Landenweb.nl

VENEZUELA
Het contrast van Caracas

Tekst: Joyce Frey.

Al vroeg in de morgen was ik in Frankfurt geland, waar ik moest overstappen. Daar zocht ik mijn vriendin, die lang met me gewerkt had. We zouden samen, voor drie weken, naar Venezuela reizen.
Al vlug had ik haar gevonden. Ze vloog op me af en omarmde me. In de wachtruimte gingen we praten over dingen, die we gedaan hadden sinds zij terug naar haar vaderland, Duitsland vertrokken was. In het vliegtuig zat een oudere man naast me.

Hij beweerde negentig jaar te zijn. Als hij negen en zestig had gezegd, had ik dat ook geloofd. Hij vertelde dat hij al twintig jaar in Venezuela leefde en af en toe naar zijn familie in Duitsland ging. Hij vertelde ook, dat er nu in Venezuela carnaval was.

Daar gooide men emmers water over je heen, in plaats van confetti. Na tien uur vliegen kwamen we aan in Caracas. Caroline sleepte een koffer mee, die vier keer zo zwaar was als de mijne. Uit het vliegtuig gekomen, sloeg een broeiende hitte ons tegen.

Wij, die uit de kou kwamen, moesten er even aan wennen. Buiten het vliegveld stond een vrouw ons op te wachten. Wij moesten nog een heel stuk naar haar auto lopen. Caroline sleepte zich kapot met haar zware koffer. Toen we de auto bereikt hadden konden we naar de stad rijden.

Eerst passeerden we een berghelling, waar hele dorpen uit blikbussen gebouwd waren.
Annette, de reisleidster, vertelde dat hier de aller armste woonden. Ook dat elk jaar in de regentijd, een stuk van de berg weggespoeld werd. Met meerdere behuizingen én mensen. Maar niemand gaf er wat om, dat hier mensen in de modderlawines stierven.

Mensen waren hier al sowieso al veel te veel . Onder aan de berg lagen nog hopen afval.
Zelfs op de straat.
De eerste indruk van deze stad was zeer deprimerend. Ook de oude auto's, die rookten en dreigde bijna uit elkaar te vallen, maakte geen positieve indruk.

De mensen die bij de sleepdienst werkten, hadden de beste jobs, want zij waren constant bezig met auto-lijken uit het verkeer te halen, zodat de anderen dan weer door konden rijden. We gingen de twintowers voorbij en reden door een tunnel.
Na een half uur stopte de auto voor ons hotel, dat een stuk boven de stad lag.

Anette waarschuwde ons niet te vroeg naar bed te gaan. We moesten ons direct aan de veranderde tijd aanpassen, anders zouden we midden in de nacht wakker worden. Caroline ging onder de douche. Zoals ik haar kende, zou dat een eeuwigheid duren.

Ik stond op het balkon en bekeek de omgeving. In de verte waren bergen. Daarvoor liep een autoweg. Op de flanken van de berg zag ik weer blikhutten. Een etage lager lag het zwembad van het hotel. Maar daarvoor zouden we weinig tijd hebben.

Toen we weer fris waren gingen we een stuk lopen. Ik had een kaartje van het hotel meegenomen, voor het geval we zouden verdwalen. Ik wilde maar een klein stukje gaan, maar je weet nooit waar je terecht komt. We kwamen in een smalle straat, dat al een beetje op een achterbuurt leek. Ik zag een paar mensen en kinderen bij elkaar staan. een van de kinderen had een rode emmer in de hand.

We liepen er voorbij. Ik hoorde een vrouw schreeuwen: " Non !!" Toen ik om keek zag ik een geschrokken vrouw met de hand voor de mond staan. Maar dat was nog niet alles. Wij waren drijfnat. Het kind had de emmer met water tegen ons leeg gegooid. Het was doodstil in de straat, zelfs de vogels waren opgehouden met zingen. de mensen keken ons angstig aan. Twee toeristen, die klieder nat waren.

Om de situatie te redden maakte ik en sprong in de lucht, ik stak de armen omhoog en klapte al roepend :" Bravo, bravo." iedereen lachte, alleen Claudia niet. Zelfs de vogels gingen weer zingen.

Voor we verder gingen zwaaide ik naar de mensen. ik hoorde ze lachen en weer opgewekt met elkaar praten. Nog nat liepen wij naar een restaurant op de hoek van de straat. We dronken een cola en gingen terug naar het hotel om daar aan het zwembad te gaan luieren.
Het was laat in de middag, maar wij hadden het gevoel dat het tijd was om naar bed te gaan.

De volgende morgen gingen we met Anette naar de stad. We reden langs moderne gebouwen, waar tussen door de krottenwijken te zien waren. Rijk en arm ligt hier dicht bij elkaar. ik verbaasde me over de reinheid van de stad en vroeg of dat altijd zo was.

Anette vertelde dat vorige week de paus was geweest en de hele stad had daarom een goede beurt gekregen. We wachten voor een stoplicht.
Op de vluchtheuvel staat een jongen met zweren en bulten over heel zijn lichaam. Hij was zo dun, dat hij bijna niet meer op zijn botten kon staan.

Het kind huilde. Anette draaide het raampje open en vroeg wat er aan de hand was. Hij zij dat er kermis was waar hij niet heen kon, omdat hij geen geld had. Hij ging zo graag een cola drinken. Anette gaf de jongen wat geld. Ik keek haar vragend aan, omdat ze ons gezegd had nooit die kinderen nooit geld te geven.

De ouderen zouden het afpikken, om zelf wat alcohol te kopen. Als we iets wilde geven moest het om te eten of te drinken zijn.
Maar zij dacht dat het kind geen lang leven meer zou hebben. Misschien kon hij met dat geld nog een paar mooie minuten hebben.
Wij wilden ook iets gaan drinken.

Verder lezen >> www.reisimpressies.eu - Caracas