Landenweb.nl

ANGOLA
Geschiedenis

To read about ANGOLA in English - click here

Geschiedenis

Vroegste geschiedenis

Er is weinig bekend over de vroege geschiedenis van het gebied dat nu Angola heet, hoewel men denkt dat het al sinds het Neder-Paleaolithicum door jager-verzamelaars werd bewoond. In het begin van de 6e eeuw kwamen er Bantoe-sprekende mensen uit het noorden die ijzer smolten en landbouwkennis meebrachten en in de 10e eeuw begonnen zich afzonderlijke koninkrijken te vormen.

Het belangrijkste van deze koninkrijken was het koninkrijk Kongo dat zich in de 13e en 14e eeuw uitbreidde tot het gebied van het huidige Gabon tot de Kwanza-rivier, ten zuiden van Luanda, en landinwaarts tot de Cuango-rivier. De Kongo-koningen stichtten landbouw- en visserijkolonies bij de monding van de Congo-rivier, verdeelden het grondgebied in kleinere provincies, gebruikten schelpen als betaalmiddel en hieven zelfs belastingen. Tegen het midden van de 15de eeuw was het Kongo-koninkrijk de machtigste van een reeks staten langs de Afrikaanse westkust.

advertentie
Pré-koloniale beschavingen in Afrika, 500 v.Chr. - 1500 n.Chr.
Photo: Jeff Israel CC 3.0 Unported no changes made

Eerste Europeanen

De eerste Europese kolonisten kwamen in 1482 toen de Portugese zeevaarder Diogo Cão zijn karvelen aan de monding van de Congorivier afmeerde. De Portugezen onderhielden aanvankelijk vreedzame betrekkingen met de Kongo-stammen; de Manikongo (koning) bekeerde zich tot het Christendom en vroeg om missionarissen en geweren in ruil voor slaven, ivoor en andere goederen. Andere expedities volgden en er werden nauwe, op handel gebaseerde betrekkingen aangeknoopt tussen Portugal en het Kongo-koninkrijk. De Portugezen, die aanvankelijk goud hoopten te vinden, ontdekten echter al snel dat slaven het meest waardevolle goed waren.

Portugal's hebzucht naar slaven destabiliseerde langzaam het koninkrijk toen de kolonisten het gezag van de 'manikongos' negeerden en de slavenhandelaren steeds veeleisender en gewelddadiger werden. Tegen 1520 waren de meeste missionarissen naar Portugal teruggekeerd. Fracties binnen het koninkrijk kwamen herhaaldelijk in opstand, gedreven door de wens om controle te krijgen over de lucratieve slavenhandel, wat uiteindelijk culmineerde in een aanval die de koning, Álvaro I, in ballingschap dreef. De Portugezen, die vreesden hun handelsbelangen niet te verliezen, reageerden met het zenden van troepen en maakten uiteindelijk een einde aan de opstand. Zij consolideerden hun positie en bezetten het gebied, waardoor hun invloedssfeer verder naar het zuiden werd uitgebreid. Gedurende deze periode en tot 1850 beheerste de slavenhandel de Portugese betrekkingen met Angola en werden naar schatting vier miljoen slaven vervoerd, hoofdzakelijk naar Brazilië, waar de grote vraag naar suiker de vraag naar arbeidskrachten stimuleerde, en naar de rest van het Amerikaanse continent.

advertentie

Angola Vredesonderhandelingen Nzinga en PortugezenPhoto: Publiek domein

Portugese overheersing

In 1575 vestigden de Portugezen, onder aanvoering van de ontdekkingsreiziger Paul Dias de Novais, zich in Angola, in het huidige Luanda. Vanuit deze basis aan de kust leidde Portugal een bloeiende slavenhandel.

De Novais was een kleinzoon van de beroemde Portugese zeevaarder Bartolomeu Dias die zelf een ervaren ontdekkingsreiziger was, en in 1560 voor het eerst Angola had bezocht. In 1571 zond koning Dom Sebastião van Portugal hem naar Angola. Hij benoemde hem tot veroveraar en kapitein-gouverneur van het Koninkrijk Angola en gaf hem en zijn nakomelingen het recht op 35 leagues land ten zuiden van de Kwanza rivier en alles wat hij kon pakken in het binnenland. Maar per saldo stelde het gesloten contract met de koning weinig voor: hij mocht zijn verworven rechten slechts 12 jaar uitoefenen, hij moest drie forten bouwen en in de eerste zes jaar honderd families vestigen. Ook mocht hij geen slaven uitvoeren.

Bartolomeu Dias, bezocht in 1560 voor het eerst het huidige Angola
Photo: PHParsons CC 3.0 Unported no changes made

De Novais vertrok naar Angola op zoek naar edele metalen, met name zilver, dat volgens geruchten in enorme hoeveelheden te vinden was bij Cambambe aan de Kwanza-rivier. In februari 1575 kwam hij met zijn vloot van zeven schepen aan bij Ilha, een langgerekt eilandje op enkele meters van de huidige plaats Luanda. Zoals zijn contract voorschreef, had hij 100 kolonistenfamilies meegenomen, waaronder kooplieden en priesters, plus 400 soldaten; zij sloegen hun kamp op op het Ilha.

Veertig Portugese vluchtelingen uit Kongo en drieduizend 'muxiluandas' (plaatselijke bewoners) bewoonden reeds het Ilha. Het Ilha strekte zich uit over enkele kilometers, en in combinatie met de baai vormde het een veilige haven voor zijn schepen.

Zoet water was op korte afstand beschikbaar op het vasteland en het kustplateau bood gemakkelijk toegang tot het binnenland en, zo hoopte hij, tot de legendarische zilvervoorraden. Maar het zanderige Ilha had zijn nadelen: het was onstabiel, moeilijk te verdedigen en muggen vormden een ware plaag. Daarom verhuisde de Novais het jaar daarop naar het vasteland en vestigde hij een nederzetting op de Morro de São Paulo, een lage heuvel waar nu het Fortaleza de São Miguel staat. Hij ondervond nauwelijks tegenstand van de inheemse Kongo-stammen en vissers en kreeg al snel de controle over het omliggende gebied. De nederzetting zou later het dorp en vervolgens de (hoofd)stad São Paulo de Loanda (Luanda) worden.

Kaart van het Loango-koninkrijk
Photo: Nerika CC 2.5 Generic no changes made

Hollanders bezetten Luanda

De groeiende welvaart van Luanda trok de belangstelling van de hebzuchtige Fransen, Spanjaarden en Hollanders, die uit waren op het plunderen van grondstoffen en slaven uit Afrika. In augustus 1641 viel de Nederlandse WIC-admiraal Cornelis Corneliszoon Jol (Scheveningen, 1597 - São Tomé, 31 oktober 1641), bijgenaamd "Houtebeen", binnen met zijn grootse armada van 18 schepen. De gouverneur van Luanda gaf bevel de stad zonder slag of stoot te verlaten. De bevolking vluchtte naar het noorden, naar een van de andere forten die Paul Dias de Novais in Massangano had laten bouwen. Zij namen zoveel mogelijk rijkdommen en slaven mee, maar in de paniek gingen de archieven van de regering en van de stad verloren in de rivier de Bengo. Het is niet bekend of het de burgemeester was die ze in de rivier liet vallen om zijn lading te verlichten en zijn ontsnapping te vergemakkelijken, of dat de Nederlanders ze later hebben gedumpt. Helaas is een belangrijk deel van de geschiedenis van de stad voorgoed verloren gegaan.

Loango-Angola kust in 1711
Photo: Robbtt in het publieke domein

Eerder, in 1624, had de WIC al geprobeerd de stad Luanda, waar het grootste slavendepot van de Portugezen gevestigd was, te veroveren, maar dat mislukte. De Loango-Angola kust werd tussen 1641 en 1648 een kolonie van de West-Indische Compagnie (WIC) nadat de WIC verschillende steden en factorijen, nederzettingen die fungeerden als steunpunt voor overzeese handel, veroverd had op Portugal. In 1645 maakten zij nog plannen om een kanaal aan te leggen vanaf de rivier Kwanza in het zuiden om het broodnodige water naar de stad te brengen.

Van dat plan kwam echter niets terecht, want Salvador Correa de Sá e Benevides, gestuurd door koning Dom João IV van Portugal, heroverde de stad met succes op het feest van Maria Hemelvaart in augustus 1648. Salvador Correa de Sá e Benevides had goede dingen gedaan in Brazilië; hij was een volleerd militair, zowel te land als ter zee, en hij was ook geen slechte gouverneur.

João IV van Portugal
Photo: RickMorais CC 4.0 International no changes made

De Nederlandse bezetting van Luanda had de toevoer van slaven naar Brazilië afgesneden. Woedend zamelden Braziliaanse kolonisten geld in om een tegenaanval in te zetten. In mei 1648 vertrok Benevides met 1200 man en 12 boten om Luanda te heroveren. Drie of vier maanden later legde hij zijn vloot voor anker bij Kikombo, 15 km ten zuiden van Sumbe. Een van de schepen was in een storm verloren gegaan en had alle 300 man meegenomen. Het anker van die boot ligt in de Câmara Municipal in Sumbe. Niet afgeschrikt door het verlies van zoveel mannen, voer Benevides verder noordwaarts tot aan de baai van Luanda. De Nederlanders namen die Miguel ten onrechte in, waardoor het voor Benevides gemakkelijk werd het fort en de rest van de stad de volgende ochtend in te nemen. Benevides veranderde de naam van de stad van São Paulo de Loanda in São Paul da Assunção omdat 'Loanda' te veel op 'Holanda' leek.

Fortaleza de São Miguel
Photo: Erik Cleves Kristensen CC 2.0 Generic no changes made

Als erkenning voor zijn militaire succes kreeg Benevides grote stukken land toegewezen en onder zijn leiding werd begonnen met het herstel van de schade die door de Nederlanders was aangericht. Het Fortaleza de São Miguel, het Fortaleza do Penedo de Santa Cruz, verschillende kerken en het ziekenhuis werden allemaal hersteld. Hij begon ook met de aanleg van de Cidade Baixa in Luanda op een meer georganiseerde manier.

Andere steden die door de WIC veroverd werden waren Benguela, Cabinda, Cambamba of Ensadeira eiland, en Malembo; daarnaast werden de factorijen J. van Roubergen, Corisco, Loango, Mayumba (ook wel Majombo) en Soyo (ook wel Mpinda) geopend, maar deze werden in de loop van de tijd wegens tegenvallende opbrengsten verlaten.

19e en 20e eeuw

Gesterkt door hun succes tegen de Nederlanders, drongen de Portugezen verder landinwaarts en veroverden de staten Kongo en Ndongo. In de volgende eeuwen breidden ze hun controle verder uit naar het oosten en probeerden tevergeefs volledige controle te krijgen over de kust van Luanda tot Cabinda. De slavenhandel werd formeel afgeschaft door Portugal in 1836, maar de slavernij bleef bestaan in Angola, met slaven die werden gebruikt als arbeidskrachten op koffie-, katoen- en suikerplantages. Geleidelijk aan werd de slavernij vervangen door dwangarbeid, en deze toestand duurde zelfs voort tot 1961.

Slavenhandel van Afrika (o.a. Angola) naar Noord- en Zuid-Amerika (1650-1860)
Photo: Jbdodane CC 2.0 Generic no changes made

n 1883 bezetten de Portugezen Cabinda en annexeerden zij de regio van het oude Kongo koninkrijk. Op de Conferentie van Berlijn van 1884 werden de noordelijke grenzen van Angola getrokken en een jaar later stond het koninkrijk Simulambuco formeel Cabinda aan Portugal af.

Ondanks de formele verdragen had Portugal slechts de controle over een klein deel van zijn grondgebied met vele onafhankelijke koninkrijken die vijandig stonden tegenover de Portugezen. Intensieve militaire campagnes waren nodig om de verzetshaarden te veroveren. Een belangrijke veldtocht behoedde een Boerennederzetting bij Humbe voor aanvallen van Mandume ya Ndemufayo, de laatste koning van het Kwanyama koninkrijk, een regio die de grenzen van Angola en Namibië scheidt. Een andere, en een van de moeilijkste campagnes, werd gevoerd tegen het Dembos-volk, dat drie jaar lang door de Portugezen werd aangevallen; zij onderwierpen het in 1917 en veroverden het pas in 1919. Er volgden systematische campagnes om de aangrenzende koninkrijken te veroveren en pas in 1930 konden de Portugezen met een gerust hart zeggen dat zij geheel Angola onder controle hadden. Van 1932 tot 1974 regeerde de Portugese dictator Salazar en werden antikoloniale bewegingen met harde hand onderdrukt.

In 1951 kreeg de kolonie de status van Portugese overzeese provincie en werd ook bekend als Portugees West-Afrika. De hoge koffieprijzen brachten enorme rijkdom voor de immigranten die zich er hadden gevestigd en die er tot aan de onafhankelijkheid vette winsten mee bleven maken.

Route naar onafhankelijkheid

De eerste nationalistische beweging die onafhankelijkheid eiste, de Partij van de Verenigde Strijd voor Afrika in Angola, ontstond in 1953. Een paar jaar later, in 1955, werd de Angolese Communistische Partij (Partido Comunista Angolano) opgericht, die rond 1956 werd gevolgd door de marxistisch-leninistische Movimento Popular de Libertação de Angola (MPLA). De MPLA was samengesteld uit een aantal kleinere verzetsbewegingen en zou later de dominante partij worden, die bij de onafhankelijkheid de macht greep en tot op de dag van vandaag aan de macht blijft. De MPLA kreeg steun van de USSR en werd van 1962 tot aan zijn dood in 1979 geleid door Agostino Neto.

Agostinho Neto , president Angolese bevrijdingsbeweging MPLA, in Nederland
Photo: Rob Mieremet / Anefo in het publieke domein

De tweede grote beweging, het Frente Nacional de Libertação de Angola (FNLA), volgde in 1961 en werd gesteund door de Ovimbundu en het Zuid-frikaanse apartheidsregime. De leider was Holden Roberto, die door huwelijk verwant was met Mubutu Sésé Seko van Zaïre. De beweging zou later uiteenvallen omdat Roberto weigerde zijn organisatie te laten fuseren met andere onafhankelijkheidsgroepen en is nu een uitgeputte politieke kracht. De laatste grote speler die opkwam rond 1966, was de door noordelijke stammen en de anticommunistische westerse landen gesteunde União Nacional para a Independência Total de Angola (UNITA). Na de onafhankelijkheid voerde UNITA een bloedige oorlog met de MPLA, die pas eindigde na de gewelddadige dood van haar leider, Jonas Savimbi, in 2002. Vrijwel onmiddellijk daarna staakte UNITA het geweld en ging deelnemen aan de reguliere politiek. De steun van de bevolking ontbrak echter en de partij werd bij de verkiezingen van 2008 verpletterend verslagen.

Er waren drie factoren die leidden tot het begin van de 30 jaar durende "Luta Armada de Libertação Nacional", de Angolese Onafhankelijkheidsoorlog; een grote opstand van katoenarbeiders in Malanje in januari 1961; een poging om politieke gevangenen te bevrijden uit een gevangenis in Luanda in februari van datzelfde jaar; en de brute repressie en het bloedbad door de Portugezen waarbij duizenden werden gedood of stierven van de honger. Nog vele anderen ontvluchtten het geweld en zochten hun toevlucht in Zaïre. In de zestiger en zeventiger jaren verspreidde de instabiliteit zich over Angola en de onafhankelijkheidsgroeperingen organiseerden zich beter, richtten trainingskampen op en zochten buitenlandse hulp en financiën. Hun fatale fout was echter dat zij weliswaar een gemeenschappelijk doel hadden, de onafhankelijkheid van Angola, maar dat zij totaal niet in staat waren samen te werken om dat doel te bereiken. Persoonlijke macht ging boven het bredere belang van onafhankelijkheid en als gevolg daarvan hielden intern gekibbel en spanningen tussen verschillende groepen de opstand op guerilla-niveau, dat het Portugese leger, met zijn superieure vuurkracht, nog net onder controle kon houden.

Oefening Angolese bevrijdingsbeweging FNLA in Zaïre in 1973
Photo: Rob Mieremet (ANEFO) CC 4.0 International no changes made

In april 1974 maakte een bijna bloedeloze staatsgreep een einde aan bijna 50 jaar dictatuur in Portugal. De "Anjerrevolutie" zette premier Marcello José das Neves Alves Caetano Caetano (1906-1980) aan de kant, die vervolgens in ballingschap ging naar Brazilië, en hij werd vervangen door generaal António de Spínola (1910-1996). In juli van datzelfde jaar gaf Spínola gehoor aan de oproep van zijn vermoeide militaire collega's en de Portugese bevolking om een einde te maken aan de bloedige en dure Angolese oorlog. Hij begon Portugal al zijn Afrikaanse kolonies af te stoten; Portugees Oost-Afrika volgde in juni 1975 en werd Mozambique bij de onafhankelijkheid, Kaapverdië was de volgende in juli en Angola sloot de rij in november 1975. In de maanden na de staatsgreep in Lissabon werden de militaire acties tegen de Angolese nationalisten stopgezet en erkende Portugal het recht van Angola op zelfbeschikking. Admiraal António Alva Rosa Coutinho (1926-2010) werd benoemd tot Hoge Commissaris in Angola en belast met het toezicht op Angola's overgang naar onafhankelijkheid. De regering van Spínola in Lissabon streefde naar verzoening tussen de drie belangrijkste bevrijdingsbewegingen.

In januari 1975 kwamen de drie belangrijkste onafhankelijkheidsbewegingen, de MPLA, UNITA en FLNA, in Kenia bijeen en kwamen overeen om als gelijkwaardige partijen samen te werken in een nieuwe regering. Zij kwamen overeen FLEC, de Cabindan seperatisten, uit te sluiten omdat FLEC de territoriale integriteit niet steunde. Op 10 januari 1975 kwamen de drie groepen bijeen in de Portugese stad Alvor en sloten het Alvor-akkoord, waarbij Angola op 11 november 1975 onafhankelijk zou worden, na verkiezingen in oktober 1975. In de tussentijd zou een overgangsregering worden gevormd, onder leiding van de Portugese Hoge Commissaris Rosa Coutinho en met deelname van de MPLA, UNITA en FNLA.
De overgangsregering werd ingehuldigd op 31 januari 1975 en buitenlandse regeringen stonden in de rij om zich ermee te bemoeien. De Verenigde Staten gaven 300.000 dollar aan de FNLA; de Sovjet-Unie leverde wapens aan de MPLA; de Verenigde Staten namen wraak door meer hulp te geven aan de FNLA en financierden voor het eerst UNITA; en Cuba stuurde troepen en militaire adviseurs om de MPLA te helpen. De vrede en harmonie tussen de oude rivalen was van korte duur en binnen enkele dagen leidden grote ruzies tot hernieuwde scheuringen. Tegen maart 1975 was het Alvor-akkoord uiteengevallen en braken in de straten van Luanda en later in het noorden van het land hevige gevechten uit tussen de FNLA en de MPLA. De gevechten maakten vreedzame samenwerking onmogelijk en de prille regering stortte in juli in. De MPLA verdreef de FNLA en UNITA uit de hoofdstad en op zijn beurt verdreef de FNLA de MPLA uit de noordelijke provincies Uige en Zaïre. Cubaanse militaire adviseurs arriveerden om de MPLA te helpen en Zaïrese troepen trokken het noorden van Angola binnen om de FNLA te steunen.

Demonstratie voor de ambassade van Zaïre in Den Haag tegen de interventie van Zaïre in Angola
Photo: CC
3.0 Netherlands no changes made

Ondertussen bezetten Zuid-Afrikaanse troepen de regio Cunene aan de grens met Namibië. Niet verwonderlijk dat de Portugezen zenuwachtig werden en in juli een luchtbrug regelden om Portugese arbeiders te repatriëren. UNITA verklaarde op 1 augustus 1975 formeel de oorlog aan de MPLA. Portugal schortte op 14 augustus het Alvor-akkoord op en ontbond de overgangsregering. In theorie nam de Portugese Hoge Commissaris Rosa Coutinho alle bevoegdheden over tot aan de onafhankelijkheid, maar in werkelijkheid greep de MPLA zoveel macht als zij kon. In dezelfde maand viel UNITA de economisch belangrijke Benguela spoorweg aan en legde deze stil totdat in 1978 gedeeltelijke reparaties werden uitgevoerd. Een maand voor de onafhankelijkheid rukten Zuid-Afrikaanse troepen samen met UNITA en de FNLA op van de provincie Cunene in het zuiden tot op 100 km van Luanda. Elders nam de MPLA met de hulp van Cubaanse troepen de controle over twaalf van de provinciehoofdsteden over.

Terwijl de FNLA en UNITA, gesteund door de Zuid-Afrikaanse troepen, Luanda oprukten en de MPLA-troepen de stad met hulp van de Cubanen verdedigden, kon de Portugese Hoge Commissaris niet snel genoeg vertrekken. In plaats van te blijven voor een waardige en formele machtsoverdracht, droeg hij op schandelijke wijze de macht over aan het Angolese volk in plaats van aan een overgangsregering en vluchtte op een Portugees fregat.

Op 11 november 1975, de Dag van de Onafhankelijkheid, riep de MPLA, gesteund door tienduizenden Sovjet- en Cubaanse troepen, zichzelf uit tot de nieuwe regering van de Volksrepubliek Angola en werd haar leider, Agostinho Neto (1922-1979), de eerste president. UNITA en de FNLA likten hun wonden. Met heimelijke financiële steun van de Amerikanen en troepen, wapens, brandstof en voedsel uit Zuid-Afrika kwamen zij overeen om in Huambo een alternatieve coalitieregering van de Democratische Volksrepubliek Angola op te zetten. De FNLA en UNITA bleven echter kibbelen en slaagden er pas in december in een regering op te zetten, die echter geen internationale steun kreeg.

Agostinho Neto, eerste president van onafhankelijk Angola
Photo: Rob Mieremet / Anefo in het publieke domein

Zuid-Afrika was in Angola verwikkeld geraakt omdat de MPLA de SWAPO (the South West African People's Organisation) steunde in hun strijd voor onafhankelijkheid in het naburige Namibië, en tegelijkertijd het communisme in Angola bestreed, hetgeen een gemeenschappelijke zaak werd voor de Zuid-Afrikanen.

Tegen het einde van een tumultueus jaar had meer dan 90% van de blanke kolonisten Angola verlaten. Met onbehoorlijk gedrag richtten zij opzettelijk vernielingen aan in de infrastructuur toen zij vertrokken: plannen werden vernield, pompstations opgeblazen, boerderijen in brand gestoken en zelfs cement in de afvoerkanalen van gebouwen met meerdere verdiepingen gegoten om ze onbewoonbaar te maken. De strijd voor onafhankelijkheid van Portugal eindigde in 1975 en ging naadloos over in de Angolese burgeroorlog.

Burgeroorlog

In januari 1976 werd de MPLA geholpen bij haar aanvallen op UNITA en haar Zuid-Afrikaanse bondgenoten door Sovjetluchttransporten van materieel en tot 12.000 Cubaanse troepen. Tegen februari heroverde de MPLA Huambo, Benguela, M'Banza Congo, Cabinda en Soyo. Onder internationale druk trok Zuid-Afrika zijn troepen terug en staakten de Verenigde Staten hun financiële en technische bijstand. De Organisatie voor Afrikaanse Eenheid erkende de MPLA als de legitieme regering van Angola, samen met de Verenigde Naties, Portugal en meer dan 80 andere landen, maar niet de Verenigde Staten.
In 1978 voerden de Zuid-Afrikanen, in de overtuiging dat in Cassinga in de provincie Huíla een SWAPO-trainingskamp actief was, een dodelijke aanval uit, waarbij honderden doden vielen. In augustus 1981 vielen zij opnieuw het zuiden van Angola binnen om SWAPO-opstandelingen te achtervolgen. In februari 1984 bereikten Angola en Zuid-Afrika overeenstemming over een staakt-het-vuren, de terugtrekking van de Zuid-Afrikaanse troepen en de verwijdering van SWAPO uit het grensgebied. De uitvoering duurde meer dan een jaar, maar de overeenkomst was van korte duur en in 1985 vielen Zuid-Afrikaanse troepen opnieuw binnen. In 1986 begonnen de Verenigde Staten geheime militaire bijstand aan UNITA te verlenen als onderdeel van hun wereldwijde strategie om anticommunistische bewegingen te steunen. Deze bijstand stelde UNITA in staat haar guerrillaoorlog uit te breiden tot meer dan 90% van het land.

Operaties van de SWAPO en de South Africa Defence Force in Angola en Namibië, 1981-1984
Photo: Ceresnet CC 2.5 Generic no changes made

In juli 1987 lanceerde het Angolese leger, met hulp van de Cubanen en de Sovjets, een groot offensief tegen de UNITA-strijdkrachten van Jonas Savimbi in de provincie Cuando Cubango. Het doel was UNITA's basis in Jamba te vernietigen en de Zuid-Afrikanen uit Angola te verdrijven. Toen het offensief begon te slagen, grepen de Zuid-Afrikanen, die de lagere delen van zuidwestelijk Angola controleerden, in, omdat zij ervoor moesten zorgen dat UNITA controle bleef houden over de gebieden die aan Namibië grensden, omdat dit SWAPO-guerilla's zou verhinderen een springplank in zuidelijk Angola te krijgen van waaruit zij aanvallen in Namibië zouden kunnen lanceren. De MPLA riep om hulp en de respons was enorm.
De Cubanen stuurden honderden tanks, artillerie, luchtafweergeschut, vliegtuigen en bijna 50.000 manschappen. De Russen droegen hun steentje bij met militaire adviseurs, schepen en transport. Van 1987 tot 1988 hadden de kleine garnizoensstad en de luchtmachtbasis van Cuito Canavale en het nabijgelegen Mavinga de twijfelachtige eer de grootste tankslagen te zijn sinds de Tweede Wereldoorlog en de bloedigste van de hele Angolese burgeroorlog. De verliezen van de regering worden geschat op 4.000 doden en gewonden. Cuito Cuanavale was de slag die niemand won, hoewel beide partijen de overwinning opeisten. Het was echter een keerpunt in de burgeroorlog en leidde uiteindelijk tot het vertrek van Cubaanse, Zuid-Afrikaanse en andere buitenlandse troepen uit Angola.

In juni 1989, na een bijeenkomst van 17 Afrikaanse landen, kwamen president Dos Santos van de MPLA en Jonas Savimbi van UNITA onder auspiciën van de Zaïrese president Mobutu Sésé Seko bijeen en kwamen een staakt-het-vuren overeen, maar dit staakt-het-vuren stortte binnen twee maanden in en de oorlog werd hervat.

Jonas Savimbi AngolaPhoto: Savimbi CC 3.0 Unported no changes made

In de loop van 1990 vonden in Lissabon verscheidene gespreksronden tussen de regering en UNITA plaats en in mei 1991 werden in de gelijknamige Portugese badplaats de Akkoorden van Bicesse ondertekend. Dit laatste vredesakkoord leidde tot massale hoop en optimisme toen een nieuwe meerpartijengrondwet, een fusie van de MPLA- en UNITA-legers en verkiezingen werden voorgesteld. De allereerste verkiezingen werden gehouden van 29 tot 30 september 1992 en werden door de Verenigde Naties als over het algemeen vrij en eerlijk bestempeld. Bij de presidentsverkiezingen behaalde de kandidaat van de MPLA, José Eduardo dos Santos, 49,6% van de stemmen terwijl de leider van UNITA, Jonas Savimbi, 40% van de stemmen behaalde.

Uitslag presidentsverkiezingen in Angola (1992)
Photo: FelipeRev CC 4.0 International no changes made

Bij de parlementsverkiezingen behaalde de MPLA 129 van de 220 zetels; UNITA won er 70 en tien kleinere partijen verdeelden de overige 21 zetels. Aangezien echter geen van beide partijen de vereiste 50% van de stemmen had behaald, werd een tweede ronde uitgeschreven. Savimbi nam ontslag op beschuldiging van verkiezingsfraude en onregelmatigheden, en keerde terug naar de oorlog. In de daaropvolgende maand werd er hevig gevochten in Luanda en werd het leiderschap van UNITA in de hoofdstad bijna weggevaagd. Het land werd opnieuw in gewelddadige gevechten geworpen en binnen enkele maanden had UNITA de controle over een groot deel van het binnenland overgenomen. Tijdens de daaropvolgende twee jaar van gevechten werden ongeveer twee miljoen mensen uit hun huizen verdreven en werden meer dan 20 miljoen landmijnen gelegd. In januari 1993 nam UNITA de strategisch belangrijke oliestad Soyo in, hetgeen leidde tot de interventie van de particuliere militaire onderneming Ececutive Outcomes, aan de zijde van de regering. In datzelfde jaar begon de belegering van Huambo in het centrum van het land, die 55 dagen duurde en tienduizenden levens eiste.

Tegen het einde van 1993 had UNITA ongeveer 70% van het land in handen en stierven 1000 mensen per dag de hongerdood. In november 1994 ondertekenden president Dos Santos en Jonas Savimbi een nieuw vredesakkoord, ditmaal in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka. Twee dagen later werd een formeel staakt-het-vuren afgekondigd.

Het Lusaka-protocol, zoals het bekend is geworden, bevatte een reeks maatregelen om een eind te maken aan de burgeroorlog. Het riep UNITA op tot demobilisatie en het opgeven van gebieden die onder haar controle stonden, de oprichting van een nationaal leger, en de oprichting van een regering van nationale eenheid en verzoening (GURN). In ruil daarvoor zou UNITA de 70 zetels innemen die het zou hebben gekregen indien het de verkiezingsresultaten van 1992 had aanvaard en zou Savimbi vice-president van Angola worden. Er werden vredeshandhavers van de Verenigde Naties ingezet, maar deze waren ondoeltreffend. Maar ook deze deal liep stuk op wederzijds wantrouwen. Hoewel de regering zich over het algemeen aan de verplichtingen van het protocol hield, liep de demobilisatie vertraging op en twijfelde Savimbi over het opgeven van de diamantproducerende gebieden die hij onder controle had en die hem het geld verschaften om te blijven vechten. In 1995 werd in een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de inzet goedgekeurd van een 7000 man sterke vredesmacht, de United Nations Angola Verification Mission (UNAVEM), die moest toezien op de tenuitvoerlegging van het Protocol van Lusaka, met name de demobilisatie van de troepen aan beide zijden. Dit omvatte het verzamelen van UNITA-troepen in inkwartieringsgebieden en de selectie van 26.300 UNITA-troepen om zich bij de Angolese strijdkrachten aan te sluiten.

In april 1997 werd de door de MPLA gedomineerde GURN geïnstalleerd, waarbij UNITA werd omgevormd van een militaire groepering tot een politieke partij en vier ministersposten bekleedde. Andere politieke partijen, zowel binnen als buiten de Nationale Vergadering, waren talrijk en oefenden zeer weinig invloed uit. De GURN was voor een groot deel een regering met een rubberen stempel, die de uitvoerende macht slechts schoorvoetend uitdaagde. In juni 1997 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties UNAVEM ontbonden en vervangen door een civiele waarnemersmissie, de Mission d'Observation des Nations Unies en Angola (MONUA). MONUA kreeg een mandaat van zeven maanden om toe te zien op de naleving van de verplichtingen van het Lusaka-Protocol. UNITA reageerde zeer traag en de Veiligheidsraad legde in 1997 sancties tegen hen op.

In de daaropvolgende jaren kabbelde de guerrillaoorlog voort, onderbroken door gesprekken, afspraken en misverstanden, verwijten en wederzijds en diep gevoeld wantrouwen. UNITA bewoog zich ongestraft op het platteland en controleerde ongeveer de helft van het Angolese grondgebied, terwijl de MPLA de steden controleerde. In januari 1998 stemde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in met een uitbreiding van het mandaat van de VN-vredesmissie in Angola. Er volgden nog verschillende verlengingen, maar na het verstrijken van de laatste in februari 1999 werd de MONUA teruggetrokken omdat er niet langer een geloofwaardig vredesproces was waarop zij toezicht konden houden.

21e eeuw

In 1998 zette de MPLA een groot offensief op tegen UNITA en in februari 2002 kwam het definitieve einde toen Jonas Savimbi, de charismatische en wrede leider van UNITA, door regeringstroepen werd gedood tijdens een commando-inval in de provincie Moxico. De volgende maand kondigde de regering een wapenstilstand af en stelde plannen voor voor amnestie, demobilisatie van de UNITA-troepen en rehabilitatie van UNITA tot een mainstream politieke partij. Bijna 30 jaar van bloedige conflicten kwamen voor de meeste Angolezen tot een einde. De opstand in Cabinda duurde echter voort totdat een memorandum van overeenstemming werd ondertekend met een deel van de Cabindaanse afscheidingsbeweging, Frente para a Libertação do Enclave de Cabinda (FLEC). Bijna 30 jaar van bloedige conflicten kwamen voor de meeste Angolezen tot een einde.

Voorgestelde vlag voor de Republiek Cabinda
Photo: AsthmaGuy CC 4.0 International no changes made

Eerste vrije verkiezingen sinds 1992

In april 2005 werden nieuwe kieswetten ingevoerd en voor 2006 werden verkiezingen beloofd, maar deze werden herhaaldelijk uitgesteld omdat mijnen moesten worden geruimd en wegen en spoorwegen hersteld om meer mensen in staat te stellen te stemmen. In de aanloop naar de verkiezingen heerste de wijdverspreide overtuiging dat het politieke toneel sinds de laatste mislukte verkiezingen sterk was geëvolueerd en dat alle partijen zich echt voor vrede hadden ingezet, en niemand geloofde echt dat een terugkeer naar oorlog mogelijk was. In september 2008 werden eindelijk verkiezingen gehouden, de eerste sinds september 1992, en voor veel Angolezen waren het de eerste verkiezingen waaraan zij ooit hadden deelgenomen. De verkiezingen verliepen vreedzaam en werden ondanks enkele administratieve problemen algemeen aanvaard door de internationale gemeenschap.

Slachtoffer van een landmijn, Angola
Photo: Ton Rulkens CC 2.0 Generic no changes made

UNITA klaagde over intimidatie van haar leden. Ook uitte zij haar bezorgdheid over de logistieke regelingen die voor de verkiezingen waren getroffen en de ongelijke toegang tot financiering en publiciteit voor oppositiepartijen. De MPLA haalde 81,6% van de stemmen en behaalde een overtuigende meerderheid van 191 van de 220 zetels in de Nationale Vergadering. UNITA werd verpletterend verslagen met slechts 10,3% van de stemmen en slechts 16 zetels, waardoor haar vertegenwoordiging in de Nationale Vergadering aanzienlijk is gedaald ten opzichte van de 70 zetels die zij voorheen bezette, en heeft moeite om zichzelf te herdefiniëren als een geloofwaardige politieke partij.

De aanloop naar de verkiezingen van augustus 2012 werd gekenmerkt door een reeks protesten in Luanda, onder meer in buurten die populair zijn bij expats, zoals Miramar, Maianga en Cidade Alta, en in andere steden. Veel van de factoren die in 2011 en 2012 volksopstanden in de Arabische wereld uitlokten, waren aanwezig in Angola: een vermeende kleptocratie, corruptie, een onderdrukkend regime, ongelijke verdeling van de rijkdom, slechte sociale omstandigheden en gecensureerde media. Aangemoedigd door nieuwsberichten en overdreven in talloze sms'jes en sociale mediasites, vond een reeks ongekende en woedende protesten plaats, vooral in Luanda, maar ook in andere steden.
Demonstranten trokken openlijk de legitimiteit van voormalig president dos Santos in twijfel, anti-establishment rappers werden in elkaar geslagen en Luaty Beirão, een beroemde rapper en activist, werd in Portugal gearresteerd op grond van wat men denkt een verzonnen drugsaanklacht te zijn. De reactie van de autoriteiten bestond onder meer uit gewelddadige confrontaties, willekeurige arrestaties en afranselingen van arrestanten. De autoriteiten richtten zich op journalisten en maakten het de onafhankelijke media erg moeilijk.

Algemene verkiezingen Angola in 2008 in 2012 werden in alle provincies gewonnen door de MPLA
Photo: FelipeRev CC 4.0 International no changes made

De nationale commissie (CNE) werd zelf omstreden over de kwalificaties en onpartijdigheid van haar hoofd, die uiteindelijk werd afgezet, en over de accreditatie van internationale waarnemers. Het was dan ook niet verwonderlijk dat er op de dag van de stemming heel wat verwarring heerste, aangezien veel stemmen werden geweigerd omdat zij niet op de lijsten voorkwamen, of omdat hun werd gezegd dat zij hun stem moesten uitbrengen in stembureaus die vele uren verderop lagen. Er waren vertragingen bij het openen en sluiten van de stembureaus en een groot stembureau in de Luandese voorstad Viana ging helemaal niet open, waardoor alle kiezers het kiesrecht werd ontnomen.

Internationale waarnemers gaven de verkiezingen een algemeen goedkeurend oordeel, zeiden dat ze vrij en geloofwaardig waren en wezen op de logistieke uitdagingen waarmee de CNE werd geconfronteerd. De resultaten waren geen verrassing. De regeringspartij MPLA haalde 71,8% van de stemmen, 10% minder dan in 2008, maar nog steeds een ruime meerderheid die zich vertaalde in 175 zetels in het parlement. UNITA haalde 18,66% van de stemmen, wat neerkwam op 32 zetels, een duidelijke verbetering ten opzichte van de vorige verkiezingen.

Nieuwkomer CASA-CE, die slechts zes maanden voor de verkiezingen werd opgericht, behaalde een zeer respectabele 6% van de stemmen en 8 zetels. De opkomst bedroeg ongeveer 63%, een daling met bijna 20% ten opzichte van 2008, wat toe te schrijven is aan het wijdverspreide cynisme tegenover de regerende partij en het verkiezingsproces. Na de grondwetswijziging van 2010 wordt de leider van de winnende partij automatisch staatshoofd en de tweede wordt uitgeroepen tot vicepresident. José Eduardo dos Santos werd aldus verkozen tot president met voormalig Sonangol-hoofd (Angolees staatsbedrijf dat betrokken is bij de olie- en gaswinning) Manuel Domingos Vicente als zijn plaatsvervanger.

Dos Santos en Lula Angola Photo:Wilson Dias /ABr CC 3.0 Brazil no changes made

Algemeen werd verwacht dat de verkiezingen van 2012 zouden uitmonden in de laatste ambtstermijn van president dos Santos, gezien zijn leeftijd en naar verluidt aanhoudende gezondheidsproblemen. Dos Santos was van plan deze laatste termijn van vier jaar te gebruiken om zijn bewind te legitimeren en vervolgens de macht over te dragen aan Vicente, terwijl hij toch aanzienlijke invloed zou behouden en de belangen van zijn familie zou beschermen. In de tweede helft van 2014 begonnen de mondiale oliemarkten echter te kantelen. In juni 2104 bedroeg de OPEC-referentiemand voor olie gemiddeld $107,89 per vat. Dit was een ramp voor Angol, dat voor een kwart van zijn bbp en meer dan 90% van zijn totale export afhankelijk is van de verkoop van olie. De inflatie en de werkloosheid stegen, bouwprojecten kwamen tot stilstand, er was een tekort aan Amerikaanse dollars in Luanda en veel leden van de olie-industrie verloren hun baan. De overblijvenden moesten maandenlang zonder loon werken wegens het tekort aan US-dollars, en de bedrijven hadden het steeds moeilijker om hun winsten te repatriëren.
De crash van de olieprijs toonde duidelijk aan hoe slecht de Angolese economie gediversifieerd was, ondanks al het gepraat over de groei van de niet-oliesector na een soortgelijke prijsschok in 2008-2009. Nu Sonangol op het randje van faillissement stond, begon het vertrouwen in Vicente af te brokkelen. Tot overmaat van ramp benoemde president Dos Santos in juni 2016 zijn dochter, Isabel dos Santos, tot hoofd van Sonangol, onder grote publieke verontwaardiging.

Manuel Domingos Vicente, vice-president van Angola (2012-2017)
Photo: Michel Temer CC 2.0 Generic no changes made

In 2016 werd duidelijk dat het Centraal Comité van de regerende MPLS niet van plan was president Dos Santos op eigen voorwaarden te laten aftreden of zijn opvolger aan de partij op te leggen. Na veel onderhandelen in achterkamertjes werd in augustus 2016 João Lourenço benoemd tot vice-president. Lourenço, een militair met sterke geloofsbrieven op het gebied van de bevrijdingsstrijd, was sinds 2014 minister van Defensie.

Een droogte in 2016 veroorzaakte de ergste voedselcrisis in zuidelijk Afrika in 25 jaar, en trof 1,4 miljoen mensen in zeven van de 18 provincies van Angola. De voedselprijzen stegen en het aantal gevallen van acute ondervoeding verdubbelde, waarbij meer dan 95.000 kinderen werden getroffen.

In het begin van de jaren 2000, toen president Dos Santos voor het eerst flirtte met het idee om met pensioen te gaan, was er sprake van dat hij het presidentschap zou overnemen. Lourenço's openlijke belangstelling voor de topfunctie viel echter niet in de smaak bij de toenmalige president, die hem als gevolg daarvan dwong tot bijna een decennium in de politieke wildernis. Het heeft lang geduurd, maar Lourençco heeft zich op tijd voor de parlementsverkiezingen van 2017 weer in de strijd gewrongen. Net voordat hij instemde met zijn aftreden, drukte Dos Santos zijn wetgeving door de Nationale Assemblee waarmee hij de banen van topfunctionarissen van het leger, de politie en de inlichtingendiensten voor acht jaar veiligstelde, in een poging om te voorkomen dat zijn opvolger zijn aanhangers zou verwijderen als hij eenmaal aan de macht was. Dit was een vooruitziende poging om de controle te behouden, gezien wat er zou komen.

De verkiezingen vonden plaats op 23 augustus 2017, met Lourenço aan het hoofd van de lijst van de MPLA. De MPLA won gemakkelijk met 61,1% van de stemmen, gevolgd door UNITA met 26,7% en CSA-CE met 9,5%. Het was echter niet allemaal goed nieuws. De kiezers waren ontevreden over de toestand van de economie. Het aantal stemmen van de MPLA was sinds 2012 met 10% gedaald, waardoor de partij 25 zetels verloor in het 220 zetels tellende parlement.

Wat nog zorgwekkender is, is dat de regerende partij voor het eerst haar meerderheid in Luanda verloor en slechts 48% van de stemmen behaalde. Oppositiegroepen schreeuwden het uit en brachten hun klachten over de afhandeling van de verkiezingen naar het Grondwettelijk Hof van Angola, maar het mocht niet baten. President Lourenço is op 26 september 2017 beëdigd als de derde president van Angola.

President Lourenço stond bij zijn aantreden voor een moeilijke taak: een economie in crisis, een burger die het vertrouwen in de regeringspartij verloor en wijdverbreide, grootschalige corruptie. Veel politieke commentatoren waren van mening dat hij niet in een sterke positie verkeerde om radicale veranderingen door te voeren, dat hij meer stond voor continuïteit dan voor verandering. Zijn eerste jaar in functie heeft hun ongelijk bewezen.

Drie weken na zijn aanstelling gaf president Lourenço opdracht tot een grondige herziening van de Angolese olie-industrie, in overleg met de multinationale oliemaatschappijen in het land. Hij kondigde ook een nieuwe concurrentiewet aan die veel van de monopolies die de groei van de Angolese economie afremden, moet ontmantelen, en benoemde de internationaal gerespecteerde José de Lima Massano tot hoofd van de Centrale Bank van Angola. Vrijwel onmiddellijk was er sprake van om het IMF in te schakelen om te helpen met Angola's penibele financiële situatie en om hun afhankelijkheid van ondoorzichtige Chinese door olie gesteunde leningen te verminderen.

Isabel dos Santos, hoofd van Sonangol
Photo: Nuno Coimbra
CC4.0 International no changes made

Minder dan twee maanden na zijn ambtsaanvaarding, op 15 november 2017, ontsloeg president Lourenço Isabel dos Santos als hoofd van Sonangol. Dit ontslag was een krachtig signaal aan de gevestigde belangen binnen de regering en was bijzonder populair in Angola, waar de eerdere benoeming van Isabel door haar vader als een voorbeeld van nepotisme werd beschouwd. Isabel was niet de enige prominent ontheemde: Wat is beschreven als een politieke zuivering om zijn macht te verstevigen en de invloed van de familie Dos Santos te verminderen, ontsloeg Lourenço vervolgens het hoofd van de nationale politie, Ambrósio de Lemos, en het hoofd van de inlichtingendienst, Apolinário José Pereira. Beiden werden beschouwd als bondgenoten van oud-president Dos Santos. In augustus 2020 werd José Filomeno dos Santos, zoon van Angola's oud-president, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens fraude en corruptie.In de daaropvolgende maanden bleven er leden van het oude regime vallen, wat Lourenço in de binnenlandse media de bijnamen "Buldózer" en "Terminator" opleverde.

President Lourenço was duidelijk van plan de zaken anders te regelen dan zijn voorganger. Er was een scherp contrast in zijn engagement met de Angolese bevolking. Er deden verhalen de ronde dat hij in oktober 2017 was gesignaleerd terwijl hij in de rij stond bij KFC, en dat hij zich in juni 2018 met First Lady Ana Dias (zelf econoom met ervaring bij de Wereldbank en het IMF) op een strand bij Luanda onder het publiek had begeven.

Een droogte in 2016 veroorzaakte de ergste voedselcrisis in zuidelijk Afrika in 25 jaar, en trof 1,4 miljoen mensen in zeven van de 18 provincies van Angola. De voedselprijzen stegen en het aantal gevallen van acute ondervoeding verdubbelde, waarbij meer dan 95.000 kinderen werden getroffen.

De familieleden van voormalig president Dos Santos waren niet blij met deze gang van zaken en spraken zich er publiekelijk over uit dat zij het doelwit waren vanwege hun achternaam. Op 8 januari 2018 heeft president Lourenço in een openbare toespraak rechtstreeks op deze bezorgdheid gereageerd: We vervolgen geen individuen, maar situaties waarvan bewezen is dat ze schadelijk zijn voor de publieke belangen van de staat'. Drie dagen later ontsloeg hij José Filomeno dos Santos ("Zenú"), die was aangesteld als hoofd van de openbare aanklagers van Angola een fraudeonderzoek was begonnen tegen Zenú, in verband met illegale overdracht van 500 miljoen dollar uit het staatsinvesteringsfonds terwijl hij onder zijn leiding stond. In zijn belangrijkste stap om de toekomstige invloed van de familie dos Santos in Angola te beperken, heeft Lourenço op 8 september 2018 het voorzitterschap van de MPLA overgenomen, dat José Eduaro dos Santos zelfs na zijn aftreden had bekleed.

De strijd tegen corruptie van president Lourenço ging gepaard met inspanningen om de Angolese economie te hervormen. De nadruk is gelegd op een effectievere integratie in de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC), en ook op het volgen van de IMF-richtlijnen om af te stappen van olieafhankelijkheid. In mei 2018 werden nieuwe visumregels ingevoerd om het voor buitenlanders, vooral andere SADC-burgers, veel gemakkelijker te maken om Angola te bezoeken. Op 20 augustus 2018 kondigde het Ministerie van Financiën van Angola aan dat het een steunprogramma van $ 4,5 miljard zou vragen van het IMF om hun Macro-economisch Stabilisatieprogramma (PEM) tegen 2022 te helpen implementeren. In het verleden werden deze steunpakketten van het IMF actief vermeden, omdat ze komen met aanzienlijke verplichtingen op het gebied van transparantie. Opnieuw gaf president Lourenço een duidelijke boodschap dat het deze keer anders zou zijn.

In augustus 2020 werd José Filomeno dos Santos, zoon van Angola's oud-president, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens fraude en corruptie.

João Lourenço, president van Angola
Photo: Jérémy Barande CC BY-SA 2.0 no changes made

In 2021 heeft de Banco Nacional de Angola, als gevolg van de herziening van artikel 100 van de grondwet van de Republiek Angola de status van onafhankelijke monetaire autoriteit verkregen. De volgende parlements- en presidentsverkiezingen vinden naar verwachting plaats in augustus 2022.

Angola is van plan een metro te laten rijden in de hoofdstad Luanda. Het Duitse vervoersbedrijf Siemens Mobility zal de sneltram, start van de bouw waarschijnlijk in 2022, bouwen in het kader van een publiek-privaat partnerschap. Het traject zal naar schatting 149 km lang zijn en ongeveer 3,5 miljard dollar kosten.

Angola ontving in maart 2021 de eerste lading vaccins tegen Covid-19, 624.000 doses van het vaccin dat werd ontwikkeld door Oxford/Astrazeneca, geproduceerd in India en gedoneerd in het kader van COVAX, een initiatief van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Angola is met de vaccins het derde Afrikaanse land geworden, na Ghana en Ivoorkust, dat de COVAX-zendingen ontving. Angola heeft tot dusver, 17 juli 2022, 1900 sterfgevallen en 99.761 gevallen van covid-19 geteld sinds het begin van de pandemie in 2020.

José Eduardo dos Santos, ooit een van de langstzittende heersers van Afrika, die gedurende bijna vier decennia als president van Angola de langste burgeroorlog van het continent uitvocht en van zijn land een belangrijke olieproducent maakte, maar ook een van de armste en meest corrupte naties ter wereld, overleed op vrijdag 8 juli 2022. Hij werd 79 jaar en overleed in een kliniek in Barcelona, Spanje.

Mijnwerkers in Angola hebben een zeldzame zuivere roze diamant opgegraven waarvan wordt aangenomen dat het de grootste is die in 300 jaar is gevonden.
De 170 karaat roze diamant - genaamd The Lulo Rose - werd ontdekt in de Lulo-mijn in het diamantrijke noordoosten van Angola en behoort tot de grootste roze diamanten ooit gevonden, zei de Australische Lucapa Diamond Company in een verklaring aan investeerders.
De "historische" vondst van dit type IIa diamant, een van de zeldzaamste en zuiverste vormen van natuurlijke stenen, werd uiterard erg verwelkomd door de Angolese regering, die ook een partner in de mijn is. "Deze vondst laat Angola zien als een belangrijke speler op het wereldtoneel," zei Angola's minister van Minerale Hulpbronnen, Diamantino Azevedo.
De diamant zal bij een internationale aanbesteding worden verkocht, waarschijnlijk voor een duizelingwekkende prijs. Hoewel de Lulo Rose zou moeten worden geslepen en gepolijst om zijn werkelijke waarde te kunnen bepalen, een proces waarbij een steen 50 % van zijn gewicht kan verliezen, zijn vergelijkbare roze diamanten verkocht voor recordprijzen. De 59,6 karaat Pink Star werd in 2017 op een veiling in Hongkong verkocht voor 71,2 miljoen US dollar. Het blijft voorlopig de duurste diamant ooit verkocht.

ANGOLA LINKS

Advertenties
• Hotels Luanda
• Hotels Trivago
• Boeken, ook tweedehands, over ANGOLA bij Bol.com

Nuttige links

Angola Reisstart (N+E)
Angola Startnederland (N+E)
Willgoto Angola (N)