Steden SLOWAKIJE

SLOWAKIJE   

Prehistorie en oudheid

De oudste archeologische vondsten stammen uit het Vroeg-Paleolithicum, ca. 270.000 jaar geleden, en zijn gevonden in de buurt van Nové Mesto nad Váhom. Deze oude vuurstenen gebruiksvoorwerpen werden gemaakt door middel van een clactonische techniek (bepaalde afslagtechniek).
Andere stenen gereedschappen stammen uit het Midden-Paleolithicum (200.000-80.000 v.Chr.) en zijn gevonden in de Prévôt-grot in de buurt van Bojnice en nabijgelegen locaties. Kunstvoorwerpen die gevonden zijn dateren uit de Paleolithic Stage, inclusief de beroemde kunstzinnig bewerkte schedel van een Neanderthaler, ontdekt in de buurt van Gánovec in Noord-Slowakije.
Homo sapiens-skeletten zijn ook in deze regio gevonden. Uit het Gravettien (genoemd naar de vindplaats, de grot La Gravette in de Dordogne, Frankrijk) zijn zeer veel voorwerpen en overblijfselen gevonden, met name in de riviervalleien van de Nitra, Hron, Ipel, Váh, tot zelfs bij de stad Zilina, en aan de voet van het Virhorlat-, Inovec- en Tríbec-gebergte. Een bijzondere vondst was het oudst bekende vrouwen(venus)figuur gemaakt van een mammoetbot, gevonden in Moravany nad Váhom. Talloze halsbanden gemaakt van schelpen zijn gevonden in Zákovská, Podkovice, Hubina en Radošinaare en dit zijn tevens de oudste bewijzen van handelsactiviteiten tussen de mediterrane wereld en Centraal-Europa.

Al deze vondsten leiden onvermijdelijk tot de conclusie dat er menselijke bewoning is geweest in de Neolithische periode. Het aardewerk van Zeliezovce, Gemer en het Massief van Bukové hory is opmerkelijk geboetseerd, met mooie lijnen gedecoreerd en de eerste pogingen om kleuren te gebruiken. Uit deze voorwerpen blijkt duidelijk de ontwikkeling van een esthetisch gevoel.
Ook zijn er vele grotten ontdekt waarvan de Domnica-grot de bekendste is. De grot is in totaal 6000 meter lang en bewoond tot een diepte van 700 meter. De grot is een van de grootste neolithische vindplaatsen in Europa en was 800 jaar lang bewoond door dezelfde stammen die het aardewerk maakten van het Bukové hory-massief.
De overgangsperiode naar het neolithisch tijdperk wordt gekenmerkt door de komst van Indo-Europese volken, de permanente bewoning, de opkomst van de landbouw, het kappen van bossen om weilanden aan te leggen, het gebruik van metaal en geribbeld aardewerk. Gedurende deze tijd werden er verschillende fortificaties gebouwd waarvan er sommigen nog terug te vinden zijn. De bekendste is Nitriansky Hrádok. Door de centrale ligging van Slowakije werd het vanaf deze tijd een van de belangrijkste handelsknooppunten van Europa, waar o.a. schelpen, amber, juwelen en wapens verhandeld werden.

De bronstijd (2000-800 v.Chr.) kende drie ontwikkelingsstadia. De bekendste cultuur was die van de urnencultuur van de Karpaten en van de Midden-Donau. Het Laat-Neolithicum kenmerkte zich door een groeiend aantal, zich op cultureel gebied verrijkende regio’s. Dit was een direct gevolg van de opkomende koperindustrie in Centraal- en Noord-Slowakije waardoor de bevolking steeds rijker werd. Na het verdwijnen van enkele beschavingen waren het de Lusaciërs die nog sterkere verdedigingswerken en andere grote gebouwen bouwden. In deze tijd trok de handel ook sterk aan en er werden nieuwe landbouwtechnieken ontwikkeld.
De rijkdom van dit volk nam snel toe en er werden op grote schaal mooie wapens, schilden, juwelen, borden en beelden gemaakt. Dit goede leven werd ruw onderbroken door Thracische stammen en de lokale machthebbers verdwenen gedurende de laatste periode van het ijzertijdperk. Dit gebeurde na veldslagen tussen Scytho-Thracische volken en Keltische stammen die via Slowaakse rivieren van het zuiden naar het noorden trokken. De overwinning van de Kelten markeert het begin van de late ijzertijd. Maar ook aan dit tijdperk kwam een einde door Germaanse invasies en de expansie van het Romeinse rijk.
De Romeinse periode begon in het jaar 6 n.Chr. met een oorlog tegen de stam der Markomannen. Aanvankelijk wisten de Romeinen niet meer dan een klein stukje land op de rechteroever van de Donau en een klein stukje van Zuidwest-Slowakije te bezetten. Pas in 174 penetreerde Marcus Aurelius dieper het land in via de riviervalleien van de Váh, Nitra en Hron. Na de ineenstorting van het Romeinse rijk werd Slowakije overvallen door verschillende volken gedurende het tijdperk van de grote Volksverhuizingen. De laatste etnische groep die in Slowakije arriveerden voor de Slaven, waren Goten, die door de Hunnen en Lombarden oostwaarts opgejaagd werden.
De Hunnen staken in 377 de Donau over en bezetten Pannonië en dat zou 75 jaar duren. Vanuit deze basis ondernamen zij hun rooftochten in West-Europa. In 451, onder leiding van Attila de Hun, staken ze de Rijn over, plunderden onder meer Gallië en staken zelfs de Pyreneeën over. Na de dood van Attila in 453 verdwenen de Hunnen weer net zo snel als ze gekomen waren.

Middeleeuwen

In 568 viel een oer-Mongoolse stam, de Avaren, de regio Midden-Donau binnen. Hierdoor ontstond het Samo-rijk (genoemd naar de Frankische koopman Samo), dat zich sterk verweerde tegen de Avaren. Het was het eerste politieke verbond van de Slaven, die in 631 het Frankische leger van koning Dagobert in de buurt van Vogatisburg versloegen en zo onafhankelijk werden van de Franken en de Avaren. Het rijkje verdween echter weer in 665 na de dood van Samo. De suprematie van de Avaren in deze regio eindigde in 803. Dat was het jaar waarin Karel de Grote, met behulp van de Slaven in de regio’s ten noorden van de Donau en van het prinsdom Nitra, de Avaren versloeg. Hierna assimileerden de Avaren zich met de Slavische bevolking.

De Slaven van de Donau leden hevige verliezen bij het bedwingen van twee grote invasies van Aziatische stammen. Maar ze hielden stand en voorkwamen zo dat nog meer Aziatische stammen Europa konden terroriseren.
Een derde invasie volgde van zes Magyar-stammen, die plaatsvond aan het einde van de negende eeuw.

Ontstaan Slaven-staten

De eerste keer dat er gesproken wordt over een Slavische prins in de buurt van Pannonia, was in 803. In 805 wordt er weer melding gemaakt van een Slavische prins in het Midden-Donau gebied, namelijk prins Vratislav, heer van kasteel Bratislava. In 822 werden er door de Slaven gezanten gestuurd naar keizer Lodewijk I de Vrome in Frankfurt en in 828 zegende de aartsbisschop van Salzburg de kerk in van het hof van prins Pribina in Nitra. De oudste vermeldingen over de kerstening van de Slaven dateert al va de zevende eeuw, door bisschop Amand uit Belgica. Na hem zouden er veel Ierse en Schotse missionarissen volgen.
In 833 vond er een belangrijk politieke gebeurtenis plaats. Prins Mojmír I, van het prinsdom Moravië, veroverde het prinsdom Nitra en creëerde aldus een soort verenigde Slavische staat, het Groot-Moravische rijk. Prins Pribina vluchtte en bezette nadien het Trans-Donau gebied Pannonia en stichtte daar het prinsdom Balaton. Na zijn dood in 861 werd hij opgevolgd door zijn zoon Kocel. Het rijk van Mojmír werd verder gekerstend door de Franken, maar ook de aanwezigheid van ijzer, zilver en koper trok de Franken erg aan. Dit was ook de reden dat Lodewijk II de Duitser het koninkrijk binnentrok, Mojmír I afzette en zijn zoon Ratislav in 846 de troon overnam.

Prins Ratislav I bleek een doelmatig en wijs vorst te zijn. Zo maakte hij een eind aan de agressieve bedoelingen van de Oost-Franken door een verbond aan te gaan met de Bulgaren in 853. Hij weerstond ook verschillende aanvallen van de Franken en sloot uiteindelijk in 857 vrede met hen. Ratislav zag ook het belang van verdere kerstening in en vroeg de paus in 861 om een bisschop te sturen. Dit verzoek werd niet ingewilligd waarna Ratislav zich wendde tot de Byzantijnse keizer Michael III met dezelfde vraag. Deze stuurde twee apostelen, Cyrillus en Methodius uit Saloniki in Griekenland. Zij waren het ook die, al in Byzantium, het eerste Slavische alfabet (glagolitisch alfabet) maakten en verschillende religieuze werken vertaalden in het Slavoons of Oud-Slavisch. Eenmaal aangekomen in het prinsdom van Ratislav gingen de twee voortvarend te werk en stichtten o.a. de eerste Slowaakse school in 863.
Tussen 869 en 871 verhevigden de aanvallen van de Oost-Franken en werd Ratislav gevangen genomen. Hij werd opgevolgd door Svätopluk I die de legers van Lodewijk wist te weerstaan en zijn onafhankelijkheid behield. In 880 werd Svätopluk door paus Johannes VIII tot koning gekroond waardoor het
koninkrijk onder bescherming van de Heilige Stoel viel.
Na de dood van Svätopluk in 894 viel het op dat moment grootste Centraal-Europese rijk snel uit elkaar en verdween na aanhoudende aanvallen door legers van de samenwerkende Beierse en Hongaarse legers. De desintegratie van het rijk was trouwens al eerder begonnen in 895 toen de hertogen van Bohemen (nu: Tsjechië) zich afscheidden van het rijk van Svätopluk.

In 897 probeerde Mojmír II tevergeefs Bohemen te heroveren en in 898 brak er een strijd om de troon uit tussen koning Mojmír II en zijn broer Svätopluk II. Mojmír II wist ook nog af te rekenen met vijandige Beierse legers en het lukte hem ook om Svätopluk II in het gevang te gooien. In 899 werden de Slaven wederom aangevallen door de Beierse legers en werd Svätopluk door hen bevrijd. In 900 wist Mojmír opnieuw aanvallen van Tsjechische en Beierse legers af te slaan. In hetzelfde jaar herbevestigde de paus een aartsdiocees en drie diocesen in het Slavische rijk en in 901 sloten Lodewijk IV de Jongere en Mojmír II een vredesovereenkomst in Ratisbonne. In 902 en 906 sloeg Mojmír twee aanvallen van de Magyaren af, maar bij de volgende aanval sneuvelden zowel Mojmír II en Svätopluk II en de Magyaren bezetten de zuidelijke regio’s van Slowakije. Dit zou het begin van het einde betekenen van de onafhankelijke Slavische staat.
De Magyaren (Hongaren) bezetten na het uiteenvallen van het Slavische rijk de vlakte tussen de Tisa en de Donau, maar namen de leefstijl, religie etc. over van de Slaven. Ondanks dat ondernamen ze ook vaak aanvallen op Duitse gebieden. Pas in 955 werden de Magyaren in de Slag bij Augsburg definitief verslagen door koning Otto I de Grote. Het territorium van het hedendaagse Slowakije ging tot het einde van de 11e eeuw langzaamaan volledig op in een multinationale Hongaarse staat waar de Hongaren een minderheid vormden. Tot 1106 bleef Slowakije met een speciale status in het prinsdom ‘Tertia pars Regni’ met Nitra als hoofdstad.

In 997 stierf het hoofd van de Magyaren, Geza, en kwam de kwestie van de troonsopvolging ter sprake. Er brak een oorlog uit tussen zijn zoon Vajko en de heiden Koppany. Vajko was genoodzaakt te vluchten naar Slowakije en zocht hulp bij de kruisvaarders en versloeg de opstandige heidenen. In 1000 besteeg Vajko als Stefanus I de Heilige de Hongaarse troon. Paus Sylvester gaf hem de titel van koning en een kroon waardoor hij de eerste koning van Hongarije zou worden. Het Slowaakse deel van Moravië werd losgemaakt van de andere Slowaakse gebieden en werd een onderdeel van het hedendaagse Tsjechië. De Slowaakse gebieden waren in die tijd vaak het toneel van bloedige veldslagen tussen de Hongaren en de buurlanden. Dit kostte vele mensenlevens en dat werd nog versterkt door de bloedige invasies van de Tataren in 1241-1243, met massaslachtingen en hongersnoden.
Slowakije was in die tijd, tot aan de Turkse expansiedrift, het rijkste en meest ontwikkelde gebied van Hongaarse rijk. Dit was ook de reden dat een aantal Slowaakse steden koninklijke voorrechten kregen: Trnava in 1238, Zvolen, Krupina en Stary Tekov in 1240, Nitra en Košice in 1248, Banská Štiavnica in 1255, Banská Bystrica in 1255, Gelnica in 1270 en Bratislava in 1291. De deelname van Slowaken in het openbare leven werd bevestigd in het ‘Privelegum pro Slavis’ in 1381, waarbij koning Lodewijk I, bijgenaamd 'de Grote', de Slowaken de helft van de zetels in de gemeenteraden gaf.

Turkse invasie

In 1526 leden de Hongaarse legers een catastrofale nederlaag bij Mohacs waardoor het Hongaarse rijk in drieën verdeeld werd en in feite ophield te bestaan.
Het Ottomaanse (Turkse) rijk bezette het hedendaagse Hongaarse grondgebied en maakte er een Turkse provincie van. Transsylvanië werd een Turks protectoraat van waaruit de anti-Habsburgse opstanden door Hongaarse edelen geleid werden in de periode 1604-1711. Al deze opstanden vonden trouwens plaats op Slowaaks grondgebied.
Her derde deel van het koninkrijk, Slowakije, verzette zich tegen de Turkse bezetting en werd in 1526 een onderdeel van de Habsburgse monarchie. Tegelijkertijd nam de Oostenrijkse vorst de functie van koning van het “koninkrijk Hongarije” over, en de hoofdstad van Slowakije ‘Bratislava’ werd tussen 1526 en 1784 de kroonstad van dit Slowaakse ‘Hongaarse koninkrijk’. Tussen 1526 en 1830 werden en negentien Habsburgse vorsten gekroond in de in Sint Martinus-kathedraal in Bratislava.
Na de Turkse invasie werd het land in feite het slagveld van de Turkse oorlogen en betaalde duur voor de verdediging van het Habsburgse monarchie tegen de Turkse expansiedrift. Niet alleen kostte het veel levens maar Slowakije werd ook beroofd van praktisch al zijn goud en zilver dat daar in de bodem zat en gebruikt werd om de oorlogen te bekostigen.
In 1786 werden de Turken verdreven uit Centraal-Europa en Buda (later Budapest) werd de nieuwe hoofdstad van Hongarije.

Achttiende tot begin twintigste eeuw

Gedurende de 18e eeuw werd er door Slowaakse religieuze leiders een nationalistische beweging opgericht die in nog belangrijker werd in de 19e eeuw. Een sleutelrol speelde de codificatie van de Slowaakse literaire taal door Anton Bernolák in de 18e eeuw en de hervorming van deze taal door L’udovit Štúr in de 19e eeuw. Toch bleef de Hongaarse controle over Slowakije streng en een grote Slowaakse beweging zou pas in de 20e eeuw ontstaan.

De eerste tekenen daarvan werden pas zichtbaar eind 19e eeuw toen het de Slowaken duidelijk werd dat ze bondgenoten moesten vinden in hun strijd. In hun strijd werden de Slowaken goed geholpen door de Tsjechen en in 1896 werd de Tsjecho-Slowaakse Gemeenschap opgericht in Praag om de onderlinge samenwerking te versterken en Slowakije te steunen. Aan het begin van de 20e eeuw bedreigde de groeiende democratisering van het politieke en sociale leven de monarchie en de meeste gehoorde roep was om algemeen stemrecht.
De Slowaken zagen in deze trend naar meer democratie een mogelijkheid om de etnische onderdrukking te verlichten en een doorbraak in de politiek te bewerkstelligen. Het Slowaakse politieke kamp viel uiteen in twee richtingen. De leiders van de Slowaakse Nationale Partij richtten zich sterk op Rusland terwijl het katholieke deel van de Slowaakse politici, geleid door de geestelijke Andrej Hlinka zich richtte op de kleine ondernemingen in Slowakije. Kort voor de Eerste Wereldoorlog richtte men de politieke partij de Slowaakse Publieke Partij op. De Slowaakse liberale intelligentsia, geconcentreerd rond het Hlas (= stem) tijdschrift, volgden eenzelfde weg maar richtten hun pijlen meer op de Tsjecho-Slowaakse samenwerking.
In 1905 werd er een Sociaal Democratische Partij opgericht. Alles bij elkaar genomen behaalden de Slowaken wel enig succes. Zo behaalden de Slowaken in de verkiezingen van 1906 zeven zetels in de Hongaarse assemblee. De regering schrok hier hevig van en de onderdrukking van de Slowaken werd nog wat opgevoerd. Zo werd er besloten om de “magyarisatie” door te zetten en kinderen te verplichten om de eerste vier schooljaren alleen les te krijgen in het Hongaars. De inzegening van een nieuwe kerk liep op relletjes uit en er vielen 15 doden. De Slowaken wilden dat Andrej Hlinka dit zou doen maar dit werd verboden door de Hongaren. Door dit alles steeg het onderhuidse ongenoegen en het verzet onder de Slowaken.

Federatie Tsjecho-Slowakije

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd duidelijk dat de Slowaken vast van plan waren om de dubbelmonarchie van Oostenrijk-Hongarije te verlaten en een onafhankelijke republiek met Tsjechië te vormen. Ook Slowaken die in het buitenland woonden maakten zich sterk voor deze ideeën. En ook Rusland en andere neutrale landen steunden het idee van een Tsjecho-Slowaakse republiek. Een belangrijke figuur was de in Frankrijk wonende Slowaakse generaal Milan Rastislav Stefanik. In Slowakije bestond er over een breed front overeenstemming over de acties van Stefanik en de Tsjech Masaryk. In het turbulente laatste jaar van de oorlog vonden er wat kleine opstanden plaats in Slowakije en vond er een geheime ontmoeting plaats in Liptovsky Mikulas op 1 mei 1918. Uiteindelijk werd op 28 oktober 1918 de onafhankelijke republiek Tsjecho-Slowakije (bestaande uit Bohemen, Moravië, een klein deel van Silezië en Slowakije) uitgeroepen door het Nationaal Commité Praag en twee dagen later stemde de Slowaakse Nationale Raad in met deze Praagse proclamatie.

In oktober 1918, op het einde van de oorlog, maakte Slowakije zich los van het Oostenrijk-Hongaarse Rijk en werd opgenomen in de nieuwe Tsjecho-Slowaakse Republiek, die toen bestond uit Bohemen, Moravië, een klein deel van Silezië en Slowakije. Binnen de grenzen van deze nieuwe republiek woonden nog wel enkele honderdduizenden Hongaren. Er werd een parlementair democratisch gekozen regering gevormd, en de nieuwe hoofdstad werd Praag. Vanaf het begin waren er echter grote verschillen tussen beide bevolkingsgroepen. Zo waren er alleen al veel meer Tsjechen dan Slowaken en was de Slowaakse economie vooral een agrarische en daardoor veel minder ontwikkeld dan de Tsjechische economie. Veel Slowaken waren praktiserende katholieken terwijl de Tsjechische leiders de macht van de kerk sterk wilden beknotten. Verder hadden de Slowaken nog niet zoveel ervaring in zelfbestuur dan de Tsjechen en lag het opleidingsniveau lager.
Deze verschillen, gevoegd bij de in de Tsjechische stad Praag zetelende regering zorgden altijd voor spanningen tussen beide bevolkingsgroepen. Tussen de twee wereldoorlogen deed probeerde de Tsjecho-Slowaakse regering om Slowakije te industrialiseren, een poging die gedoemd was te mislukken door de wereldwijde economische depressie in de jaren dertig. De Slowaken waren erg ontevreden over de samenvoeging met Tsjechië en de economische en politieke overheersing door de Tsjechen en al snel staken extreem nationalistische bewegingen de kop op.
Andrej Hlinka en zijn beruchte opvolger Jozef Tiso werden door een groot gedeelte van de bevolking gesteund in hun streven naar gelijkheid tussen Tsjechië en Slowakije en naar een grotere autonomie voor Slowakije.

Tweede Wereldoorlog

Naast interne conflicten, leidde de opkomst van Hitler-Duitsland in de jaren dertig van de vorige eeuw tot het ter ziele gaan van de Tsjechoslowaakse federatie. In 1938 wilden de geallieerden een nieuwe oorlog voorkomen en sloten het “Pact van München”. Hierdoor werd Sudetenland van Tsjecho-Slowakije afgenomen omdat daar veel Duitsers woonden.
De Slowaken namen aan dat de federale regering de Slowaakse belangen niet afdoende kon behartigen. Daarop riepen de Slowaakse leiders een autonome provinciale regering en een neuwe grondwet uit, en creëerden hiermee de kortdurende Tweede Tsjecho-Slowaakse Republiek. Bevreesd als men was om opgedeeld te worden tussen Duitsland, Polen en Hongarije, besliste de Slowaakse regering om zich uit de federatie terug te trokken en op 14 maart 1939 werd de eerste onafhankelijke Slowaakse republiek uitgeroepen en Tiso werd de nieuwe regeringsleider.

Als onafhankelijke republiek kwam Slowakije aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog onder zware invloed en bescherming van de Duitsers te staan. Tiso stond toe dat Duitse troepen in augustus 1939 Slowakije mochten bezetten en zodoende werd Slowakije als een bondgenoot van Duitsland de Tweede Wereldoorlog ingetrokken. De Slowaakse regering was sterk verbonden met de nazi-partij in Duitsland en dat betekende onder andere dat tussen 1942 en 1944 ongeveer 70.000 joden en andere “ongewenste” individuen naar concentratiekampen afgevoerd werden.
Hoewel sommige Slowaken achter de regering stonden, ontstond er ook een verzetsbeweging die in 1944 een opstand tegen de Duitsers organiseerde. Toen de oorlog in 1945 eindigde, werd de Republiek Tsjecho-Slowakije weer in het leven geroepen. Premier Tiso werd opgehangen voor verraad en collaboratie met de Duitsers en ook andere hoge partijfunctionarissen werden streng gestraft.

Tsjecho-Slowakije onder het communisme

Tussen 1945 en 1948 werd Tsjecho-Slowakije geregeerd door een coalitie met o.a. de communisten. De communisten bezetten veel belangrijke posities in de regering maar hadden lang niet zoveel aanhangers als in Tsjechië.
In februari 1948 lokten de communisten een politieke crisis uit en namen de regering volledig over. Onder het leiderschap van de Slowaak Gustáv Husák werd daarna de economie de regering volledig gericht op die van de Sovjet-Unie. De staat controleerde alle fabrieken en vele andere bedrijven, particulier bezit werd afgeschaft en boeren werden verplicht te gaan werken op collectieve boerderijen waar alles gedeeld moest worden, zowel land als gereedschappen. Verder werd alle oppositie tegen de communisten monddood gemaakt en probeerde men de invloed van de kerken te verminderen. Tsjecho-Slowakije was vanaf die tijd formeel een een-partij-staat.

In de jaren zestig van de vorige eeuw richtten partijleiders en intellectuelen een beweging op die het communistische systeem moest hervormen. De beweging, onder de naam “Praagse Lente”, werd geleid door Alexander Dubcek, een Slowaakse communist die in januari 1968 leider van de Tsjechische Communistische Partij werd. De Sovjets vreesden dat hun invloed door de aangekondigde hervormingen aangetast zou worden en op 21 augustus 1968 vielen Sovjet-troepen, militair gesteund door andere Oost-Europese landen, Tsjecho-Slowakije binnen. Het resultaat was dat alle hervormingen werden teruggedraaid en Dubcek werd vervangen door Husák in april 1969. Hij werd uiteindelijk, samen met veel aanhangers, uit de communistische partij en andere maatschappelijk organisaties gezet.
De partij controleerde het hele sociale leven weer en de pers werd de mond gesnoerd. Toch werd er een succesje geboekt toen in 1969 een nieuwe federale socialistische republiek werd opgericht die de Tsjechen en Slowaken wat meer autonomie over lokale zaken verschafte. In de jaren zeventig en tachtig nam het verzet tegen de communistische overheersing langzaam toe, maar dat gebeurde in Tsjechië en Slowakije op verschillende manieren.
In Tsjechië nam een sterke politieke organisatie als Charta ’77 het heft in handen. In Slowakije daarentegen gebeurde het vooral ondergronds en in de privé-sfeer, en dan met name via het katholicisme om zich af te zetten tegen het atheïstische communisme. In deze periode werden er veel pelgr/images en religieuze vieringen georganiseerd die zoveel mensen op de been brachten, dat ze op regelrechte nationalistische demonstraties uitliepen.

Tsjecho-Slowakije na het communisme

In 1989 rolden opstanden tegen de communistische regimes over Oost-Europa. In november van dat jaar organiseerden de Tsjechen en Slowaken gezamenlijk massale protesten tegen de communistische regering. Nog geen maand later stapten de communistische leiders op en werden vervangen door niet-communisten. In Slowakije werd de beweging Volk Tegen Geweld (VTG) opgericht waarin politieke dissidenten, intellectuelen en katholieken streefden naar een open en democratische samenleving.
De eerste vrije federale verkiezingen sinds 1946 werden in juni 1990 gehouden. De VTG won de verkiezingen in Slowakije en Havel werd gekozen als president van Tsjecho-Slowakije enMariánCalfa, een Slowaak, werd vice-president.

In Slowakije zelf werd de niet-communistische regering aanvankelijk geleid door Vladimir Meciar, een lid van de VTG, en in 1991 door Ján Carnugorský, de leider van de Christen Democratische Beweging. Een van de belangrijkste taken van de Tsjecho-Slowaakse regering zou worden het veranderen van de economie een gebaseerd op vrij ondernemerschap. Men begon met een massaal privatiseringsprogramma en probeerde buitenlandse investeerders aan te trekken.
Terwijl deze ontwikkelingen in gang werden raakte de verhouding tussen de twee republieken steeds geprikkelder. Slowakije had een verouderd, inefficiënt op de defensie georiënteerde industrie en de overgang naar een markteconomie ging hier gepaard met grote werkloosheid en economisch zeer moeilijke tijden. Tsjechië daarentegen was industrieel veel verder ontwikkeld en deze situatie leidde ertoe dat de Tsjechen en Slowaken verschillende visies op de toekomst hadden. Ook verschilden ze van mening hoe macht verdeeld mest worden tussen de federale regering en de deelregeringen van Tsjechië en Slowakije. Deze verschillende inzichten compliceerden het economische hervormingsproces en hielde een nieuwe federale grondwet tegen.

Tsjecho-Slowakije valt uiteen

De resultaten van de verkiezingen in 1992 lieten precies zien hoe de verhoudingen op dat moment lagen. De liberale HZDS van de Slowaak Vladímir Meciar en de conservatieve Unie van Democratische Burgers (ODS), geleid door de Tsjech Václav Klaus werden de grootste partijen in het parlement, en beiden werden ze premier in hun eigen republiek. De meningsverschillen namen nog meer toe en al snel bleek dat geen enkele federale vorm beide partijen tevreden kon stellen.

In juli 1992 verklaarde Slowakije zichzelf tot een soevereine staat, wat betekende dat alle Slowaakse wetten boven de federale wetten gesteld worden. In de herfst van dat jaar onderhandelden Meciar en Klaus over het opsplitsen van de federatie. In november besliste het federale parlement om het land per 31 december officieel te splitsen, ondanks peilingen die uitwezen dat de bevolking dit niet zo zag zitten. Januari 1993 was het zover: Tsjecho-Slowakije werd vervangen door twee onafhankelijke staten, Slowakije met de hoofdstad Bratislava en de Republiek Tsjechië met als hoofdstad uiteraard Praag. Deze geruisloze deling wordt de “Fluwelen Revolutie” genoemd.

Slowakije onafhankelijk

Onder Meciars leiderschap vertraagde het proces van privatisering in Slowakije. In februari 1993 werd Michal Kováctot president gekozen. Hoewel een partijgenoot van Meciar ontstonden er al vrij snel problemen tussen deze twee mensen en dus ook in de Slowaakse regering. Meciar’s positie werd verder ondermijnd door het ontslag nemen van een aantal partijafgevaardigden begin 1994. In maart trad Meciar af na een motie van wantrouwen in het Slowaakse parlement. Een interim-coalitieregering bestaande uit een aantal partijen werd samengesteld met Jozef Moravcik van de Democratische Unie van Slowakije als premier. Moravcik’s regering pakte het privatiseringsproces weer op en probeerde meer investeerders naar Slowakije te halen.

Ondertussen waren er ook nog grote problemen met de Hongaarse minderheid in Slowakije, die ijverden voor culturele autonomie en onderwijsvrijheid. In mei 1994 werd er een wet aangenomen waarin de etnische Hongaren hun originele naam konden laten registreren. Vroeger moesten de Hongaren hun naam veranderen in een Slavische vorm.

De verkiezingen in de herfst van 1994 werden gewonnen door de HZDS van Meciar met 35% van de stemmen en hij wilde een regering gaan vormen met de ultranationalistische Slowaakse Nationale Partij, hoewel deze met geen mogelijkheid een meerderheid konden vormen met elkaar. Dit probleem loste zich op toen de linkse Verenigde Slowaakse Arbeiders in de coalitie van Meciar ging zitten. De nieuwe regering werd in december geïnstalleerd en Meciar werd voor de derde keer premier. Moravcik’s liberale plannen werden weer helemaal teruggedraaid en radio en televisie kwamen weer onder controle van de staat en de privatisering van staatsbedrijven stopte voorlopig weer.
Dit tot grote ongerustheid van de westerse landen. De volgende maanden liepen de spanningen tussen Meciar’s regering en president Kovác weer op en ontspon zich een verbeten machtsstrijd. Er volgde een motie van wantrouwen tegen de president maar die had geen gevolgen omdat de benodigde drievijfde meerderheid ontbrak. In maart 1998 zat de ambtstermijn voor Kovácerop zonder dat er een opvolger voorhanden was. In zo’n bijzonder geval neemt het parlement grondwettelijk een aantal taken en bevoegdheden over en bovendien had Meciar er geen enkele moeite mee dat er voorlopig geen president zou zijn.

Bij de in 1998 gehouden parlementsverkiezingen bleef de HZDS van Meciar ondanks fors verlies de grootste partij, maar de uitslag leverde geen meerderheid op voor de bestaande regeringscoalitie. Een maand later vormden vier oppositiepartijen een nieuw kabinet met SDK-voorzitter Mikulás Dzurinda als premier.
Eind mei 1999 werd Rudolf Schuster, kandidaat van de regeringscoalitie, met 57,2% van de stemmen tot president gekozen (opkomst 75,5%). Voordien werd de president door het parlement gekozen, maar doordat men het niet eens kon worden over een kandidaat, was de functie sinds maart 1998 vacant. Door een grondwetswijziging waren in najaar 1998 directe presidentsverkiezingen mogelijk geworden.
Ondanks felle kritiek van de regeringspartij SMK nam het parlement in juli 1999 de wet op de minderheidstalen aan, volgens welke minderheden hun moedertaal mogen gebruiken in contact met de overheid in plaatsen waar ze 20% van de bevolking uitmaken. Dit besluit betrof met name de Hongaarse minderheid.
In september 1999 kondigde de Slowaakse regering een speciaal onderwijsprogramma aan voor de Roma, terwijl een Slowaakstalig schoolboek werd geïntroduceerd over de geschiedenis van deze groep.

21e eeuw

De presidentsverkiezingen van april 2004 werden verrassend gewonnen door Ivan Gašparovic, die daarmee Rudolf Schuster opvolgde. Vladimir Meciar was met ruim een derde van de stemmen de winnaar van de eerste ronde, en men nam algemeen aan dat de oud-premier in de tweede ronde het ambt voor zich op zou eisen. Het tegendeel gebeurde echter: de 63-jarige Gašparovic wist in de tweede ronde bijna zestig procent (opkomst rond de 30%) van de kiezers voor zich te winnen.

Op Gašparovic steunde Meciar nog in de jaren negentig van de vorige eeuw, toen Slowakije langzaam instabiel en geïsoleerd raakte. In 2002 distantieerde Gašparovic zich officieel van Meciar en richtte zijn eigen partij op.

1 mei 2004 trad Slowakije toe tot de Europese Unie. De verrassende uitkomst van de op 3 en 17 april 2004 gehouden presidentsverkiezingen, waarin Ivan Gašparovictot president werd gekozen, wordt door velen toegeschreven aan de steun van de sociaaldemocratische oppositiepartij SMER. De regeringsleider is Robert Fico sinds 4 juli 2006. In juli 2008 geeft de EU het groene licht aan Slowakije om per 1 januari 2009 de Euro in te voeren. In april 2009 wordt Ivan Gašparovic herkozen als president.

In juli 2010 wordt Iveta Radicova premier van een centrumrechtse coalitie na verkiezingen in juni. In oktober 2011 valt de coalitie over een bezuinigingsplan van de EU. Er komen vervroegde verkiezingen in maart 2012. Deze verkiezingen worden gewonnen door de linkse oppositiepartij Smer onder leiding van Robert Fico die ook tot nieuwe premier wordt gekozen. Bij regionale verkiezingen in november 2013 wint de uiterst rechtse anti-Roma partij ons Slovenië één van de provincies. De andere provincies worden geregeerd door de sociaaldemocraten van Fico. In maart 2014 wint Andrej Kiska de presidentsverkiezingen. Sinds maart 2016 is Fico premier van een coalitieregering nadat zijn partij de verkiezingen won.


SLOWAKIJE LINKS

Advertenties
• Cheaptickets Slowakije
• Bratislava Hotels
• Slowakije Vliegtickets WTC
• SRC Cultuurvakanties Slowakije
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Slowakije Sawadee Reizen
• Transport Slowakije - TTS Quality Logistics B.V
• Bratislava Vliegtickets Tix.nl
• Autoverhuur Sunny Cars Slowakije
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Eliza was here

Nuttige links

Campersite Slowakije (N)
Dieren in Oost Europa (N)
Lies en Teijes Reiswebsite (N)
Reisinformatie Slowakije (N)
Reisverslag Slowakije (N)
Romans over Slowakije (N)
Slowakije 2 Link België (N+E)
Slowakije Middeneuropa (N)
Slowakije Reisbijbel (N)
Slowakije Reisstart (N)
Startpagina Slowakije (N)
Artikelen en Reisverhalen over SLOWAKIJE
  Bratislava en Hoge Tatra MH

Bronnen

Lacika, J. / Tatras
Bolchazy-Carducci Publishers, Inc

Meyer, M. / Tsjechië, Slowakije
ANWB

Samuhel, S. / Mountain walks in the High Tatra
Rother

Wilson, N. / Czech & Slovak Republics
Lonely Planet

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt August 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems