Landenweb.nl

COSTA BLANCA
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Spaans
  Hoofdstad  Alicante
  Oppervlakte  5.817 km²
  Inwoners  1.379.762
  (2016, laatst bekend)
  Munteenheid  euro
  (EUR)
  Tijdsverschil  +0
  Web  .es
  Code.  ESP
  Tel.  +34

Populaire bestemmingen SPANJE

AndalusieCatalonieCosta blanca
Costa bravaCosta del solEl hierro
FormenteraFuerteventuraGran canaria
IbizaLa gomeraLa palma
LanzaroteMallorcaMenorca
Tenerife

Geografie en Landschap

Geografie

advertentie

Costa Blanca: SatellietfotoPhoto: Pubiek Domein

De Costa Blanca ligt aan de Zuidoost kust van Spanje en maakt onderdeel uit van de Comunidad Valenciana. Het strekt zich uit tussen Vinaros in het noorden en Torrevieja in het zuiden over een lengte van 251 km.

Landschap

Het is een kuststreek met prachtige, goudkleurige stranden en beschutte baaien. De Costa Blanca heeft haar naam niet te danken aan de beroemde stranden, maar aan de wit bloeiende bomen.

De witte zandstranden, afgewisseld met steil uit zee oprijzende rotsen, maken de kustlijn tot een boeiend geheel.

advertentie

Torrevieja aan de de Costa BlancaPhoto:Phillip Capper CC 2.0 Generic no changes made

Klimaat en Weer

De Costa Blanca heeft een mild klimaat. In de zomermaanden is het gemiddeld zo'n 25 graden Celsius en in de wintermaanden is dat gemiddeld 10 graden Celsius. De zon schijnt overvloedig aan de Costa Blanca met jaarlijks meer dan 300 zonnige dagen per jaar en er is een lage luchtvochtigheid.

De meeste neerslag valt in de lente en winter. In de winter in berggebieden boven de 1500 meter zelfs in de vorm van sneeuw.

Planten en Dieren

Planten

Bij Elche in Alicante is het enige dadelpalmenbos van Europa te vinden. Verder is er de gewone mediterrane vegetatie met maquis, struikgewas gecombineerd met lage bomen en wilde kruiden.

Dieren

Konijnen, hazen en vossen komen veel voor aan de Costa Blanca. Landinwaarts ook nog wilde geiten en vleermuizen. De Costa Blanca is ook een geliefde plek voor trekvogels.

Geschiedenis

De geschiedenis van Costa Blanca valt grotendeels samen met de hieronder beschreven geschiedenis van Spanje

Oudheid

advertentie

Prehistorische rotstekeningen uit AltamiraFoto: Publiek domein

Botsplinters gevonden in de Sierra de Atapuerca nabij Burgos toonden aan dat voorouders van de Neanderthalers 780.000 jaar geleden al in deze streek vertoefden. Uit de tijd van de Neanderthalers stamt de"vrouw van Gibraltar", een schedel van ca. 50.000 jaar v.Chr., gevonden in 1848. Men vermoedt dat de Neanderthalers ca. 40.000 jaar v.Chr., gedurende de laatste ijstijd, verdreven werden door migranten van Afrikaanse origine, de Cro-Magnon mensen. Zij jaagden op mammoeten, bizons en rendieren. Aan de oostkust zijn grotschilderingen (o.a. Cueva Remigia) met jachttaferelen van deze mensen gevonden. Uit het begin van het neolithicum komen aan de oostkust van Spanje talrijke vindplaatsen van zogenaamde Impreso-voorwerpen voor, waaronder versierd aardewerk.

In Murcia en Andalusië ontstond ca. 3000 v.Chr. de Almeria-cultuur die werd gekenmerkt door megalithische graven en zogenaamde idolen of cultusbeeldjes. Tussen 3000 en 2000 v.Chr. werd het gebruik en de bewerking van koper geïntroduceerd door de Los Millares-cultuur in de buurt van Almeria. De mensen van deze cultuur woonden al in kleine ommuurde nederzettingen en hadden al contacten met gemeenschappen in Zuid-Frankrijk, Italië en zelfs Noordwest-Afrika.

Van ca. 1600 tot 1200 v.Chr. kwam in het zuidoosten van Spanje de El Algar-cultuur voor. Zij woonden in ommuurde nederzettingen op berghellingen en hadden al contact met het Egyptische rijk en smeden wapens en maakten sieraden van zilver en koper. Aan het begin van de late Bronstijd verdween deze cultuur plotseling.

advertentie

Dame van Elche, Spanje 4e eeuw voor ChristusFoto: Carole Raddato CC 2.0 Generic no changes made

De eerste Fenisische handelsposten ontstonden ca. 1000 v.Chr. langs de zuidkust, o.a. in de buurt van Cádiz, Huelva en Málaga. Ca. 600 v.Chr. werden zij gevolgd door de Grieken, die kolonies stichtten langs de oostkust, o.a. Emporion (nu: Empúries). Het noorden en westen van Spanje stonden toen onder invloed van de Keltische cultuur. Uit deze drie culturen onstond langzaam de Iberische cultuur, waarin de mediterrane karaktertrekken overheersen.

De Carthaagse Feniciërs sloten in de 7e eeuw voor Chr. de Straat van Gibraltar voor Griekse zeevaarders en de Fenisische bewoners van Tyrus hadden tegen het einde van de 5e eenw v.Chr. Spanje gedeeltelijk veroverd. Zij noemden de zuidkust I-sjephan-im of konijnenkust; uit deze naam ontstond later Hispania en daarna de huidige naam España.

Carthago, o.a. onder leiding van Hannibal, breidde zijn macht over het grootste deel van Spanje uit, maar verloor deze veroveringen weer in de Punische Oorlogen (Eerste Punische oorlog 264-241 v.Chr; Tweede Punische Oorlog 218-201 v.Chr.) met de nieuwe sterk opkomende macht: Rome. Ondanks heftige tegenstand van de Iberieërs werd Spanje veroverd door de Romeinen en ten tijde van keizer Augustus werd het Iberisch Schiereiland verdeeld in drie gebieden: Tarraconensis, Baetica en Lusitania, en dit werden al snel welvarende gebieden, o.a. door de mijnbouw. In de 3de eeuw n.Chr. gingen welvaart en cultuur sterk achteruit, wat deels te wijten was aan de invallen van barbaren.

Het Visigotische Rijk (415-711)

advertentie

Fibula's in de vorm van adelaars uit de 6e eeuw, SpanjeFoto: Publiek domein

Begin 5e eeuw was het Romeinse Rijk dermate verzwakt dat Germaanse stammen als de Vandalen, Alanen en Sueven Spanje binnendrongen en zich vestigden in Galicië, Lusitanië en Andalusië. Catalonië werd in 415 veroverd door de Visigotische koning Athaulf, gevolgd door andere Gotische veroveraars die in vijftig jaar tijd het gehele schiereiland veroverden. Alleen de Sueven konden hun onafhankelijkheid behouden.

Hoewel de Romeinse grootgrondbezitters veel grond kwijt raakten, bleef de sociale structuur vrijwel gehandhaafd. De steden behielden de Romeinse organisatie en ook de katholieke godsdienst kon behouden worden, ondanks dat de Visigoten een andere godsdienst aanhingen. Het Visigotische rijk strekte zich op een gegeven moment uit tot aan de Pyreneeën toen ook de Sueven onderworpen werden. In het zuidoosten werden de Byzantijnen verdreven.

Toen Reccared I van de Visigoten overging tot het katholicisme vielen alle verschillen tussen bezetters en autochtone bewoners weg. Hierdoor behielden de bisschoppen hun machtige positie, die zich zelfs uitstrekte tot de wetgevende macht. Voor de gewone bevolking veranderde er niet veel, zij werden nog steeds uitgebuit door de adel en de kerk.

Het Moorse Spanje, de Reconquista en de katholieke koningen (711-1504)

advertentie

Moors Alhambra paleis in Granada, SpanjeFoto:Jebulon in het publieke domein

Het Visigotische tijdperk eindigde in feite in 711 toen de Moorse militair Tarik te hulp werd geroepen bij onderlinge conflicten. Rond 720 had hij het hele schiereiland veroverd, op Asturië na. Onder de Omajjaden-dynastie, die van 756 tot 1031 duurde, ontwikkelde zich een Moors-Spaanse cultuur die op een hoog niveau stond.

De stad Córdoba was toen het centrum van deze cultuur, in een tijd die grote welvaart bracht en waarin kunsten, literatuur en wetenschappen opbloeiden. Onder de kaliefen Abd al-Hahman III en zijn zoon Hakam II (periode 912 tot 976) stond het Moorse rijk op haar hoogtepunt en had Córdoba bijvoorbeeld het ongelooflijke aantal van ca. één miljoen inwoners.

Vanuit het noorden bedreigden kleine christelijke staatjes als Navarra, Aragón en Léon het Moorse rijk. De veldheer van Hisjam II, Al-Mansoer, wist de christenen aanvankelijk nog ver terug te dringen en verwoestte bijvoorbeeld Santiago de Compostela. In 1002 stierf Al-Mansoer en vanaf dat moment begon het Omajjaden-rijk langzaam maar zeker uit elkaar te vallen in vorstendommen die"taifas" genoemd werden.

Deze"reconquista", de herovering van het Moorse rijk door de christenen, ging echter niet zonder slag of stoot. Zo werd de belangrijke stad Toledo in 1085 veroverd door Alfons VI van Castilië, maar in 1086 werd hij alweer verslagen door de Almoraviden onder leiding van Ali ibn Joesoef, die vanuit Noord-Afrika hun moslimbroeders te hulp schoten. Ze wisten de eenheid te herstellen en werden opgevolgd door de Almohaden, Berbers uit Noord-Afrika, die de christenen wisten terug te dringen. Na de Slag bij Navas de Tolosa in 1212 was het echter afgelopen met de Moorse overheersing. Op het Moorse koninkrijk Granada na, werd Zuid-Spanje door Castilië/Leon veroverd. De Moorse en christelijke cultuur konden echter naast elkaar blijven bestaan en zich verder ontwikkelen doordat Moren en ook joden hun rechten en vrijheden behielden.

In 1469 trouwden de katholieke Ferdinand II van Aragón en Isabella van Castilië waardoor Spanje verenigd werd, hoewel beide rijken hun eigen politieke structuur behielden. Kerk en staat werkten vanaf die tijd nauw met elkaar samen, waardoor inquisitie en Hermandad (politie) alle afwijkende meningen en organisaties onderdrukten. Zo werden eind 15e eeuw meer dan 120.000 joden uit Spanje verdreven omdat ze weigerden zich te bekeren tot het christendom.

De Habsburgers (1504-1700)

Karel I van SpanjeFoto: Publiek domein

Na de dood van Ferdinand en Isabella kwam Karel I aan de macht, die de Bourgondische landen van zijn vader Filips de Schone had geërfd. Bovendien werd hij in 1519 als Karel V keizer van het Duitse Rijk. Door de ontdekking van Amerika werd Spanje het centrum van het eerste echte wereldrijk, maar was ook voortdurend in conflict met Frankrijk over de hegemonie in Europa. Ook de godsdienstoorlogen als gevolg van de Reformatie lieten Spanje niet onberoerd als leidend land in de Contrareformatie.

Vele Italiaanse bezittingen zorgden ervoor dat Spanje in feite de Middellandse Zee beheerste en verplicht was zich te verdedigen tegen de oprukkende Turken. Binnenlands was er verzet van de steden en de adel tegen de niet-Spaanse politiek en de toenemende macht van de centrale overheid. Dit leidde van 1520 tot 1521 tot de opstand van de Comuneros die echter onderdrukt werd.

In Amerika werd ondertussen een groot koloniaal rijk opgebouwd waarmee vanuit Sevilla handel werd gedreven. Deze inkomsten, naast die van het veelal geroofde goud en zilver, gingen rechtstreeks naar de staatskas en niet naar de ontwikkeling van Spanje als modern land.

De politieke macht van Spanje in Europa kreeg een geduchte knauw tijdens de regering van Filips II. Hij veroverde Portugal nog, maar verloor de strijd tegen de Nederlanden, Engeland en Turkije. In Spanje zelf werden aanhangers van andere dan het katholieke geloof met harde hand uitgeroeid en vervolgd. Met name marranen, bekeerde joden, en Morisco's, christelijke moslims, hadden hieronder vreselijk te lijden. Zo werden bijvoorbeeld in 1609, tijdens de regering van Filips III, ongeveer 800.000 Morisco's het land uitgejaagd. Dit was echter niet zo'n slimme zet van Filips want hierdoor, samen met de geldverslindende oorlogen, werd Spanje aan de rand van een faillissement gebracht.

Onder Filips IV verslechterde de economische situatie nog verder, want ook hij stortte zich in oorlogen met o.a. Duitsland, Italië en Frankrijk. Extreem hoge belastingen om dit alles te kunnen financieren leidde tot uitbuiting van de eigen bevolking en een aantal opstanden in o.a. Catalonië, Napels en Andalusië waren het logische gevolg. Bovendien wist Portugal zich in 1640 van Spanje los te weken, werden de Noordelijke Nederlanden in 1648 bij de Vrede van Münster onafhankelijk verklaard en moest Roussillion aan Frankrijk en Franche-Comté aan de Zuidelijke Nederlanden worden afgestaan. Op dat moment stelde Spanje als wereldmacht niet veel meer voor.

De Bourbons (1700-1868)

Filips V van SpanjeFoto: Rijksmueum in het publieke domein

Na de dood van Karel II in 1700 werd Filips V van Bourbon koning van Spanje. Onder deze koning verloor Spanje weer veel grondgebied, zoals Gibraltar, Italiaans grondgebied en de Zuidelijke Nederlanden, maar kreeg weer aanspraken op Napels-Sicilië en Parma in Italië door zijn huwelijk met Elisabeth van Parma. Het door de Bourbons uit Frankijk meegebrachte centralisme en absolutisme zorgde o.a. voor een langdurige opstand in Catalonië (1702-1714) en de parlementen van Aragón en Castilië werden ontbonden. Onder de verlichte despoot Karel III, die van 1759 tot 1808 heerste, profiteerde het volk weer wat van een toenemende welvaart en een vermindering van de corruptie. Nieuwe oorlogen tegen Engeland zorgden er echter voor dat onder Karel IV en zijn minister Godoy de slechte tijden weer volledig terugkeerden.

Tijdens de Franse Revolutie schaarde Spanje zich eerst aan de zijde van Oostenrijk en Engeland (1793-1795), maar stortte zich in 1796 met de Fransen in een oorlog met Engeland, die alleen door de Vrede van Amiens kort onderbroken werd in 1802-1803. In 1805 werden vlootonderdelen van Spanje verslagen bij Finistère en Trafalgar. In mei 1808 vielen Franse troepen Spanje binnen en deden de koning en zijn zoon onder druk van Napoleon afstand van de troon. De daarop volgende volksopstand in Madrid werd door Murat bloedig onderdrukt en Napoleons broer Jozef Bonaparte werd tot koning van Spanje benoemd.

Als reactie hierop volgde van 1808 tot 1813 een bloedige landelijke opstand die vanuit Portugal gesteund werd door de Britten onder leiding van Wellington, die de Fransen in 1809 bij Talavera de la Reina een zware nederlaag toebracht. In 1812 werd er in Cadiz door de"Cortes" een grondwet uitgevaardigd naar Frans model.

In mei 1813 verliet Jozef Bonaparte Madrid en op 21 juni volgde de beslissende overwinning van Wellington op de Fransen. De"Cortes" trok in januari 1814 Madrid binnen en Ferdinand VII werd op de troon gezet nadat hij de nieuwe grondwet erkend had. Deze Ferdinand trok zich echter niet veel aan van de grondwet en regeerde al snel als een absoluut heerser.

In die tijd ontstonden er ook veel onafhankelijkheidsbewegingen in Spaans-Amerika en veel landen maakten zich zonder veel problemen los van Spanje. Uiteindelijk bleven alleen Puerto Rico en Cuba in Spaans-Amerika en de Filippijnen in Azië over als koloniën.

De grondwet werd in 1820 weer hersteld na een militaire staatsgreep (pronunciamiento) door generaal Riego. Een enorm Frans leger, gestuurd door de Heilige Alliantie, wist in 1822-1823 het absolutisme weer te herstellen en er volgde weer een zware tijd voor de burgerij. De gehele 19e eeuw stond verder in het teken van de opstanden en burgeroorlogen tussen reactionairen en liberalen en de tussen de partijen instaande"moderados", de gematigden, die het politieke toneel wisten te beheersen.

Na de dood van Ferdinand in 1833 werd hij opgevolgd door Isabella II onder voogdij van haar moeder Maria Cristina. Don Carlos, Ferdinands reactionaire broer, begon de Eerste Carlistenoorlog die tot 1839 in Noord-Spanje gevoerd werd. Maria Cristina vormde tegen de door het Vaticaan gesteunde Carlisten een links tegenwicht en in 1836 werd het kerkelijk grootgrondbezit verkocht door Mendizabel. De gematigde politici en het hof ontwikkelden zich na de Carlistenoorlog in een rechtse en een klerikale richting, wat slechts onderbroken werd tijdens een liberale tussenperiode van 1854 tot 1856, na een geslaagde militaire staatsgreep van O'Donnell.

Revolutie en restauratie (1868-1923)

Alfons XIII van SpanjeFoto: Publiek domein

In 1868 werd Isabella afgezet en korte tijd opgevolgd door generaal Prim. De"Cortes" stelde een nieuwe grondwet op en koos in 1870 een nieuwe koning, Amadeus van Aosta, die afkomstig was van het Italiaanse koningshuis. Amadeus van Aosta trad in 1873 af waarna de"Eerste Republiek" werd uitgeroepen die tot 29 december 1874 duurde. Er werd een federale grondwet opgesteld en een democratische structuur georganiseerd.

De nieuwbakken republiek kreeg te maken met de Tweede Carlistenoorlog en een opstand met Cartagena als centrum. Ook een anarchistische stroming in de arbeidersbeweging zorgde voor grote problemen in het agrarische Andalusië en het industriële Catalonië. Door een volgende militaire staatsgreep of"pronunciamiento" onder leiding van generaal Martínez de Campos kwam er al snel een einde aan de Eerste Republiek en de zoon van Isabella, Alfons XII, werd tot koning uitgeroepen.

Politiek staat de periode die van 1874 tot 1923 duurde bekend als de"restauratie" en werd gekenmerkt door elkaar afwisselende liberale en reactionaire regeringen. Dit alles was gebaseerd op een betrekkelijk liberale grondwet uit 1876 van Antonio Cánovas del Castillo. Cánovas was een zogenaamde"moderado", een gematigde politicus. Deze"moderados" lieten de liberalen en de reactionairen met elkaar om de macht strijden en bepaalden zelf grotendeels het regeringsbeleid. Het volk had in dit systeem weinig te zeggen op plaatselijk niveau. De plaatselijke en regionale machthebbers hadden het in hun gebied voor het zeggen en de invloed van het volk was minimaal. Dit systeem werd"caciquismo" genoemd waarbij ook nog de kerk haar politieke macht vergrootte.

Cánovas werd in 1897 vermoord en de nederlaag in de Spaans-Amerikaanse Oorlog waardoor ook de laatste koloniën verloren gingen, stortten Spanje in een staat van permanente crisis.

Verschillende bewegingen op politiek, cultureel en nationalistisch gebied lieten luid van zich horen. Zo streefde de"Generatie van '98" naar een politiek en cultureel reveil en een modern Spanje. Nationale bewegingen in Baskenland en Catalonië kregen steeds meer een politiek gezicht en de arbeidersbeweging werd steeds revolutionairder in haar doen en laten.

Liberale kabinetten hadden ondertussen in 1890 gezorgd voor algemeen stemrecht, vrijheid van vakbeweging en een minimale sociale wetgeving. In de praktijk stelde het allemaal echter nog niet veel voor. Internationaal kwam Spanje in een slecht daglicht te staan na het martelen van gevangenen in 1896 en de terechtstelling door een woedende massa van Francisco Ferrer Guardia, een vooruitstrevende voorman van de rationele"moderne school". Verder kwamen Catalonië en Andalusië negatief in het nieuws door soms bloedige sociale conflicten.

Spanje bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog waarbij links sterk sympathiseerde met de geallieerden. Rechts, en dan vooral de kerk, was sterk anti-Frans. Verder profiteerde Spanje vooral economisch door oorlogsleveranties. Na de Eerste Wereldoorlog ontstond in heel Europa een sociaal-revolutionaire beweging die ook Spanje aandeed. De Spaanse regering reageerde in 1919 met het met geweld onderdrukken van een algemene staking en het in de gevangenis gooien van socialistische kopstukken. Later werden zelfs enkele bekende leden van de vakbeweging CNT door politieagenten gedood. 1923 werd een belangrijk jaar. Bij verkiezingen wonnen de socialisten voor het eerst terrein en leed het Spaanse leger een grote nederlaag in Marokko. In datzelfde jaar op 13 september pleegde generaal Primo de Rivera met medeweten en instemming van koning Alfons XIII een staatsgreep.

Dictatuur, Tweede Republiek en burgeroorlog (1923-1939)

Primo de Riveira, SpanjeFoto: Bundesarchiv, Bild 102-09414 CC 3.0 Germanyno changes made

Onder Primo werd Spanje een dictatuur waarin de"Cortes" werd ontbonden, o.a. de persvrijheid werd opgeheven en het bestuur sterk gecentraliseerd werd. Vanaf 1929 nam de weerstand tegen dit regime toe en in januari 1930 trad Primo af en werd opgevolgd door generaal Berenguer. Na de gemeenteraadsverkiezingen van april 1931 kregen alle grote steden een republikeins bestuur en dat was voor Alfons XIII het teken om het land te verlaten waardoor Spanje vrij geruisloos wederom een republiek werd.

Deze zogenaamde Tweede Republiek duurde tot 1939 en opnieuw werd er een grondwet opgesteld, deze keer met een progressief democratisch karakter. President werd Alcalá Zamora en Manuel Azaña van de Acción Republicana werd premier. Belangrijk in deze periode was dat de scheiding van kerk en staat geregeld werd en dat het onderwijs alleen nog door leken gegeven werd. Ook werd Catalonië in 1932 autonomie met een eigen regering gegeven en in 1936 volgde Baskenland. Afschaffing van het grootgrondbezit, de hervorming van het leger en sociale kwesties verliepen traag of werden totaal niet aangepakt. Arbeidersbewegingen vervreemdden zich al snel van de republiek en de logische stakingen en anarchistische revoltes werden bloedig neergeslagen.

De verkiezingen van november 1933 werden gewonnen door rechts, maar de opeenvolgende rechtse regeringen bakten er niet veel van en deze twee jaren werden dan ook de"bieno negro", twee zwarte jaren genoemd. In 1934 volgde een confrontatie tussen arbeidersbewegingen en het leger in Asturië en dat zou de voorbode van de latere burgeroorlog blijken te zijn. Vele duizenden opstandelingen verdwenen in de gevangenis en Catalonië verloor zijn autonomie, nadat het zelf de onafhankelijkheid had uitgeroepen.

Republikeinse en linkse partijen, verenigd in het Volksfront, wonnen de parlementsverkiezingen in februari 1936 en Manuel Azaña werd president. De regering kwam meteen in grote problemen toen de socialisten niet aan de regering wilden deelnemen, en er volgde een zeer onrustige periode met o.a. stakingen en politiek geweld door met name de Falange, een kleine maar sterk groeiende fascistische beweging.

Intussen bereidde rechts zich voor op een staatsgreep. Deze werd door elementen uit het leger ingezet op 17 juli 1936 vanuit Spaans-Marokko. De arbeiders verzetten zich hier fel tegen en de Spaanse Burgeroorlog was een feit. De burgeroorlog eindigde op 1 april 1939 met een overwinning van de"nationalisten" van generaal Francisco Franco Y Bahamonde, die al sinds 1936 de leider was van rebellerende generaals. De trieste balans van de burgeroorlog telde honderdduizenden mensen mishandeld, gedood of gevangen gezet.

Het Spanje van Franco (1939-1975)

Franco, SpanjeFoto: Publiek domein

Franco was een alleenheerser die gesteund werd door de enige toegestane politieke beweging, de rechtse Falange, en door het leger en de kerk. Het zogenaamde"franquisme" wilde maar een ding: de herleving van het katholieke Spanje in zijn oude glorie en het afzweren van alle krachten en binnenlandse en buitenlandse vijanden die die oude glorie hadden laten verdwijnen. Dit gebeurde niet al te zachtzinnig en trof o.a. Catalanen, Basken en arbeidersbewegingen.

Het sociaal-economisch leven werd beheerst door verticaal georganiseerde syndicaten naar fascistisch-corporatief model, maar veroorzaakte lange tijd armoede, honger, corruptie (zwarte markt), economische stagnatie en cynisme. Economisch bereikte Spanje pas in 1956 weer het peil van 1936. Alle illegale organisaties en ballingen konden het regime niet serieus bedreigen.

In de Tweede Wereldoorlog steunde Franco Duitsland en Italië, aan wie hij zijn overwinning in de Spaanse burgeroorlog mede te danken had. Spanje zelf werd geen oorlogsgebied; wel nam een vrijwilligersleger, de Blauwe Divisie, deel aan de strijd tegen de Sovjet-Unie.

In 1943 al benoemde hij de monarchist Jordana als minister van buitenlandse zaken en in 1947 herstelde hij formeel de monarchie zonder een koning te benoemen. Na 1945 kwam Spanje in een isolement terecht en het Franco-bewind werd door de Verenigde Naties veroordeeld. Pas halverwege de jaren vijftig kwam Spanje uit dit isolement door de toetreding in 1955 tot de Verenigde Naties en in 1959 tot de OEES, de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, de voorloper van de OESO. Economisch ging het vanaf 1953 weer wat beter door een aantal economische verdragen met de Verenigde Staten. De Spaanse koloniën Marokko, Spaans-Guinea (nu: Equatoriaal Guinee) en Spaans Sahara (nu: Westelijke Sahara) werden in respectievelijk 1956, 1968 en 1975 zonder veel strijd opgegeven. De kleinzoon van Alfons XIII, Juan Carlos de Bourbon, werd in 1969 door Franco tot zijn opvolger aangewezen. Juan Carlos werd zelfs onder toezicht van Franco opgevoed.

In de jaren zestig veranderde de Spaanse samenleving door een toestroom van buitenlands kapitaal, de opkomst van het toerisme en door de Spaanse gastarbeiders die veel geld mee naar huis brachten. Door al deze ontwikkelingen namen industrialisatie en verstedelijking sterk toe en groeide de economie voorspoedig. Door de modernisering werd de invloed van de Falange en het systeem van de syndicaten steeds minder belangrijk.

Ook binnen het regime van Franco werd steeds meer gestreefd naar liberalisering van het systeem. Zo bezette de modernistische rooms-katholieke lekenorganisatie Opus Dei belangrijke economische regeringsposten en kwamen nieuwe oppositiebewegingen opzetten. In Catalonië leefde het nationalisme weer op en in het Baskenland bond een nieuwe bevrijdingsbeweging, de ETA, de gewapende strijd aan met de gevestigde orde. Vele terreuraanslagen zouden volgen en het regime trad zeer hard op tegen de ETA en andere terreurgroepen

In 1973 werd premier Carrero Blanco, de tweede man van het regime achter Franco, gedood bij een aanslag van de ETA, en op 20 november 1975 overleed dictator Franco zelf.

Spanje wordt een parlementaire democratie

Proclamatie en beëdiging van Prins Juan Carlos tot Koning van SpanjePFoto: Nationaal Archief in het publieke domein

Op 22 november 1975 werd koning Juan Carlos beëdigd. Hij effende tot ieders verrassing meteen de weg naar een parlementaire democratie die via een aantal referenda langs wettelijke weg werd gerealiseerd. De laatste premier van Franco, Arias Navarro, werd opgevolgd door Adolfo Juarez die de periode van overgang ("transición) begon. Alle burgerlijke vrijheden werden weer toegestaan, ballingen keerden terug en verboden partijen als de socialistische en de communistische werden gelegaliseerd.

In 1977 werden voor het eerst sinds 1936 weer vrije parlementsverkiezingen gehouden die werden gewonnen door de UcdD, Unie van het Democratisch Centrum, onder leiding van premier Suarez. Tweede partij werd de PSOE onder leiding van Felipe González.

De nieuwe grondwet van 1978 maakte van Spanje officieel een parlementaire democratie. Ook de verkiezingen van 1979 werden gewonnen door de partij van Juarez en begin jaren tachtig werden eerst Catalonië en Baskenland en daarna alle andere regio's autonoom. De ETA van Baskenland wilde echter meer en zette dat kracht bij met meer aanslagen. Ook in het leger waren er bepaalde elementen tegen de verdergaande democratisering. Op 23 februari 1981 volgde er een poging tot een militaire staatsgreep onder leiding van een kolonel van de Guardia Civil, Tejero. De poging mislukte doordat koning Juan Carlos, als opperbevelhebber van de strijdkrachten zich krachtig verzette tegen deze couppoging.

Periode Felipe González

Felipe González Spanje met Joop den UYl, NederlandFoto: Hans van Dijk / Anefo in het publieke domein

Net voordat de coupepoging plaatsvond was Suarez opgevolgd door L. Calvo Sotelo. De parlementsverkiezingen van 1982 werden gewonnen door de PSOE en de rechtse alliantie werd nu de belangrijkste oppositiepartij. Felipe González werd de nieuwe premier en hoewel zijn eerste regeerperiode geteisterd werd door corruptieschandalen wist hij ook de verkiezingen van 1986 en 1990 te winnen. Het verwachte vernieuwingsproces en het terugdringen van de werkloosheid bleven onder zijn bewind uit. Na een referendum trad Spanje in 1982 toe tot de NAVO en in 1986 tot de Europese Gemeenschap.

In 1992, 500 jaar na Columbus' ontdekking van Amerika, stond Spanje wereldwijd in de belangstelling door de Olympische Spelen die in Barcelona gehouden werden en door de Wereldtentoonstelling die in Sevilla gehouden werd. In 1992 en 1993 werden er verschillende belangrijke ETA-kopstukken gearresteerd en ook de Baskische bevolking keerde zich steeds meer af van de terreurorganisatie. De regering-González kreeg het ondertussen steeds moeilijker door financiële en politieke schandalen en kon alleen nog maar doorregeren met de steun van Baskische en Catalaande nationalisten die in ruil daarvoor nog meer autonomie eisten.

In mei 1995 werden er gemeentelijke en provinciale verkiezingen gehouden die werden gewonnen door de conservatieve Volkspartij (PP) van oppositieleider José María Aznar. In december werd de minister van Buitenlandse Zaken, Javier Solana, benoemd tot secretaris-generaal van de NAVO. Vervroegde verkiezingen in maart 1996 voor beide kamers werden net gewonnen door de PP voor de PSOE. Er kwam een minderheidsregering onder leiding van premier Aznar, die steunde op een alliantie met Baskische en Catalaanse partijen samen met de Canarisch Eilanden-coalitie. Ook nu kwam deze alliantie tot stand na toezeggingen voor meer autonomie.

De periode Aznar

Aznar, SpanjeFoto: Kremlin.ru CC 3.0 Unported no changes made

De economische politiek van de regering-Aznar was gericht op een stabiele economische groei en men wilde voldoen aan de voorwaarden om te mogen toetreden tot de Economische en Monetaire Unie (EMU). Door bezuinigingen en privatiseringen lukte het om aan de voorwaarden te voldoen. De economische groei bedroeg in 1998 3,5% en de inflatie bleef constant laag met 2,4%. Op 1 januari werd Spanje dan ook toegelaten tot de EMU. Het enige waar de regering-Aznar niet in slaagde was het terugdringen van de grote werkloosheid.

De ETA voerde ondertussen steeds meer aanslagen uit ondanks massale demonstraties tegen het politieke geweld. De veroordeling van 23 leiders van Herri Batasuna (HB), de politieke arm van de ETA, leidde eind 1997 tot nieuwe confrontaties tussen de voor- en tegenstanders van Baskische onafhankelijkheid.

Begin 1998 volgden er weer demonstraties in verschillende Baskische steden tegen het vonnis, en ook de aanslagen tegen plaatselijke PP-politici werden geïntensiveerd. Een probleem was dat de verschillende politieke partijen het niets eens waren over de strategie ten opzichte van de ETA. De Baskische Partido Nacionalista Vasco (PNV) bleef van mening dat alleen onderhandelingen met Herri Batasuna tot succes zouden kunnen leiden. De PP en de PSOE waren het hier echter niet mee eens en de regering–Aznar koos dan ook voor de harde lijn. In maart 1998 werden er weer acht ETA-leden van het beruchte Araba-commando gearresteerd en enkele maanden later werd de Baskische krant Egin verboden en het verwante radiostation Egin-Irratia uit de lucht gehaald. Naar aanleiding van het zogenaamde"Iers overleg" wisten de nationalistische Baskische partijen de ETA ertoe te bewegen een wapenstilstand in te stellen voor de deelverkiezingen in Baskenland, die op 25 oktober zouden plaatsvinden. De PP en de PSOE behaalden verrassend een kleine winst maar de nationalistische partijen behaalden nog steeds een meerderheid. Rechtstreekse onderhandelingen met de ETA werden in november door de regering-Aznar aangekondigd.

In 1997 kwam González wederom in opspraak vanwege zijn vermeende aandelen in een aantal corruptie-gevallen en illegale activiteiten. In juni 1997 trad hij af als partijleider en werd tijdelijk vervangen door de ex-minister Joaquín Almunia. In april 1998 werd de ex-minister van Openbare Werken, José Borelli, de nieuwe partijleider van de PSOE.

Later dat jaar kwamen politici van de regerende PP negatief in het nieuws wegens beschuldigingen van corruptie en in december trad Spanje toe tot de NAVO. Deze nieuwe gevallen van corruptie brachten de regering-Aznar in verlegenheid want zij had beloofd aan de corruptiepraktijken een einde te maken.

De laatste jaren van de 20e eeuw kwam de kwestie rondom de Engelse enclave Gibraltar weer om de hoek kijken. De regering-Aznar stelde voor om na een overgangsperiode van honderd jaar, waarin Gibraltar onder Spaans-Brits bestuur zou komen te staan, de kolonie aan Spanje over te dragen.

In maart 1999 opnieuw spanningen tussen Groot-Brittannië en Spanje vanwege Gibraltar. Spanje beschuldigde Groot-Brittannië ervan dat zij onvoldoende toezicht hielden op de georganiseerde misdaad waardoor Gibraltar een vrijhaven voor criminelen zou zijn geworden. Groot-Brittannië ontkende echter alles en stelde dat de aantijgingen bedoeld waren om de Spaanse claim op Gibraltar kracht bij te zetten. Spanje antwoordde met verscherpte grenscontroles. De in 1998 aangekondigde wapenstilstand met de ETA werd eind 1999 alweer eenzijdig opgezegd door de ETA.

Internationaal kwam Spanje in het middelpunt van de belangstelling te staan door het internationale arrestatiebevel voor de Chileense ex-dictator Pinochet, dat was uitgevaardigd door de Spaanse rechter Baltazar Garzón. Op 16 oktober 1998 werd Pinochet in Londen gearresteerd.

In maart 2000 behaalde Aznars partij een grote verkiezingsoverwinning en leed de PSOE zijn grootste nederlaag in meer dan twintig jaar. In april formeerde Aznar een nieuw kabinet, waarin veel ministers op dezelfde post bleven.

De periode Zapatero

Zapatero, SpanjeFoto: Monika Flueckiger CC 2.0 Generic no changes made

Sinds de verkiezingen van 14 maart 2004 is de socialistische partij 'PSOE' als regeringspartij aangetreden met José Luis Rodríguez Zapatero als MP. De verkiezingen werden drie dagen na de bomaanslagen in Madrid (11 maart) gehouden. De regering van MP-Zapatero zet in vergelijking met het beleid van de vorige regering Aznar sterker in op sociaaldemocratische thema's: verhoging van het minimumloon en het basispensioen, wetgeving tegen huiselijk geweld en genderdiscriminatie en hervorming van de regelgeving m.b.t. echtscheiding. De meest in het oog springende hervorming is de invoering van het homohuwelijk op 30 juni 2005. Zapatero wint ook de parlementsverkiezingen van maart 2008 en formeert in april een nieuw kabinet waar voor het eerst meer vrouwen dan mannen zitting hebben. In januari 2009 wordt Spanje zwaar getroffen door de economische crisis en raakt voor het eerst sinds 1993 in recessie. In maart 2009 is de werkloosheid gegroeid tot een recordhoogte van 17,4 % van de beroepsbevolking. In maart 2010 groeit de werkloosheid zelfs tot boven de 20 %.

Er breken sociale onlusten en stakingen uit als gevolg van de bezuinigingen die de regering moet doorvoeren vanwege de kredietcrisis. In mei 2010 keurt het parlement een bezuinigingspakket goed van 15 miljard euro.

De periode Rajoy

Rajoy, SpanjeFoto: European People's Party CC 2.0 Generic no changes made

De conservatieve partij wint de verkiezingen in november 2011. Een maand later treedt de nieuwe regering aan onder leiding van Mariano Rajoy. In de zomer van 2012 loopt de werkloosheid op tot boven de 25% en moet Spanje de hulp inroepen van de EU. In het najaar van 2012 slaat de bankencrisis hard toe en de regering creëert op verzoek van de EU zogenaamde"bad banks" om daar de slechte leningen in te stoppen. In 2013 wordt Spanje geteisterd door corruptieschandalen waar ook het Koninklijk Huis bij betrokken is. Economisch gezien gaat Spanje vooruit en in september 2013 is er een lichte groei van 0,1%. Begin 2014 lijkt deze ontwikkeling zich voort te zetten.

Koning Felipe VI van SpanjeFoto: Cancillería Ecuador CC 2.0 Generic no changes made

In mei 2014 kondigt premier Rajoy het aftreden van koning Juan Carlos aan. Op 19 juni 2014 wordt hij als staatshoofd opgevolgd door zijn zoon Felipe VI. In mei 2015 wint Podemos, de anti-bezuinigingspartij flink bij regionale en lokale verkiezingen. In juni 2016 winnen de conservatieven bij een herhaalde parlementsverkiezing, maar komen zetels tekort voor een absolute meerderheid. Spanje verkeert in een impasse omdat het land geen coalitieregering gewend is. Rajoy claimt dat hij een nieuwe regering wil vormen. In oktober 2016 lukt hem dat omdat de socialisten zich onthielden van stemmen bij de vorming van een minderheidskabinet. In maart 2017 wordt het de voormalig Catalaanse president Artus Mas verboden om een publieke functie te bekelden vanwege burgerlijke ongehoorzaamheid rond het refrendum omtrent onafhankelijkheid van Catalonie. In augustus 2017 is er een grote terroristische aanslag op de Rambla in Barcelona. In september 2017 tekent de Spaanse regering van Rajoy beroep aan tegen het referendum over de afscheiding van Catalonie. Het Spaanse Grondwettelijke hof noemt het referendum illegaal. In oktober 2017 wordt het referendum gehouden en grijpt de Spaanse politie hard in. De meerderheid van de bevolking steunt de seperatisten en de Catelaanse regering roept de onafhankelijkheid uit. Puigdemont vertrekt naar Brussel en er wordt een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd. In december 2017 organiseert de Spaanse regering verkiezingen in de hoop dat de meerderheid nu voor Spanje zal stemmen. De pro-Spaanse partij wordt wel de grootste, maar de meerderheid van de bevolking steunt onverwachts seperatistische stromingen. Er ontstaat een patstelling. In 2018 kondigt Eta aan dat het alle politieke activiteiten zal staken, Rajay verliest een motie van vertrouwen. De socialistische leider Pedro Sánchez wordt premier.

De periode Sánchez

Sanchez, SpanjeFoto: European Parliament CC 2.0 Generic no changes made

In 2019 worden verschillende verkiezingen gehouden. De socialisten zijn aan de winnende hand, maar halen geen absolute meerderheid, maar in januari 2020 wint Pedro Sánchez een motie van vertrouwen in het parlement en vormt hij een minderheidsregering met de linkse Podemos-partij.

Bevolking

De Costa Blanca telt ruim 5 miljoen inwoners. In deze streek is het een bijzonderheid dat er heel veel buitenlanders min of meer permanent wonen. Enkele van de bekendste en grootste steden aan de Costa Blanca zijn Alicante, Benidorm, Calpe, Cartegena en Elx.

Taal

Het Castellano (Castiliaans) is de officiële staatstaal sinds ca. 1250. In het buitenland wordt het Castellano eigenlijk altijd"Spaans" genoemd. Het Castellano is een Romaanse taal met veel afleidingen uit het Latijn, maar ook uit veel andere talen. Het Spaans bevat ca. 100 woorden die o.a. door de Visigoten naar het schiereiland zijn gebracht. Tijdens de overheersing van de Moren zijn er ongeveer 4000 woorden in de Spaanse taal ingebracht. Verder zijn er veel woorden aan het Frans en het Italiaans en meer recent aan het Engels ontleend.

Voorbeelden van afleidingen zijn:

Arabisch. Alcázar. Aldea. Acequia. Alcoba

Frans. monje. vinagre. menú. coqueta

West-Gotisch. guardia. ropa. tapa. espuela

Engels. lider. mitin. tractor. fútbol

Het Castellano verschilt in sommige opzichten sterk van andere Romaanse talen, met name qua uitspraak. De letters van het Spaanse alfabet zijn: a, b, c, ch, d, e, f, g, h, i, j, k, l, ll, m, n, ñ, o, p, q, r, rr, s, t, u, v, w, x, y, z.

De belangrijkste dialecten van het Castellano zijn Andaluz, Leonés, Navarro, Aragonés en Asturiano.

Naast Spanje zelf wordt er Spaans gesproken op de Canarische Eilanden en de enclaves Melilla en Ceuta in Marokko. Verder nog in alle Zuid-Amerikaanse landen behalve, Brazilië Guyana en natuurlijk Suriname; alle Midden-Amerikaanse landen behalve Belize; de Caribische eilanden Cuba, Puerto Rico en de Dominicaanse Republiek; Filippijnen en Equatoriaal Guinee. In de Verenigde Staten zijn er grote Spaans-sprekende gemeenschappen (30 miljoen) in Florida en Californië. In totaal wordt het Spaans door meer dan 300 miljoen mensen gesproken.

Pas in de grondwet van 1978 werden de belangrijke regionale talen officieel erkend. In de periode-Franco was het zelfs verboden om Euskera, Gallego of Catalán te praten.

In de Baskische provincies is het Baskisch, Vascuence of Euskera de tweede officiële taal. Het wordt gesproken aan beide kanten van de westelijke Pyreneeën door ca. 2,5 miljoen mensen. Slechts een kwart daarvan spreekt de taal nog daadwerkelijk. Er zijn zes afwijkende dialecten te onderscheiden en daardoor is er pas sinds 1968 een soort standaard Euskera vastgelegd dat ook gebruikt wordt in officiële publicaties.

In Catalonië is het Catalaans of Catalán de eerste officiële taal. Het Catalán is een taal die tussen het Frans en het Castellano in ligt en door ongeveer zes miljoen mensen wordt gesproken en verstaan. De twee belangrijkste dialecten van het Catalán zijn het Mallorquín en het Valenciano.

Het Gallego of Galego is sterk beïnvloed door het Portugees en wordt door ongeveer 1 miljoen mensen gesproken, waaronder een aantal in Portugal. Sinds Galicië een autonome provincie is worden alle officiële stukken in het Spaans en het Gallego gesteld.

De zigeuners of Rom spreken normaal gesproken Romani, een taal die gerelateerd is aan het Sanskriet. In Spanje is het Romani vermengd met het Spaans en wordt"Lengua Caló" genoemd.

Om de verschillen tussen het Castellano en het Euskera, het Gallego en het Catalán duidelijk te maken, volgt hieronder een zin uit de grondwet die gaat over de taal:

Castellano

El castellano es la lengua española oficial del Estado. Todos los españoles tienen el deber de conocerla y el derecho a usarla.

Euskera

Gaztelania da Espainiako Estatuaren hizkuntza ofiziala. Espainol guztiek jakin behar dute eta erabiltzeko eskubidea dute.

Gallego

O castelán é a lingua española oficial do Estado. Todos os españoles teñen o deber de coñecela e o dereito a usala.

Catalán

El castellà és la llengua espanyola oficial de l'Estat. Tots els espanyols tenen el deure de conèixer-la i el dret d'usar-la.

Enkele woorden:

Nederlands. Hallo. Alstublieft. Dank. Sorry

Castellano. hola. por favor. gracias. perdón

Euske. kaixo. mesedez. eskerrik asko. parkatu

Gallego. ola. por favor. gracias. perdoa

Catalán. hola. sisplau. gràcies. perdoni

Godsdienst

Algemeen

Vanaf het jaar 394, toen Spanje nog tot het Romeinse rijk behoorde, is het rooms-katholicisme de staatsgodsdienst geweest. Het was keizer Theodosius die hiervoor zorgde. In 589 werd deze status nog eens bevestigd door de Visigotische koning Recaredo. In 711 werd Spanje veroverd door de Moren en was de islam de belangrijkste godsdienst.

Pas begin zeventiende eeuw heroverde de katholieke kerk haar machtige positie en ontstond een nauwe samenwerking tussen kerk en staat. In 1931, ten tijde van de Tweede Republiek, kwam aan deze ongewenste situatie een einde. De kerk had zich in al die eeuwen niet erg geliefd gemaakt en dit leidde in de Spaanse Burgeroorlog tot de dood van ca. 6000 geestelijken. Het was dan ook niet vreemd dat de kerk hechte banden met het Franco-regime aanging. Franco riep in 1939 het rooms-katholicisme uit tot staatsgodsdienst.

Zo werd het kerkelijke leven door de hele samenleving geweven. Zeer opmerkelijk was dat de kerk alleen maar bisschoppen mocht benoemen op voordracht van Franco. Door deze nauwe samenwerking met de dictator werd de kerk onder de bevolking opnieuw zeer impopulair bij de bevolking. Hoewel het Tweede Vaticaans Concilie de scheiding van staat en kerk eiste, weigerde Franco om hieraan gehoor te geven.

Pas na Franco's dood werd in de grondwet van 1978 weer de scheiding van kerk en staat opgenomen en de vrijheid van godsdienst gegarandeerd. Dit alles op initiatief van de pas aangetreden koning Juan Carlos.

De Spaanse bevolking is voor ca. 95% rooms-katholiek. De rooms-katholieke kerk omvat in totaal 14 aartsbisdommen en 53 bisdommen. Samen vormen de elf kerkprovincies. De aartsbisdommen van Barcelona en Madrid-Alcalá vallen rechtstreeks onder de Heilige Stoel van Rome. De primaat van Spanje is de aartsbisschop van Toledo. Ca. 870.000 mensen belijden een ander geloof dan het rooms-katholicisme, o.a. moslims (ca. 500.000), joden en protestanten (ca. 70.000).

De betrokkenheid met de kerk is de afgelopen decennia sterk teruggelopen. Meer dan 4 miljoen mensen zeggen geen enkel geloof meer aan te hangen. Ook het aantal parochiegeestelijken, kloosterlingen en nonnen loopt sterk terug. Ondanks deze teruggang wordt er nog steeds massaal deelgenomen aan de belangrijke religieuze feesten. Dat het op dit moment steeds meer traditie in plaats van religieuze overtuiging is, mag duidelijk zijn.

Op het platteland wordt er veel deelgenomen aan zogenaamde"romerías", pelgr/images naar het heiligdom van een bepaalde heilige of naar veel vereerde beelden van Maria of Jezus. Een van de bekendste is de pinkster-romerías van Huelva, La Virgen del Rocío. Hier trekken jaarlijks nog honderdduizenden pelgrims naar toe.

"Opus Dei"

De organisatie"Opus Dei", in Spanje ook wel"La Obra" genoemd, wil een betere en meer welvarende maatschappij, maar dan wel sterk gebaseerd op de traditionele christelijke waarden. Deze organisatie werd in 1928 gesticht door de priester Josemaria Escrivá de Balaguer wiens in 1931 gepubliceerde maximen, de"Camino", dienen als leidraad voor de aanhangers van de organisatie. Hij constateerde dat de welvaart onder de bevolking wel toenam, maar dat tegelijkertijd de ook religiositeit en de ontkerkelijking toenam.

Onder het Franco-regime kreeg de beweging steeds meer invloed op het sociale leven, in 1941 op het onderwijs en in 1957 zelfs op de economie. Op dit moment telt de beweging over de hele wereld ongeveer 80.000 leden, waarvan ongeveer 27.000 in Spanje. Door het heilig verklaren van Escrivá in 1998 is Opus Dei doorgedrongen tot in het hart van de rooms-katholieke kerk.

Een bepaalde groep, de"numerarios", wonen in communes en dragen hun inkomens af aan de organisatie. De organisatie krijgt hierdoor veel geld binnen.

Dit soort organisaties krijgt vanzelfsprekend veel kritiek over zich, waarvan de vraag wat er van waar is. Ook Opus Dei wordt ervan beschuldigd mensen hun eigen verantwoordelijkheid af te nemen en mensen die uittreden of willen uittreden hebben het niet gemakkelijk. Verder wordt er van de leden strikte geheimhouding gevraagd over interne zaken.

Samenleving

Staatsinrichting

Op 22 november 1975 werd Spanje weer een parlementaire constitutionele monarchie. De staatsinrichting is gebaseerd op de grondwet (Constitución) die op 6 december 1978 werd goedgekeurd na een referendum. Ook de grote mate van autonomie van de verschillende volken en regio's werd hierin geregeld.

Het Spaanse parlement, de"Cortes Generales", bestaat uit het Congres van Afgevaardigden (Congreso de los Diputados), te vergelijken met onze Tweede Kamer, en de Senaat (Senado), te vergelijken met onze Eerste Kamer. Deze twee kamers worden door de koning bijeen geroepen en kunnen ook door hem ontbonden worden. Alleen het Congreso kan de regering tot aftreden dwingen na een motie van wantrouwen, een"moción de censura".

Het uit 350 leden bestaande Congres wordt voor vier jaar gekozen. De provincies vormen de kiesdistricten en de enclaves Ceuta en Melilla in Marokko worden elk door één afgevaardigde in het Congres vertegenwoordigd. Het Spaanse kiessysteem is een combinatie van een districtenstelsel en van evenredige vertegenwoordiging. Alle Spanjaarden van achttien jaar en ouder mogen stemmen.

De Senaat heeft 255 leden, regionale afgevaardigden met een zittingsduur van vier jaar en bijna elke provincie mag vier senatoren benoemen. Hierdoor is de stem van de kleinste provincie net zo gewichtig als de stem van de grootste provincie. Dit vindt men geen goede gang van zaken en daarom is men van plan om de hele opzet van de Senaat te veranderen. De bedoeling is dan dat de Senado de vertegenwoordiging in het landsbestuur gaat worden van de autonome regio's, en dus niet meer van de provincies. Vooralsnog zijn het echter niet meer dan plannen.

Nadat een ontwerp-regeringsprogramma is gemaakt wordt door het Congres de minister-president (Presidente del Gobierno) gekozen. Op voorstel van de minister-president kan de koning ministers benoemen of ontslaan. De minister-president is in Spanje zeer machtig en te vergelijken met de Britse premier of de Duitse Bondskanselier. De Spaanse ministers mogen tevens parlementslid zijn.

Nadat het Congres toestemming gegeven heeft, kan de koning, op voorstel van de minister-president, een referendum uitschrijven. Deze referenda hebben louter een consultatief karakter. Voor de huidige politieke situatie van Spanje, zie hoofdstuk geschiedenis.

Het erfelijk staatshoofd van Spanje is de koning, de"Rey de España", tevens het symbool van de eenheid. De huidige koning is Don Juan Carlos de Borbón y Borbón, de kleinzoon van de voormalige koning Alfonso XIII. Hij volgde de dictator Franco na diens dood in 1975 op. Hij was echter al in 1969 door Franco aangewezen als zijn opvolger. De persoon van de koning is onschendbaar en treft geen enkele verantwoordelijkheid. Alle besluiten van de koning worden daarom door de minister-president gecontrasigneerd. Zodoende berust de uiteindelijke verantwoordelijkheid altijd bij degene die de besluiten van zijn handtekening voorziet.

De koning heeft dermate veel, weliswaar formele bevoegdheden, dat hij een grote invloed heeft op een aantal belangrijke zaken.

Enkele van zijn bevoegdheden zijn:

Het bekrachtigen van wetten.

Het uitvaardigen van wetten.

Hij schrijft referenda en verkiezingen uit.

Hij benoemt en ontslaat op voordracht van de premier ministers.

Hij is opperbevelhebber van de strijdkrachten.

Hij kan gratie verlenen.

Administratieve indeling

Onder het regime van dictator Franco had Spanje een sterk gecentraliseerde staatsvorm. In 1978 veranderde de staatsvorm in een gedecentraliseerde structuur met zeventien autonome regio's (comunidades autónomas) die ieder hun eigen president, parlement, uitvoerende macht en hooggerechtshof hebben. Spanje bestaat op een lager niveau uit 52 provincies, inclusief de enclaves Ceuta en Melilla in Marokko die in 1995 werden uitgeroepen tot"Ciudad Autónoma", autonome steden met beperkte bevoegdheden. Deze provincies worden bestuurd door provinciale raden (Diputaciones Provincial). De leden van de proviciale rade worden in aansluiting op gemeenteraadsverkiezingen door de raadsleden in de provincie uit hun midden gekozen. Het dagelijks bestuur van de provincies is de"Comisión de Gobierno".

De gemeentes (municipios) worden bestuurd door burgemeesters en raadsleden (Ayuntamiento). De burgemeesters worden gekozen door de raadsleden en de raadsleden worden gekozen door de inwoners van de gemeenten. In 1998 waren er in Spanje 8097 gemeenten. Spanje kent heel veel zeer kleine gemeenten, soms met minder dan 100 inwoners. Ca. 86% van alle gemeenten heeft minder dan 500 inwoners. Sommige kleine gemeenten hebben als bestuur een zogenaamd"Asamblea Vecinal" waarin alle inwoners een soort buurtraad vormen die de beslissingen neemt.

Op 18 december 1979 kregen Catalonië en de Baskische provincies als eersten een vorm van zelfbestuur. De Baskische bevolking kiest een Baskische Nationale Raad die veel bevoegdheden heeft wat betreft o.a. handel, landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. Deze Nationale Raad kiest een premier die vervolgens een regering vormt. Er bestaat zelfs een fiscale autonomie waardoor men zelf belasting kan heffen.

In Catalonië wordt een parlement gekozen. Dit parlement kiest vervolgen zelf de premier en de regering.

Het parlement, de president en de regering dragen samen de historische naam"Generalitat" (Generaliteit). De bevoegdheden liggen o.a. op het gebied van onderwijs, toerisme, energievoorziening, media en financiële instellingen. De Generaliteit kan zelf belastingen heffen en net als in de Baskische provincies heeft Catalonië een eigen politiemacht.

Onderwijs

Het onderwijs in Spanje is lange tijd achtergebleven bij de rest van het moderne Europa. Met name het platteland, waar de afstanden groot zijn en de verbindingen slecht waren, kende een groot aantal analfabeten. Ook het geld dat voor onderwijs werd uitgegeven stak schril af bij andere landen in Europa. De kentering werd ingezet vanaf 1962 onder het Franco-regime. In nauwelijks vijftien jaar tijd is het budget voor het onderwijs met 100% gestegen. Het analfabetisme onder vooral de ouderen werd aangepakt door het Servicio de Educación Permanente de Adultos. Deze organisatie verzorgt cursussen lager onder onderwijs voor ouderen. De zeggenschap over het onderwijs is trouwens in handen van de autonome regeringen. Ook het onderwijs op afstand, de Educación de Distancia", zorgt ervoor dat steeds meer mensen gebruik kunnen maken van het onderwijssysteem, en dat geldt dan voor lager tot en met universitair onderwijs. In 1999 volgden meer dan 130.000 mensen op deze manier universitair onderwijs via de Universidad Nacional de Educación de Distancia, die zelfs vestigingen in het buitenland heeft.

Een derde van het aantal leerlingen gaat naar privé-scholen die in handen zijn van particulieren of religieuzen. De meeste van deze scholen worden voor 100% gefinancierd door de overheid. Ze zijn dan wel verplicht een schoolbestuur te hebben en in principe iedere leerling toe te laten. Het onderwijs aan de staatsscholen is gratis.

Volgens de nieuwe onderwijswet van 1990, de Ley Orgánica de Ordenación General del Sistema Educativo (LOGSE), zijn er de volgende schooltypen in Spanje:

Allereerst de Educación Infantil, het peuter- en kleuteronderwijs. Dit niet verplichte onderwijs bestaat uit een cyclus van drie jaar of van zes jaar.

Daarna volgt het Educación Primaria, het basisonderwijs dat gegeven wordt van zes tot en met twaalf jaar en verplicht is. Er zijn drie cycli van elk twee jaar met een aantal verplichte en een aantal facultatieve vakken. Al in groep drie begint men met introduceren van een vreemde taal.

Het verplichte voortgezet onderwijs is het Educación Secundaria Obligatoria (ESO), van 12 tot 16 jaar, waarna de leerplicht stopt. Het ESO telt twee cycli van twee jaar. De tweede cyclus bevat de meeste vakken die in de eerste cyclus worden gegeven, aangevuld met een aantal keuzevakken dat stijgt tot 30%.

Na het ESO krijgen de leerlingen een certificaat dat toegang geeft tot het"Bachillerato". Ook kan men dan gaan studeren aan beroepsopleidingen.

Het Bachillerato geeft toegang tot de universiteit. Men krijgt verplichte kernvakken en vakken van de richting die men kiest: techniek, kunst, natuurwetenschappen of sociale wetenschappen. Bovendien zijn er ook nu weer een aantal keuzevakken.

Het middelbaar beroepsonderwijs, het Formación Profesional Grado Medio, is niet erg populair in Spanje. Het duurt gemiddeld ongeveer twee jaar en de leerlingen krijgen naast algemeen vormende vakken vooral beroepsgerichte vakken.

Het hoger beroepsonderwijs of Formación Profesional Grado Superior kan gevolgd worden met een diploma Bachillerato.

Het universitair onderwijs is verdeeld in drie cycli:

Na de eerste drie jaar is men"Diplomado" en met dat behaalde diploma kan de tweede cyclus gevolgd worden, die twee jaar duurt. Men is dan een"Licenciado", ongeveer te vergelijken met onze doctorandustitel. Hierna kan men doorstuderen voor de titel van"Doctor".

Spanje telt momenteel 62 universiteiten waarvan 19 particuliere. De universiteit van Salamanca is de oudste van Spanje en dateert van 1218. De Universidad Complutense van Madrid/Alcalá is een van de grootste ter wereld met meer dan 100.000 studenten. Andere grote universiteiten zijn die van Barcelona, Valencia, Sevilla, Granada en País Vasco. Het aantal universitaire studenten is in tien jaar verdubbeld tot meer dan 1,5 miljoen in 1999.

Gezondheidszorg

In Spanje wordt van oudsher veel geld door de overheid uitgegeven aan de gezondheidszorg. Een aantal autonome gebieden regelt de gezondheidszorg zelf. De in 1942 opgezette Verplichte Ziektekosten Verzekering was zeer gebrekkig, en pas nadat in 1966 de Seguridad Social werd opgezet veranderde er veel ten goede. In 1971 viel al 75% van de bevolking onder deze regeling en in 1982 was dat percentage al gestegen naar 86%. De Seguridad Social is te vergelijken met ons Ziekenfonds. In 1986 werd de Ley General de Sanidad aangenomen, waardoor het mogelijk werd om de gehele bevolking onder te brengen in het Sistema Nacional de Salud, het Nationale Gezondheidsstelsel. Vanaf 1991 valt 99% van de Spaanse bevolking onder dit stelsel. Men denkt er over om deze regeling te gaan privatiseren.

Spanje kent verder een groot aantal privé-klinieken. Ca. 25% van de medische zorg wordt in privé-klinieken en andere privé-instellingen verzorgd.

Door de sterk verbeterde medische zorg behoort deze op dit moment tot de beste ter wereld. De levensverwachting van de bevolking is daardoor zeer hoog en de zuigelingensterfte is zeer laag. Ook het aantal artsen per 1000 inwoners en het aantal orgaantransplantaties per miljoen inwoners behoort tot de hoogste ter wereld.

Stierenvechten

Het stierenvechten stamt al uit de oudheid, de stier is dan ook het nationale dier van Spanje, en ook in de Middeleeuwen en de tijd van de Habsburgers werd deze"sport" beoefend. Eerst alleen door de adel maar later kwamen steeds meer"matadores" uit het gewone volk voort.

Er zijn op dit moment ongeveer 700 stierenfokkerijen waar vechtstieren of"toros bravos" gefokt worden. De duurste stieren kosten ongeveer 15.000 euro en een matador, de torero die de stier doodt, verdient tot 50.000 euro per"corrida", per stierengevecht. Per corrida worden zes stieren gedood. Jaarlijks worden er meer dan 13.000 corridas gehouden met 50 miljoen bezoekers en ca. 30.000 stieren.

Corridas vinden alleen plaats in de zomer en beginnen meestal in de namiddag. De voorstelling begint met een parade van drie matadores met hun helpers, de"cuadrilla". Onder begeleiding van typisch Spaanse muziek paraderen zij door de arena, de"plaza de toros". Daarna begint het gevecht en de cuadrilla's testen de stier en dagen hem uit.

Vervolgens komt de op een paard zittende"picador" in beeld die de stier in de schoft verwond, waardoor de stier verzwakt door het bloedverlies. Na de picador komen de"banderillos", die hun scherpe"banderillas" in de schouder van de stier steken. Tenslotte komt de matador die met een zwaardstoot een eind maakt aan de vaak ongelijke strijd. Hoewel alle stieren uiteindelijk sterven, vallen er ook regelmatig doden en gewonden onder de matadoren.

Ondanks vele protesten uit de hele wereld gaat dit Spaanse volksvermaak (fiesta nacional) nog steeds door met alsmaar toenemende bezoekersaantallen. Bovendien is het een heuse bedrijfstak waar vele miljoenen euro's mee verdiend worden en waar 170.000 werknemers direct bij betrokken zijn. Op de Canarische Eilanden zijn de corridas in deze vorm verboden, evenals in sommige gemeentes op het vasteland.

Het Nederlandse Comité Anti Stierenvechten is gevestigd in Utrecht. De landelijke Spaanse publieke omroep, RTVE, stopt in januari 2011 met het uitzenden van stierenvechten. De zender vindt het te gewelddadig voor eventueel kijkende kinderen. In Spanje woedt al tijden een debat over de bloederige traditie. In juli vorig jaar deed Catalonië het stierenvechten in de ban, als tweede regio na de Canarische Eilanden, waar sinds 1991 geen stierengevechten meer worden gehouden.

Economie

De landbouw is vooral van belang vanwege de grootschalige groente- en sinaasappelteelt.

De industrie aan de Costa Blanca is voornamelijk schoon. Een kwart van de beroepsbevolking werkt in deze sector. De belangrijkste producten zijn keramiek, speelgoed, textiel en meubels.

In augustus 2006 werd bekend dat de Spaanse overheid aan de Costa Blanca drie gigantische ontziltingsinstallaties laat bouwen. De installaties moeten gezamenlijk jaarlijks 150 kubieke hectometer (150 miljard liter) zoet water gaan produceren. Het grootste gedeelte van het water is bestemd voor het irrigeren van de tuinbouwbedrijven in het kurkdroge zuidoosten van Spanje. Verder moeten de installaties 600.000 mensen in de provincies Alicante, Murcia en Almería van drinkwater gaan voorzien. De gehele operatie kost 600 miljoen euro en de installaties worden gebouwd in de kustplaatsen Torrevieja, Aguilas en Bajo Almanzora.

Vakantie en Bezienswaardigheden

De belangrijkste bron van inkomsten voor de Costa Blanca is het toerisme. Elk jaar bezoeken tussen de 10 en 20 miljoen toeristen deze streek. Benidorm is de belangrijkste toeristische trekpleister. De meer cultureel geïnteresseerden vinden bezienswaardigheden in Alicante en in het iets verder weggelegen Valencia.

Hoewel de meeste mensen richting Benidorm vliegen om lekker de hele dag op het strand te liggen en te werken aan hun kleurtje, kan men ook een dagje de stad induiken om het een en ander te bekijken. Het absolute hoogtepunt als het gaat om bezienswaardigheden is de kerk van San Jaime, een beschermheilige van de stad, die dateert uit de achttiende eeuw.

Daarnaast is ook park L’Aigüera een klein bezoekje waard. Dit park is ontworpen door Ricardo Bofill, een bekende Spaanse architect, in een neoklassieke stijl. Het is ook voor veel Spanjaarden uit de stad een heerlijk park om een middagje te gaan picknicken of tegen het eind van de middag een glaasje wijn, dan wel bier te nuttigen.

Maar uiteindelijk zal vrijwel iedere toerist in Benidorm altijd weer terugkeren naar de populairste trekpleister van de stad: het strand. Benidorm zelf kent 3 grote stranden: het Levante-strand, het Poniënte-strand en strand Mal Pas. Deze stranden zijn vaak erg breed en lang en worden druk bezocht. Lees meer op de Benidorm pagina van Landenweb.

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

COSTA BLANCA LINKS

Advertenties
• Costa Blanca Tui Reizen
• Costa Blanca Vliegtickets.nl
• Costa Blanca Hotels
• Naar de Costa Blanca met Sunweb
• Alicante Vliegtickets Tix.nl

Nuttige links

Costa Blanca Reisstart (N)
Costa Blanca Startnederland (N+E)
Telefoongids Spanje

Bronnen

Wikipedia

www.landenweb.nl/spanje

Garcia Blazquez / Costa Blanca, Costa del Azahar

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt augustus 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems