Landenweb.nl

ZAMBIA
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Engels
  Hoofdstad  Lusaka
  Oppervlakte  752.618 km²
  Inwoners  18.064.919
  (mei 2019)
  Munteenheid  Zambiaanse kwacha
  (ZMK)
  Tijdsverschil  +1
  Web  .zm
  Code.  ZMB
  Tel.  +260

Geografie en Landschap

Geografie

Zambia (officieel: Republic of Zambia) is een republiek in zuidelijk Centraal-Afrika. De totale oppervlakte van het land bedraagt 752.614 km2, en daarmee is Zambia ongeveer twintig keer zo groot als Nederland.

advertentie

Zambia Satellietfoto

Photo:Publiek Domein

Zambia is volledig omringd door andere landen en grenst in het noorden en het noordoosten aan de Democratische Republiek Congo (1930 kilometer), in het noordwesten aan Tanzania (338 km), in het oosten aan Malawi (837 km), in het zuidoosten aan Mozambique (419 km) en Zimbabwe (797 km), in het zuidwesten aan Namibië (233 km) en in het westen aan Angola (1110 km).

Landschap

Het Zambiaanse landschap bestaat voor een groot gedeelte uit zacht golvende plateaus met een gemiddelde hoogte van ca. 1100 meter boven zeeniveau. In het oosten en het noorden wordt het geleidelijk aan wat hoger en langs de grens met Malawi komt de hoogte regelmatig boven de 1500 meter uit. Het hoogste punt van Zambia is te vinden in de Mafinga Hills (2301 meter), op de grens met Malawi. Aan de grens met Tanzania rond Mbala ligt een gebied met een gemiddelde hoogte van 1500 meter.

De dalen van de Midden-Zambezi in West-Zambia en van de Luangwa in Oost-Zambia vormen de laagste delen van het land. Het punt waar de Zambezi en de Luangwa samenkomen is met 329 meter Zambia’s laagste punt.

Twee van de grootste rivieren van Afrika ontspringen in Zambia, de Zambezi en de Congorivier. De Zambezi is de vierde rivier van Afrika, na de Nijl, de Congo en de Niger. De Zambezi vormt in het zuiden een grensrivier met Namibië en Zimbabwe en stroomt uiteindelijk na een lange weg in de Indische Oceaan. Ongeveer driekwart van het land behoort tot het stroomgebied van de Zambezi en haar belangrijkste zijrivieren: Kabompo, Kafue en Luangwa. Het overige deel watert af op de Congo en haar zijrivieren de Chambesi en Luapula. De rivieren hebben sterk wisselende waterstanden en zijn door stroomversnellingen en watervallen slecht bevaarbaar. Beroemd zijn de Victoria-watervallen in de Zambezi, ruim 100 meter hoog en bijna twee kilometer breed. De Zambezi stort zich hier donderend omlaag in de lange zigzaggende Batoka Gorge en stroomt dan in het kunstmatige Kariba-meer, dat zich achter de Karaiba-dam gevormd heeft. Het Kariba-meer is 274 kilometer lang en tot 48 kilometer breed.

In het uiterste noordoosten ligt een gedeelte van het Tanganyika-meer. Het Tanganyika-meer is 675 kilometer lang, het tweede diepste meer ter wereld en bevat één-zesde van al het zoete water ter wereld. Ten oosten van het Bangweulu-meer ligt een moeras dat met 10.000 km2 tot het grootste ter wereld behoort.

advertentie

Tanganyika lake, Zambia

Photo:Dave Proffer Creative Commons Attribution 2.0 Genericno changes made

Het grootste deel van de bodem van Zambia bestaat uit een combinatie van zand en leem; West-Zambia is overdekt met een dikke laag uit de Kalahariwoestijn afkomstig zand. In deze streken is dan ook nauwelijks landbouw mogelijk. In het noordoosten en in de Central, Southern en Eastern Province regent het veel meer en daar vinden we kleigrond.

Klimaat en Weer

Zambia ligt relatief vrij hoog, en daardoor zijn de gemiddelde temperaturen lager dan die in veel andere landen van tropisch Afrika. Zambia heeft dan ook een gematigd klimaat met alle kenmerken van een savanneklimaat. Alleen de dalen van de Midden-Zambezi en de Luapula zijn het gehele jaar heet en vochtig met gemiddeld 25°C. In de rest van Zambia bedraagt de gemiddelde jaartemperatuur ca. 22°C.

Over het algemeen is juli de koelste maand (gemiddelde temperatuur te Lusaka 15,4°C) en oktober de warmste maand (idem 24°C).

De regentijd begint in het noorden eind oktober, en duurt ca. zes maanden langer dan in het zuiden. De gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid in het noorden bedraagt 1000-1500 mm en in het zuiden 600-1000 mm.

In Zambia kunnen drie seizoenen worden onderscheiden:

-een koel droog seizoen (april-augustus) waarbij het ’s nachts kan afkoelen tot 4-5°C, met name in juli, de ‘koudste’ maand. De dagtemperaturen op de plateaus variëren van 23-26°C, en in de valleien van 24-28°C.

-een heet droog seizoen (augustus-november) voorafgaand aan de regentijd. De dagtemperaturen op de plateaus variëren van 26-30°C en in de valleien van 38-42°C.

-een warm nat seizoen (november-april) waarin de temperaturen op de plateaus rond 27°C en in de valleien rond 32°C liggen. De luchtvochtigheid ligt in deze periode tussen 70-80%. In de regentijd regent het niet voortdurend, maar wisselen natte en droge dagen elkaar af.

Klimaattabellen

Kabwe (midden)Kasama (noorden)Livingstone (zuiden)
maandmm / °Cmm / °Cmm / °C
Januari251 / 21,2278 / 19,7186 / 23,5
Februari189 / 21,2240 / 19,9145 / 23,2
Maart135 / 20,8229 / 20,277 / 23,2
April30 / 20,083 / 20,226 / 21,9
Mei10 / 17,912 / 18,86 / 18,9
Juni0 / 15,91 / 17,21 / 16,1
Juli0 / 15,90 / 17,10 / 16,0
Augustus0 / 18,61 / 18,90 / 19,4
September1 / 22,02 / 21,62 / 23,9
Oktober21 / 24,224 / 23,226 / 26,1
November87 / 23,0167 / 21,574 / 25,1
December232 / 21,4298 / 20,1170 / 23,8
Jaarlijks gem.956 / 20,11335 / 19,9713 / 21,8

Planten en dieren

planten

De plantengroei in het grootste deel van het land bestaat uit savanne: grasland met een vaak zeer gevarieerde en complexe flora, inclusief kleine bomen, doornig struikgewas, cactussen en klimplanten.

Zambia’s belangrijkste vegetatiezones zijn vrij duidelijk te onderscheiden. Hieronder volgt een overzicht:

Miombo-savanne

Ca. 65% van Zambia, met name de hoger gelegen delen met wat meer regenval, is bedekt met het zogenaamde miombo-savanne. Dit vegetatietype bestaat voornamelijk uit loofverliezende bomen van de Brachystegia-soort; een andere naam voor dit type vegetatie is dan ook Brachystegia-savanne. Sommige gedeeltes zijn wat dichter bebost, andere delen wat minder, maar grote aaneengesloten bossen vindt men hier niet. Tussen de bomen groeit lang gras en andere planten.

Mopane of droge savanne

In de droge, warme valleien bestaat de vegetatie uit mopane-savanne. Belangrijkste bomen vormen hier de tot tien meter hoge Colophospermum mopane.

Ook de baobab groeit in deze streken, o.a. in de nationale parken Lower Zambezi en South Luangwa. De baobab of apenbroodboom heeft een bolvormige stam die als een soort spons gebruikt wordt voor de opslag van water en koolhydraten. De grootste exemplaren, die op Madagaskar voorkomen, kunnen wel 100.000 liter water bevatten.

Munga-savanne

Tussen de miombo- en de mopane-savanne liggen kleine stukken munga-savanne, met name in Zuid-Zambia. Belangrijkste soorten hier, zijn diverse acacia’s, vaak in de vorm van kleine struiken maar soms ook bomen tot tien meter hoog.

Dambo’s

Een dambo is een komvormig stuk grasland, vaak een open plek in het bos, met een vochtig klimaat door regenwater of door grondwater. Sommige dambo’s zijn slechts een paar meter breed, andere zijn zo groot als een voetbalveld.

Mukusi-bossen

De mukusi of Zambezi-teak is een keiharde boomsoort. Er zijn nog enkele bosjes te vinden van deze boomsoort, met name in West-Zambia, ten noordwesten van de stad Livingstone.

Rivierwouden

Langs de oevers van de meeste rivieren komt een dicht bosgebied voor, met voornamelijk winterdoorn, ebbenboom en de niet te missen worstenboom, wat tevens de national boom van Zambia is. De worstboom behoort tot de Kigelia pinnata-familie en deze familie bestaat uit bomen, struiken en klimplanten.

Al deze planten dragen worstvormig fruit, soms één meter lang en tien kilo zwaar. De bomen kunnen meer dan 20 meter hoog worden en ook de bloemen zijn extreem groot.

Regenwouden

In het noordwesten liggen verspreid bij meren en in rivierdalen tropische regenwouden, overblijfselen van de grote regenwouden in Angola en de Democratische Republiek Congo. In de Copperbelt is veel bos aangeplant.

Moerasland

In de buurt van het Mweru- en het Bangweulumeer hebben zich uitgebreide moerassen gevormd, met sterk wisselende waterstanden. Aansluitend op de moerassen zijn uitgestrekte graslanden te vinden.

Dieren

Algemeen

De savannefauna wordt gekenmerkt door grote planteneters als Afrikaaanse olifant (met name in het nationale park South Luangwa), puntlipneushoorn, steppezebra, wrattenzwijn, buffel, talrijke antilopen, en roofdieren als leeuw, panter en gevlekte hyena. De dierenwereld in Zambia lijkt veel op de fauna van Oost-Afrika, hoewel ook heel veel Zuid-Afrikaanse elementen nog voorkomen. Giraffen komen alleen in het uiterste westen en in het oosten voor.

In totaal zijn ongeveer 225 soorten zoogdieren en meer dan 750 vogelsoorten in Zambia bekend. De vrij schaarse bossen behoren tot verschillende typen en herbergen een vaak zeer karakteristieke dierenwereld. Enkele Centraal-Afrikaanse bosvormen met o.a. apen komen in het noordwesten voor.

advertentie

Zoogdieren

De belangrijkste nationale parken van Zambia worden gedomineerd door grote rivieren, en hier komen dan ook grote aantallen krokodillen en nijlpaarden voor. Ook grote kuddes olifanten en Afrikaanse buffels (de enige authentieke Afrikaanse rundersoort) zijn hier te vinden. In de bossen en op de grote grasvlakten grazen grote kuddes zebra’s (Burchell’s en Crawshay’s zebra), impala’s en bijvoorbeeld puku’s, een antilopensoort die vooral in Zambia nog voorkomt.

In de ‘bush’, het struikgewas, komen waterbokken (gewone waterbok en Defassa waterbok) en bosbokken voor, samen met kleine antilopen als duikers en klipspringers. Antilopensoorten als de roan (grote antilopensoort die niet veel meer in zuidelijk Afrika voorkomt, maar nog wel vrij veel in Zambia), de oribi en de suni worden allemaal in hun voortbestaan bedreigd door de afname van het grasland. De Afrikaanse savanne herbergt 70 verschillende soorten antilopen.

Waar veel grazers leven, zijn ook veel roofdieren aanwezig, zoals leeuwen, luipaarden (nationale dier van Zambia), hyena’s en jachtluipaarden (cheetah’s). Wilde honden waren op een gegeven moment bijna uitgestorven in Zambia, maar worden tegenwoordig weer steeds meer gezien. Wilde honden komen verder nog maar in vijf landen voor.

Zwarte neushoorns hebben het echter niet gered; door stropersactiviteiten zijn deze dieren in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw uitgestorven. Enkele witte neushoorns zijn nog te vinden in het Game Park in de buurt van de Victoria-watervallen.

In contrast hiermee staan de gigantisch aantallen lechwe-antilopen. Op de graslanden in buurt van het Bangweulu-meer komen nog veel zwarte lechwe’s voor, een relatief onbekende ondersoort. In West-Zambia is nog een endemische soort te vinden, de Kafue-lechwe.

Kasanka National Park en Bangweulu Wetlands zijn de beste plaatsen om sitatungas te zien, een antilopensoort die vaak in de buurt van moerassen te vinden is. De sitatungas voeden zich terwijl ze in het water staan van ongeveer een meter diep.

Afrika’s grootste antiloop, de elandantiloop heeft geschroefde hoorns van ca. 65 cm. en de mannetjes hebben een schofthoogte van 150-180 centimeter. Ze leven vaak in groepjes 6-12 dieren, maar er zijn ook kuddes van enkele duizenden exemplaren gezien. De grote koedoe is het nationale dier van Zambia.

In de nationale parken South Luangwa en Lower Zambezi zijn giraffes te zien, en Zambia heeft weer een eigen soort, de Thornicroft-giraffe. Dit geldt ook voor het wildebeest, waarvan het Cookson-wildebeest met name te vinden is in Liuwa Plain, een afgelegen graslandgebied in West-Zambia.

Dieren die nauwelijks nog buiten de nationale parken te zien zijn, zijn o.a. de honingdas, de pangolin of geschubde miereneter, verschillende soorten mangoesten en het aardvarken.

Bijzonder zijn de grote en kleine galago’s of ‘bushbabies’. Het zijn nachtdieren die overdag rusten in holle bomen of dicht gebladerte. Ze leven van insecten, bloemen, stuifmeel, honing, zaden en vruchten. Ze kunnen 14 jaar oud worden. Ze behoren tot de lori-achtigen. De grote galago leeft vooral in de Oost-Zambiaanse bossen; de kleine galago komt in het hele land voor.

Een veel voorkomende apensoort is de groene meerkat. Deze soort leeft in groepen van ca. 20 of meer exemplaren en is meestal te vinden in de buurt van water.

Ook bavianen komen veel voor in Zambia. Ze verkiezen vooral bergachtige of bosrijke gebieden. Bavianen vormen troepen van meer dan 100 dieren met een duidelijke hiërarchie.

advertentie

Vogels

Meer dan 750 vogelsoorten zijn er geconstateerd in Zambia, dus een perfect land voor vogelaars en ornithologen. De beste tijd om vogels te bekijken is in het regenseizoen, van november tot en met april. De beste plaatsen om vogels te bekijken zijn de nationale parken.

Bedreigde vogels zijn de Egyptische gier, de Kaapse gier, de bateleur-arend, de schoenbekooievaar, de lelkraanvogel en de Afrikaanse schaarbek. De nationale vogel van Zambia is de Afrikaanse zeearend.

Onderstaand een overzicht van verschillende Zambiaanse vogelgebieden:

Zambezi Valley

De Batoka Gorge staat bekend om zijn vele roofvogelsoorten, waaronder de vleermuishavik, crowned eagle, visarend en de zeldzame Taita-valk. In het Kariba-meer komen grote aantallen Afrikaanse visarenden voor en in de natte periodes is de Afrikaanse pitta een bijzondere verschijning. Achter de Kariba-dam zijn Afrikaanse schaarbek, Pel’s visuil en Livingstone-vliegenvanger specialiteiten van de Lower Zambezi.

Luangwa Valley

Ongeveer dezelfde soorten als in de Zambezi Valley, meer dan 400 soorten zijn hier gesignaleerd. Bijzonder zijn de zwermen regenboogkleurige Lilian’s lovebirds en de duizenden karmijnrode bijeneters die nestelen in de oevers van de rivier. In het regenseizoen waden er vele reigers, ooievaars en zilverreigers door de uitgestrekte ondiepe lagunes.

Kafue River

In het Lochinvar National Park leven duizenden watervogels, o.a. fluiteenden en zwarte reigers. Koperstaartspoorkoekoek, velduil en sprinkhaanvink zijn andere bijzondere bewoners.

Zambia kent maar één endemische vogelsoort, de Chaplin’s baardvogel, en ook deze soort komt hier nog voor.

Het Kafue National Park herbergt lelkraanvogels, zwartwang dwergpapegaai en Boehm’s bijeneters, zadelrugooievaars en grondneushoornvogels of zuidelijke hoornraven.

Bangweulu Wetlands

Bijzondere verschijningen zijn de moeras-tsjagra en de bizar uitziende schoenbekooievaar.

Kasanka National Park

Dit in Noord-Zambia gelegen nationale park herbergt een aantal bijzondere soorten: ijsvogels, Ross-lourie, dwerggans en vele soorten reigers en honingzuigers.

The Far North West

Dit afgelegen oord bij de grens met Angola en de Democratische Republiek Congo is een waar vogelparadijs en hier komen vogelsoorten voor die nergens anders in Zambia voorkomen, waaronder thrush-”lijster”, witgevlekte-“flufftails”, graszangers en zwarte en rosse zwaluwen.

Nyika National Park & the North East

Dit nauwelijks bezochte deel van Noord-Zambia herbergt trogons, Angola-zwaluw, Sharpe’s akalat in de bossen en in het open grasland de bedreigde lelkraanvogels, Denham’s trap, roodvleugelfrankolijn, malachiethoningzuiger en halsbandhoningzuiger.

advertentie

Reptielen

Het voornaamste reptiel van Zambia is de Nijlkrokodil, die wel zes meter lang kan worden. Hoewel behoorlijk in aantal gereduceerd door de jacht en verwoesting van zijn leefgebied, komen ze nog op grote schaal voor.

In geheel Zambia komen veel soorten hagedissen voor. De grootste is een varanensoort, die 1,5 meter groot kunnen worden en in de buurt van waterpoelen leven. Kameleons en gekko’s komen ook veel voor, tot in de hotelkamers toe.

Zambia kent ook veel slangensoorten, zowel giftige als ongevaarlijke soorten. De grootste slang is de python, die meer dan 5 meter lang kan worden.

Gevaarlijke insecten

De tseetseevlieg is één van Afrika’s dodelijke ziektedragende insecten. De vlieg voedt zich met bloed van mensen en vee en is drager van de dodelijke Trypanosomiasis, ofwel slaapziekte.

De malariamug Anopheles brengt de besmettelijke Plasmodium-parasiet over. De koorts die dat kan opleveren kan eveneens dodelijk zijn.

Nationale parken en wildreservaten

Zambia kent een uitgebreid netwerk van nationale parken (19) en wildreservaten. De natuurbescherming is redelijk georganiseerd, maar kampt met stroperij en financiële problemen; bovendien komt het safaritoerisme maar moeizaam op gang. Het bekendst zijn het Kafue National Park en de reservaten in het dal van de Luangwarivier.

De Luangwa Valley behoort tot de rijkste Big Five-gebieden (olifant, neushoorn, buffel, leeuw en luipaard) van Afrika. Nergens komen zoveel dieren voor als in dit gebied, naast de Big Five ook grote krokodillen en veel vogelsoorten.

Geschiedenis

Prehistorie en oudheid

De eerste menselijke bewoning in het huidige Zambia dateert van ca. 200.000 jaar geleden. Gereedschap en bewerkte vuurstenen getuigen daarvan. Een belangrijke archeologische vondst werd in 1921 gedaan, de zogenaamde Broken Hill Man. De schedel die gevonden werd, schatte men op 125.000-300.000 jaar oud, en men beschouwt deze Broken Hill Man als een verre verwant van de Europese Neanderthaler.

Ca. 17.000 jaar geleden trokken bushmen of Twa door de Zambiaanse savannes. Aanvankelijk waren het jagers en verzamelaars, maar later vestigden zich landbouwers in dit gebied. Van dit volk zijn veel rotstekeningen teruggevonden. De tegenwoordige Twa leven nog in kleine groepjes als vissers en verzamelaars in de moerasgebieden van de Kafue en in de buurt van het Bangweulu-meer.

Rond het begin van onze jaartelling kwamen er vanuit het noorden Bantoe-volken naar Zambia. In deze tijd begon men zich ook op grote schaal op een vaste plaats te vestigen. Deze volken brachten nieuwe landbouw- en veeteelttechnieken mee, maar tot in de 19e eeuw leefden de Bantoes (o.a. de Kalomo-stam) en de Twa redelijk gescheiden van elkaar. Vanaf de vijftiende namen de jagers flink in aantal af, omdat er steeds meer landbouwgrond nodig was voor nieuwe immigranten.

De Bantoes hadden gereedschap van ijzer, gebruikten koper en waren bovendien verdienstelijke pottenbakkers. Verder is duidelijk geworden dat ze handel dreven met volken aan de oostkust van Afrika, o.a. in Tanzania.

Het Lunda-Luba rijk

Rond het jaar 1000 trokken nieuwe Bantoe-sprekende volken Zambia binnen en tussen 1100 en 1200 volgden voorouders van de Tonga-stam, die vanuit het Grote Merengebied in Centraal-Afrika naar het zuiden van Zambia trokken, waar ze nu nog steeds wonen.

In de 16e eeuw ontwikkelde zich vanuit de graslanden in Katanga, in het zuiden van het Congo-bekken, het voor deze regio belangrijke Luba-koninkrijk. Nieuw aan dit volk was dat ze een sterk centraal gezag hadden, en zich daardoor vrij gemakkelijk konden uitbreiden ten koste van andere, vaak kleinere volken. Een centraal gezag zorgt ook vaak voor interne spanningen, en dat was in het Luba-rijk niet anders. Als gevolg van dit alles trokken veel stammen weg en stichtten ergens anders nieuwe koninkrijken, vanaf nu ook vaak met een sterk centraal gezag.

Het grootste van deze nieuwe koninkrijken werd het Lunda-rijk, naar wie alle andere koninkrijkjes ook genoemd werden. Deze Lunda-koninkrijkjes kwamen voor in West-, Midden-, en Noord-Zambia en in Oost-Angola. Aan het hoofd van deze rijkjes stond een ‘kazembe’, die een soort gouverneurs aanstelden en het lokaal bestuur overliet aan de vele dorpshoofden. In die tijd was er ook al een uitgebreide ruilhandel (o.a. ivoor) met Europa (o.a. Portugezen) ontstaan.

Belangrijke groepen die uit de Lunda-rijken voortkwamen, waren de Lozi en de Bemba. Zowel de Bemba als de Lozi kwamen vanuit het noorden en het westen (Katanga) het huidige Zambia binnen. De Bemba vestigden zich in de Northern Province en in Luapula. Het waren landbouwers, maar toen dat niet genoeg opleverde werden ze rijk door vanaf de achttiende eeuw met veediefstallen, slavenhandel en veroveringstochten de kost te verdienen. Onder opeenvolgende koningen of ‘chitumuku’s’ werd hun woongebied steeds groter.

De Lozi kwamen eveneens vanuit Katanga naar Zambia. Zij gingen wonen in het overstromingsgebied van de Zambezi-rivier in de Western Province. Door de vele overstromingen ontstond hier een vruchtbaar landbouwgebied dat in die tijd zorgde voor een welvarend Lozi-rijk. Ook de Lozi kenden een strak geleide staatsvorm met een koning of ‘litunga’ aan het hoofd en een uitgebreid netwerk van stamhoofden, die ervoor zorgden dat alles wat met de productie van landbouwproducten en veeteelt te maken had, in goede banen werd geleid.

Door de Zoeloe-oorlogen in zuidelijk Afrika, vluchtten vele mensen van daaruit naar het noorden. Bedreigend waren vooral de Ngoni, die Oost-Zambia binnentrokken, en de Kololo, die het land van de Lozi binnendrongen.

Eind negentiende eeuw waren de Europeanen zover dat ze op grote schaal de mysterieuze binnenlanden van Afrika binnendrongen. In zuidelijk Afrika troffen ze elkaar bestrijdende stammen aan die erop uit waren om zoveel mogelijk land van elkaar af te pakken. In het huidige Zambia bestreden de Bemba en de Ngoni elkaar in het noorden en oosten van het land. In het westen vochten de Kololo en de Lozi tegen elkaar en de Tonga werden in het zuiden aangevallen door de Ndebele.

De eerste Europeanen

De eerste Europeanen die in contact kwamen met de Afrikanen in het binnenland waren de Portugezen. Het waren goudzoekers en ze probeerden ook de kolonies aan de oost- en westkust met elkaar te verbinden.

De Bemba werden vanaf ca. 1840 ingezet als slavenhandelaren, die samen met Arabische en Portugese handelaren slaventochten hielden. Deze slaven gingen naar de plantages in de Portugese koloniën en naar Arabische sultanaten. Grote delen van Zambia hadden onder deze praktijken te lijden, want samenlevingen werden totaal ontwricht.

Halverwege de jaren vijftig van de achttiende eeuw gingen de Britten in onder andere Zambia op zoek naar grondstoffen voor hun industrie. Bekende namen uit deze tijd waren de latere staatsman Cecil John Rhodes en de ontdekkingsreiziger David Livingstone. Livingstone hield zich lange tijd op in de Lozi- en Bemba-gebieden tussen Victoria Falls en het Tanganyika-meer. Hij wilde de bevolking tevens kerstenen en als verklaard tegenstander van de slavernij hun levensomstandigheden verbeteren.

Rhodes was een totaal andere figuur, met andere, vooral economische belangen. Hij was vooral geïnteresseerd in de vele grondstoffen die verborgen zaten in de Afrikaanse bodem en stond volledig achter het streven van de Britten om het gehele Afrikaanse continent in handen te krijgen. Om dit doel te bereiken richtte hij in 1889 de British South Africa Company (BSAC) op. Hij mocht van de Britse koningin Victoria ook onderhandelingen voeren over het bestuur van grote delen van Afrika. Dit lukte hem inderdaad door bedreigde volkeren bescherming te bieden in ruil voor mijnbouwconcessies. Alleen de Vrijstaat Congo werd op dezelfde manier door de Belgen ‘ingepikt’. Later werd de geldigheid van de destijds gesloten overeenkomsten zelfs naar Engels recht in twijfel getrokken; sinds 1973 is de koperwinning geheel in Zambiaanse handen.

In 1895 kreeg het gehele door de BSAC beheerste gebied de naam Rhodesië. Tot 1911 waren Noordwest-Rhodesië en Noordoost-Rhodesië bestuurlijk van elkaar gescheiden. In 1923 kreeg Zuid-Rhodesië (het huidige Zimbabwe) een vorm van zelfbestuur binnen het Britse Rijk, maar Noord-Rhodesië werd in 1924 rechtstreeks onder het ministerie van Koloniën in Londen geplaatst. De koloniale ambtenaren bestuurden het land op basis van de zogenaamde ‘indirect rule’, dat wil zeggen dat de stamhoofden de macht leken te hebben, maar de koloniale ambtenaren het feitelijk gezag voerden en de stamhoofden werden ook door hen gecontroleerd.

Noord-Rhodesië wordt een Britse kolonie

Tot 1 april 1924 behield de BSAC de formele zeggenschap over de beschermde gebieden. Vanaf die datum werd Noord-Rhodesië een Britse kolonie met een door de Britse regering aangewezen gouverneur, die vanaf 1935 zijn standplaats had in de nieuwe hoofdstad Lusaka. De eerste Wetgevende Raad bestond aanvankelijk volledig uit blanken, pas in 1938 werden Afrikanen toegelaten.

Tot die tijd hadden de lokale leiders en ‘chiefs’ alleen nog wat te vertellen over hun eigen mensen, maar verder bepaalden de Britten alles wat er in het land gebeurde. Zo werd er in 1900 een zogenaamde ‘native tax’ ingevoerd, waarbij er voor de arme bevolking niets anders opzat dan voor de blanken te gaan werken in de mijnen en op de plantages, om zo aan het benodigde geld te komen. Deze bedrijven lagen vooral in Congo, Zuid-Rhodesië (later Zimbabwe) en Zuid-Afrika.

Noord-Rhodesië diende begin 20e eeuw als arbeidsreservoir, voedselproducent en doorvoerland voor mineralen vanuit Katanga, een gebied tussen Zambia en de Vrijstaat Congo van de Belgen. Tot 1928 bestond alleen de mogelijkheid via een spoorlijn door Noord- en Zuid-Rhodesië ertsen van Katanga naar de havens af te voeren. Langs deze spoorlijn produceerden Europese boeren hun producten. Dit alles kwam de zwarte bevolking niet ten goede en toen de Britse regering het bestuur van de BSAC vernam, was Noord-Rhodesië een van de armste kolonies van het Britse rijk. Dit beeld veranderde aanzienlijk vanaf 1928, toen er een begin gemaakt werd met de kopermijnbouw (Copperbelt) in Noord-Rhodesië. Vooral Bemba-mannen gingen werken in de mijnen en andere bevolkingsgroepen wisten bij de mijnen hun producten te slijten.

Ook het aantal blanken nam zienderogen toe, zonder te kunnen spreken van een zogenaamde ‘settler-economie’, waarvan wel sprake was in Zuid-Afrika en Zimbabwe. Opvallend voor Zambia was wel de grote mate van verstedelijking. Discriminatie en een vorm van apartheid waren ook typisch voor de verhouding tussen de Britten en de Afrikanen, ook al waren er tot begin jaren vijftig meer dan vijf keer zoveel Afrikanen dan blanken. Sommige restaurants waren verboden terrein en de beste banen waren voor blanke kolonisten.

De Britten zagen de ongelijke situatie wel in en wilden een federatie (Noord- en Zuid-Rhodesië en Nyasaland) met intern zelfbestuur, maar wel volledig overheerst door de blanken. Afrikaanse politici, waaronder Harry Nkumbula, waren fel tegen dit idee. Hij werd tijdens een studie in Londen nog meer geïnspireerd door Kwame Nkrumah, de latere president van Ghana. Toen Nkumbula in 1950 terugkeerde uit Londen richtte hij het African National Congress (ANC) op waarvan de Zambiaan Kenneth Kaunda de secretaris-generaal werd. In april 1953 schreven ze een petitie aan koningin Elizabeth II van Groot-Brittannië om de federatieplannen van de kolonisten te stoppen. Dit was echter tevergeefs en op 23 oktober 1953 ging de Central African Federation (Noord- en Zuid-Rhodesië en Malawi van start onder leiding van premier Lord Malvern.

Onder het bewind van de Malvern kreeg de nieuwe staat meteen trekjes van een apartheidsstaat. Zo was er geen stemrecht voor de Afrikanen en er vond op grote schaal uitbuiting plaats door het betalen van zeer lage lonen in de mijnbouw en in de industrie. De inkomsten uit de koperwinning in Noord-Rhodesië (Zambia) kwamen niet ten goede aan de ontwikkeling van de inheemse bevolking, maar aan de blanke kolonisten in Zuid-Rhodesië. Zuid-Rhodesië profiteerde dus veruit het meest van deze situatie en de twee andere deelstaten bungelden er economisch maar een beetje bij. Het verzet hiertegen nam onvermijdelijk toe en resulteerde in 1958 in een scheuring binnen het ANC.

De partij die zich afsplitste noemde zich Zambia African National Congress (ZANC) en stond onder leiding van de radicalere Kenneth Kaunda.

In 1959 werd de partij alweer verboden en Kaunda werd met een aantal medestanders gevangengezet. Op 9 januari 1960 kwam hij weer vrij en was het ZANC omgedoopt tot United National Independence Party (UNIP). Ondanks waarschuwende woorden van Kaunda nam het verzet steeds gewelddadiger vormen aan en kreeg hij de schuld van de blanke Noord-Rhodesiërs.

Zambia onafhankelijk, Kaunda eerste president

De tijd van verzet tegen de blanke kolonisten was ondertussen in bijna geheel Afrika op gang gekomen. Ghana, Guinee en Nigeria waren de eerste landen ten zuiden van de Sahara die onafhankelijk werden. In 1962 kregen de Afrikanen in de Central African Federation stemrecht van de Britten. Bij de eerste verkiezingen haalden ANC en UNIP samen een meerderheid en kreeg Noord-Rhodesië een zwarte regering. Ook in Nyasaland kwam er een Afrikaanse meerderheidsregering.

Het onvermijdelijke gevolg was dat op 31 december 1963 de Federatie uiteenviel; Noord-Rhodesië ging Zambia heten en Nyasaland Malawi. In januari 1964 werden er nieuwe verkiezingen gehouden en behaalden de blanken van de 75 beschikbare zetels er nog maar tien. Op 24 oktober 1964 werd Zambia definitief onafhankelijk en Kaunda de eerste president. Zuid-Rhodesië bleef nog lang een blank bolwerk want pas in 1980 ontstond er een onafhankelijk Zimbabwe.

De Zambiaanse regering ging in 1964 zeer ambitieus van start en kon haar sociale en economische uitvoeren door de hoge inkomsten uit de kopermijnbouw. Er werden gratis onderwijs en gezondheidszorg ingevoerd, waardoor niet alleen de welvaart maar ook het welzijn van de Zambianen verbeterd werd.

Zambia: politiestaat

Eind jaren zestig van de vorige eeuw begon de regering-Kaunda de hele economie onder staatscontrole te brengen. De winsten die gemaakt werden in de kopermijnbouw kwamen de eigen bevolking nauwelijks ten goede en dat was in de visie van Kaunda een slechte zaak. In 1968 nam de overheid dan ook een meerderheidsaandeel van 51% in de kopermijnbouw, die volledig werd ondergebracht bij de Industrial Development Corporation (MINDECO). Er volgde nu een ware nationalisatiegolf en in 1991 werd 80% van alle economische activiteiten beheerd door de overheid.

De meeste ondernemingen waren ondergebracht bij de Zambia Industrial and Mining Corporation (Zimco), met aan het hoofd daarvan president Kaunda in eigen persoon. De officiële partij-ideologie achter al deze ontwikkelingen was sinds 1967 het zogenaamde door Kaunda ontwikkelde Zambiaans humanisme, een streven om de moderne tijdverschijnselen te combineren met het goede uit de oude Afrikaanse tradities en gebruiken.

Door oorlogsdreigingen vanuit het buitenland en politieke ontwikkelingen in Zambia zelf werd het bewind van Kaunda steeds repressiever. In 1966 werd de United Party opgericht door twee Lozi-parlementariërs. Deze partij werd al snel populair in Barotseland, maar na gevechten tussen UP- en UNIP-aanhangers verboden.

In 1968 werden er weer parlementsverkiezingen gehouden en werden de verhoudingen in het land duidelijk. Het ANC van Harry Nkumbula haalde 23 zetels, vooral onder de Tonga in de Southern Province en onder de Lozi. Het UNIP van Kaunda behaalde 81 zetels en had vooral aanhangers onder de Bemba in de Copperbelt. Vice-premier Kapwepwe richtte in 1971 de Bemba partij ‘United Progressive Party’ op, maar ook deze partij werd al snel verboden door Kaunda.

Op 13 december 1972 werd er een nieuwe grondwet aangenomen en de zogenaamde ‘Tweede Republiek’ gestart. Zambia werd door deze grondwet een ‘Participatoire Democratische Eenpartijstaat’ met het Zambiaans humanisme als leidraad. Alle andere ideologieën en partijen werden verboden en nadat Kaunda in 1976 de noodtoestand afkondigde was Zambia in feite een politiestaat geworden.

Na 1972 controleerde de UNIP het economische en maatschappelijke leven volledig. De partij en de regering maakten de dienst uit in het land, vakbonden en andere belangenorganisaties werden op een zijspoor gezet. Corruptie en tegenvallende bedrijfsresultaten waren aan de orde van de dag, maar al het negatieve werd als het ware gemaskeerd door de opbrengsten uit de koperindustrie, die ervoor zorgden dat er jaar na jaar een economische groei te melden was.

Als gevolg van de oliecrisis begin jaren zeventig van de vorige eeuw, kwam er sinds 1975 aan de economische groei abrupt een einde. De koperinkomsten liepen razendsnel terug, waardoor zaken als gratis onderwijs en gezondheidszorg, hoge salarissen en subsidiëring van voedsel voor stadsbewoners niet langer betaald konden worden. Zambia werd genoodzaakt om geld bij te drukken en geld te lenen in het buitenland. Het gevolg hiervan was onvermijdelijk een oplopende inflatie tot meer dan 200% per jaar en het langzaam failliet gaan van de staat Zambia.

De ontevredenheid onder de bevolking was natuurlijk groot, maar de opkomst bij de verkiezingen van 1978 was toch nog redelijk groot. Dat de UNIP van Kaunda de verkiezingen zou winnen was natuurlijk van te voren duidelijk. In 1980 escaleerde de ontevredenheid; rellen en stakingen beheersten het straatbeeld. Kaunda reageerde door enkele vakbondsleiders gevangen te zetten, waaronder Frederick J.T. Chiluba, de voorzitter van het Zambia Congress of Trade Unions.

In 1983 werd Kaunda voor de vijfde keer herkozen onder nog steeds zeer belabberde economische omstandigheden. Het Internationale Monetaire Fonds wilde Zambia wel helpen met extra geld maar het moest daarvoor onder andere beloven de subsidiëring op voedsel stop te zetten. Het gevolg hiervan was dat de voedselprijzen nog verder stegen en er in de steden weer rellen uitbraken, die steeds gewelddadiger werden: in de Copperbelt vielen bijvoorbeeld vijftien doden. Kaunda besloot de hulp van het IMF in 1987 stop te zetten, maar door de voortdurende slechte toestand van de economie werd deze beslissing in 1989 weer herroepen. De voedselprijzen verdubbelden weer en bij nieuwe rellen in o.a. de hoofdstad Lusaka vielen nu 25 doden.

In 1990 werd er twee keer een couppoging ondernomen, die weliswaar mislukten, maar het was ook voor Kaunda duidelijk dat er iets moest gebeuren om het volk gunstig te stemmen. In april van dat jaar stemde het UNIP-congres nog tegen een meerpartijensysteem, in mei kondigde Kaunda een referendum over dat onderwerp aan. Op 25 juli werden alle gevangen genomen coupplegers en zelfs plunderaars vrijgelaten. Kaunda stelde een commissie aan die de grondwet moest gaan herschrijven. Toen deze commissie met de ontwerpgrondwet kwam was er meteen forse kritiek door de Movement for Multiparty Democracy (MMD) waar onder andere Frederick Chiluba inzat. De MMD had groot bezwaar tegen het feit dat de president ook onder de nieuwe grondwet nog veel te veel macht had in relatie tot het parlement. Onder deze druk stemde Kaunda in september 1990 in met een meerpartijenstelsel.

Chiluba wint presidentsverkiezingen

Op 31 oktober 1991 werden er presidents- en parlementsverkiezingen gehouden. Chiluba werd gekozen tot president en de MMD behaalde 150 van de 250 zetels in het parlement, waarna de Derde Republiek van start kon gaan. Op 2 november 1991 werd Chiluba ingezworen als president van Zambia en in januari 1992 trad Kaunda zelfs af als partijleider.

In juli 1992 besloot de Club van Parijs Zambia's buitenlandse schuld voor de helft kwijt te schelden. In maart 1993 werd een couppoging verijdeld; de poging werd onder andere door Kaunda's zoon Maj ondernomen.

Chiluba was optimistisch over het politiek en economisch gezond maken van het land, maar stond al snel met beide benen op de grond.

Al vlug viel de hele ministersploeg van Chiluba uit elkaar; sommigen vertrokken zelf, anderen werden door Chiluba ontslagen wegens o.a. corrruptie. Dit komen en gaan van nieuwe ministers ging nog tot in 1996 door. Ondertussen werd de herstructurering van de economie, ondanks de verwarrende politieke omstandigheden, toch resoluut aangepakt. Met behulp van de Wereldbank en het IMF werden veel staatsbedrijven geprivatiseerd, de handel met het buitenland vrijgegeven, subsidies afgeschaft, de overheid afgeslankt en er kwamen fondsen voor het stimuleren van het midden- en kleinbedrijf. De resultaten waren al snel zichtbaar: in oktober 1994 waren er al 44 staatsbedrijven geprivatiseerd, bedroeg de inflatie nog ‘maar’ 35% en nam de export van voedselproducten als suiker, honing, goud, zink, diamant, kobalt en zelfs snijbloemen naar Nederland, toe. De afhankelijkheid van het koper verminderde aanzienlijk. In 1991 bestond de totale exportwaarde voor 91% uit koper, in 1995 was dit percentage gedaald naar 72%.

De keerzijde van het economische herstructureringsprogramma werd echter ook snel duidelijk. Het gemiddelde inkomen van de Zambianen bleef zeer laag en men was daardoor nauwelijks in staat om voldoende voedsel te kopen, voedsel dat bovendien in prijs in drie jaar tijd bijna verviervoudigd was. Een ander groot probleem was de enorme werkloosheid. Tussen 1991 en 1995 verdwenen alleen al bij de overheid en de geprivatiseerde bedrijven meer dan 70.000 banen. De meeste mensen werden gedwongen om in de informele sector (straathandel, prostitutie, huishoudelijk werk) een inkomen te verdienen. Boeren op het platteland konden alleen nog in eigen onderhoud voorzien.

Kaunda wordt weer politiek actief

In deze moeilijke tijd verscheen oud-president Kaunda weer op het politieke toneel, werd in juli 1995 weer tot leider van zijn partij gekozen en stond vanaf die tijd lijnrecht tegenover Chiluba. Via een uitgekiende grondwetswijziging lukte het Chiluba en de MMD om Kaunda buiten de race om het presidentschap te houden. Deze wijziging hield in dat een president niet meer dan twee ambtstermijnen kon dienen, waardoor Kaunda, met al zes ambtstermijnen achter de rug, in feite uitgesloten werd van verdere verkiezingen.

Al in juni 1996 volgden er aanslagen op regeringsgebouwen en op het kantoor van de regeringskrant ‘Times of Zambia’. De aanslagen werden opgeëist door de organisatie ‘Black Mamba’, de oude bijnaam van Kenneth Kaunda. In verband hiermee werden negen voormannen van de UNIP gearresteerd, maar uiteindelijk toch weer vrijgelaten. Op 19 oktober 1996 maakte Chiluba bekend dat er al op 18 november van dat jaar verkiezingen zouden worden gehouden. Kaunda maakte meteen daarop bekend dat de UNIP de verkiezingen zou boycotten. Het gevolg hiervan was dat de MMD van Chiluba 129 van de 150 zetels behaalde. De tweede partij werd de National Party met slechts vijf zetels. Na de verkiezingen maakten twee onafhankelijke waarnemersgroepen bekend dat er verkiezingsfraude gepleegd was, maar dit had verder geen invloed.

Na zijn inauguratie op 21 november liet Chiluba de kantoren van deze organisatie sluiten en de leiders werden gearresteerd. In januari 1997 dienden de UNIP en andere oppositiepartijen een petitie in bij het Hooggerechtshof waarin zij stelden dat Chiluba illegaal president zou zijn omdat hij geen Zambiaanse ouders zou hebben, maar de voorgestelde DNA-test werd door Chiluba geweigerd. Ondertussen ging het economisch hervormingsprogramma door en werden onder andere de kopermijnen geprivatiseerd. De zo vurig gehoopte buitenlandse investeringen bleven echter uit en de bevolking lijdt ook nu nog steeds onder de armoede en de werkloosheid.

Couppoging tegen Chiluba mislukt

In oktober 1997 pleegden enkele officieren een coup om, naar eigen zeggen, het wanbestuur en de corruptie te bestrijden. Regeringsgetrouwe militairen arresteerden de opstandelingen echter al na een paar uur. De hierop ingestelde noodtoestand werd in maart 1998 opgeheven. Eind december 1997 werd Kaunda gearresteerd zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld. Na in hongerstaking te zijn gegaan en na bemiddeling door de Tanzaniaanse oud-president Nyerere, werd de detentie omgezet in huisarrest.

De rechtszitting tegen de vermeende coupplegers begon op 1 juni met de vrijlating van Kaunda, nadat de staat alle aanklachten tegen hem had ingetrokken. Kaunda, die eerder te kennen had gegeven zich te zullen terugtrekken uit de actieve politiek, liet in een toespraak op 21 oktober 1998 weten politiek leider van UNIP te blijven, omdat zijn vertrek de oppositie zou verzwakken. Het gerechtshof in Lusaka veroordeelde in 1999 59 soldaten die deelgenomen hadden aan de couppoging in 1997, tot de doodstraf. De interne politieke stabiliteit van Zambia kwam in gevaar na de moord in november 1999 op Wezi Kaunda, zoon van de voormalige president Kenneth Kaunda.

De Angolese beschuldiging dat Zambia steun geeft aan wapentransporten voor de Angolese rebellenbeweging UNITA, leidde in 1999 opnieuw tot spanning tussen beide buurlanden. De Angolese burgeroorlog bleef echter niet beperkt tot eigen grondgebied, en ook Zambia werd daarmee geconfronteerd. Het geschatte aantal Angolese vluchtelingen in Zambia was op een gegeven moment 160.000.

21e eeuw

Bij de parlementsverkiezingen in december 2001 bleef de MMD met 68 zetels de grootste partij in het parlement. Andere partijen zijn: UPND (48 zetels), UNIP (13), FDD (12), Heritage Party (4), Patriotic Front (1), ZRP (1), onafhankelijk (1). Nadat Chiluba vergeefs had getracht de grondwet zodanig aan te passen dat een derde termijn mogelijk was, werd Levy Mwanawasa (MMD) in omstreden verkiezingen tot zijn opvolger gekozen en hij aanvaardde zijn ambt in januari 2002.

In de zomer van 2003 is een zogenoemd"constitutional review process" van start gegaan onder meer door raadpleging van het maatschappelijk middenveld. Niet duidelijk is op welke termijn dit proces zal zijn afgerond en wat de uitkomsten ervan zullen zijn. Diverse geledingen van de"civil society" pleiten voor verandering, zoals afschaffing van de doodstraf, verbetering van de positie van vrouwen (w.o. het erfrecht) en beperking van de macht van de president. Primair twistpunt tussen de regering en oppositionele krachten is of het proces zal leiden tot aanpassing van het electoraal proces vóór de verkiezingen van eind 2006. De regering lijkt niet in te stemmen met de roep voor presidentsverkiezingen via een twee-rondensysteem (indien geen van de kandidaten in de eerste ronde een absolute meerderheid boekt).

Het politieke landschap in de aanloop tot de presidents-, parlements- en lokale verkiezingen eind 2006 wordt gekenmerkt door een versnipperd politiek veld. Oppositiepartijen zijn intern en onderling erg verdeeld, ondanks pogingen om allianties te sluiten. Tegenstellingen zijn over het algemeen meer bepaald door persoonlijkheden, dan door inhoudelijke tegenstellingen. Ondanks een gebrek aan populariteit is winst van MMD waarschijnlijk, vanwege verdeeldheid van de oppositie, economische successen van de regering en de gebruikelijke voordelen van een zittende regeringspartij.

De verkiezingen van 2006 zijn vreedzaam en vrij verlopen. Internationale waarnemers waren positief over de transparantie en de organisatie van de verkiezingen. Met steun uit landelijke gebieden is Mwanawasa overtuigend herkozen, a l heeft de MMD veel aanhang verloren in het Noorden en de Copperbelt, waar de partij traditioneel sterk was. In deze gebieden en in Lusaka heeft het Patriotic Front van de als daadkrachtig bekend staande Michael Sata een enorme winst geboekt, onder andere door in te spelen op de angsten en ontevredenheid van de arme stedelijke bevolking. UNIP, UPND (in het vorige parlement de grootste oppositiepartij) en het kleinere FDD hebben onder een alliantie (UDA) aan de verkiezingen meegedaan. Al heeft UPND haar positie in het Zuiden behouden, hebben UNIP en FDD zeer veel terrein verloren aan de MMD en PF. De verschuivende regionale machtsbasis van de regering, naar aanleiding van de verkiezingen is doorvertaald in (kabinets)benoemingen en nieuwe beleidsaccenten ten gunste van het (noord-)westen, oosten en het platteland.

In augustus 2008 overleed president Levy Mwanawasa in een ziekenhuis in Parijs. Hij werd in november 2008 opgevolgd door Rupiah Banda.

In februari 2010 sluiten Zambia en China een overeenkomst over mijnbouw en plannen een gezamenlijke economische samenwerking. Voormalig president Fredrick Chiluba overleed in 2011.

Michael Sata (1937- ) is sinds 23 september 2011 president van Zambia. In maart 2013 wordt ex-president Banda beschuldigd van machtsmisbruik nadat zijn immuniteit is opgeheven. In januari 2014 wordt Frank Bwalya, een politicus van de oppositie beschuldigd van laster, nadat hij president Sata tijdens een radio interview heeft vergeleken met een aardappel. In oktober 2014 overlijdt president Sata. In januari 2015 wordt Edgar Lungu na verkiezingen de nieuwe president. In april 2016 zijn er rellen en plunderingen na beweringen dat gevluchte Rwandezen zich schuldig zouden maken aan rituele moorden. President Lungu spreekt zijn afkeuring uit tegen dit geweld tegen buitenlanders. In augustus 2016 wordt Lungu herkozen. In de zomer van 2017 is er onrust de oppositie beschouwt Lungu niet als de legitieme winnaar van de verkiezingen van vorig jaar. In augustus 2017 verklaart Lungu dat hij gedwongem HIV tetsen wil af laten nemen met als doel om Zambia in 2030 HIV vrij te krijgen.

Bevolking

Ruim 98% van de Zambianen behoort tot een van de 73 Bantoetalige stammen. Bedacht moet wel worden dat deze 73 etnische groepen zijn samengesteld in de Britse tijd, door de Britten zelf. Door de Zambiaanse regering wordt nog steeds aan dit aantal vastgehouden, voor de Zambianen zelf is deze indeling van niet zoveel betekenis.

Wat wel klopt is dat al deze stammen tot een van de zeven taalgroepen behoren, te weten Bemba, Tonga, Nyanja, Lunda, Luvale, Lozi en Kaounde.

De basis van een Bantoe-stam vormt de ‘clan’, een groep families die aan elkaar verwant zijn doordat ze dezelfde herkenningsnaam gebruiken. De ‘chief’ van een clan heeft traditioneel nog veel gezag. Hoewel steeds minder duidelijk, is deze vorm van sociale organisatie vooral nog terug te vinden in de dorpssamenlevingen. In de steden is de situatie totaal anders, daar stelt het traditionele economische, sociale en politieke leven niet veel meer voor.

De rest van de bevolking behoort tot de Twa, de Aziaten en de Europeanen. Het aantal Europeanen is sinds de onafhankelijkheid in 1964 sterk teruggelopen, en bedraagt op dit moment nog maar enkele tienduizenden. De Aziaten komen oorspronkelijk vooral uit West-India en arriveerden pas na de Tweede Wereldoorlog.

Zambia heeft bijna 16 miljoen inwoners en de bevolkingsdichtheid bedraagt bijna 21 inwoners per km2. (2017)

De leeftijdsopbouw is ongelijk: ongeveer 46% van de bevolking is jonger dan vijftien jaar en er zijn nauwelijks ouderen.

Het volledige plaatje is als volgt:

De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1975-2014 met meer dan 2% per jaar (2017 2,93%).

Een derde van de bevolking woont in het centrale hoogland, terwijl ook de grensgebieden met Mozambique en Malawi vrij dicht bevolkt zijn. 43,5% van de bevolking woont in stedelijke gebieden, waarmee Zambia de hoogste urbanisatiegraad van zwart Afrika heeft. De meeste grote steden zijn ontstaan langs de ‘line of rail’, de spoorweg die de Britten vanuit het toenmalige Zuid-Rhodesië tussen 1902 en 1910 naar het noorden aanlegden. De hoofdstad Lusaka telt ca. 2,5 miljoen inwoners.

De levensverwachting is door de verwoestende werking van aids gedaald en bedraagt nu nog maar 51,4 jaar voor mannen en 54,5 jaar voor vrouwen.

Overzicht belangrijkste stammen:

BEMBA

De Bemba is de grootste stam in Zambia en ze vormen ca. 21% van de bevolking. Hun traditionele gebieden zijn Noord-Zambia, een groot gebied rond de stad Kasama, en ten zuidwesten van het Bangweulu-meer. Veel Bemba leven ook in de Copperbelt, daar naar toe geëmigreerd vanwege het werk in de kopermijnen.

De Bemba emigreerden in de 16e eeuw van Congo naar Zambia en behoorden tot het machtige Lunda-Luba rijk.

TONGA

De Tonga vormen ca. 13,6% van de totale bevolking. De meeste Tonga zijn boeren, herders en vissers. Hun traditionele gebieden zijn de Zambezi Valley en de hogere noordelijker gelegen gebieden. Daardoor kan men de Tonga verdelen in de Vallei-Tonga en de Plateau-Tonga.

Nauw verbonden met de Tonga zijn de kleinere stammen Ila en Tenje. Samen worden ze wel de Bantu Botatwe genoemd de ‘drie volken’. Andere verwante groepen zijn de Toka, de Leya en de Soli.

CHEWA/NYANJA

De term Nyanja wordt eigenlijk meer gebruikt voor een Bantoe-taal dan voor een stam, en omvat dan ook verschillende groepen. In totaal spreken ca. 1,5 miljoen mensen Nyanja als hun eerste taal, en dat is ongeveer 10% van de totale Zambiaanse bevolking.

Het Chewa-volk maakt ongeveer een derde van de Nyanja-sprekenden uit, en de termen Nyanja en Chewa worden vaak door elkaar gebruikt. De Chewa wonen vooral in de Eastern Province rond de stad Chipata, en velen leven net over de grens in Malawi.

NGONI

De Ngoni leven in Zuidoost-Zambia rond de stad Chipata, en vormen ca. 4% van de totale bevolking. Ze stammen of van de Zoeloes die begin 19e eeuw naar deze regio emigreerden. Ze onderhouden nog verschillende Zoeloe-gebruiken maar spreken allen Nyanga.

NSENGA

De Nsenga leven in Zuidoost-Zambia rond de stad Petuake, langs de Luangwa-rivier en langs de Great East Road. Ze vormen ca. 5% van de bevolking, en spreken net als de Chewa en de Ngoni, Nyanja. Net over de grens met Mozambique leven veel meer Nsenga.

LOZI

De Lozi hebben hun eigen ‘land’, Barotseland, een groot deel van de Western Province. Ze maken ongeveer 6% van de bevolking uit. Deze boeren en herders leven op de vruchtbaarste gronden van Zambia en zijn verder beroemd door hun schitterende handwerk, dat tot het mooiste behoort wat Afrika te bieden heeft.

LALA & BISA

De Lala leven rond Serenje, in Centraal-Zambia, en het gebied richting de Luangwa-rivier. Ze zijn nauw verbonden met de Bisa, die noordelijker wonen in een groot gebied rond Mpika. Beide groepen zijn sterk verwant met de Bemba.

KAONDE

De Kaonde leven in West-Zambia ronde de steden Solwezi en Kasempa. Ze maken ca. 3% van de bevolking uit, en net als veel andere stammen scheidde ook deze groep zich in de 16e eeuw af van het Lunda-Luba rijk.

MAMBWE & LUNGU

De Mwambe en de Lungu, twee nauw verbonden stammen, leven in Noord-Zambia rond Mbala en aan de zuidoever van het Tanganyika-meer. Veel Mambwe leven net over de grens in Tanzania. Beide stammen maken ca. 3% van de bevolking uit.

LAMBA

De Lamba komen oorspronkelijk uit de Copperbelt-regio, maar leven nu ook in de gebieden ten westen en zuiden van Ndola en Kitwe, en zelfs tot in de steden Solwezi en Mumbwe. Ze zijn verwant met de Bemba en maken ca. 3% van de bevolking uit.

LUNDA & LUUNDA

De Lunda leven in de noordwesthoek van Zambia, rond de stad Mwinilunga. Ze maken ca. 3% van de bevolking uit, maar de meeste Lunda leven net over de grens in Angola en Congo (Zaïre).

Een niet direct verwante groep, eveneens Lunda genaamd, maar vaker Luunda gespeld, leeft in Noord-Zambia.

LUVALE

De Luvale leven in het uiterste westen van Zambia, in de buurt van de stad Zambezi. Ze vormen ongeveer 2% van de bevolking, maar de meeste Luvale leven net over de grens in Angola.

Net als veel andere stammen scheidde ook deze groep zich in de 16e eeuw af van het Congolese Lunda-Luba rijk. In die tijd waren het befaamde handelslieden, o.a. met de Portugese ontdekkingsreizigers.

Taal

Er zijn 73 etnische groepen in Zambia en er kunnen ca. 20 belangrijke talen onderscheiden worden, die allen tot de Bantoetalen behoren. Veel talen zijn verdeeld in twee of drie dialecten, sommige zelfs in meer dan tien. In feite heeft elke stam in Zambia zijn eigen dialect, en dat dialect is dan ook het belangrijkste onderscheidingsmiddel.

De officiële taal in Zambia is het Engels en wordt bijna overal gesproken, ook in de meer afgelegen gebieden. In het dagelijkse verkeer wordt veel gebruik gemaakt van een taal bestaande uit Afrikaanse, Engelse en Bantoewoorden en uitdrukkingen, het zogenaamde Kitchen Kaffir.

Opmerkelijk in het Afrikaans-Engels is de herhaling om iets te benadrukken: als je je brandt dan is het ‘hot hot’; groene velden na een regenbui zijn ‘green green’ en een volle bus is ‘full full’. Engelse woorden als bread, tea en coffee zijn ook in de diverse dialecten nog duidelijk te onderscheiden.

Tweederde van de Zambianen spreekt Bemba, Tonga of Nyanja. Behalve het Lozi, dat erg verschilt van de andere talen, zijn de talen verwant aan elkaar.

BembaLoziNyanjaTonga
Eencimoil’ingw’iimodzikomwe
Driefitatuz’e t’aluatatutotatwe
Vijffisanoz’e keta-lizohoasanutosanwe
Wateramenshimezimandzimenda
Koffiekofikofikhofinofi
Melkumukakamabisimukakamukupa
Toilettenifimbusubimbuzichimbuzichimbuzi
Morgenmailokamusomawachifumo

Godsdienst

Ca. 27% van de bevolking hangt traditionele, vaak animistische Afrikaanse religies aan. Ongeveer 72% van de Zambiaanse bevolking belijdt een christelijke godsdienst; de Rooms-Katholieke Kerk (georganiseerd in twee aartsbisdommen met zeven bisdommen) heeft met 27% de meeste aanhangers. De protestanten, in totaal 35%, zijn verdeeld over de Anglicaanse Kerk en de United Church of Zambia.

Ook de Jehova’s Getuigen (er zijn op dit moment zelfs meer Jehova’s Getuigen per hoofd van de bevolking dan waar ook ter wereld), Pinkstergemeenten en evangelische gemeenten hebben een groeiende aanhang. Ca. 1% van de bevolking is islamiet of hindoe.

Voorouderverering is nog steeds wijdverbreid in Zambia en bestaat voort langs de officieel aangehangen godsdienst.

Een steeds grotere aanhang krijgen de inheemse Afrikaanse christelijke kerken, waarvan de Lumpa Church (Lumpa is bemba voor: ‘beter dan alle anderen’) de grootste was. De beweging werd gesticht door de zieneres Alice Lenshina (=koningin) Mulenga Mubisha, die in de jaren vijftig van de vorige eeuw visioenen kreeg waarin God haar zei dat het haar taak was om tovenarij uit te bannen. Tegen het einde van de jaren vijftig had zij honderdduizenden aanhangers.

Kenmerkend was inderdaad haar felle kritiek op magie, tovenarij en hekserij, maar ook polygamie en alcoholgebruik konden haar goedkeuring niet wegdragen. Ook erkende zij geen enkele aardse autoriteit en dat werd de beweging bijna fataal. Ze weigerden ook belasting te betalen en als gevolg daarvan werden honderden aanhangers in gevechten met overheidstroepen gedood. In 1964 werd Alice Lenshina Mulenga Mubisha gevangen gezet en pas in december 1975 vrijgelaten.

In 1978 overleed ze. Ze had voorspeld dat de Lumpa-beweging nooit meer zou terugkeren na haar dood, maar de laatste jaren is de beweging weer groeiende, ondanks het gebrek aan een duidelijke leider.

Samenleving

Staatsinrichting en administratieve indeling

Volgens de in 1996 gewijzigde grondwet van 1991 is Zambia een presidentiële republiek binnen het Gemenebest, met aan het hoofd een voor vijf jaar gekozen president. Sinds de nieuwe grondwet in werking trad heeft Zambia een meerpartijenstelsel die de president het recht ontneemt om boven de wet te staan, de noodtoestand uit te roepen en een kabinet samen te stellen uit leden van buiten het parlement. De president kan slechts één keer herkozen worden en volgens de grondwet dienen beide ouders van een presidentskandidaat van Zambiaanse afkomst te zijn.

De Nationale Vergadering (National Assembly), het parlement, bestaat uit 150 leden, die volgens het districtenstelsel naar Brits model voor vijf jaar bij algemeen kiesrecht gekozen worden; acht extra leden worden door de president benoemd. Er is verder een House of Chiefs, waarin de traditionele stamhoofden zitting hebben.

De belangrijkste politieke partijen zijn de United National Independence Party van K. Kaunda, die de laatste omstreden verkiezingen van november 1996 boycotte en tussen 1964 en 1991 de eenheidspartij was, en de huidige regeringspartij, de Movement for Multi-Party Democracy (MMD). In totaal zijn er ca. 30 politieke partijen actief.

Bestuurlijk is het land ingedeeld in negen provincies, Central Province (hoofdstad: Kabwe), Copperbelt (Ndola), Eastern Province (Chipata), Luapula (Mansa), Lusaka, Northern Province (Kasama), North-Western Province (Solwezi), Southern Province (Livingstone) en Western Province (Mongu).

Zambia is lid van de Verenigde Naties en een aantal van zijn suborganisaties, van het Britse Gemenebest van Naties, van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de GATT en geassocieerd lid van de Europese Unie. Voor de huidihge politieke situatie zie hoofdstuk geschiedenis.

Onderwijs

Na de onafhankelijkheid investeerde de Zambiaanse regering grote bedragen in het opzetten van scholen, opleidingen en een universiteit (University of Zambia), die in 1966 open ging. Deze universiteit had halverwege de jaren negentig ca. 10.000 studenten. De Copperbelt University is in de stad Kitwe gevestigd. Verder zijn er nog diverse hogere opleidingen en een aantal privé-scholen. Tot de laatste categorie behoren o.a. de Banani International Secondary School for Girls, Simba International School, Sakeji School, Makeni Ecumenical Centre en de Evelyn Hone College of Arts and Commerce.

Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw volgden ca. één miljoen kinderen gratis basisonderwijs en ca. 80.000 kinderen gratis voortgezet onderwijs. Zambiaanse kinderen beginnen hun schoolcarrière vaak pas als ze negen jaar oud zijn. In de Southern province worden de kinderen de eerste twee jaar onderwezen in het Tonga, daarna gaat het onderwijs verder in het Engels.

Na groep zeven worden er nationale examens afgenomen; worden deze met goed gevolg afgesloten dan kan men verder leren in een plaatselijke school. De knapste leerlingen gaan naar een school voor voortgezet onderwijs, vaak in een grote stad. Ze moeten dan echter wel geld meenemen want dit onderwijs is duur, soms meer dan een jaarinkomen. Het zal duidelijk zijn dat voortgezet onderwijs maar voor een enkeling is weggelegd. Noch de scholen, noch de regering springen de ouders bij in de kosten. In 2001 werd er een wet aangenomen die ervoor zorgde dat de examengelden werden afgeschaft. De scholen waren echter niet voor een gat te vangen en verhoogden de ouderbijdrage zodanig, dat het voor veel kinderen onmogelijk bleef om voortgezet onderwijs te volgen.

Na de oliecrisis en het instorten van de koperprijs in 1973/1974 werd gratis onderwijs onbetaalbaar. Het gevolg was dat het gehele schoolsysteem wegens geldgebrek opgeblazen werd, nog versterkt door mismanagement van de regering. Ondanks inspanningen van de regering om het onderwijs weer op poten te zetten, gaat nog maar de helft van alle kinderen naar de basisschool. Velen maken de basisschool niet eens af en maar een kwart van basisschoolleerlingen gaat naar het middelbaar onderwijs.

Cijfers uit 2000 tonen aan dat een derde van de kinderen geen enkele vorm van onderwijs geniet. Een groot probleem zijn de overvolle klassen met vaak meer dan 100 kinderen in een klas. Verder worden onderwijzers zwaar onderbetaald wardoor de motivatie bij deze beroepsgroep danig slinkt.

Gezondheidszorg

Ten tijde van de onafhankelijkheid in 1964 was het met de gezondheidszorg slecht gesteld in Zambia. Met name in de ‘compounds’ bij de grote steden en op het platteland was het droevig gesteld. De minimale voorzieningen konden ziektes als malaria, slaapziekte en tuberculose niet voorkomen. Het waren eigenlijk alleen de missieposten waar de mensen enige (medische) zorg kregen.

Na de onafhankelijkheid werd er veel geld gestoken in het opzetten van plattelandsklinieken, districthospitaals en stadsziekenhuizen. Ook werden er verpleegstersopleidingen gestart. Begin jaren zeventig was de situatie al aanzienlijk verbeterd, zelfs op het platteland. Ook vonden er grootscheepse inentingscampagnes plaats en de meeste voorzieningen waren gratis.

Na de oliecrisis en de instorting van de koperprijs in de jaren 1973/1974 werd de gezondheidszorg onbetaalbaar voor de Zambiaanse overheid. Alles wat in tien jaar tijd was opgebouwd, was in een klap verdwenen. Klinieken konden de eenvoudigste zorg niet meer aanbieden en veel artsen verdwenen naar het buitenland.

Pas onder president Chiluba werd er een hervormingsplan opgesteld. De op zich goede plannen zijn vooral gericht op de basisgezondheidszorg, maar de uitvoering is nog zeer wisselend. In het algemeen kan men zeggen dat het met de gezondheid van de bevolking steeds slechter gesteld is. De gemiddelde levensverwachting is verder gedaald, de kindersterfte stijgt steeds verder en ook het aantal ondervoede kinderen neemt schrikbarend toe. Het enige positieve feit is dat de achteruitgang minder snel gaat dan een aantal jaren terug.

Een van de grootste problemen van het laatste decennium is aids. Honderdduizenden mensen zijn HIV-positief en tienduizenden Zambianen zijn al aan aids gestorven. Zo’n 60% van de ziekenhuispatiënten lijdt aan HIV/AIDS gerelateerde aandoeningen. De verwachting is dat de situatie nog erger zal gaan worden. Zo schat men dat er in 2015 bijna één miljoen weeskinderen zullen zijn, en dat 20% van de bevolking tussen 15-45 jaar HIV-geïnfecteerd zal zijn.

Economie

Algemeen

De economie was altijd sterk afhankelijk van de koperwinning, maar door de daling van de koperprijs op de wereldmarkt vanaf de jaren zeventig, bleek dat de economie zeer kwetsbaar was. De regering heeft geprobeerd om tot grotere diversificatie te komen, maar dat heeft tot nu toe weinig succes gehad. Tussen 1968 en 1991 werd er een economische politiek doorgevoerd, die ertoe leidde dat de staat in veel sectoren door deelname aan het bedrijfskapitaal of door het stichten van staatsbedrijven een leidende functie kreeg.

Midden jaren tachtig kwam Zambia tot een overeenkomst met het IMF en de Wereldbank, met als voorwaarde dat er ingrijpende bezuinigd moest worden. In 1987 werd de overeenkomst met het IMF alweer verbroken, maar in 1990 werden de onderhandelingen met het IMF en de Wereldbank weer hervat.

Pas in 1991, toen president Kaunda terugtrad, ging Zambia onder leiding van de nieuwe president en oud-vakbondsleider Chiluba over tot grootscheepse privatisering van meer dan 200 staatsbedrijven. Zijn beleid werd geprezen door Wereldbank en IMF, maar stuitte zowel in eigen land als in de donorlanden op veel kritiek wegens zijn autoritaire optreden en de daarmee samenhangende inperking van politieke vrijheden. Bovendien vertaalde zich deze liberalisering en structurele aanpassing van de economie nauwelijks in economische groei.

Zambia kampt met enorme betalingsbalanstekorten en een hoge buitenlandse schuld (in 2002 5,9 miljard dollar). Het tekort op de handelsbalans bedroeg in 2002 233 miljoen dollar.

Over het algemeen zijn donoren en investeerders goed te spreken over het macro-economische beleid van de overheid. Mede hierdoor kent Zambia sinds 2001 een gemiddelde economische groei van rond de 6%.

Zambia heeft in 2005 het zgn. Completion Point bereikt van het HIPC-initiatief hetgeen leidt tot een aanzienlijke reductie van de schuldenlast. Op (middel)lange termijn hebben diversificatie van de economie, met landbouw als hoofdsector, en private investeringen prioriteit. Algemene doelstelling van het beoogde economisch beleid is en blijft armoede-vermindering. In 2017 leeft ruim 54% van de bevolking onder de armoedegrens en is 15% van de bevolking werkloos. De economische groei bedroeg 3,4% en het BNP per hoofd van de bevolking was $ 4.000 ( 2013).

Landbouw, veeteelt en visserij

De landbouw is de tweede belangrijke sector, maar sterk verwaarloosd. 55% van de bevolking is werkzaam in de landbouw, die voor 7,5 % bijdraagt aan het Bruto Nationaal Product (bnp) (2017). Maar 16% van het potentieel bebouwbare land wordt voor de landbouw gebruikt, met als belangrijkste product maïs. In Zambia komen drie typen landbouwbedrijven voor: een kleine groep, vaak Europese, boeren die grote boerenbedrijven exploiteren, welke veelal handelsgewassen zoals maïs, vlees, suiker, tabak en zonnebloempitten produceren. Deze bedrijven produceren ongeveer de helft van alle voedsel dat op de markt komt. Daarna volgt een wat grotere groep boerenbedrijven, geleid door Zambianen die deels voor de handel werken en deels voor eigen gebruik, en de groep kleine boerenbedrijven (90% van alle boerenbedrijven zijn kleiner dan 10 hectare) die uitsluitend voor eigen gebruik produceren en de traditionele voedingsgewassen zoals maïs, cassave, gierst en aardnoten verbouwen. De beste gebieden van Zambia om landbouw te bedrijven zijn delen van Eastern, Western en Southern Province.

De veehouderij is vooral geconcentreerd in het zuiden en westen, waar de Tonga, Ngoni en de Lozi traditionele veehouders zijn. De export van vlees stelt weinig voor. De productie van melk nam gedurende de jaren tachtig toe. Hoewel bijna de helft van het land met bos is bedekt, is de commerciële exploitatie daarvan nauwelijks van de grond gekomen.

De rivieren en meren zijn zeer visrijk, maar de visvangst staat nog in de kinderschoenen.

Industrie

De industrialiseringsgraad is laag, maar deze sector, inclusief de mijnbouw, draagt toch voor 35% (2017) bij aan het bnp. De belangrijkste activiteiten betreffen de voedsel- en dranken-, textiel-, chemische en lichte ijzerproductie. Er wordt nauwelijks voor de export geproduceerd.

De industrie komt steeds meer in de problemen door de dure import van machineonderdelen en brandstof.

Daardoor gaan overal industrieën dicht of draaien op verminderde capaciteit. Langs de zogenaamde ‘line of rail’ staan dan ook veel lege fabrieken en ondernemingen.

Mijnbouw

Koper is sinds mensenheugenis het belangrijkste mijnbouwproduct, en komt voor in de zogenaamde 'Copperbelt', aan de grens met Democratische Republiek Congo. Door de crisis in de mijnbouw zakte Zambia in 1995 van de vijfde naar de tiende plaats op de lijst van 's werelds belangrijkste koper producerende landen. Het is de op vier na grootste exporteur van koper ter wereld.

De crisis in de mijnbouw van Zambia sinds eind jaren tachtig werd niet alleen veroorzaakt door de spectaculair dalende wereldmarktprijs van koper, maar is zeker ook het gevolg van verouderde exploitatie-installaties, onvoldoende geschoold technisch personeel, chronische transportproblemen en de geleidelijke uitputting van de kopervoorraden voor het jaar 2010.

In 1999 werd een bod van de Zuid-Afrikaanse mijngigant Anglo American op de laatste belangrijke mijnen van het staatsbedrijf ZCCM (Zambia Consolidated Copper Mines) geaccepteerd. De overeengekomen prijs van 90 miljoen dollar was volgens critici een schijntje. Het Zuid-Afrikaanse bedrijf heeft zich vastgelegd op een kapitaalsinvestering van 200 miljoen dollar.

Andere belangrijke mijnbouwproducten zijn zink, lood en kobalt, waarvan Zambia en Congo de grootste wereldproducenten zijn.

Energie

De energie die gedistribueerd wordt door de Zambia Electricity Supply Corp. is vrijwel geheel afkomstig van waterkracht. De drie belangrijkste krachtcentrales zijn de Kafue Gorge-centrale, de Victoriawatervalcentrale en de Kariba-Noord-centrale.

Zambia exporteert elektriciteit naar de buurlanden, terwijl aardolie moet worden ingevoerd.

Handel

De belangrijkste uitvoerproducten zijn: koper (65% van de totale uitvoer), zink, kobalt (6% van de totale uitvoer), lood en tabak. De voornaamste afnemers zijn: China, Zuid-Afrika, Democratische Republiek Congo en Zuid-Korea.

Ingevoerd worden machines, transportmiddelen, chemische producten, brandstoffen en voedingsmiddelen. De belangrijkste leveranciers zijn: Zuid-Afrika, Democratische Republiek Congo, China en Koeweit.

Verkeer

Het wegennet van Zambia verkeert in een redelijke toestand en is het hele jaar door begaanbaar. Alle provincies zijn met elkaar verbonden via verharde en onverharde wegen (samen in totaal bijna 75.000 kilometer). De belangrijkste doorgaande verbindingen zijn de noord-zuidverbinding van de Copperbelt via Lusaka naar Livingstone en de oost-westverbinding naar de buurlanden Malawi en Tanzania. De TANZAM Highway, die doorloopt naar Dar es Salaam in Tanzania, is van betekenis voor de economie, omdat hij een van de belangrijkste verbindingen met de zee is.

Zambia Railways exploiteert de treinverbinding van Livingstone via de Copperbelt naar Banguela aan de Angolese kust. De Tanzania Zambia Railway Authority exploiteert de TAZARA-spoorlijn, die van Zambia naar Dar es Salaam in Tanzania loopt. De totale lengte van de spoorlijnen in Zambia bedraagt 2157 kilometer.

Door de natuurlijke omstandigheden is het gebruik van de rivieren en meren voor vervoer beperkt. Slechts een deel van de Zambezi, van Livingstone tot Senanga, is bevaarbaar (in totaal 2250 kilometer).

Nationale luchtvaartmaatschappij is Zambia Airways, die binnenlandse en buitenlandse vluchten verzorgt. Lusaka is de belangrijkste internationale luchthaven.

Vakantie en bezienswaardigheden

Zambia kent enorme mogelijkheden voor het toerisme. Helaas is er voor de ontwikkeling hiervan geen geld in de staatskas en is men volledig afhankelijk van het particuliere initiatief. Om meer toeristen te trekken is een goed beheer van de natuurgebieden en een verbeterde infrastructuur noodzakelijk. Zo zijn er van de negentien nationale parken op dit moment maar hooguit vijf per auto te bereiken. Verder worden er veel bossen gekapt voor de landbouw en voor de productie van houtskool. Wat de wildstand betreft zal de stroperij streng aangepakt moeten worden.

Als het opknappen en herinrichten van de toerismesector goed aangepakt wordt, dan heeft Zambia met o.a. zijn nationale parken en de Victoria Falls toeristentrekkers van wereldformaat.

Toch is het toerisme een groeisector want halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw ontving met aan buitenlandse valuta 30 miljoen dollar; in 2001 was dat bedrag al gestegen naar 117 miljoen dollar.

De hoofdstad van Zambia is Lusaka. Lusaka heeft een interessante lokale markt waar toeristen een glimp kunnen opvangen van het leven van de bevolking. Er is van alles te koop van exotische groenten en fruit tot handnijverheidsproducten. In Lusaka is het Nationaal Museum gevestigd, met veel kunst uit Zambia, zowel uit de oudheid evenals een collectie moderne schilderijen en beeldhouwwerken. Ook zie je een overzicht van de geschiedenis van Zambia.

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

ZAMBIA LINKS

Advertenties
• Rondreis Zambia Djoser
• Rondreizen Zambia
• Zambia Vliegtickets.nl
• Hotels Zambia
• Lusaka Vliegtickets Tix.nl

Nuttige links

Africa Explorer (N)
Dieren in Zambia (N)
Imena: Hulp aan Zambia( N+E)
Reisfoto's Zambia
Reisinformatie Zambia (N)
Reisverslag Zambia (N)
Rondreis Zambia (N)
Startpagina Zambia (N)
Zambia informatie - Reizendoejezo (N)
Zambia Reisstart (N+E)
Zambia Start België (N)

Bronnen

Else, D. / Zambia

Lonely Planet

Posthumus, B. / Zambia : mensen, politiek, economie, cultuur

Koninklijk Instituut voor de Tropen / Novib

Zuidoost-Afrika

The Reader’s Digest

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt april 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems