Steden TSJECHIE

TSJECHIE   

Prehistorie en oudheid

Archeologische vondsten wijzen uit dat het grondgebied van Tsjechie en Slowakije al minstens 80.000-10.000 jaar v.Chr. (paleolithicum) bewoond moet zijn geweest. Van de 4e tot de 1e eeuw v.Chr. werden deze contreien bevolkt door een aantal Keltische stammen. Een daarvan, de Boii of Bojers hebben hun naam gegeven aan de landstreek Bohemen of Boiohaemum. Ook Germanen en Romeinen hebben kort in dit gebied gewoond maar de Romeinen trokken zich al snel terug ten zuiden van de Donau.

Middeleeuwen en Premyslidendynastie

Slavische volkeren waren afkomstig uit Europees Rusland en arriveerden waarschijnlijk in de 5e eeuw n.Chr. Tsjechische stammen vestigden zich in het stroomgebeid van de Moldau (vroeger: Vltava) en de Slowaken in een oostelijker gelegen streek. Uit deze twee groepen ontstond in de negende eeuw het Groot-Moravische Rijk, wat ongeveer overeenkwam met het latere Tsjecho-Slowakije. Byzantijnse missionarissen begonnen met het kerstenen van dit rijk.
In de 10e eeuw viel het Groot-Moravische Rijk uit elkaar na invallen van de Magyaren (Hongaren), die grofweg het Slowaakse gebied innamen, waardoor de Tsjechen en Slowaken tien eeuwen van elkaar gescheiden werden. Na het Groot Moravische Rijk kwam het geslacht der Premysliden aan de macht en regeerde over de Tsjechen in Bohemen en Moravië. Moravië bleef uiteindelijk geen zelfstandig geheel en ging op in Bohemen. De oudst bekende vorst van dit geslacht was Borivoj, die stierf in 894. Onder de latere landspatroon van Bohemen, Wenceslas I werd Bohemen een onderdeel van het Heilige Roomse Rijk en waren de Premysliden-vorsten nog slechts hertogen.

In 929 werd Wenceslas door zijn broer vermoord die er weer in slaagde de Tsjechische stammen te verenigen onder het bewind van de Premysliden. Onder zijn bewind werd ook het bisdom Praag gesticht en slaagden de Premysliden erin om hun macht te vergroten. In 1086 werd hertog Wratislaw gekroond als eerste koning van Bohemen maar pas vanaf 1212 werd het Boheemse koningschap overerfbaar. De Duitse keizer Frederik II gaf op dat moment de Boheemse koning Ottokar I het recht van erfopvolging.
Onder Ottokar II, die regeerde van 1253-1278, had het Boheemse koninkrijk de grootste omvang. Het rijk omvatte het grootste deel van Centraal-Europa, inclusief Oostenrijk, Karinthië en Stiermarken. Na al deze successen wilde Ottokar echter ook Duits keizer worden en dat werd hem fataal. De Duitse keurvorsten kozen Rudolf van Habsburg als keizer en deze versloeg Ottokar op het slagveld van Marchfeld.

Alle Oostenrijkse bezittingen werden Bohemen ontnomen en gingen over naar het Habsburgse Huis. In 1306 werd Wenceslas III vermoord en kwam er een bloedig einde aan de dynastie van de Premysliden.

Hussieten en Habsburgers

De nieuwe koning van Bohemen werd in 1311 Johan van Luxemburg, die getrouwd was met de dochter van Wenceslas. Johan sneuvelde in 1346 en werd opgevolgd door zijn zoon Karel die in 1355 als Karel IV gekroond werd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij was het die Praag tot hoofdstad van het keizerrijk maakte. De periode dat Karel regeerde was op velerlei gebied een hoogtepunt in de geschiedenis van Bohemen, onder meer werd in 1348 de Karelsuniversiteit gesticht, de oudste universiteit van Centraal-Europa.

In 1378 werd Karel echter vermoord en het was meteen afgelopen met deze periode van voorspoed. Hij werd opgevolgd door Wenceslas IV die te maken kreeg met grote religieuze en sociale problemen. Doordat Bohemen onder sterke Duitse invloed stond voelde het Tsjechische deel van de bevolking zich achtergesteld bij de bevoorrechte adel en rijkere burgerij die vaak Duits waren. Ook de macht en rijkdom van de Kerk was een doorn in het oog van de armere bevolkingsgroepen, Dit was een goede voedingsbodem voor de opkomst van reformatorische groepen, o.a die van Johannes Hus. Hij stichtte een religieus-nationalistische massabeweging die zich fel keerde tegen de veel te wereldlijke kerk. Hij werd ook populair doordat hij de Tsjechen in hun eigen taal aansprak. Aanvankelijk kwam Wenceslas de hussieten enigszins tegemoet maar na protesten van de paus kwam er een einde aan de steun voor de hussieten. Hus werd zelfs wegens ketterij ter dood veroordeeld en op de brandstapel gezet in 1415.
De woede en de frustratie van de bevolking nam steeds grotere vormen aan en in 1419 bestormde de Praagse bevolking het raadhuis van Nové Mesto Gedurende de daaropvolgende opstand werd er grote schade toegebracht aan de bezittingen van de aristocratie en de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Toen koning Wenceslas stierf braken de zogenaamde hussietenoorlogen uit waarin de keizerlijke legers aanvankelijk grote nederlagen leden. De hussieten bestonden op dat moment uit een gematigde fractie, de “utraquisten”, en de “taborieten”, die een samenleving op basis van gemeenschappelijkheid en bezitsloosheid nastreefden.
De utraquisten en de Kerk bereikten op het Concilie van Basel een overeenkomst maar pas in 1434 werden de taborieten door de keizerlijke troepen verslagen. In 1471 stierf de laatste Tsjech op de Boheemse troon, Jirí van Podebrady. Hij werd opgevolgd door leden van het Poolse geslacht der Jagellonen, waarvan de laatste in 1526 stierf. De schoonzoon van Podebrady, Ferdinand, volgde hem op en was de eerste Habsburger die koning van Bohemen werd. Hij stelde het opvolgingsrecht voor de Habsburgers vast en haalde de jezuïeten naar Bohemen.

In 1575 werd Rudolf van Habsburg tot koning gekroond. Hij volgde daarna zijn vader Maximiliaan II op als keizer Rudolf II en riep Praag uit tot hoofdstad van het hele keizerrijk. Onder zijn bewind kende Praag een grote bloeiperiode, maar dit veranderde snel in 1608 toen hij Moravië en Hongarije moest afstaan aan zijn jongere broer Matthias. In 1611 volgde Matthias zijn broer op als koning van Bohemen; Rudolf stierf in 1612 en de hoofdstad van het rijk werd Wenen. De religieuze vrijheden werden weer grotendeels teruggedraaid en dat leidde onvermijdelijk weer tot een opstand in 1618 die tot 8 november 1620 duurde. Als wraak werden er door de Habsburgers 27 leiders van de opstand terechtgesteld waarna veel intellectuelen en geestelijken het land verlieten. Degenen die bleven werden gedwongen het katholieke geloof aan te nemen en er vond een vergaande germanisering plaats door de komst van veel Duitse adellijke families. In 1648 deden protestantse bannelingen met behulp van Zweden nog een laatste poging om de Habsburgers te verdrijven, evenwel zonder resultaat.

Opkomend nationalisme: Tsechië en Slowakije weer één staat

Onder het bewind van Joseph II (1765-1790) vonden er enkele belangrijke veranderingen plaats. Zo werd de macht van de katholieke kerk ingeperkt en mocht er onderwijs gegeven worden in de Tsjechische taal. Hierdoor kwam hij enigszins tegemoet aan het Tsjechische nationaal bewustzijn, dat pas in de negentiende een grote factor van belang werd in het maatschappelijke en culturele leven en zich richtte tegen de Oostenrijkse overheersing en de daarmee gepaard gaande onderdrukking van de Tsjechische taal en cultuur.
In het Europese revolutiejaar 1848 werd er een Slavisch congres gehouden in Praag wat uitliep op een opstand. Deze opstand werd neergeslagen maar deed het Tsjechische nationalisme sterk opleven waardoor o.a. in 1861 het Tsjechisch de tweede officiële taal werd in Bohemen. Op 28 oktober kwam het ultieme nationalistische moment in de geschiedenis van een staat toen de onafhankelijke Tsjecho-Slowaakse Republiek werd uitgeroepen met als president Tomáš G. Masaryk. Na 10 eeuwen waren de Tsjechen en Slowaken weer herenigd.

Tweede Wereldoorlog

In Tsjecho-Slowakije woonden na de Eerste Wereldoorlog enkele miljoenen Duitsers die sinds 1918 de Tsjecho-Slowaakse nationaliteit hadden. Het was dan ook niet vreemd dat Hitler zijn ogen liet vallen op dit grondgebied in verband met zijn “Heim-ins Reich- Politik”. Op de conferentie van München werd Hitler door de latere geallieerden toegestaan om delen van Bohemen waar veel Duitsers woonden in bezit te nemen in ruil voor vredesgaranties. Dat Hitler niet te vertrouwen was bleek toen hij in 1939 geheel Tsjecho-Slowakije bezette en het Protectoraat Bohemen-Moravië gesticht werd op 15 maart 1939. Slowakije profiteerde hiervan en riep in 1939 de onafhankelijkheid uit en werd een Duitse vazalstaat. President Masaryk was in 1935 opgevolgd door Edvard Beneš, die in 1938 naar de Verenigde Staten vluchtte maar later weer terug zou komen in dezelfde functie.

Tsjecho-Slowakije heeft sterk te lijden gehad onder de Duitse bezetting. Zo werden 340 mannen, vrouwen en kinderen van het dorp Lidice vermoord na de moord op Reichsprotektor Reinhard Heydrich, gepleegd door het Tsjechische verzet. Het bekendste concentratiekamp in Tsjecho-Slowakije was dat van Terezín (Theresienstadt). Vooral het veerzet in Slowakije leverde een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke bevrijding van Tsjecho-Slowakije door de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Zelfs op 5 mei 1945 brak er in Praag nog een opstand uit tegen de Duitse bezetter, waarna op 9 mei de Sovjets Praag bevrijden.

Naoorlogse jaren

De gevluchte Edward Beneš werd de eerste naoorlogse president van het opnieuw herenigde Tsjecho-Slowakije. In 1946 werden er vrije verkiezingen gehouden die gewonnen werden door de Communistische Partij. Premier van een coalitieregering van socialisten, communisten en sociaal-democraten werd Klement Gottwald. De communisten probeerden hun denkbeelden echter zozeer door te drukken dat in 1948 een aantal niet-communistische ministers aftraden. Ze hoopten hiermee een regeringscrisis te veroorzaken om daarna algemene verkiezingen te kunnen houden. Dit gebeurde echter niet, integendeel, de communisten waren veel te machtig en kregen bovendien steun van de machtige Sovjet-Unie.
Beneš boog voor zoveel druk en accepteerde het vertrek van de niet-communistische ministers. Gottwald en zijn communisten hadden nu alle macht in handen en na de dood van Beneš werd Gottwald zelfs president van de republiek. Zoals gebruikelijk in het stalinistische tijdperk werden tegenstanders van het nieuwe bewind uitgeschakeld (veel executies) en vonden er zuiveringen binnen de partij plaats.
In 1953 stierf Stalin en werd opgevolgd door de wat gematigder Chroesjtsjov, die het proces van destalinisatie inzette. Gottwald stierf kort na Stalin en werd opgevolgd door de hardliner Novotny.

Jaren zestig en zeventig

In de jaren zestig begon er langzaamaan wat te veranderen omdat er een aantal hervormingsgezinde communisten wisten door te dringen tot de top van de communistische partij. De Slowaakse hervormer Alexander Dubcek werd in 1968 partijleider nadat Novotny onder druk van hervormingsgezinde partijleden aftrad. Er brak toen een periode van liberalisering aan die de “Praagse Lente” zou gaan heten met het streven naar democratie en respect voor de mensenrechten.

De communistische buurlanden onder leiding natuurlijk van de Sovjet-Unie keken met argusogen naar de ontwikkelingen in Tsjecho-Slowakije. Op 21 augustus 1968 vielen de landen van het Warschaupakt, minus Roemenië, Tsjecho-Slowakije binnen en maakten een einde aan de ontluikende democratie. Er werd door de bevolking eigenlijk alleen maar lijdzaam verzet gepleegd Een exponent hiervan was Jan Palach die in het openbaar zelfmoord pleegde door zichzelf in brand te steken. Dubcek werd vervangen door Gustav Husák die een repressief bewind voerde waar geen enkele plaats was voor burgerlijke vrijheden of kritiek op het bewind.

Door de levensstandaard van overheidswege te verhogen probeerde men de Tsjecho-Slowaken in het gareel te houden. Eind jaren zeventig werd er door een aantal dissidente intellectuelen een manifest opgesteld, Charta ’77, waarin opgeroepen werd de mensenrechten te respecteren zoals vastgelegd in de Akkoorden van Helsinki.

Fluwelen Revolutie

Belangrijke figuren van deze beweging waren Jíri Hajek, minister van Buitenlandse Zaken in de regering Dubcek, de filosoof Jan Patocka, en de toneelschrijver Václav Havel, die later president van Tsjechië zou worden. De jaren tachtig stonden in het teken van hervormingen in geheel Oost-Europa. Belangrijk was de politiek van glasnost (openheid) en perestrojka (hervorming) waarmee de Sovjetleider Michail Gorbatsjov het tot dan toe starre communistische beleid in de Sovjet-Unie doorbrak.
Op 21 augustus 1988 vond in Praag een demonstratie plaats, waarin men de inval van de Sovjet-Unie, 20 jaar eerder, herdacht. Op 28 oktober volgde er weer een demonstratie waarbij meer vrijheid geëist werd. In datzelfde jaar waren er bovendien al kleine gebeurtenissen die wezen op een veranderende houding van de overheid ten opzicht van het streven naar meer vrijheid. Zo vond er op 10 december een demonstratie plaats voor de mensenrechten, met goedkeuring van de autoriteiten. Dit was enkele jaren eerder nog onmogelijk geweest.
In januari 1989 werd Havel samen met een aantal andere dissidenten gearresteerd bij een herdenkingsbijeenkomst voor Jan Palach. Uit binnen- en buitenland volgden vele protesten o.a. van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Schultz. Havel kreeg acht maanden gevangenisstraf opgelegd maar kwam al in mei weer voorwaardelijk vrij. Een petitie voor democratische hervormingen leverde binnen enkele maanden 35.000 handtekeningen op.
Hierna volgden de ontwikkelingen en gebeurtenissen elkaar snel op. Gorbatsjov maakte duidelijk dat de Sovjet-Unie zich niet zou bemoeien met interne aangelegenheden van de andere Oostblok-landen en drong zelfs impliciet aan op hervormingen. Door deze uitspraken werd de druk op de communistische regimes dermate groot dat de een na de ander wankelde en uiteindelijk omviel. Op 17 november begon in Tsjecho-Slowakije de zogenaamde “Fluwelen Revolutie”, met grote demonstraties op het Wenceslasplein in Praag en in andere grote steden. Meer dan 50.000 mensen trokken naar het plein maar de vreedzame demonstratie werd uiteen geslagen door de politie en vele demonstranten liepen ernstige verwondingen op. Deze houding van de politie was het sein om nog meer demonstraties te organiseren.

Maandag 20 november stonden er ca. 100.000 mensen op het Wenceslasplein. De oppositie verenigde zich in het “Burgerforum” dat onderhandelingen met de regering aanknoopte onder leiding van Havel. Op donderdagavond verklaarden de militaire leiders bereid te zijn te strijden voor het socialisme. Havel vroeg aan de arbeiders om zich aan te sluiten bij de studenten en de intellectuelen en op maandag te gaan staken. Aan deze oproep werd massaal gehoor gegeven en miljoenen Tsjechen staakten inderdaad.

Vrijdag 24 november trad het politbureau af en op zaterdag werd Karel Urbánek de nieuwe partijleider. Op woensdag 29 november werd de bepaling over de leidende rol van de communistische partij uit de grondwet gehaald waarna het Burgerforum eiste dat president Gustáv Husák zou aftreden en alle politieke gevangenen moesten worden vrijgelaten vóór 10 december. Premier Adamec probeerde nog een nieuwe regering te formeren, maar toen bleek dat er nog veel oude communisten inzaten ging dit onder luid protest niet door.
Op 10 december trad Husák af als president en werd er een voorlopige regering met een communistische minderheid goedgekeurd door het Burgerforum. Veel ex-dissidenten, o.a. Jiri Dienstbier, Marian Calfa (premier), Jan Carnogursky namen plaats in de regering. Havel werd door het Burgerforum voorgesteld als de nieuwe president en op 29 november benoemd. Alexander Dubcek werd de nieuwe parlementsvoorzitter. Een van de eerste daden van de nieuwe regering was het ontbinden van de geheime politie en tevens bereidde men de eerste vrije verkiezingen voor.

Op 8 en 9 juni weden er vrije verkiezingen gehouden voor het federale parlement en de parlementen van de deelrepublieken. Het Burgerforum werd de grote winnaar en behaalde een grote meerderheid in zowel het federale als in de parlementen van de deelrepublieken. De communisten kregen nog 13% van de stemmen en de conservatieve en fel anticommunistische christen-democratische CDU eindigde op de derde plaats. Ook de separatistische Slowaakse Nationale Partij behaalde behoorlijk wat zetels in het federale parlement en eindigde op de derde plaats in het Slowaakse deelstaatparlement. Duidelijk werd al snel dat de communistische overheersing desastreus was geweest voor de economie en Tsjecho-Slowakije als staat praktisch bankroet was.
De enige remedie tegen de economische ondergang was de invoering van een op westers model gebaseerde markteconomie en privatisering van het bedrijfsleven. Deze verandering van economische koers leidde aanvankelijk tot grote werkloosheid, maar al snel bloeide de economie op, met name in Bohemen en Moravië; de economie in Slowakije kwam maar moeizaam op gang. De inflatie daalde, de export en de het bnp namen toe.
Verantwoordelijk voor dit beleid was Vaclav Klaus. Nadelig was het harde economische beleid voor de oudere en laag opgeleide werknemers die buiten de boot vielen. Klaus kwam daardoor constant in conflict met Havel, het sociale gezicht van Tsjechië. Op 19 augustus 1991 sloeg de schrik de Tsjechen om het hart. In de Sovjet-Unie vond een coup plaats en Gorbatsjov werd gevangen gezet. Men vreesde even voor de democratische hervormingen in de andere Oostblok-landen, maar uiteindelijk viel alles erg mee. Op 21 augustus was de staatsgreep alweer voorbij en keerde Gorbatsjov terug naar het Kremlin in Moskou.

Tsjechië en Slowakije onafhankelijk van elkaar verder

Ondertussen stak in Slowakije het nationalisme de kop op. Vele Slowaken vonden dat Slowakije achtergesteld werd ten opzichte van de Tsjechen en wilden duidelijk wat anders dan de huidige federatie. Vaak speelden ook etnische verschillen een grote rol in de controverses tussen de Tsjechen en de Slowaken. Ook de belabberde economische toestand van Slowakije, dat veel harder getroffen werd door de economische maatregelen van Klaus, zorgde voor een sterke drang naar onafhankelijkheid.
De economie werd ook zwaar getroffen door de val van het communisme in de Sovjet-Unie waarna de oorlogsindustrie als belangrijkste bron van inkomsten praktisch wegviel. De nationalistische gevoelens werden aangevoerd door de Slowaakse Nationale Partij die streefde naar een onafhankelijk Slowakije. In december 1990 werd er een soort compromis gesloten waarin een aantal meningsverschillen geregeld werden. Op 5 en 6 juni 1992 volgden er weer algemene verkiezingen plaats en belangrijkste punt was de Tsjecho-Slowaakse kwestie.
De verkiezingen werden gewonnen door de Unie van Democratische Burgers (ODS) van Václav Klaus en de linkse HZDS-partij die geleid werd door ex-communist en oud-premier van Slowakije, Vladimír Meciar. Deze twee partijen stonden qua uitgangspunten lijnrecht tegenover elkaar. De ODS was erg op Tsjechië gericht en stond voor vergaande economische hervormingen en een vrijemarkteconomie. De HZDS daarentegen wilde meer staatsbemoeienis in de economie en stond voor de Slowaakse soevereiniteit. Meteen na de voor beide partijen succesvolle verkiezingen werden er onderhandelingen gestart met de intentie om een federale staat te behouden.

Grote meningsverschillen over de machtsverhouding tussen de federale regering en de deelstaatregeringen en de verdeling van de ministersposten zorgden ervoor dat de onderhandelingen compleet vastliepen. Een federatie bleek dan ook geen haalbare kaart en men werkte nu aan het idee van een confederatie, waarbij het land zou worden opgedeeld in twee praktisch onafhankelijke staten, slechts verbonden door een politiek verdrag. In een later stadium zou het Slowaakse volk zich in een referendum kunnen uitspreken voor of tegen definitieve onafhankelijkheid. Ook deze onderhandelingen liepen op niets uit en Meciar en Klaus kwamen tot de conclusie dat er voor een federale structuur geen plaats was.
Er werd een regeringsploeg gevormd die de onafhankelijkheid moest voorbereiden. Maar voor het zover was riep het Slowaakse parlement totaal onverwacht op 17 juni 1992 de soevereiniteit uit. Meteen hierna stapte Havel teleurgesteld op als president en deelde mee nog wel in te zijn voor het presidentschap van Tsjechië. Op 28 augustus werd door het Slowaakse parlement een nieuwe grondwet goedgekeurd die op 1 januari van kracht zou gaan.

Op 1 januari 1993 gingen Tsjechië en Slowakije zoals afgesproken als twee afzonderlijke staten verder en Klaus werd de eerste premier van Tsjechië. Havel werd als president gekozen voor een ambtstermijn van vijf jaar. De loskoppeling van de Tsjechische kroon van de Slowaakse munt maakte het mogelijk om snelle veranderingen in de economie door te voeren. In 1994 werd de democratie door Havel verder uitgebouwd door de senatoren rechtstreeks te laten kiezen. In datzelfde jaar trad Tsjechië, samen met de andere landen van de Visegrad-groep, toe tot het Partnerschap voor Vrede-programma van de NAVO. Een jaar later was Tsjechië het eerste ex-communistische land dat toetrad tot de OESO.
Bij de parlementsverkiezingen in 1996 deed zich het merkwaardige feit voor dat de regerende coalitie meer stemmen behaalde dan in 1992, maar als gevolg van het ingewikkelde kiesstelsel geen meerderheid in het parlement haalde. De Tsjechische Sociaal-Democraten (CSSD) behaalden een grote overwinning, maar er werd een minderheidskabinet onder leiding van premier Klaus samengesteld, dat gedoogd zou worden door de sociaal-democraten. In 1996 werden ook verkiezingen gehouden voor de Senaat; de Democratische Burgerpartij (ODS) behaalde 32 van de 81 zetels.

In januari 1996 vroeg Tsjechië officieel het lidmaatschap van de Europese Unie aan. Begin 1997 tekenden premier Klaus en de Duitse bondskanselier Kohl een zogenaamde verzoeningsverklaring, waarin Duitsland zich verontschuldigde voor de bezetting van Bohemen en Moravië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tsjechië op zijn beurt verontschuldigde zich voor het verdrijven van drie miljoen Sudetenduitsers vlak na de oorlog.
Later dat jaar werd Tsjechië door de NAVO uitgenodigd om toe te treden tot het bondgenootschap en in december besloot de EU dat Tsjechië op niet al te lange termijn zou kunnen toetreden.
Eind november 1997 diende premier Klaus het ontslag van zijn regering in. De oppositie zowel binnen als buiten zijn eigen de partij nam grote vormen aan en zelfs president Havel zegde het vertrouwen in Klaus op. Begin 1998 werd er een overgangskabinet geïnstalleerd en in februari begon Havel aan zijn tweede ambtstermijn.
In de vervroegde parlementsverkiezingen van juni 1998 behaalden de oppositionele sociaal-democraten een enorme overwinning. Omdat zij er niet in slaagden een coalitie met andere partijen te sluiten, formeerde CSSD-leider Milos Zeman in juli een minderheidskabinet, dat in ruil voor een aantal belangrijke functies werd gedoogd door de ODS. Volgens dit akkoord werd ex-premier Klaus voorzitter van het Huis van Afgevaardigden.
In november 1998 vonden verkiezingen plaats voor een derde van de Senaatszetels, waarbij de CSSD een flinke nederlaag leed die mogelijk verband hield met het omstreden akkoord met de ODS.
Medio maart 1999 werd Tsjechië samen met Polen en Hongarije officieel lid van de NAVO. Drie maanden later stelde Tsjechië een militaire eenheid beschikbaar voor KFOR, de VN-vredesmacht in Kosovo. In 1999 ratificeerden beide kamers van het Tsjechische parlement het Europees Sociaal Handvest. Tsjechië en Slowakije bereikten in november, bijna zeven jaar na de deling van de federale republiek, een akkoord over de boedelscheiding (staatseigendommen en schulden).

21e eeuw

In januari 2000 vernieuwden de regerende sociaal-democratische ÈSSD van premier Miloš Zeman en de semi-oppositionele conservatieve ODS van parlementsvoorzitter Václav Klaus het oppositieakkoord. Ze bereikten overeenstemming over verandering van het kiesstelsel, die het voor kleinere partijen moeilijker maakte om in het parlement te komen. In november 2000 vonden verkiezingen plaats voor 13 van de 14 nieuwe regionale raden, die waren ingesteld om het binnenlandse bestuur te decentraliseren. De ODS kreeg de meerderheid in 7 raden, terwijl de oppositionele vierpartijencoalitie van vooral christen-democraten en liberalen 5 raden veroverde.
De eveneens in november gehouden verkiezingen voor een derde van de zetels van de Senaat werden glansrijk gewonnen door de vierpartijencoalitie, die daarmee de grootste fractie werd. De sociaal-democraten leden in beide verkiezingen een zware nederlaag. Nog geen derde van het electoraat deed aan de verkiezingen mee.
Op 1 mei 2004 trad Tsjechië toe tot de Europese Unie. Na het slechte resultaat van de CSSD tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement (12 juni 2004), waarbij de partij slechts 2 van de voor Tsjechië 24 beschikbare zetels wist te winnen, is MP Spidla eerst op 26 juni terugtreden als partijleider van de sociaaldemocratische partij CSSD en vervolgens op 1 juli als premier van de Tsjechische Republiek. Op 4 augustus 2004 heeft President Klaus een nieuwe regering bestaande uit dezelfde coalitiepartners (CSSD, KDU-CSL en US-DEU) onder leiding van Stanislav Gross benoemd. Ook deze regering beschikte over één stem meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. In februari 2005 kwam premier Gross in opspraak wegens de manier waarop hij en zijn echtgenote hun persoonlijke financiële aangelegenheden hadden geregeld. Na een periode van crisis van ruim twee maanden, waarbij een vijftal ministers hun ontslag indiende, trok Gross zich op 13 april terug. President Klaus benoemde minister van Regionale Ontwikkeling Jiri Paroubek (net als Gross van de CSSD) tot de nieuwe minister-president. Op 13 mei wist de regering Paroubek (evenals de vorige samengesteld door CSSD, KDU-CSL en US-DEU) het vertrouwen van het Parlement te winnen met een meerderheid van 101 stemmen. Premier Paroubek heeft aangegeven het beleid van zijn voorganger door te willen zetten. Thans wordt algemeen verwacht dat deze regering zal kunnen aanblijven tot aan de reguliere verkiezingen, die op 2 en 3 juni 2006 zullen plaatsvinden. De uitslag van deze verkiezingen heeft tot een impasse geleid.

Uiteindelijk is in januari 2007 een centrum rechtse coalitie gevormd onder leiding van Mirek Topolanek. In februari 2008 is Václav Klaus herkozen tot president. Tsjechië krijgt het EU-voorzitterschap in januari 2009. In maart verliest de regering van Mirek Topolanek het vertrouwen van het parlement. In mei treedt een interim-kabinet aan onder leiding van Jan Fischer in afwachting van de nieuwe verkiezingen die in mei van 2010 zullen plaatsvinden. De sociaaldemocraten winnen de meeste stemmen, maar in juni 2010 vormde Petr Necas van de ODS een centrumrechtse coalitie. In december 2011 overlijdt oud- president Havel.

Sinds 8 maart 2013 is Miloš Zeman president van Tsjechië. Zeman was de eerste president die door het volk gekozen werd, zijn voorgangers Havel en Klaus werden gekozen door het parlement. In juni 2013 treedt premier Necas af na een schandaal, zijn opvolger is Jin Rusnik. Bij de parlementsverkiezingen van oktober 2013 winnen de sociaaldemocraten maar krijgen niet de absolute meerderheid. In januari 2014 wordt de sociaaldemocraat Bohuslav Sobatka de leider van een coalitieregering. In de jaren 2015 en 2016 behoort Tsjechië tot de groep Europese landen die strenge toelatingscriteria eist en pleit voor het mondjesmaat toelaten van vluchtelingen.


TSJECHIE LINKS

Advertenties
• Jouw reis voor de beste prijs - Prijsvrij.nl
• Cheaptickets Praag
• Autoverhuur Sunny Cars Tsjechie
• Tsjechië
• Vliegtickets naar Praag
• KRAS Tsjechië aanbiedingen
• Tsjechie Vliegtickets WTC
• Praag Hotels
• Tsjechië met de Trein
• Vergelijk Vliegtickets vanaf Schiphol
• Tsjechië Campings
• Tsjechie Vliegtickets Tix.nl
• Transport Tsjechië - TTS Quality Logistics B.V
• Eliza was here

Nuttige links

Campersite Tsjechië (N)
Lies & Teije's Reiswebsite (N+E)
Reisinformatie Tsjechië (N)
Reisverslag Tsjechië (N)
Reizendoejezo – Tsjechië (N)
Romans over Tsjechië (N)
Startkabel Tsjechië (N)
Startpagina Tsjechië (N)
Tsjechië Foto's
Tsjechië Foto's (2)
Tsjechië Middeneuropa (N)
Tsjechië Reisbijbel (N)
Tsjechië Reisforum (N)
Tsjechië Reislocaties (N)
Tsjechie Reisstart (N)
Artikelen en Reisverhalen over TSJECHIE
  Rondreis MH  Praag en het meer van Lipno

Bronnen

Mandos, M. / Tsjechië
ANWB

Schneider, J. / Tsjechië
Kosmos-Z&K

Sioras, E. / Czech Republic
Marshall Cavendish

Tsjechië, Slowakije
Lannoo

Wilson, N. / Czech & Slovak Republics
Lonely Planet

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt August 2017
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems