Steden DOMINICAANSE REPUBLIEK

DOMINICAANSE REPUBLIEK   

Eerste bewoners

Over de eerste bewoners van Hispaniola is niet veel bekend. Algemeen wordt aangenomen dat het de Ciboney waren, een volk, sterke verwant met de Arowakken uit Venezuela. Deze mensen leefden van de visvangst en woonden in grotten in de bergen. In een later stadium kwamen vanuit de beide Guyana’s en uit Venezuela de Taínos, een meer ontwikkeld Arowakkenvolk. Dit waren jagers en verzamelaars die in groepen in dorpen leefden. Die dorpen vormden samen weer een provincie.
Later gingen ze sedentair leven en verbouwden cassave, maïs en yams. Een geliefd tijdverdrijf was het roken van tabak, en verder waren de Taínos een vreedzaam volk. De Taínos werden gewelddadig onderworpen door de Cariben, die eind 15e eeuw de meeste kleine eilanden in het Caribisch gebied in hun “bezit” hadden.

Kolonisering door de Spanjaarden

In 1492 ontdekte Christoffel Columbus op zijn eerste reis het eiland en noemde het Hispaniola of “Klein Spanje”. In zijn tweede reis in 1493 werden er een aantal goud-, zilver-, en kopermijnen ontwikkeld en ook het suikerriet werd in deze periode geïntroduceerd. Al snel bleek dat de goudvoorraad niet groot was, maar de productie van suikerriet werd wel een succes, en de handel met Europa kwam al snel op gang. Om voldoende te kunnen produceren waren er veel goedkope arbeidskrachten nodig, en de eerste mensen die daarvoor in aanmerking kwamen waren natuurlijk de indianen.
De arbeidsrelatie tussen de Spanjaarden en de autochtone bevolking begon echter steeds meer op slavernij te lijken. De gevolgen daarvan waren verschrikkelijk want van de oorspronkelijke bevolking van 200.000 à 300.000 indianen waren er in 1514 nog maar 14.000 over. Zelfs het zendingswerk van de franciscanen stond bol van het geweld. Alleen de paters dominicanen verzetten zich echt tegen deze mensonterende situaties. Het was de Spaanse priester Bartolomé de Las Casas, die de wereld liet weten hoe de inheemse bevolking te lijden had onder de heerschappij van de Spanjaarden.
In 1533 werd door keizer Karel V de slavernij onder de indianen afgeschaft. Hispaniola was in die tijd een belangrijke overslagplaats in de handel van Spanje met de Nieuwe Wereld, met als voornaamste handelswaar goud, suiker en slaven. Deze slaven kwamen uit West-Afrika en in een jaar tijd werden er tienduizenden Afrikaanse slaven naar Hispaniola verscheept. Een andere lucratieve business was het smokkelen.

Westelijk deel van Hispaniola wordt Frans gebied

Spanje kreeg ondertussen grote concurrentie van Hollanders, Engelsen Fransen en zeerovers of boekaniers. De boekaniers vestigden zich in het dun bevolkte noorden en westen van Hispaniola. Deze boekaniers brachten vanuit Tortuga de Spanjaarden grote schade toe en kregen in deze regio steeds meer macht, en kregen zelfs hulp van de andere Europese koloniale machten, die zo probeerden de politieke en militaire macht van Spanje te breken.
In 1639 werd Tortuga veroverd door de Fransen en van daaruit staken ze over naar het westen van Hispaniola. Spaanse plantages werden overgenomen en ze kregen een steeds groter deel van het eiland onder controle. Bij de Vrede van Rijswijk in 1697 werd het westelijk deel van Hispaniola definitief Frans koloniaal gebied.

De economie van Santo Domingo stagneerde in de eerste decennia van de 18e eeuw volkomen. De economie in Spanje deed het niet al te best en Engeland als koloniale macht werd steeds sterker en begon alle andere koloniale machten te overvleugelen. De enige economische activiteiten waren de verkoop van vlees en huiden aan passerende schepen. Ook werd er wat koffie voor de handel geproduceerd.
De demografische situatie was eind 18e eeuw zeer opvallend: vrije zwarten en mulatten 60.000, 15.000 slaven en 20.000 blanken. Een van de redenen hiervoor was dat men op Santo Domingo niet zo veel slaven nodig had als elders, en dat daarom de zwarten en mulatten redelijke vrijheid hadden.

Aan de Franse kant van Hispaniola was de economische situatie volkomen anders. De Fransen wisten de kansen van het eiland goed in te schatten en stortten zich op de productie van suiker op hun suikerplantages. Ze werden daar in vergelijking met enkele Engelse koloniën geholpen door de vruchtbare grond op ‘Saint Domingue’. De Franse kolonie groeide in korte tijd uit tot een schoolvoorbeeld van een economisch succesvolle kolonie, met in 1789 800 suikerplantages, 3000 indigo-, 3000 koffie-, en 800 katoenplantages. Deze producten werden naar veel landen in Europa geëxporteerd. Dit succes was in feite te danken aan het enorme aantal slaven, eind 18e eeuw bijna 500.000. Negentig van de honderd inwoners waren op dat moment slaaf. Door de ernstige misstanden onder de slaven, zoals ondervoeding, mishandeling, terreur en zelfs moord kon deze situatie niet lang duren. Het was een kwestie van tijd voordat de slaven in opstand zouden komen.

Opstand onder leiding van Toussaint l’Ouverture

Al in de tweede helft van de 18e eeuw braken er, onder leiding van voodoopriesters (houngans), verschillende kleine opstanden uit. In augustus 1791 brak er een grote opstand in het noorden van het land uit, onder militaire leiding van de geletterde slaaf Toussaint l’Ouverture. De slavenopstand kostte ca. duizend blanken en aan tienduizenden slaven het leven. Zelfs de hulp van Engelse en Spaanse troepen aan de plantage-eigenaren mocht niet meer baten. Zij hielpen de vroegere aartsvijand Frankrijk omdat hun koloniën ook gevaar liepen.
Toussaint l’Ouverture werd uiteindelijk voor het Franse karretje gespannen door de belofte aan hem om mee te werken aan zelfbestuur. Verder kregen de mulatten gelijke rechten als de blanken en werd de slavernij afgeschaft. Zo kwamen uiteindelijk de Fransen weer tegenover de Spanjaarden en de Engelsen te staan.
Door het uitstekende militaire inzicht van Toussaint l’Ouverture werden de Spanjaarden en Engelsen verslagen en bleef Saint Domingue Frans grondgebied. Toussint l’Ouverture werd daarna zelfs gouverneur-generaal. In 1795, bij de vrede van Bazel, kwam ook het Spaanse deel van Hispaniola bij Frankrijk. Toussaint l’Ouverture werd als gouverneur-generaal aangesteld. Hij begon zeer ambitieus en wilde allerlei economische en bestuurlijke hervormingen invoeren, onder andere een nieuwe grondwet en de afschaffing van de slavernij op het gehele eiland.
Op zijn pad kwam hij echter de keizer van Frankrijk tegen, Napoleon Bonaparte. Deze probeerde de zaken op het eiland weer in het voordeel van Frankrijk te herstellen en l’Ouverture werd naar Europa verbannen waar hij enkele jaren later overleed. Van 1795 tot 1801 hield Frankrijk het hele eiland bezet.

Haïti onafhankelijk

De strijd van de kleurlingen en zwarten ging echter verder onder leiding Toussaints belangrijkste helpers, Jean-Jacques Dessalines en Henri Christophe. Op 19 november 1803 gaven de Franse troepen zich over en op 1 januari 1804 riep Dessalines de onafhankelijkheid uit van de nieuwe Republiek Haïti. Het was de eerste volledig onafhankelijke zwarte staat en ook de enige plaats ter wereld waar de slavernij definitief werd afgeschaft.
Ook op het Spaanse deel van Hispaniola werd het naar aanleiding van al deze gebeurtenissen zeer onrustig. Veel Spanjaarden waren al vertrokken naar Cuba of Puerto Rico en Dessalines maakte van de gelegenheid gebruik om op te rukken naar Santo Domingo, en probeerde daar de slavernij af te schaffen. Hij kwam daar echter niet aan toe door de problemen in Haïti, die veroorzaakt werden door de mulatten en de zwarte officieren uit het leger van Toussaint en Dessalines. Bovendien werd hij in 1806 vermoord.
In 1807 grepen Spaanse kolonisten met behulp van Engelse troepen de macht in Santo Domingo. Door de vele economische en politieke problemen lukte het de Spanjaarden niet om een behoorlijk bestuur op poten te zetten. De bevolking wilde bovendien meer rechten hebben als de Spanjaarden en de mulatten riepen eenzijdig de onafhankelijkheid uit in 1821. Bovendien riepen ze de hulp in van de beroemde Zuid-Amerikaanse bevrijder Simón Bolívar. Ondertussen ging de machtsstrijd tussen de mulatten en de zwarten op Haïti verder, en de republiek viel rond 1807 uiteen in een ‘zwarte’ republiek in het noorden en een republiek geleid door mulatten in het zuiden.
In 1822 werd de eenheid weer hersteld door de nieuwe president Pierre Boyer, wiens eerste opmerkelijke daad was om het Spaanse deel van Hispaniola te annexeren. Politiek volgde er een rustige periode van ca. 20 jaar maar economisch ging het heel slecht. De plantages konden niet meer draaiende gehouden worden door een gebrek aan arbeidskrachten en internationaal kwam Haïti in een isolement terecht. De Haïtiaanse revolutie was een schrikbeeld voor de grote koloniale machten. Frankrijk erkende de onafhankelijkheid van Haïti pas in 1825, maar eiste wel een schadevergoeding van 125 miljoen franc wegens verloren eigendommen. Toen puntje bij paaltje kwam werd dat bedrag gehalveerd maar het resterende bedrag bleef als een molensteen om de hals van Haïti hangen.

Dominicaanse Republiek onafhankelijk

In 1843 werd Boyer ten val gebracht en vermoord. De Haïtianen hadden zich alle belangrijke posten toegeëigend, sloten universiteiten en discrimineerden de katholieken. De Haïtianen werden daarom gehaat door de Spanjaarden en onder leiding van Juan Pablo Duarte, Francisco del Rosario Sánchez en Ramón Matías Mella werd er oppositie gevoerd en op 27 februari 1844 werd de onafhankelijke Dominicaanse Republiek uitgeroepen. Het was echter de caudillo Pedro Santana die met zijn legertje de daad bij het woord voegde en de Haïtianen het land uitjoeg.
In juli 1844 riep hij zich uit tot president van de Dominicaanse Republiek. De Haïtianen probeerden echter steeds weer terug te komen en in 1860 riep Santana zelfs de hulp van de Spanjaarden in. Onder voorwaarde dat Santo Domingo weer een Spaanse provincie zou worden, stemde de Spanjaarden toe. De Spanjaarden maakten toen echter de grote fout door weer een verkapte vorm van slavernij in te voeren. In 1865 volgde daarom weer een grote opstand en werden de Spanjaarden gedwongen het land te verlaten. De Dominicaanse Republiek was wederom onafhankelijk.

De Verenigde Staten krijgen steeds meer invloed

Onder het bewind van president Buenventura Báez zocht de republiek zowel economisch als politiek aansluiting bij de Verenigde Staten. Het gevolg hiervan was wel dat de Amerikanen steeds meer invloed kregen op de binnenlandse politiek van de Dominicaanse Republiek.
Onder de opvolger van Báez, de dictator Ulises Lilís Heureaux, investeerden zowel de Amerikanen als enkele Europese landen fors in met name de plantage- en handelssector. Dat de Dominicaanse Republiek ook afhankelijk werd van Europa was tegen het zere been van de Amerikanen die in die tijd net de zogenaamde Monroe-doctrine lanceerden. Die hield kort gezegd in dat de Amerikanen vonden dat Europa niets te zoeken had in Midden- en Zuid-Amerika. De Amerikanen eigenden zich tevens het recht toe om militair in te grijpen als de politieke situatie in een land instabiel werd en “buitenlanders” te veel invloed zouden krijgen. Een poging tot aansluiting bij de Verenigde Staten werd door deze in 1867 afgewezen.
De Amerikanen werden in 1899 op hun wenken bediend door de moord op president Heureaux en de daaropvolgende grote, met geweld gepaard gaande politieke onrust en de dreiging van buitenlands (Europees) ingrijpen.
In 1905 werd de Dominicaanse Republiek in feite onder curatele geplaatst door de Amerikanen door het overnemen van de buitenlandse handel en betalingen. Dit was belangrijk voor sanering van de grote schulden, maar de binnenlandse politieke toestand bleef explosief.
De president van dat moment, Ramon Cáceres, werd in 1911 vermoord en er ontstond een bloedige strijd onder zijn beoogde opvolgers, Horacio Vásquez en Juan Isidro Jiménez. In mei 1916 vonden de Amerikanen het welletjes en namen letterlijk de macht over. De Amerikanen bleven tot 1924 en zij zorgden niet alleen voor economische vooruitgang maar verbeterden ook onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Dat het Amerikaanse bedrijfsleven hier het meeste van profiteerde en openlijk discrimineerde, en dat er als reactie daarop bendes en guerrillastrijders het land onveilig maakten, werd op de koop toe genomen.
Om de rust te herstellen zetten de Amerikanen een Nationale Garde op en werden er verkiezingen voorbereid, die in 1924 gehouden werden. Winnaar werd Horacio Vásquez en de Amerikanen vertrokken naar huis. Ze hielden nog wel een flinke vinger in de pap wat betreft de buitenlandse handel en behielde ook de financiële controle over het land.

Periode Trujillo

Vásquez werd in 1930 opgevolgd door de bevelhebber van de door de Amerikanen opgericht Nationale Garde, Rafael Leónidas Trujillo Molina. Dit gebeurde door gemanipuleerde verkiezingen nadat Vásquez door een groepje revolutionairen was verdreven. Trujillo bleek al snel een niets en niemand ontziende dictator te zijn. Hij werd daarbij geholpen door een aardbeving die de hoofdstad Santo Domingo trof en door de economische depressie die de hele wereld teisterde. Trujillo kon daardoor zonder veel problemen de noodtoestand afkondigen en had daarmee vrij spel om zichzelf te verheerlijken en te verrijken.
Hij bouwde ten koste van het land een gigantisch zakenimperium op en alles stond in het teken van deze “grote” staatsman. Standbeelden en portretten van hem waren overal te zien en zelfs de hoofdstad werd naar hem genoemd, ‘Ciudad Trujillo’. Politiek was er niets meer mogelijk. Repressie, martelpraktijken en censuur heersten en alleen de partij van Trujillo werd toegestaan. De Nationale Garde en het leger zorgden er hardhandig voor dat iedere vorm van verzet of protest de kop werd ingedrukt. Degenen die toch een vorm van protest lieten horen werden vaak eenvoudig uit de weg geruimd en met name de Haïtianen die op de plantages werkten hadden het zeer zwaar te verduren. Ze werkten als gastarbeiders op de suikerplantages maar Trujillo was voortdurend bang voor het zogenaamde Haïtianisering. Dit leidde regelmatig tot moordpartijen en in oktober 1937 zelfs tot regelrechte genocide, 20.000-30.000 Haïtianen werden koelbloedig vermoord.
Eind jaren vijftig kwam er wat beweging in de Dominicaanse Republiek door binnen- en buitenlandse protesten. Ook het verdrijven van dictator Batista in Cuba (1959) door Fidel Castro, zorgde voor hoop in de Dominicaanse harten.
Cuba en andere progressieve Midden-Amerikaanse en Caribische landen spraken openlijk hun steun uit aan Dominicaanse dissidenten. De Verenigde Staten streefden ernaar Trujillo door een humane regering te vervangen. Trujillo maakte toen de grote fout om opdracht te geven om de Venezolaanse president Rómulo Betancourt te vermoorden. Dat mislukte en Trujillo werd meteen geïsoleerd, zowel politiek, door de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), als door de Amerikanen met een economische boycot. Op 30 mei 1961 werd Trujillo door militairen vermoord en kwam er eindelijk een einde aan de al jaren durende noodtoestand.

Eindelijk weer vrije verkiezingen

Joaquín Balaguer, feitelijk een stroman van Trujillo, werd tot aan de verkiezingen van 1962 president, maar had nog veel last van de Trujillo-clan. Toen deze clan uiteindelijk verdwenen was, door al hun bezittingen te confisqueren, werden de eerste vrij verkiezingen sinds Trujillo aan de macht gekomen was, gehouden. Ze werden gewonnen door de Revolutionaire Democratische Partij van de linkse, onder de boeren en stedelijke arbeiders populaire Juan Bosch. De verhoudingen met het leger waren veel problematischer en kostten hem uiteindelijk de kop. Hij wilde de macht van de militairen beperken maar die stonden dat niet toe.
Al na een half jaar werd Bosch afgezet en verbannen door kolonel Wessin y Wessin. Er ontstond een tweedeling in het land: de Katholieke Kerk, de militairen de grootgrondbezitters tegenover de vakbonden, studenten en de partij van Bosch. In 1965 sloten vooruitstrevende militairen zich aan bij de progressieven en eisten gezamenlijk het herstel van de democratie. Er dreigde een burgeroorlog te ontstaan maar de Verenigde Staten greep snel in. Op 28 april 1965 landden de eerste Amerikaanse troepen om de zaken in goede banen te leiden en zo een tweede Cuba te voorkomen.

Periode Balaguer

De eerste acht jaar onder Balaguer (1966-1974) waren economische gezien zeer succesvol met een gemiddelde groei van 10% per jaar. Door de hoge suikerprijzen en toenemende export kon er ook veel gebeuren aan de infrastructuur, de energievoorziening, en met name de culturele ontwikkeling van het land werd door Balaguer zeer nagestreefd. Sociaal- politiek was de groei veel minder want de mensen op het plattelandland leefden nog vaak in grote armoede.
Na 1974 daalden de suikerprijzen en stegen de olieprijzen en dat had grote gevolgen voor economie en samenleving. Financieel raakte het land in de problemen en om de morrende bevolking enigszins in toom te houden nam de onderdrukking weer toe en waren geweld, intimidaties en moorden aan de orde van de dag. Er waren zelfs speciale moordcommando’s die tegen studenten en vakbondsleiders optraden.

Periode Guzmán

Door de economische situatie en de repressie leek Balaguer de verkiezingen van 1978 te gaan verliezen. De PRD onder leiding van Antonio Guzmán was een serieuze bedreiging voor Blaguer. Guzmán leek te gaan winnen en op dat moment haalde het leger alle stembussen in beslag. Er dreigden massademonstraties en stakingen, maar onder druk van de Amerikaanse president Carter werden de stembussen weer teruggeplaatst. Wat er al aan zat te komen gebeurde ook; Guzmán boekte een eclatante zege, maar de nieuwe regering erfde de bijna failliete boedel met een schuld van miljarden dollars.
Daar kwam nog bij dat de Dominicaanse Republiek in 1979 zwaar getroffen werd door de orkaan David: meer dan 1000 doden, 400.000 daklozen en honderden miljoenen euro’s schade. Van de door Guzmán voorgenomen economische en sociale hervormingen kwam dan ook maar weinig terecht.
De levensstandaard nam wel iets toe en de voedselproductie steeg aanzienlijk. Bij de volgende verkiezingen zou Guzmán niet mee doen. Vlak na de verkiezingen pleegde hij zelfmoord toen bleek dat zijn dochter en schoonzoon bij corruptie betrokken waren.

Periode Blanco

De opvolger van Guzmán werd Salvador Jorge Blanco, die meteen onder druk werd gezet door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. In een economisch zeer moeilijke tijd werd de Dominicaanse Republiek door deze twee organisaties gedwongen om de economie te liberaliseren. Door steeds maar stijgende voedselprijzen vonden er in 1984 en 1985 opstanden plaats die hardhandig door het leger werden neergeslagen en meer dan honderd mensen het leven kostten.
Balaguer profiteerde van deze situatie door in augustus 1986 met de nieuwe Sociaal-Christelijke Reformistische Partij (PRSC) de parlementsverkiezingen te winnen. Hij werd daarmee voor de vijfde keer president van de Dominicaanse Republiek. Hoewel de economische omstandigheden nog steeds moeilijk waren zette hij toch zijn herstelprogramma door en werd er geld vrijgemaakt voor nieuwe wegen, scholen en ziekenhuizen. Ook in 1990 en 1994 versloeg Balaguer de oppositiekandidaten van PRD en PLD, en ook nu werd hij beide keren beschuldigd van verkiezingsfraude.

Periode Fernández

De presidentsverkiezingen van 1996 werden gewonnen door de technocraat Lionel Fernández Reyna van de Dominicaanse Vrijheidspartij (PLD). De oudjes Balaguer (89 jaar) en Bosch deden deze keer niet mee. Enkele van zijn doelen waren om de bureaucratie en de corruptie bij de overheid grondig aan te pakken en hij streefde naar privatisering van verliesgevende staatsbedrijven. Een lichtpuntje was alvast dat de verkiezingen voor de gemeenten en het congres in 1998 zonder problemen verliepen, en dat was uniek in de geschiedenis van het land.
Op economisch gebied streefde hij er ook naar om meer samen te werken met andere landen in het Caribisch gebied en Latijns-Amerika.
In een poging een eind te maken aan de corruptie bij de rechterlijke macht verving president Fernández in augustus 1997 alle leden van het Hooggerechtshof. Teneinde politieke benoemingen te voorkomen, verschoof de bevoegdheid om rechters te benoemen van de Senaat naar het nieuw samengestelde Hooggerechtshof.
In september 1998 bracht de orkaan Georges grote verwoestingen aan in de landbouwgebieden. Hoewel de sector zich heeft kunnen herstellen is haar betekenis in de nationale economie afnemend.

21e eeuw

De presidentsverkiezingen van mei 2000 werden gewonnen door de PRD met 49,86% van de stemmen, waarmee Hipólito Mejía president werd. Bij de algemene verkiezingen van mei 2002 kon de regerende PRD, tot ieders verrassing, haar positie zowel op congres- als op gemeentelijk niveau verstevigen.
Op 14 juli 2002 overleed oud-president Balaguer op 96-jarige leeftijd.
In september 2003 werd het noorden van de Dominicaanse Republiek getroffen door een zware aardbeving. De beving met een kracht van 6,5 op de schaal van Richter was de zwaarste die het land sinds 1948 trof, en kostte een persoon het leven. Het epicentrum lag voor de kust van de badplaats Puerto Plata.
Eind mei 2004 werden de Dominicaanse Republiek en Haïti geteisterd door overstromingen als gevolg van langdurige regenval. In de Dominicaanse Republiek vielen honderden doden en gewonden te betreuren en meer dan 10.000 mensen raakten dakloos. Men sprak over de grootste natuurramp in honderd jaar.
Op 16 augustus 2004 werd opnieuw Leonel Fernández van de Partido Liberación Dominicana (PLD) als president geïnstalleerd. De aanloop naar de verkiezingen waren zeer chaotisch, onder meer door het bankschandaal in 2003 onder president Hipólito Mejía. Niettemin verliepen de verkiezingen zelf vrij ordentelijk. Er staat de president echter een immense taak te wachten. Bij lokale verkiezingen en parlementsverkiezingen in mei 2006 heeft de PLD een ruime meerderheid behaald wat de bestuurbaarheid heeft versterkt. Dit zal de weg vrijmaken voor vooruitgang op de agenda van het versterken van staatsinstituties en de modernisering van de economie. Er staat de president nog altijd een immense taak te wachten. Niet alleen op het gebied van economische stabilisatie. Maar ook voor wat betreft de hervorming van de elektriciteitssector, misdaadbestrijding, verbetering van het onderwijssysteem, modernisering van de gezondheidszorg en het uitroeien van corruptie. In mei 2008 is Leonel Fernández opnieuw gekozen als president van de Dominicaanse Republiek.

In mei 2012 wint Danilo Medina nipt de presidentverkiezingen van Hipólito Mejía. In mei 2014 keurt het parlement een wet goed waardoor kinderen van immigranten (voornamelijk uit Haïti)het staatsburgerschap krijgen. Danilo Medina wint in mei 2016 opnieuw de presidentsverkiezingen, dit keer met een ruime meerderheid.


DOMINICAANSE REPUBLIEK LINKS

Advertenties
• KRAS Dominicaanse Republiek aanbiedingen
• Dominicaanse Republiek Zonvakanties WTC
• Dominicaanse Republiek
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Dominicaanse Republiek Hotels
• Cheaptickets Dominicaanse Republiek
• Autoverhuur Sunny Cars Dominicaanse Republiek
• Dominicaanse Republiek Vliegtickets Tix.nl
• Eliza was here

Nuttige links

Dominicaanse republiek Foto's
Dominicaanse Republiek Jouw Pagina (N)
Dominicaanse Republiek Reisbijbel (N)
Dominicaanse Republiek Reisforum (N)
Dominicaanse Republiek Reisfoto's
Dominicaanse Republiek Reislocaties (N)
Dominicaanse Republiek Reisstart (N+E)
Dominicaanse Republiek Startpagina België (N)
Reisfotografie (N)
Reisinformatie Dominicaanse Republiek (N)
Reizendoejezo - Dominicaanse republiek (N)
Romans over Dominicaanse Republiek (N)
Telefoongids Dominicaanse Republiek
Artikelen en Reisverhalen over DOMINICAANSE REPUBLIEK
  10 daagse vrijwilligersreis naar..  kinderen

Bronnen

Bayer, M. / Dominicaanse Republiek
Gottmer/Becht

Creed, A. / Dominican Republic
Chelsea House Publishers

Dominicaanse Republiek
Het Spectrum

Foley, E. / Dominican Republic
Times Books International

Froese, G. / Dominicaanse Republiek
Van Reemst

Langenbrinck, U. / Dominicaanse Republiek
ANWB

Latzel, M. / Dominicaanse Republiek
Elmar

Stow, L. K. / Dominicaanse Republiek
Kosmo

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt October 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems