Steden NEDERLAND

NEDERLAND   

Algemeen

Nederland heeft een vrije-markteconomie waarin de overheid door middel van wetgeving en regelgeving kan ingrijpen in het economisch proces en er van een geleide economie gesproken wordt.
De Tweede Wereldoorlog heeft de Nederlandse economie sterk veranderd door onder andere sterk veranderde omstandigheden zoals een sterke bevolkingsgroei en het verlies van de koloniën. In relatief korte tijd heeft Nederland zich van een overwegend agrarisch land tot een industriële, internationaal georiënteerde natie ontwikkeld. De Nederlandse economie is over het algemeen stabiel en dat wordt mede in stand gehouden door een structureel, intensief overleg tussen overheid, bedrijfsleven en vakbonden, het zogenaamde poldermodel. Al deze factoren hebben ervoor gezorgd dat Nederland bij de grootste economieën van de wereld behoort.
In 2013 droegen landbouw en visserij voor 2,6% aan het bruto nationaal product bij, de industrie voor 25,4% en de resterende 72,1% kwam voor rekening van de dienstensector.
De grote aardgasvoorraden zijn voor de Nederlandse economie van groot belang, o.a. vanwege de inkomsten uit export. Grote Europese rivieren als de Rijn, Maas en Schelde vervullen voor Nederland een grote rol als knooppunt in het Europese transitoverkeer naar bijvoorbeeld het Duitse Ruhrgebied, waardoor Rotterdam bijvoorbeeld al jarenlang de grootste haven ter wereld is. Ook de luchthaven Schiphol is een belangrijke aanjager van de Nederlandse economie en verder zijn de hoofdkantoren van veel multinationals in Nederland gevestigd, o.a. Shell, Unilever en Philips.
De Nederlandse economie heeft in de jaren tachtig en negentig geprofiteerd van de economische hoogconjunctuur; in de periode van 1990 tot 2008 bedroeg de economische groei gemiddeld rond de 2%. Aan deze periode van voorspoed kwam een eind door de kredietcrisis. In 2013 kromp de economie met -1%. Het officiële werkloosheidscijfer bedroeg in 2013 6,8% van de beroepsbevolking, waarmee Nederland ruim onder het EU-gemiddelde ligt. Het gemiddelde inkomen van de Nederlander is $41.400 (2013).

Land- en tuinbouw, veeteelt

Het aandeel van de land- en tuinbouw in de totale beroepsbevolking daalde van ca. 17% in 1950 tot 2% in 2013 en het aandeel in het nationaal inkomen nam in deze periode af van 14,4 tot 2,6%. Nederland is desondanks nog een van de grootste landbouwexporteurs ter wereld. Er worden veel agrarische producten geëxporteerd met Duitsland als voornaamste afnemer, gevolgd door de andere landen van de Europese Unie.
Meer dan 60% van de Nederlandse bodem is in agrarisch gebruik. Dankzij intensivering van het bodemgebruik en door de hogere opbrengsten per hectare, is de totale productiehoeveelheid van de Nederlandse land- en tuinbouw enorm toegenomen. Deze productie-uitbreiding kon alleen plaatsvinden door een sterke vergroting van de hoeveelheid productiemiddelen, zoals kunstmest en uitgebalanceerd veevoeder.
Ook goed landbouwkundig onderwijs en praktijkgerichte voorlichting hebben veel bijgedragen aan de stijging van de productiviteit.

De agrarische activiteiten zijn gespreid over het hele land. Een belangrijk deel van de akkerbouw wordt aangetroffen op de zeekleigronden in het noorden en het zuidwesten van het land en tevens in de IJsselmeerpolders. Hoewel de hoeveelheid akkerland terugloopt, zijn de opbrengsten per hectare de afgelopen decennia sterk gestegen. Belangrijke producten zijn aardappelen, tarwe, suikerbieten en vooral snijmaïs, dat gebruikt wordt als veevoer. De Nederlandse pootaardappelen worden over de hele wereld geëxporteerd.

De intensieve veehouderij of bio-industrie (varkenshouderij, pluimveehouderij en kalvermesterij) is grotendeels geconcentreerd op de zandgronden in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Deze sector bedreigt het milieu met haar gigantische mestoverschot. De melkveehouderij komt voor in het hele land, maar specifieke weidegebieden zijn Friesland en Noord- en Zuid-Holland.

De tuinbouw is qua productieomvang de grootste agrarische sector in Nederland. Zo is Nederland de grootste exporteur van bloemen en bloembollen ter wereld. Andere belangrijke tuinbouwproducten zij komkommers, tomaten, sla, champignons, fruit, paprika's en potplanten.
De glastuinbouw, die economisch gezien verreweg het belangrijkste onderdeel vormt van de Nederlandse tuinbouw, is voor een groot deel geconcentreerd in enkele grote centra, waaronder die in het zuidwesten van Zuid-Holland het belangrijkste zijn. Deze bedrijven richten zich vaak op één of enkele gewassen.

De aandacht voor het milieu wordt steeds belangrijker en steeds meer landbouwers streven naar duurzame vormen van landbouw die het milieu sparen. Zo schakelt men steeds meer over op biologische gewasbescherming om ziekten en plagen te voorkomen en te bestrijden. Belangrijk is ook het onderzoek naar minder ziektegevoelige gewassen.

Bosbouw

Nederland is een weinig bosrijk land. In 2013 was nog maar 8% (ca. 300.000 ha) van de oppervlakte bebost. Het bos bestaat voor ca. 60% uit naaldhout. De provincie met de grootste oppervlakte aan bos is Gelderland en daarna volgen Noord-Brabant en Overijssel.
Bos komt in hoofdzaak voor op de slechtere gronden. Er is echter een tendens ook op betere gronden bos aan te planten. Behalve als houtleverancier is het bos van belang voor de recreatie. De milieuvervuiling, vooral in de vorm van verzuring, is een ernstige bedreiging voor het bomenbestand.

Visserij

De visserij in open zee wordt in de Noordzee en haar zeeboezems bedreven en in verder gelegen wateren (wateren rond Ierland, bij IJsland en Newfoundland). Een voorname tak van de Nederlandse beroepsvisserij is de kustvisserij. Er wordt over het algemeen vooral gevist op rondvis, haringachtigen en makreel. Nederland heeft een zeer moderne vloot van kotters en de grote trawlers. De trawlers vissen voornamelijk op haring en makreel. De kleine kotters vissen op o.a. schol, kabeljauw, schelvis, wijting en garnalen.
De economisch belangrijkste groep werd in dat jaar gevormd door de platvissen, gevolgd door de rondvissen en schaal- en weekdieren als oesters, garnalen en mosselen. Mosselen, oesters en kokkels worden vooral gekweekt in de Zeeuwse wateren en op de Waddenzee. De binnenvisserij is, behalve de palingvangst, economisch van weinig belang. De belangrijkste vissershavens zijn IJmuiden, Scheveningen en Urk.
Doordat bepaalde vissoorten sterk teruglopen stelt de Europese Unie sinds 1983 jaarlijks vangstquota vast. Ook wordt het aantal dagen waarop gevist mag worden wel eens beperkt.

Industrie

Eind 19e eeuw werd Nederland een industrieland toen het aandeel van de werkgelegenheid in de nijverheid groter werd dan in de landbouw. Daarvoor waren er met name in het zuiden van Nederland industriële activiteiten. Het betrof vooral kleding-, textiel- en schoeiselindustrie. In de periode tot de Eerste Wereldoorlog kende de industrie een sterke groei, met nam in de metaalnijverheid en de grafische, chemische en de papierindustrie.
De al eerder genoemde bedrijfstakken en ook bouwnijverheid en de voedingsmiddelenindustrie bleven vooralsnog zorgen voor de meeste werkgelegenheid. Er werden ook steeds meer fabrieken gebouwd in Rotterdam, Amsterdam, het zuiden en in Twente, het centrum van de katoenindustrie. Hierdoor werd de huisindustrie steeds minder belangrijk.
Tot de Tweede Wereldoorlog veranderde er niet zoveel. De industrie bleef zich voornamelijk in het westen van het land ontwikkelen en de zuivelindustrie en slachterijen kwamen op als exportindustrie. De chemische industrie, later van groot belang, stelde nog niet veel voor in die tijd. Toch werd de voor Nederland belangrijke textielindustrie toen al bedreigd door de ontwikkeling van de kunstvezel in het buitenland.
Na de Tweede Wereldoorlog stond de economische ontwikkeling van Nederland in het teken van de wederopbouw en in het kielzog daarvan groeide de industriële nijverheid zeer snel. Bouwnijverheid en infrastructuur waren natuurlijk zeer belangrijk maar ook het scheppen van werkgelegenheid door vergroting van de export had hoge prioriteit. Echte groei industrieën werden de elektrotechnische, de basismetaal- en de chemische industrie.
Na de totstandkoming van de Europese Economische Gemeenschap (EEG, 1958), nu Europese Unie (EU), versnelde de groei van de industrie o.a. door de sterk stijgende export, maar ook de vondst van aardgas werkte stimulerend. De petrochemische industrie was de grootste groeier, met name in de periode 1963-1973. De lage energieprijzen en de mogelijkheid tot vestiging in het Rijnmondgebied zorgden voor veel buitenlandse investeringen.
Aan de andere kant kregen de traditionele arbeidsintensieve industrieën het moeilijk door de grote loonstijgingen, waardoor bedrijven steeds vaker uitweken naar zogenaamde lage-lonen landen.
Op dit moment richt de Nederlandse industrie zich vooral op primaire producten en halffabrikaten en kenmerkt zich door de internationale gerichtheid, zowel wat betreft de afzet in het buitenland als de spreiding van productievestigingen en de samenwerking met buitenlandse bedrijven. De belangrijkste sectoren zijn de sterk geautomatiseerde chemische- de voedselverwerkende, en de metaalverwerkende industrie. Ook de grafische- en de elektrotechnische industrie zijn goed ontwikkeld.
Sinds het eind van de jaren zestig van de 20e eeuw trekken ook de nadelige effecten van de industriële groei wereldwijd de aandacht, o.a. de vervuiling van het milieu, het afbreken van de ons beschermende ozonlaag en het uitgeput raken van natuurlijke grondstoffen. Na de oliecrisis in 1973, met zijn sterk stijgende prijzen, kreeg de Nederlandse industrie stevige klappen te verwerken en vertraagde de groei. Het bezit van aardgas betekende nog wel een belangrijk voordeel ten opzichte van het buitenland.
Vanaf 1982 richtte het overheidsbeleid zich steeds meer op de groei van de export. De bedrijven investeerden ook steeds meer in het buitenland waardoor de gewenste verbreding van de industriële basis stagneerde. Vernieuwing van de Nederlandse industrie in de jaren tachtig bleef achterwege, alleen de bestaande productieprocessen werden verbeterd. Hierdoor nam de gemiddelde groei nog wel steeds toe maar bleef achter in vergelijking met andere bedrijfstakken. Het aandeel van de industrie in het bruto nationaal product bedroeg in 2013 25,4% en van de beroepsbevolking werkte in 2013 18% in deze sector.

Mijnbouw en energievoorziening

Aan de oppervlakte zijn alleen delfstoffen als zand, klei, grind, mergel en kalk te vinden. In diepere lagen zit zout, aardolie, aardgas en steenkool. Zout wordt bij Hengelo gewonnen door water omlaag te spuiten en de pekel op te pompen. Steenkool werd tot 1975 ondergronds in de provincie Limburg gewonnen, maar de vondst van aardgas en de lage prijs van buitenlandse steenkool waren aanleiding de mijnen te sluiten. In de ondergrond is nog 1000 miljard ton steenkool aanwezig, maar daarvan is slechts 4% winbaar met conventionele methoden.
Op het vasteland heeft Nederland twee aardolievelden in Schoonebeek en West-Nederland en op het continentaal plat één aardolieveld.
In 1959 werd het aardgasveld bij Slochteren ontdekt, maar pas in 1967 kwam het veld in productie.

Tot de Tweede Wereldoorlog was Nederland voor het energieverbruik vooral afhankelijk van in eigen land aanwezige hulpbronnen als steenkool en wind. Na de oorlog, tot 1967, werd met name aardolie uit het buitenland zeer belangrijk voor de energievoorziening. Daarna werd het aardgasveld bij Slochteren in gebruik genomen en nam het aandeel van aardgas voor de energievoorziening snel toe. Er werd zelfs genoeg aardgas gewonnen om te exporteren en Nederland werd al snel de grootste aardgasproducent van West-Europa.

Handel en verkeer

Handel

De binnenlandse markt van Nederland is maar klein en daardoor richten veel bedrijven zich op afzetgebieden in het buitenland. Ook de gunstige geografische ligging in West-Europa is uitermate geschikt voor internationale handel, zowel op het water als in de lucht, en over de weg.
De belangrijkste importproducten zijn (elektrische) machines, fabricaten, voedingswaren, brandstof en kleding. De totale waarde van de invoer bedroeg $ 477,5 miljard (2013)
De belangrijkste exportproducten zijn voedingswaren, chemische producten, (half)fabricaten, (elektrische) machines, bloemen en aardolieproducten. De totale waarde van de uitvoer bedroeg $ 551 miljard (2013)
De handelsbalans kent traditioneel een overschot, evenals het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. De belangrijkste afzetmarkt voor Nederland is Europa, en dan met name de landen van de Europese Gemeenschap. Belangrijke handelspartners in andere werelddelen zijn de Verenigde Staten, China, Japan en Zuid Afrika.

Verkeer

In economisch opzicht speelt het verkeer een zeer belangrijk rol door de ligging aan de monding van de rivieren als de Rijn, de Maas en de Schelde en het hooggeïndustrialiseerde achterland (o.a. Ruhrgebied). Nederland heeft zich daardoor ontwikkeld als de toegangspoort van Europa en door zijn centrale ligging is Nederland ook de vestigingsplaats geworden van veel internationale bedrijven.
Nederland beschikt hiervoor over een uitgebreid en hoogwaardig (snel)wegennet waar de Nederlands transportsector van kan profiteren. Deze sector heeft een belangrijk deel van de Europese transportmarkt in handen.
Van groot belang voor het goederenvervoer zijn ook de vele binnenlandse en grensoverschrijdende waterwegen.
De Nederlandse Spoorwegen zijn vooral van belang voor het binnenlandse personenvervoer, hoewel er ook steeds meer goederen per spoor vervoerd worden.
Het binnenlandse luchtverkeer speelt maar een geringe rol van betekenis voor de Nederlandse economie. De KLM is de nationale luchtvaartmaatschappij die een uitgebreid internationaal luchtnet heeft. De KLM is gefuseerd met Air France. Schiphol is een van de grootste internationale luchthavens ter wereld en wordt als een van de motors van de economie beschouwd.
De handelsvloot neemt zowel qua grootte als economische betekenis af, maar Rotterdam blijft één van de grootste zeehavens ter wereld voor goederenoverslag en ook Amsterdam heeft zich ontwikkeld tot een overslagplaats van betekenis. Jaarlijks worden er tientallen miljoenen tonnen aan goederen afgeleverd in de haven van Rotterdam. Met name het containervervoer bepaalt tegenwoordig het gezicht van de haven. Naast Rotterdam en Amsterdam zijn ook de zeehavens van Velsen/IJmuiden, Delfzijl, Eemshaven, Vlissingen, Terneuzen en Vlaardingen van belang.

NEDERLAND LINKS

Advertenties
• Nederland Kras Reizen
• RCN Vakantieparken in Nederland
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Ferry overtochten van en naar Nederland
• Autohuur Nederland
• Autoverhuur Sunny Cars Nederland
• Energie vergelijken
• Vakantieparken in Nederland
• Vakantiehuizen in Nederland
• Nederland
• Amsterdam Hotels
• Energievergelijker
• Nederland Vliegtickets Tix.nl
• Nederland Campings
• Eliza was here
• Lenen

Nuttige links

Campersite Nederland (N)
Dieren in Nederland (N)
Duiken en landschap Zeeland Oosterschelde (N)
Lies en Teije's Reiswebsite (N+E)
Nederland Fotoreportage
Nederland Reisstart (N)
Overheid.nl: Officiële site van de Nederlandse overheid (N)
Reisinformatie Nederland (N)
Reizendoejezo – Nederland (N)
Romans over Nederland (N)
Vacanceselect (N)
Artikelen en Reisverhalen over NEDERLAND
  Kastelenroute Fietsen  Veluweroute Fietsen
  Tips voor bezienswaardigheden in..  Een weekje Hunnebeddenland
  Vakantieparken in Nederland  Spakenburg
  Voorouderbeelden Huisgoden en To..  Weerzien na vele jaren
  Elfstedenroute fietsen

Bronnen

Haafkens, M. / Nederland
Gottmer

Harmans, G.L.M. / Nederland
Van Reemst

Metze, M. / De staat van Nederland
SUN

Ver Berkmoes, R. / Netherlands
Lonely Planet

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt november 2018
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems