Populaire bestemmingen ITALIE

SICILIE   

Prehistorie

De oudste gevonden rotstekeningen en werktuigen dateren van de oude en middensteentijd (ca. 35.000-5.000 v.C.). Hieruit blijkt dat deze vroegste bewoners in grotten leefden en zich in leven hielden met vissen en jagen. Tijdens de jonge steentijd (5.000-3.000 v.C.) begonnen de bewoners van Sicilië zich te vestigen in nederzettingen en onderhielden zich door middel van veeteelt, akkerbouw en mijnbouw.

De bekendste neolithische cultuur is die van Stentinello, ten noorden van Syracuse. De koper- en bronstijd (3.000-700 v.C.) waren periodes waarin volken uit Afrika, Midden-Oosten en van het Iberisch Schiereiland zich op het eiland vestigden. Bekende culturen uit deze periodes waren de Conca d’Oro-cultuur, de Capo Graziano-cultuur en de Castelluccio-cultuur.

Griekse overheersing

Archeologische vondsten hebben uitgewezen dat er al rond 1500 v.C. handelscontacten waren met de Grieken. Voorafgaand aan de kolonisering van Sicilië door de Grieken leefden er drie belangrijke volken op Sicilië: de Sicaniërs van Iberische (Spanje, Portugal) oorsprong in het midden en het westen, de Elymiërs van onduidelijke (Anatolië?) afkomst in het westen, en de Siculiërs, afkomstig van het Italiaanse vasteland in het oosten. De Feniciërs, een zeevaardersvolk, waren de eerste echte kolonisten die aan het begin van de 8e eeuw v.C. een aantal handelsnederzettingen stichtten aan de westkust.
In diezelfde eeuw startte eveneens de Griekse kolonisatie van het eiland. Deze Grieken waren vertrokken uit Griekenland door tal van problemen (o.a. overbevolking, politieke spanningen) en vestigden zich in het hele Middellandse- Zeegebied, waaronder Sicilië. De eerste Griekse stad op Sicilië was Naxos, gesticht in ca. 735 v.C. Vele andere steden volgden waaronder Syracuse, Katane (nu: Catania) en Acragas (nu: Agrigento). Naast de introductie van de Griekse cultuur werden er ook al snel onafhankelijke stadstaten (poli) gesticht die in Griekenland zelf de basis vormden van de Griekse staatsinrichting.

Deze stadstaten kenmerkten zich door een agressieve expansiepolitiek en kwamen daardoor vaak in conflict met de inheemse bevolking, maar ook onderling kregen ze het regelmatig aan de stok met elkaar. Uiteindelijk werd Gelon van 491-478 v.C. de machtigste heerser op Sicilië en hij maakte van Syracuse de grootste en belangrijkste stad van de westelijke Griekse wereld. In deze periode waren de Fenisische koloniën op Sicilië overgenomen door de Puniërs, Fenisische kolonisten uit de stadstaat Carthago in Noord-Afrika. Deze Puniërs probeerden de macht van de Grieken te breken maar werden in de slag bij Himera door de Grieken verslagen en hadden vanaf die tijd niet veel meer te vertellen op het eiland. Hierna volgde de bloeitijd van de Griekse cultuur op Sicilië. Het inwoneraantal steeg tot het voor die tijd gigantische aantal van ca. 5 miljoen, ongeveer net zoveel als er nu op Sicilië wonen. Voor de gehele Griekse wereld wordt dit de klassieke periode genoemd. Zowel militair als op het gebied van de literatuur, de bouwkunst, de beeldhouwkunst, de filosofie en de wetenschap voerden de Grieken de toon aan. Ook Sicilië plukte hier de vruchten van en deed weinig onder voor Athene onder wie Stesichorus, Empedocles, Gorgias, Theocritus en Archimedes, waren uit Siciliaanse steden afkomstig of werkten er langdurig.
Deze periode betekende ook het einde van de machtige heersers van de stadstaten. Net als in Griekenland zelf werd ook op Sicilië de democratie geïntroduceerd: de macht aan het volk. Toch werden in de gouden 5e eeuw v.C. vele gewapende conflicten uitgevochten. Het conflict tussen Syracuse en Segesta werd door Athene aangegrepen om Sicilië een toontje lager te laten zingen. Syracuse werd twee jaar belegerd, maar wist zich de Grieken van het lijf te houden. Door deze oorlogen waren Syracuse en haar bondgenoten echter dermate verzwakt dat de Puniërs van Carthago kans zagen om enkele stadstaten te verwoesten. Met Syracuse werd in 403 v.C. overeengekomen dat Sicilië in twee invloedssferen verdeeld zou worden. Begin 4e eeuw was Syracuse door alle oorlogen en conflicten als enige macht overgebleven en stond op dat moment onder leiding van Dionysus I. Hij bezorgde Syracuse weer een bloeiperiode en het lukte hem zelfs om aan de Carthagers verloren gebied weer terug te veroveren.
Na de periode Dionysus I zorgde een familiaire opvolgingscrisis tot burgeroorlogen die Sicilië zwaar troffen. In 344 v.C. stuurden de Grieken een leger o.l.v. Timoleon naar Sicilië om de rust te herstellen. Het lukte hem vrij snel om de toestand op Sicilië weer te normaliseren en de welvaart en hestelde zich snel. Na de dood van Timoleon in 336 v.C. was de chaos weer compleet op het eiland totdat Agathokles de macht greep. Deze voerde een dictatoriaal bewind en voerde vele oorlogen met alle Griekse stadstaten op Sicilië.

Romeinse overheersing

De Grieken verloren echter steeds meer hun greep op Sicilië en de Carthagers en de steeds machtiger wordende Romeinen gingen zich met Sicilië bemoeien. Alleen de Griek Pyrrhus deed nog een poging om de macht te grijpen maar werd uiteindelijk verslagen door de Romeinen. Een van de generaals van Pyrrhus, Hiëron, sloot een bondgenootschap met de Romeinen en stichtte op Oost-Sicilië een koninkrijk met Syracuse als hoofdstad. Vanaf de 3e eeuw v.C. lagen de Romeinen en Carthagers met elkaar in de clinch over de heerschappij over de Middellandse Zee. Na de drie Punische oorlogen bleven de Romeinen als overwinnaar over. De tweede Punische oorlog werd zelfs gedeeltelijk op Siciliaans grondgebied uitgevochten. Syracuse werd twee jaar lang belegerd door de Romeinen omdat zij de kant van de Grieken hadden gekozen.
Uiteindelijk werd de stad verwoest en dat betekende meteen het einde van de Griekse beschaving op Sicilië. In 212 v.C. behoorde het eiland definitief tot het Romeinse Rijk en werd bestuurd door een stadhouder en met de hulp van een aantal grootgrondbezitters. De graanproductie op Sicilië was zeer belangrijk voor de Romeinen en zorgde voor grote welvaart. De hele Romeinse periode werd gekenmerkt door rust op het politieke en militaire front.
Alleen twee slavenoorlogen in de 2e eeuw v.C. zorgden voor veel onrust. In 395 n.C. viel het Romeinse Rijk uit elkaar in het West-Romeinse en het Oost- Romeinse of Byzantijnse Rijk. Ook vonden in die tijd grote volksverhuizingen plaats. Zo werd Sicilië van 468 tot 476 bezet door de Vandalen onder leiding van Geiserik, die weer werden opgevolgd door de Oost-Goten. In 535 werd Sicilië weer veroverd door de Byzantijnse keizer Justinianus.

Arabieren en Normandiërs

De opvolgers van de Byzantijnen waren de Arabieren die na de dood van Mohammed in 632 in een hoog tempo grote delen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika veroverden. Sicilië werd vanaf 827 door de dynastieën van de Aghlabiden en de Fatimiden langzaam aan veroverd. Het laatste Byzantijnse bolwerk, Syracuse, viel in 878. In 965 stond geheel Sicilië onder islamitische overheersing en waren de meeste Byzantijnen van het eiland gevlucht.
In de 11e eeuw kwamen de Normandiërs, afstammelingen van de Vikingen uit Scandinavië, in beeld. Zij kwamen de Grieken te hulp in de strijd tegen de Turken van het Ottomaanse Rijk en stichtten daartoe een rijk in Zuid-Italië. Van daaruit werd ook Sicilië veroverd door de gebroeders Roger en Robert Guiscard, in de periode 1066 tot 1091. Onder de Normandiërs, met name de eerste helft van de 12e eeuw onder Roger II, beleefde Sicilië op het gebied van de architectuur, de beeldende kunst, de filosofie en de wetenschap een bloeiperiode.

Verder was het militair en politiek een rustige periode waardoor alle aanwezige volken en culturen vreedzaam naast elkaar leefden. Dit veranderde onder invloed van de kruistochten in de tweede helft van de 12e eeuw en leidde tot een grootscheepse emigratie van joden en islamieten.

Hohenstaufen

In 1194 kwam er een einde aan de Normandische overheersing van Sicilië. Het eiland werd na hevige gevechten geannexeerd door Hendrik VI van Hohenstaufen, een zoon van de Duitse keizer en getrouwd met een dochter van Roger II. Sicilië ontwikkelde zich zeer snel onder de Hohenstaufens, met name onder Frederik II van Hohenstaufen, met de bijnaam “stupor mundi” (=schudder van de wereld). Op Sicilië wordt hij trouwens Frederik I genoemd.
Ondanks problemen met de Paus van Rome werd Sicilië nog één keer het centrum van de handel en de cultuur. O.a. de “Constitutie van Melfi”, een voor die tijd moderne grondwet, en de Siciliaanse dichtersschool stammen uit die tijd. Na de dood van Frederik II werd hij opgevolgd door diens zoon Manfred, de laatste van het geslacht Hohenstaufen, die in 1266 sneuvelde door de troepen van de Franse Karel van Anjou. Karel werd tot koning van Sicilië en Napels gekroond en regeerde als een tiran.

In 1282 volgde een grote opstand, de “Siciliaanse Vespers”, die uitmondde in een heuse onafhankelijkheidsoorlog. De Sicilianen riepen de hulp in van Pedro III van Aragon (Peter I} in Spanje, maar het duurde nog twintig jaar voordat de Fransen definitief verdreven werden.

Spaanse overheersing

Met de komst van de Aragonezen begon de Spaanse overheersing, die 600 jaar zou duren. Na de dood van Peter I werden Aragon en Sicilië door verschillende vorsten bestuurd. In 1314 liet Frederik II zich uitroepen tot koning van een onafhankelijk Sicilië. Dit duurde tot 1406 toen Sicilië weer een gewest werd van Aragon. En zou daarna nog door 78 onderkoningen van Spanje bestuurd worden. De Spaanse overheersing leidde uiteindelijk tot de culturele en economische achteruitgang van Sicilië. De Spaanse heersers, op een paar uitzonderingen na, exploiteerden Sicilië en buitten het uit. Zo werd Sicilië praktisch ontbost ten behoeve van de scheepsbouw en de akkerbouw. Onder Alfons I werd in 1444 nog wel de Universiteit van Catania gesticht.
De eenwording in 1479 van Spanje bracht Sicilië weinig goeds. Joden en islamieten werden verjaagd en Spanje liet Sicilië helemaal links liggen na de ontdekking van Amerika in 1492. Sicilië werd door Karel V nog bezocht maar veel onderkoningen na hem putten het eiland steeds verder uit. Alleen de rijken weren steeds rijker, de bevolking verpauperde wat onvermijdelijk leidde tot enkele opstanden, waarvan die in 1647 o.l.v. Giuseppe d’Alesi de bekendste was. Het natuurgeweld van de Etna trof Sicilië in 1669 en 1693. Alle steden in Zuidoost-Sicilië werden verwoest.
In 1700 ontstond een ruzie om de troonsopvolging van de kinderloze Karel II, wat leidde tot de Spaanse Successieoorlog die werd afgesloten met de Vrede van Utrecht in 1713. Filips V van Bourbon was de gelukkige en mocht de troon bestijgen. Sicilië werd toegekend aan de hertog van Savoye, Victor Amadeus. Deze Amadeus ruilde een aantal jaren later het eiland in voor Sardinië, eveneens een eiland in de Middellandse Zee. De Oostenrijkse keizer Karel VI gaf Sicilië daarna aan de Spaanse Bourbons die prins Karel V tot koning van Sicilië en Napels kroonden. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Ferdinand IV. Ferdinand benoemde Domenico Caracciolo tot onderkoning van Sicilië. Hij zorgde ervoor dat de machtige Jezuïeten-orde in 1767 uitgewezen werd en dat de Inquisitie in 1782 aan banden gelegd werd. Toch bleef de sociale situatie hetzelfde, het volk bleef arm en de adel en de kerk werden steeds rijker.

De ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie in 1789 zorgden er echter voor dat de bevolking van Sicilië zich bewust werd van haar uitzichtloze situatie en het zou dan ook niet lang meer duren voordat sterke nationalistische gevoelens de kop opstaken. De eerste opstand dateert van 1795, maar werd door Ferdinand neergeslagen. In 1799 veroverde Napoleon Bonaparte Napels, waardoor Ferdinand genoodzaakt was te vluchten naar Palermo. Met behulp van de Engelsen keerde hij in 1802 terug, maar moest later toch weer uitwijken naar Sicilië, ditmaal tot 1812. Hoewel de Fransen Sicilië nooit bezet hebben, werd Ferdinand toch gedwongen in te stemmen met een nieuwe grondwet voor Sicilië. Hierin werd o.a. geregeld dat Sicilië onafhankelijk van Napels zou worden, de machten gescheiden zouden worden, dat er een parlement met twee kamers zou komen en dat de rechten van de bevolking uitgebreid zouden worden.
Vanaf 1815, na de definitieve nederlaag van Napoleon, volgde de periode van de Restauratie: een poging van de grootmachten in Europa om naar de situatie van voor de Franse Revolutie terug te keren. Bij het Verdrag van Wenen kregen de Bourbons zeggenschap over Sicilië en Ferdinand IV herstelde de vroegere twee- eenheid onder de naam “koninkrijk der beide Siciliën” en noemde zichzelf Ferdinand I. De grondwet werd weer nietig verklaard en dit alles leidde ertoe dat Sicilië een van de armste gebieden van Europa zou worden. Maar de Siciliaanse nationalisten bleven actief en in 1820 volgde de opstand van de “carbonari”, een liberaal-nationalistisch genootschap. De opvolgers van Ferdinand I probeerden het tij middels enkele hervormingen nog te keren, maar de beer was definitief los.

In het revolutiejaar 1848 volgde weer een opstand en de onafhankelijkheid werd zelfs uitgeroepen. Deze situatie duurde echter maar tot 15 mei 1849, toen Napolitaanse troepen Palermo innamen na bombardementen op de stad Messina. In 1860 volgde een nieuwe opstand en kwam de vrijheidsstrijder Giuseppe Garibaldi in beeld. Met een klein legertje landde hij op 11 mei 1860 vanuit Genua bij Marsala en na een korte strijd met de legers van de Bourbons kwam er een eind aan de al zes eeuwen durende Spaanse overheersing.

Sicilië één met Italië maar toch autonoom

Garibaldi regeerde een tijd over Sicilië in naam van koning Vittorio Emanuele II van Italië. Op initiatief van eerste minister en leider van de Italiaanse eenheidsbeweging Cavour, werd er een volksstemming gehouden. Inzet was aansluiting bij het koninkrijk Sardinië en zeer velen stemden voor. Een half jaar later volgde echter al de eenheid van geheel Italië. De nieuwe Italiaanse regering toonde weinig belangstelling voor het zuiden van Italië en dus ook niet voor het arme, agrarische Sicilië. Dit leidde tot arbeidersopstanden in Palermo in 1866 en een boerenopstand in 1893, die in een bloedbad eindigden. Een massale emigratie was het bijna logische gevolg: tussen 1880 en 1950 emigreerden meer dan 1,5 miljoen Sicilianen naar met name de Verenigde Staten en het vasteland van Italië. Ook de opkomst van de maffia rond 1860 is hierdoor te verklaren.
Na de Eerste Wereldoorlog bepaalden Benito Mussolini en het fascisme enkele decennia het leven in Italië. Nadat hij aan de macht kwam zorgde hij ervoor dat o.a. de vlakte van Catania drooggelegd werd, de malaria uitgebannen werd van het eiland en dat de grootgrondbezitters onteigend werden en dat het land verdeeld werd onder de landloze boeren. Op 10 juli 1943 landden de geallieerden bij Gela en in september van dat jaar werd Sicilië bevrijd van de Duitse en Italiaanse troepen.

Hierna volgde een periode waarin de maffia en separatisten de boventoon voerden. Vanaf februari 1944 begon er een onafhankelijkheidsstrijd die tot 1947 zou duren. In 1947 kreeg men op Sicilië gedeeltelijk zijn zin. Samen met o.a. Sardinië kreeg Sicilië een aparte status (regione a statuto speciale) met verregaande autonomie. Verkiezingen leverden dat jaar een overwinning op van communisten en socialisten, dit tot ongenoegen van de maffia en de kerk. Onder druk van deze machtige instituten wonnen de christen-democraten in 1950 de verkiezingen.
Ook in 1950 werd het economische stimuleringsfonds “Cassa del Mezzogiorno” opgericht om de economie van Zuid-Italië en Sicilië te steunen. Door o.a. corruptie en maffiapraktijken kwamen vele lires op de verkeerde plaats terecht en leverde al het geld uiteindelijk bitter weinig op. Ook de olie die werd gevonden voor de kust bij o.a. Syracuse zorgde maar voor een bescheiden economische opleving. Begin juni 1955 stond Sicilië in het middelpunt van de internationale belangstelling tijdens de Conferentie van Messina. Hier werd de basis gelegd voor de Europese Economische Gemeenschap, nu de Europese Unie. In de jaren zestig en zeventig werd er door de Italiaanse regering en de Europese Gemeenschap nog eens miljarden lires in het armlastige Sicilië gestopt, o.a. in de huizenbouw, die echter ook weer een toonbeeld van corruptie was.
In 1980 werd de regionale president van Sicilië, Piersanti Mattarella door de maffia vermoord. In de jaren tachtig stond de strijd tussen de verschillende maffia-clans centraal op Sicilië. Sinds 1992 worden er grote successen geboekt in de strijd tegen de maffia ondanks het vermoorden van de onderzoeksrechters Falcone en Borsellino in 1992.

In oktober 2006 besloot het Italiaanse parlement om de plannen voor een brug die Sicilië met het vasteland zou verbinden, te stoppen. Een meerderheid vonde het plan te duur en te riskant. De brug over de Straat van Messina had met een lengte van 3 kilometer de langste hangbrug ter wereld moeten worden en was bedoeld om Sicilië een economische impuls te geven. Het al opzij gezette bedrag van 4,4 miljard euro werd gestoken in andere infrastructurele projecten op het eiland.

Sinds 10 november 2010 is Rosario Crocetta president van Sicilië. In november 2017 wordt hij opgevolgd door Nello Musumeci.

Zie verder ook de geschiedenis van Italië op Landenweb.

SICILIE LINKS

Advertenties
• D-Reizen Sicilie
• Sicilie Vliegtickets.nl
• Vakantiehuizen in Sicilie
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Vakantie Sicilie
• Sicilie Kras Reizen
• Autohuur Sicilie
• Ferry overtochten van en naar Sicilie
• Palermo Hotels
• Sicilie Tui Reizen
• Sicilie Vliegvakanties WTC
• Autoverhuur Sunny Cars Sicilië
• Palermo Vliegtickets Tix.nl
• Sicilië Campings

Nuttige links

Reisinformatie Sicilië (N)
Reizendoejezo - Sicilie (N)
Romans over Sicilië (N)
Sicilië Foto's Kees Hulsen
Startpagina Sicilië (N)
Artikelen en Reisverhalen over SICILIE
  Een fietstocht op het zonnige Si..

Bronnen

Scholten, J. / Sicilië: met de Egadische en Eolische eilanden
Van Reemst

Bausenhardt, H. / Sicilië
Van Reemst

Haan-van de Wiel, W.H. de / Sicilië
Gottmer

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt juli 2019
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems