aan het Duitse bankiershuis Welser. Op zoek naar goud lieten ze een spoor van ellende onder de indiaanse bevolking achter. Ook de Spanjaarden voeren steeds verder de Orinoco op, op zoek naar goud. Maar ook zij hadden weinig succes. In 1546 werd de pachtovereenkomst met de Duitsers opgezegd en werd geheel West-Venezuela door de Spanjaarden veroverd. Er werden steeds meer nederzettingen gesticht waarvan er vele nu nog steeds bestaan.

Rond 1577 werd Caracas gesticht door Diego de Losada en de stad werd al snel uitgeroepen tot de hoofdstad van West-Venezuela. In 1580 werd de bevolking getroffen door een pokkenepidemie en vele indianen stierven aan deze voor hen onbekende ziekte. In 1595 kwamen de Engelsen op het toneel en Caracas werd verwoest door Sir Francis Drake, de beroemde Engelse piraat en ontdekkingsreiziger. De hardnekkige geruchten over goudschatten trekken naast Spanjaarden en Engelsen ook Portugezen, Fransen en Hollanders aan. Bovendien had de politieke situatie in Europa van dat moment ook zijn invloed op de ontwikkelingen in Zuid-Amerika. Zo hadden de Hollanders een fort aan rand van de Corantijn met tabaksplantages. Dit fort werd echter in 1613 verwoest door de Spaanse gouverneur. In 1621 kwamen de Hollanders onder leiding van de West-Indische Compagnie weer terug en brachten de Spanjaarden enkele gevoelige nederlagen toe. Het is onder andere de tijd van het veroveren van de Spaanse zilvervloot door Piet Hein in de buurt van Cuba in 1628.
In 1681 werd de “Wet op de Indiën” van kracht die de hele wetgeving aangaande de Amerikaanse koloniën op bevel van Filips II herzag. Om de piraterij en de smokkelpraktijken aan te pakken wordt in 1728 de “Caracas Company” opgericht die het volledige monopolie krijgt over de handel en de economische ontwikkeling van de provincie Caracas. De Spaanse bezittingen in Zuid-Amerika bestonden op dat moment uit een aantal losse provincies die werden geregeerd vanuit Santo Domingo, op dit moment de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek. Dit veranderde pas definitief in 1777 als zes provincies, waaronder Margarita, Caracas, Guayana en Trinidad, samengevoegd worden en Venezuela een eigen bestuur krijgt onder leiding van een Spaanse militair. Venezuela telde op dat moment ongeveer 800.000 inwoners. Trinidad valt na enige tijd af en komt in Engelse handen.

Simón Bolívar en de strijd om onafhankelijkheid

In 1806 werd er door Francisco de Miranda, beïnvloed door de Franse Revolutie, een leger samengesteld met Amerikaanse vrijwilligers die probeerden om Venezuela onafhankelijk te maken. Deze poging mislukte maar op 19 april 1810 greep een groep uit de rijke Venezolaanse elite de macht door een Opperste Junta in te stellen die het “Eerste Congres” bijeenriep. Het Eerste Congres kwam op 2 maart 1811 voor het eerst bij elkaar en op 5 juli 1811 riep Venezuela als eerste Amerikaanse kolonie de onafhankelijkheid uit en is de zogenaamde “Eerste Republiek” een feit. De zeven provincies Mérida, Trujillo, Caracas, Cumaná, Barcelona, Margarita en Barinas vormen dan samen "La Confederacíon Americana de Venezuela". Francisco de Miranda is op dat moment de opperbevelhebber van de revolutionaire strijdkrachten.
Onder hem dient de later president Simón Bolívar. In 1812 verwoest de Spaanse kapitein-generaal Monteverde via het royalistische ingestelde zuiden, de noordelijke republikeinse provincies. De Miranda wordt door Bolívar beschuldigd van verraad en uitgeleverd aan de Spanjaarden. In december 1812 begint Bolívar aan een veldtocht tegen de aanhangers van de Spaanse koning. Hij rijgt overwinning aan overwinning en trekt begin augustus triomfantelijk Caracas binnen. Ook vanuit het oosten wordt de bevrijding ingezet en de koningsgezinde troepen worden uiteindelijk in de Slag van Bárbula verslagen en zij trekken zich terug in de vesting Puerto Cabello. Bolívar wordt uitgeroepen tot bevrijder en opperbevelhebber van de revolutionaire strijdkrachten.
De koningsgezinde troepen onder leiding van hun aanvoerder Boves vechten echter terug en rukken uiteindelijk op naar Caracas. De gehele bevolking vlucht samen met Bolívar naar het oosten, maar velen vinden onderweg de dood of worden vermoord door de troepen van Boves. De Spanjaarden wilden Bolívar arresteren maar deze was al vertrokken naar Cartagena in Colombia waar hij wordt benoemd tot opperbevelhebber, Bogotá verovert en een regering vormt. Spanje stuurde ondertussen een groot leger naar Venezuela terwijl de revolutionairen militaire hulp kregen van de Britten die vooral uit economische motieven handelden. Bolívar kreeg steeds meer hulp, ook vanuit de buurlanden.

Isla Margarita werd in 1816 bevrijd en een jaar later Guayana. In 1819 bevrijdde Bolívar Colombia en riep het Groot-Colombiaanse Rijk uit dat bestond uit de huidige staten Venezuela, Panama, Ecuador en Colombia. Hij werd zelf de eerste president. De Spanjaarden verzetten zich uiteraard hevig maar leden op 24 juni 1821 een beslissende nederlaag bij de Slag van Carabobo. Ook in andere landen van Zuid-Amerika werden de Spanjaarden verslagen en na de verloren Slag bij Ayacucho in Peru kwam er een einde aan 300 jaar Spaans kolonialisme in Zuid- Amerika.
Venezuela wordt door de Spanjaarden in 1823 definitief losgelaten. De onafhankelijkheid werd echter een desillusie doordat de afzonderlijke landen van Groot-Colombia het eigenbelang weer snel lieten prevaleren. De corruptie vierde hoogtij, de slavernij werd niet afgeschaft zoals was afgesproken en het gevecht om de macht brak op alle fronten los. Zelfs Bolívar kon het Groot- Colombiaanse Rijk niet bij elkaar houden en hij stierf als een teleurgesteld man in 1830, maar is nog altijd een legende in Zuid-Amerika en wordt nog steeds “vader des vaderlands” genoemd.

Tijdperk van de dictators

Vanaf 1830 ging Venezuela haar eigen weg en startte het tijdperk van de dictators. De eerste was generaal Paéz die tevens de eerste president van de Republiek Venezuela werd. Tijdens de regering van de tweede president, Monagas, werd in 1854 de slavernij officieel afgeschaft en werden de betrekkingen met Spanje hersteld. Door interne machtsstrijd en politieke conflicten brak in 1858 een burgeroorlog (Federale Oorlog) uit die tot 1864 duurde. In dat jaar werd de Federale Republiek Venezuela uitgeroepen. Groot-Brittannië maakte hiervan gebruik door een stukje van Venezuela aan Brits-Guyana toe te voegen, iets wat nog steeds door Venezuela betwist wordt en op alle landkaarten in Venezuela te boek staat als “Zona en reclamacíon”.

De dictatuur van de beruchte Antonío Guzmán Blanco (1870-1888) leek aanvankelijk het volk ten goede te komen. Hij scheidde staat en kerk en slaagde erin de politieke invloed van de machtige en rijke families terug te dringen. Het bleek echter maar schijn want hij was er vooral op uit om zijn eigen kas te spekken en duldde bijvoorbeeld geen enkele oppositie. Na de Guzmán Blanco- periode volgden de dictators elkaar in snel tempo op. Cipriano Castro hield het het langst vol (1898-1908) en Juan Vincente Gómez zou de wreedste uit de Venezolaanse geschiedenis worden. Meer dan 30.000 Venezolanen verdwenen in de gevangenis en minstens zo veel vluchtten naar het buitenland.

Olie!!

Ondanks de antipathie tegen de Verenigde Staten in geheel Zuid-Amerika knoopte Gómez na de ontdekking van olie geheel uit eigenbelang betrekkingen aan met de Amerikanen. Investeerders stroomden toe en de Verenigde Staten werden de belangrijkste handelspartner van Venezuela c.q. Gómez en trawanten. In 1928 volgden er demonstraties van studenten (de Generatie 28) en arbeiders tegen Gómez en zijn pro-Amerikaanse politiek. Hoewel de protesten werden neergeslagen waren dit toch de eerste stappen op weg naar de politieke democratie.
Na de dood van Gómez in 1935 was er zelfs plaats voor politieke partijen. De sociaal-democratische partij zou uiteindelijk in 1945 plaats nemen in de junta en er ontstond een overgangsfase tussen militaire dictatuur en democratie. In 1945 werd de burger en bekendste Venezolaanse schrijver Rómulo Gallegos tot president van de junta benoemd. Hij voerde het algemeen kiesrecht in maar slaagde er niet in om de militairen helemaal op het tweede plan te krijgen.

Van dictatuur naar democratie

Integendeel, in 1947 volgde er weer een coup onder leiding van generaal Jiménez die uiteindelijk tot nu toe de laatste dictator van Venezuela zou worden. Zijn bewind duurde tot 1957. Hij werd onder groeiend protest van de bevolking en met hulp van het leger verdreven. Vanaf 1958 veranderde Venezuela als eerste land in Zuid-Amerika van een dictatuur in een vrij stabiele democratische staat. Na de eerste democratische verkiezingen in 1959 werd er een kabinet van nationale eenheid gevormd onder leiding van president Rómulo Betancourt.

In 1961 werd het democratische systeem in de grondwet vastgelegd en werd Venezuela weer een federale republiek. In 1960 was Venezuela een van de oprichters van OPEC (Organization of Petroleum Exporting Countries). Van de geweldige olie-inkomsten profiteerde echter maar een kleine deel van de bevolking. De revolutionaire ideeën uit het Cuba van Fidel Castro waaiden al snel over naar Venezuela maar door de grote groei van de werkgelegenheid in met name de metaalsector bleef ondersteuning door de bevolking uit. Van een eventuele revolutie is in Venezuela dan ook nooit sprake geweest. Onder president Carlos Andrés Pérez (1973-1978) braken gouden tijden voor Venezuela aan. Hij maakte van de olie- en staalindustrie staatsbedrijven waardoor alle inkomsten in Venezuela bleven. Met dat geld werd het land gemoderniseerd, infrastructurele voorzieningen gerealiseerd, de industriële sector uitgebreid en kreeg de landbouw nieuwe impulsen. Ook de middenklasse van de bevolking profiteerde van deze ontwikkelingen en Pérez was de nieuwe held. Het bleek echter dat hij een miljardenschuld had opgebouwd en Venezuela was eigenlijk praktisch failliet.
In 1988 begon zijn tweede ambtstermijn en werd door de Wereldbank en het IMF gedwongen om te bezuinigen en te saneren, met name in het gigantische overheidsapparaat. Het bedrijfsleven werd weer geprivatiseerd, tarieven voor o.a. water, benzine en levensmiddelen schoten omhoog. Het volk nam het niet en dat resulteerde in 1989 in plunderingen en gevechten met de politie met als resultaat honderden doden en gewonden, arrestaties en martelingen. Het kwam zelfs zover dat er in 1992 twee staatsgrepen werden gepleegd die echter allebei mislukten.

In maart 1993 werd president Pérez beschuldigd van corruptie en drie maanden weggestuurd en onder huisarrest geplaatst. Dit huisarrest werd in 1996 weer opgeheven. Bij de presidentsverkiezingen van eind 1993 haalde voor het eerst in de geschiedenis een onafhankelijke kandidaat, Rafael Caldera, de meeste stemmen. Hij hield het leger aardig in toom en kon niet anders dan het ingezette bezuinigingsprogramma voortzetten. In 1994 kwam Venezuela in een bankcrisis terecht en nam de Venezolaanse overheid 18 van de 40 particuliere banken over. Door de stijgende export herstelde de economie zich in 1995 weer enigszins. Door de toename van misdaad en geweld volgden er in 1996 weer vele burgerprotesten. In 1996 mochten buitenlandse ondernemingen voor het eerst in 20 jaar weer meedingen naar exploitatierechten voor de oliewinning en werd er door president Caldera een nieuw economisch herstelprogramma afgekondigd. Hierdoor was er weer sprake van een licht groeiende economie.

In juli 1997 kwamen bij een krachtige aardbeving (6,7 op de schaal van Richter) in het midden en oosten van Venezuela zeker 59 mensen om het leven en vielen ruim 300 gewonden. De steden Cumana en Cariaco werden het zwaarst getroffen. In augustus 1997 kwamen bij rellen in de gevangenis van El Dorado in de Venezolaanse deelstaat Bolivar 42 gedetineerden om het leven en raakten er 22 gewond. Het jaar 1997 werd ook weer gekenmerkt door veel sociale onrust en rellen met de oproerpolitie. In maart 1998 besloten vijf grote olieproducerende landen, waaronder Venezuela, hun olieproductie drastisch te beperken. De landen hoopten door productiebeperking de olieprijs, die op een een historisch dieptepunt beland was, weer op peil te brengen. Met ingang van 1 juli ging Venezuela dagelijks 125.000 vaten minder leveren. De afspraken golden voor de rest van 1998.
In 1998 werden de presidentsverkiezingen verrassend gewonnen door Hugo Chávez Frias (44 jaar) die in 1992 nog een mislukte staatsgreep ondernomen had tegen de regering-Pérez (in 1994 kreeg hij na twee jaar gevangenisstraf amnestie). Hij kreeg met name veel stemmen uit de sloppenwijken doordat hij met name aan de armen veel beloftes had gedaan. Chavez kreeg bijna 60% van de stemmen, zijn opponent, de 62-jarige ondernemer Henrique Salas ca. 35%. In januari 1999 was Chavez weer welkom in de Verenigde Staten (tot dusver kreeg hij nooit een visum vanwege de mislukte staatsgreep in 1992 en men verdacht hem van dictatoriale neigingen). Op 2 februari 1999 werd Chavez beëdigd als president van Venezuela. Een week na zijn beëdiging riep Chavez de "sociale noodtoestand" uit. Hij wilde dat het parlement hem volmachten gaf om de overheidsuitgaven te saneren om zodoende het financieringstekort te kunnen terugbrengen. Verder wilde hij het belastingstelsel hervormen en kondigde hij aan dat het leger moest gaan helpen bij het werk op boerderijen, het herstel van wegen en in de gezondheidszorg, het plan "Bolivar 2000". Ook het corrupte politieke systeem wilde hij saneren en de armoede bestrijden. De meeste kritiek kreeg zijn plan het parlement te ontbinden. Begin februari vaardigde hij een decreet uit dat er een wetgevende vergadering moest komen die een nieuwe grondwet zou moeten schrijven. De bevolking zou zich mogen uitspreken over de wenselijkheid daarvan. In de stad Cumana, zo'n 500 kilometer ten oosten van de hoofdstad Caracas, braken rond 1 maart ernstige studentenrellen uit die drie dagen duurden.

Eind april sprak de Venezolaanse bevolking zich in een referendum uit voor wijziging van de grondwet uit 1961. Daarmee schaarde de bevolking zich massaal achter de "vreedzame revolutie" die president Chavez had aangekondigd. Ca. 88% van de kiezers sprak zich uit voor het vormen van een "Asamblea Nacional Constituyente", een assemblee om de grondwet te herzien. Tevens stemde 82% in met de door Chavez gestelde voorwaarden voor de benoeming van die assemblee. Tegenstanders van Chavez waren bang dat hij via de nieuwe grondwet zowel de uitvoerende, de wetgevende als de rechterlijke macht in handen wilde krijgen. Dit werd nog een bevestigd na de ongrondwettelijke promotie van 34 militairen door Chavez. Na kritiek hierop dreigde hij openlijk het parlement te ontbinden: "Ik ben in oorlog met jullie, voor ons beide is in dit land geen plaats. Jullie dagen zijn geteld".
Eind juli boekte de links-nationalistische regering van Chavez een overweldigende zege bij de verkiezing van een grondwetgevende vergadering, die binnen een half jaar een nieuwe grondwet moest opstellen. 119 van de 131 zetels werden bezet door aanhangers van Chavez waardoor hij de mogelijkheid kreeg om de macht van de traditionele partijen te breken.
Een paar weken later trok de grondwetgevende Assemblée alle macht naar zich toe en voor Venezolaanse rechtbanken, het Congres en andere instituties werd de noodtoestand afgeroepen. Die noodtoestand stelde de Assemblée in staat om naar eigen inzicht in te grijpen in publieke instituties, volgens de speciale grondwetgevende vergadering nodig om de corruptie in die instituties aan te kunnen pakken. Als protest trad de voorzitter van het Venezolaanse Hooggerechtshof, Cecilia Sosa, op 24 augustus af.
Eind augustus werd het parlement per decreet de laatste rechten ontnomen, nadat een week eerder al de rechten op het gebied van de wetgeving ernstig waren ingeperkt. Op dat moment was de Grondwetgevende Vergadering in feite de hoogste autoriteit in Venezuela. Half september mocht het congres zijn gebruikelijke werkzaamheden weer uitoefenen met uitzondering van het uitoefenen van de wetgevende macht.
Begin november ging de Grondwetgevende Vergadering akkoord met de omstreden verlenging van de ambtstermijn van Chavez, en hief tevens de blokkades op die de herverkiezing van de president in de weg stonden. Door deze wetswijziging kon hij in theorie tot 2012 aan de macht blijven.
Op 15 december werd met 71% van de stemmen de nieuwe grondwet aangenomen. Hierin krijgen de burgers meer rechten en meer invloed. Referenda maken het bijvoorbeeld mogelijk om slechte volksvertegenwoordigers naar huis te sturen. verder kreeg Chavez een veel sterkere greep op de economie en werd de positie van de president en het leger versterkt en werd de Senaat afgeschaft. Ook kon de president voortaan het parlement ontbinden als hij dat nodig acht.

Vlak na het referendum werd Venezuela getroffen door een natuurramp van ongekende omvang. Door overstromingen en modderlawines vielen er zeker 20.000 doden en raakten 140.000 mensen dakloos. Het leger kwam in een kwaad daglicht te staan na meldingen van mishandelingen, plunderingen en zelfs executies. Harde bewijzen hiervoor ontbraken echter.

2000

Begin januari 2000 nam de minister van infrastructuur, Julio Montes, ontslag uit onvrede over de militarisering van het landsbestuur. Chavez kondigde daarop aan om nog meer leden van zijn kabinet te vervangen door militairen.
De verkiezingen voor de president, het Congres, gouverneurs en lokale raden, gepland eind mei, gingen niet door omdat het computersysteem dat de stemmen zou moeten gaan tellen, niet betrouwbaar bleek.
Eind juli werd Chavez voor zes jaar tot president gekozen, maar wist in het parlement geen tweederde meerderheid te krijgen. Chavez zelf kreeg ca. 60% van de stemmen, zijn tegenstrever Francisco Arias Cardenas kreeg ca. 38% van de stemmen.
In augustus bracht Chavez een omstreden bezoek aan Irak, waar hij Saddam Hoessein ontmoette. Het was het eerste bezoek van een buitenlands staatshoofd aan Irak sinds de Golfoorlog van 1991. Met name de Verenigde Staten reageerden woedend, maar Chavez trok zich ook daar niets van aan.

Half oktober beëindigden ca. 35.000 werknemers in de Venezolaanse olieindustrie hun staking. De staking was een paar dagen eerder uitgebroken nadat de regering geweigerd had een loonsverhoging van bijna 10 euro per dag te geven. De stakers bereikten een akkoord met de nationale petroleummaatschappij PDVSA.
Eind oktober, begin november bracht de Cubaanse president Fidel Castro een bezoek aan Venezuela met de bedoeling om voor een vriendenprijsje olie te kopen. Dat lukte en overeengekomen werd dat Venezuela dagelijks 53.000 vaten ruwe olie aan Cuba zou leveren, in ruil voor Cubaanse goederen en medische diensten. De Venezolaanse oppositie was woedend omdat ca. 80% van de eigen bevolking ver onder de armoedegrens leefde. Op 7 november gaf de Nationale Vergadering president Chavez een ongekende machtspositie door hem toe te staan voortaan één jaar lang bij decreet wetten op het terrein van olie en bankzaken uit te vaardigen.
Op 13 november werd de 63-jarige minister van oliezaken, Ali Rodriguez Araque, gekozen tot secretaris-generaal van de OPEC. Begin december stevende Chavez af op een overwinning bij een referendum over de vorming van nieuwe vakbonden. Veel kiezers zeiden "ja" tegen de plannen om de traditionele leiders af te zetten. Volgens de oppositie was Chavez bezig om zijn dictatoriale macht nog verder uit te breiden.

2001

Eind januari 2001 kwamen achttien toeristen, onder wie vijf Nederlanders, om bij een vliegtuigongeluk, het ernstigste in de geschiedenis van Venezuela.

2002

Op 11 april 2002 vond er een massabetoging in Caracas plaats, waarbij het aftreden van Chávez geëist werd. Er braken gevechten uit waarbij vijftien doden vielen, en de Venezolaanse president werd door de media en de oppositie verantwoordelijk gesteld. Vervolgens werd Chávez door een groep rebellerende militairen tot aftreden gedwongen en Pedro Carmona werd tot interim-president benoemd. Hoewel zelfs de media het over 'het aftreden' van de president hadden, vond er op 11 april wel degelijk een staatsgreep plaats.

Dat bleek wel toen Carmona meteen een ware klopjacht ontketende op Chávez-aanhangers en het parlement ontbond. Als protest hiertegen kwamen de, vaak arme, Chávez-sympathisanten massaal de straat op om het aftreden van Carmona te eisen. Een deel van het leger koos de kant van Chávez en dat was voor Carmona het sein te vluchten. In de nacht van 13 april keerde Chávez weer terug in het presidentiële paleis.
De Verenigde Staten, verklaard tegenstander van Chávez, waren uiteraard niet blij met zijn terugkeer. Zij waren nog steeds bang dat Chávez, een vriend van de Cubaanse leider Fidel Castro, de olietoevoer naar de Verenigde Staten op een keer zou stopzetten.
Een week na de mislukte staatsgreep liepen alle coupplegers weer vrij rond, waardoor de vraag geopperd werd of er wel sprake was geweest van een staatsgreep. Zeer opmerkelijk was in ieder geval dat de opperbevelhebber van de landmacht en een van de coupplegers, Lucas Rincon, werden herbenoemd. Pedro Carmona ontkende voor een parlementaire enquetecommissie dat hij samen met het leger de coup zou hebben voorbereid. Hij verklaarde door het leger gevraagd te zijn om het 'machtsvacuüm' op te vullen.
Eind april 2002 vroegen drie Venezolaanse militaire leiders politiek asiel aan in de Verenigde Staten. Zij waren na de mislukte staatsgreep al naar de Boliviaanse ambassade gevlucht. Carmona mocht uiteindelijk naar buurland Colombia vertrekken, waar hij politiek asiel kreeg.

De maand mei was verder weer het toneel van demonstraties, waarbij tienduizenden Venezolanen de straat opgingen. In juli deed de voormalige president van de Verenigde Staten, Jimmy Carter, een mislukte poging te bemiddelen tussen president Chávez en de Venezolaanse oppositie die het aftreden van de president eiste.
Begin augustus werden vier hoge militairen wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken die hadden meegedaan aan de korte staatsgreep tegen president Chávez. Uit woede over deze uitspraak volgden onmiddellijk nieuwe demonstraties door aanhangers van Chávez, met opnieuw doden en gewonden. Carlos Andrés Pérez, de vroegere president, pleitte er openlijk voor om Chávez te vervangen door een militaire junta. Hij voorspelde een staatsgreep waarbij weer veel bloed zou vloeien.
Venezuela werd sinds de dubieuze uitspraak van het Hooggerechtshof over de couppoging verdeeld tussen aanhangers van Chávez, die meenden dat hij opkwam voor de rechten van de armen, en de oppositieleden, die vonden dat hij juist een wig dreef tussen de verschillende klassen.
Op 11 oktober demonstreerden ca. één miljoen mensen in Venezuela tegen de nationalistische regering van president Chávez, en eisten nieuwe verkiezingen. Demonstranten uit verschillende steden trokken op naar de hoofdstad Caracas. De oppositie wist zich gesteund door werkgevers, vakbonden, alle traditionele politieke partijen, de meeste media, kerken en studentenorganisaties. De grootste vakbond dreigde met een algemene staking, en gaf de president een paar dagen om af te treden. Als antwoord op de demonstratie van de oppositie marcheerden enkele dagen later honderdduizenden aanhangers van de Venezolaanse president door de straten van Caracas. Daartoe had Chávez hen opgeroepen.
Eind oktober legde een massale algemene staking een deel van Venezuela stil. Fabrieken en winkels waren gesloten, binnenlandse vluchten werden geschrapt. Er circuleerden zelfs geruchten over een mogelijke coup, en op verschillende plaatsen kwam het tot schietpartijen met de politie. In het centrum had het leger tanks voor het presidentiële paleis geparkeerd.
Een dag later riepen veertien hoge legerofficieren voor de Venezolaanse televisie, de bevolking op tot burgerlijke ongehoorzaamheid. De veertien vonden dat de president niet langer de stem van het volk vertegenwoordigde. Enkelen van hen waren ook betrokken bij de staatsgreep in april, en bekleedden geen actieve functies meer sinds die tijd. Uiteindelijk gebeurde er niets.
Begin november raakten aanhangers van Chávez slaags met oppositieleden. Zeker zestien mensen raakten gewond. De aanhangers van de president probeerden te voorkomen dat de oppositie twee miljoen handtekeningen kon aanbieden aan het parlement. Vakbonden en oppositieleden wilden met de handtekeningenactie bewerkstelligen dat er op 4 december een referendum over vervroegde verkiezingen gehouden zou worden. Enkele dagen later vroeg Chávez aan het Hooggerechtshof om delen van de Venezolaanse kieswet nietig te verklaren, waardoor de kiesraad niet langer zou kunnen opereren op een wettelijke grondslag. De oppositie dreigde daarop met een algemene staking.
Half november nam het leger van Venezuela in de hoofdstad Caracas de taken over van de politie. De overname door het leger zou bedoeld zijn om de rust bij de politie te herstellen. "De politie is vervallen tot anarchisme", gaf Chávez als reden. Een deel van de hoofdstedelijke politie staakte al sinds oktober tegen burgemeester Alfredo Peña, een verbeten tegenstander van Chávez. Hij beschuldigde Chávez er ook van dat de politiestaking door de president zelf op touw zou zijn gezet om de hoofdstad een nieuwe, regeringsgetrouwe hoofdcommissaris door de keel te duwen.
Eind november bepaalde het Hooggerechtshof dat een eerder aangekondigd referendum over vervroeging van de presidentsverkiezingen op 2 februari 2003 niet mocht doorgaan. Op 5 december volgde een algemene staking tegen het bewind van Chávez. Deze staking legde de Venezolaanse economie, en met name de oliesector, stil. Chávez gaf als reactie daarop het leger de opdracht te interveniëren en zo de olieleveranties aan het buitenland veilig te stellen. Op dat moment leek een totale burgeroorlog niet ver meer weg.
Toen de stakingen na een week nog niet afgelopen waren, dreigde Chávez om de noodtoestand uit te roepen. Op 9 december werd bekend dat de Venezolaanse regering verkiezingen niet langer uitsloot als oplossing voor de ontstane crisis. Deze mededeling kwam na onderhandelingen tussen Chávez, de oppositie en de de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), César Gaviria. Het was onduidelijk of Chávez daadwerkelijk wilde meewerken.
Ondertussen gingen de stakingen hun tweede week in, en dreigde Chávez om de noodtoestand in het land uit te roepen. Alle olie-installaties in het land werden bezet door het leger om sabotage te voorkomen. Tekenend voor de uitzichtloze situatie was het staken van de werkzaamheden van het Hooggerechtshof wegens 'politieke intimidatie'.

Op 13 december drongen de Verenigde Staten er bij Chávez op aan om vervroegde verkiezingen te houden en op 16 december betoogden weer honderdduizenden mensen in de hoofdstad Caracas.
Een dag later riepen oppositieleiders de bevolking op om de acties tegen de regering verder aan te scherpen. Felle botsingen tussen demonstranten en de oproerpolitie waren het gevolg. Alle voorzichtige toenaderingen en de druk van buitenaf hadden totaal geen effect gehad.
Op 19 december gelastte het Venezolaanse gerechtshof de werknemers in de olie-industrie weer aan het werk te gaan. De meeste stakers negeerden het bevel van het Hof echter en gingen onverminderd door met staken. Daarop dreigde het controversiële staatshoofd met het ontslag van alle stakers bij de staatsoliemaatschappij Petreleos de Venezuela.

2003

Op 3 januari moest de politie hardhandig ingrijpen om de bestorming te verhinderen van een militaire basis nabij de hoofdstad door betogers. Een menigte van tienduizenden betogers had zich voor het kazernecomplex verzameld om de vrijlating te eisen van een generaal die wegens muiterij onder arrest was geplaatst. Ongeveer honderd officieren hadden zich aangesloten bij de stakingsbeweging, maar de meeste militaire commandanten bleven het staatshoofd trouw.
Op 14 januari werd de politie van de hoofdstad Caracas door het Venezolaanse leger ontwapend. Chávez beschuldigde de politie ervan aanhangers van zijn bewind te hebben aangevallen tijdens demonstraties. Op 17 januari richtten vertegenwoordigers van de landen Mexico, Verenigde Staten, Brazilië, Chili, Spanje en Portugal een 'Groep van Vrienden van Venezuela', op. Zij wilden een poging wagen een oplossing te vinden voor de politieke crisis in het land.
Begin februari werd de algemene staking door de verdeelde tegenstanders van Chávez beëindigd. De oliesector staakte nog gedeeltelijk door, maar het was duidelijk dat Chávez de 64 dagen durende crisis had overleefd. De poging om Chávez via stakingen tot aftreden te dwingen, waren totaal mislukt. Enkele weken later sloten de regering van Venezuela en de oppositie een akkoord tegen geweld, en voor vrede en democratie. Dit akkoord kwam echter weer op losse schroeven te staan toen Carlos Fernández, oppositieleider en voorzitter van de werkgeversorganisatie Fedecamaras, gearresteerd werd; het bleef echter rustig in het land.
Eind februari werd Venezuela opgeschrikt door aanslagen op de Spaanse ambassade en het Colombiaanse consulaat in de hoofdstad Caracas. Aanhangers van Chávez werden aangewezen als de daders omdat Spanje, Colombia en andere landen hadden geprobeerd te bemiddelen tussen de president en de oppositie.
Half april bereikten de Venezolaanse regering en de oppositie een akkoord over het houden van een referendum over het voortijdig beëindigen van het presidentschap van Hugo Chávez. Het referendum zou volgens de grondwet na 19 augustus plaats kunnen vinden, halverwege de presidentiële ambtstermijn. Dit gebeurde echter niet en half september wees de Venezolaanse kiesraad zelfs de petitie die opriep tot een referendum over de positie van Chávez, af vanwege procedurele fouten.
Begin december ondertekenden meer dan 3,6 miljoen Venezolanen een petitie waarin opgeroepen werd om een referendum te houden over het beëindigen van de ambtstermijn van president Chávez. Dat aantal was fors hoger dan de 2,4 miljoen handtekeningen die volgens de grondwet nodig zijn voor het houden van een volksraadpleging.

2004-heden

7 maart 2004: In de Venezolaanse hoofdstad Caracas waren honderdduizenden demonstranten de straat opgegaan om te protesteren tegen president Hugo Chavez. In de grootste demonstratie dit jaar eisten zij een referendum over de afzetting van de links-nationalistische Chávez en uitten ze hun ongenoegen over de manier waarop politie en leger voorgaande betogingen ’brutaal hebben onderdrukt’.
Sinds eind februari kwamen bij botsingen tussen leden van de oppositie, aanhangers van de regering en politie en leger ten minste negen personen om het leven. Volgens de oppositie hebben de autoriteiten circa vierhonderd demonstranten gearresteerd en zijn bij de gewelddadigheden 1650 personen gewond geraakt.

In augustus 2004 werd president Chávez opnieuw uitgedaagd toen het Venezolaanse volk, in een door de oppositie voorgesteld referendum, kon beslissen of hij zijn ambtstermijn zou mogen afmaken.
De uitkomst van het referendum gaf aan dat 58% van de Venezolaanse bevolking voor het aanblijven van Chávez als president was. De OAS en het ‘Carter Center’ , die bij het referendum waren opgetreden als onafhankelijke waarnemers, bevestigden dat er geen bewijzen van fraude of intimidatie waren geconstateerd, ook al bleven verdenkingen bestaan. De oppositie, bestaande uit de radicale anti-chávistas van het Democratisch Blok en de meer gematigde gevestigde partijen, is sindsdien verdeeld. De gelegenheidscoalitie ‘Coordinadora Democrática’ is uiteen gevallen en in feite is er geen oppositie van enige betekenis meer, behoudens in enkele staten en gemeenten waar lokale partijen en persoonlijkheden uitzonderingen op de trend vormen. Dit bleek bij de parlementaire verkiezingen in december 2005, waarbij de ‘Movimiento Quinta Repú blica’ (MVR) van president Chávez en haar coalitiepartners van het ‘Bloque de Cambio’ volgens de voorlopige uitslag alle 167 zetels behaalden. De oppositiepartijen AD, COPEI en ‘Primero Justicia’, die de nederlaag zagen aankomen, hadden zich kort voor de verkiezingen teruggetrokken en het volk opgeroepen thuis te blijven. Het opkomstpercentage van 25% was een historisch dieptepunt (in 2000 was de opkomst nog 57%). De EU-waarnemersmissie constateerde geen onregelmatigheden. Zij merkte wel op dat er in Venezuela geen vertrouwen bestaat in het kiesstelsel en heeft op dat gebied een aantal aanbevelingen gedaan.

President Chávez heeft de uitslag van het referendum en daarop volgende verkiezingen geïnterpreteerd als een versteviging van zijn revolutionaire mandaat. Een ware proliferatie van wetgeving moest ertoe bijdragen de greep van de overheid op de samenleving verder te versterken en ook de principes van de bolivariaanse revolutie gestalte te geven. In december 2006 wordt president Chávez voor een derde termijn gekozen. In december 2007 verlies Chávez voor de eerste keer een referendum waarin hij om meer macht vroeg en een versnelling van de socialistische revolutie. In 2008 bemoeit Chávez zich nadrukkelijk met het Colombiaanse conflict met de FARC, hij krijgt een aantal gijzelaars vrij.

De relatie met Colombia wordt gespannen na een achtervolging van het Colombiaanse leger op de FARC op Venezolaans grondgebied. In juli 2008 ontspant de relatie weer na de bevrijding van Ingrid Betancourt. President Uribe bezoekt Chávez. In november 2008 wint de oppositie licht bij lokale verkiezingen. In februari 2009 stemmen de kiezers in met het afschaffen van het aantal termijnen dat een politicus kan worden herkozen. Dit zou de weg vrij kunnen maken voor Chávez om zich ook na 2012 te laten herkiezen. Eind 2009 lopen de spanningen met Colombia hoog op onder andere vanwege een verlenging van het contract tussen de VS en Colombia over het gebruik van militaire bases. In maart 2010 maakt de centrale bank bekend dat de economie met 5,8% gekrompen is in de laatste drie maanden van 2009. In september 2010 behoudt President Hugo Chávez de meerderheid in het parlement, maar de oppositie is erin geslaagd te voorkomen dat de partij van Chávez opnieuw een tweederdemeerderheid in de Nationale Assemblee krijgt. In juni 2011 begint president Chavez een behandeling tegen kanker in Cuba. In oktober 2012 wint hij de presidentsverkiezingen voor een vierde keer. In december 2012 keert Chavez terug naar Cuba voor verdere behandeling en hij benoemd Nicolas Maduro als opvolger gedurende de tijd dat hij ziek is.

Hugo Chávez overlijdt op 5 maart 2013 in de hoofdstad Caracas.

In april 2013 wordt Nicolas Maduro nipt gekozen als president. In december 2013 versterkt zijn partij haar positie bij lokale verkiezingen. In februari 2014 zijn er ongeregeldheden in Caracas, de regering zegt dat de oppositie uit is op een coup. In december 2015 wint de oppositie de congresverkiezingen na 16 jaar socialistische dominantie. In februari 2016 kondigt president Maduro maatregelen aan om de economische crisis te bestrijden, waaronder een monetaire devaluatie en verhoging van de benzineprijzen. De jaren 2016 en 2017 staan in het teken van massaprotesten tegen het beleid van Maduro. In januari 2018 krijgen Aruba, Bonaire en Curacao te maken met exportverbod en een zee- lucht- en landblokkade van de eilanden door Venezuela.

VENEZUELA LINKS

Advertenties
• Venezuela Vliegtickets.nl
• Rondreis Venezuela
• Venezuela Vligtickets WTC
• Vakantie Venezuela
• Hotels Venezuela
• Autoverhuur Sunny Cars Venezuela
• Caracas Vliegtickets Tix.nl

Nuttige links

Reisinformatie Venezuela (N)
Reizendoejezo - Venezuela (N)
Romans over Venezuela (N)
Rondreis door Venezuela (N)
Rondreis Venezuela (N)
Venezuela Reisstart (N+E)
Artikelen en Reisverhalen over VENEZUELA
  1000 km door Venezuela  rondreis MH1
  De Orinoco delta  Gran Sabana en de Orinoco delta
  In een aftands wrak vliegen naar..

Bronnen

Dydyñski, K. / Venezuela
Lonely Planet

Ferguson, J. / Venezuela : mensen, politiek, economie, cultuur
Novib

Launspach, W. / Reishandboek Venezuela, Margarita
Elmar

Morrison, M. / Venezuela
Chelsea House Publishers

O’Bryan, L. / Venezuela, Isla Margarita
Gottmer

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt november 2019
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems